THEODORUS FABER

Theodorus Faber (1600 ? - 1659) woonde en werkte het grootste deel van zijn leven in de stad Groningen. Hij was kandidaat-theoloog, autodidactisch orgelmaker en schilder. Hij was in de Groningse bestuurlijke organen en kunstkringen een invloedrijk en geacht man en genoot bovendien als orgelmaker nationaal aanzien.
Naast drie nieuw gemaakte orgels, te weten de instrumenten in Zeerijp (1645-51, zijn eerste volledig nieuwe meesterwerk), Coevorden (1657-58) en Groningen, Der Aa-kerk (1654-59), voerde hij een aantal reparaties uit en keurde hij het werk van andere orgelmakers. Ook repareerde hij af en toe klokken en schilderde hij cartouches zoals te Zeerijp. Hij stierf in 1659, na een slepende ziekte, tijdens het werk aan het grote nieuwe orgel voor de Der Aa-kerk te Groningen. Hij liet het onvoltooid na. In 1667 zou Jacobus Galtus van Hagerbeer dit grootste werk in de toenmalige Nederlandse republiek opleveren.

Fabers werk is een geheel eigen synthese tussen de regionale Groningse orgelbouwstijl en de Noordduitse traditie. Hierbij zijn orgelbouwers als de familie De Mare, Edo Evers, Anthoni Verbeeck en met name Anthoni Waelckens voor Faber van grote betekenis geweest. Het werk van Faber was eerder een samenvatting van voorgaande stijlen dan dat het op vernieuwing gericht is geweest. Zijn instrumenten moeten hebben geklonken overeenkomstig de opvattingen van de late Renaissance stijl: verfijnd, zingend en niet doordringend luid. De monumentale en toch ranke orgelkas te Zeerijp geldt als een der fraaiste 17de-eeuwse orgelmeubelen in Nederland.