Havo    Globalisering

Antwoorden

 

 Index Globalisering havo

Hoofdstuk 1 Bedrijven en staten

 

Opdracht 1

a.   Wal-Mart Stores, dit is een warenhuis (dienstensector), geen productiebedrijf.

b.   Aantal buitenlandse vestigingen, notering op de beurs, winstuitkering op aandelen, omvang van de bedrijven. Toegevoegde waarde.

c.   Toegevoegde waarde.

Bruto Nationaal Product = de som van alle bruto toegevoegde waarde voortgebracht door alle sectoren in een land in een jaar tijd + ambtenarensalarissen.

Omzet = de totale waarde (totale opbrengst) van de verkopen (afzet) in een bepaalde periode.

Er zou gekeken moeten worden naar de toegevoegde waarde van het bedrijf, de opbrengsten minus de inkoopkosten. De toegevoegde waarde geeft de waarde van de productie van het bedrijf weer.

d.   General Motors, omzet per werknemer = 176.558 miljoen/338.000 = 522.360 dollar.

Ford, omzet per werknemer = 162.558 miljoen/365.000 = 445.364 dollar.

Exxon Mobil, omzet per werknemer = 163.881 miljoen/106.000 = 1.546.047 dollar.

Royal Dutch/Shell Group, omzet per werknemer = 105.366 miljoen/96.000 = 1.097.562 dollar.

Gekeken naar de twee grootste auto-industrieën en de twee grootste oliemaatschappijen, blijkt dat de omzet per werknemer in de oliemaatschappijen veel hoger ligt.

e.   Oliemaatschappijen, er werken veel minder mensen. Veel van de arbeidsprocessen zijn geautomatiseerd.

f.    Wal-Mart Stores is erg arbeidsintensief, het is een warenhuis waar veel mensen in de verkoop werken. Het werk kan moeilijker worden geautomatiseerd/gerobotiseerd.

g.   De mensen zijn nodig in de winkel in het betreffende land, dit werk kan niet worden uitbesteed!

 

Opdracht 2

a.

Ontwerp & research

Nike

Fabricage onderdelen

uitbesteed aan:

1. Developing sources

2. Developed partners

3. Volume producers

Marketing

Nike

Distributie

Nike

b.   Het aanbod van arbeid is groter dan de vraag. Om toch aan inkomen te komen, nemen de werknemers genoegen met de slechte arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden.

c.   De loonkosten zijn in de VS te hoog. Ook zijn de milieueisen in de VS scherper dan in lagelonenlanden, wat onder andere gevolgen heeft voor de arbeidsomstandigheden, wat extra kosten met zich meebrengt.

d.   Nike heeft een code of conduct aangenomen in 1992 om de arbeidsomstandigheden in de fabrieken te verbeteren.

 

Opdracht 3

a.   Telefax opereert op een markt waar nieuwe versies van producten elkaar razendsnel opvolgen. Vaak is een product nog maar net uit of een nieuwere versie met nog meer snelheid of nog meer mogelijkheden is alweer voorradig. (Overweging kan zijn het behouden of verkrijgen van een zo groot mogelijk marktaandeel.) Er moet dus zo snel mogelijk uit de kosten gekomen worden.

b.   De TCK/break-evenafzet = € 750. De verkoopprijs is ook € 750. De TVK zijn echter nog niet bekend, wat betekent dat bij een verkoopprijs van € 750 er verlies wordt gedraaid.

c.   TCK/break-evenafzet = € 500. De verkoopprijs is € 550, de GVK mogen maximaal € 50 bedragen.


Opdracht 4

a.   De omzet is in 2000 10% minder dan in 1999. De omzet in 2000 is 90% van de omzet in 1999.

De omzet in 1999 is (2.880.000/90) x 100 = € 3.200.000.

b.   De gemiddelde variabele kosten = totale variabele kosten / aantal verkochte fietsen.

€ 2.050.000 / (2.880.000/800) = € 569,44.

De gemiddelde constante kosten = totale constante kosten / aantal verkochte fietsen.

€ 850.000 / (2.880.000/800) = € 236,11.

c.   In 1999 zijn de GTK = (TVK + TCK / aantal verkochte fietsen) = 769,44, de verkoopprijs exclusief btw bedraagt € 800, dat is een verhoging van 3,97%.

d.   In 2000 is de winst = TO - TK = 2.880.000 - 2.900.000 = € -20.000.

In 1999 is de winst = TO - TK = 3.200.000 - 2.770.000 = € 430.000.

De winst in 2000 is met € 450.000 gedaald, van + € 430.000 naar € -20.000.

e.  

jaar

TVK

TCK

verkoopprijs per fiets

2004

€ 1.435.000

€ 1.100.000

€ 665,57

Loonkosten 2004: 60% daling over 50% van TVK = 2.050.000/2 x 40% = 410.000.

3600 x 1,1 = 3960 fietsen.

GTK = TVK + TCK / aantal fietsen = 640,15, verkoopprijs is GTK + 3,97% = € 665,57.

 

Opdracht 5

a.   Minder administratief personeel, afstemmen van vluchtbestemmingen, schrappen van overlappende vluchten.

b.   Door het verlagen van de constante kosten kan het break-even-punt lager komen te liggen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van elkaars faciliteiten (waaronder technische ondersteuning). Door het verlagen van de variabele kosten zijn er minder baliemedewerkers nodig. Het bedrijf produceert goedkoper, dus er hoeft minder verkocht te worden om uit de kosten te komen.

c.

     

d.   Grote allianties kunnen schaalvoordelen behalen waardoor ze een lagere stoelprijs kunnen berekenen. Zij kunnen zonder verlies te lijden een lagere prijs hanteren. Grotere allianties beschikken over meer financiële middelen en kunnen dus ook langer de verliezen opvangen dan de kleinere allianties.

e.   Door de vorming van allianties neemt het aantal marktpartijen af. Het is makkelijker om prijsafspraken te maken bij een kleiner aantal marktpartijen. Hierdoor ontstaan prijskartels, waardoor de prijsconcurrentie wordt beperkt.

In een marktsituatie van oligopolie zal men een concurrentiestrijd op prijs proberen te vermijden en zal men op andere manieren met elkaar concurreren, bijvoorbeeld door reclame en service.


f.    Stel dat de constante kosten voor EasyJet = 100, dan zijn de constante kosten voor de grote alliantie 100 - 20% = 80.

De gemiddelde constante kosten zijn voor de alliantie = TCK/q = 80/120.

Stel dat bij x stoelen de kleine alliantie dezelfde gemiddelde constante kosten heeft, dat wil zeggen GCK = 100/x = 80/120 dus x = 100/80 x 120 = 150.

Bij 150 stoelen in het vliegtuig bij EasyJet zijn de gemiddelde totale kosten gelijk, bij 151 stoelen worden de gemiddelde totale kosten lager.

g.   Voeren van een prijsoorlog. Bieden van betere service. Meer reclame.

 

Opdracht 6

a.   uitspraak 1 = juist.

uitspraak 2 = onjuist.

uitspraak 3 = onjuist.

b.   Verbeteringen van de transportmogelijkheden, bijvoorbeeld door het verminderen van de files of uitbreiding van het wegennetwerk of de aanleg van de Betuwelijn.

Verbeteringen van de communicatiemogelijkheden, bijvoorbeeld het aanleggen van glasvezelkabel in het hele land of het uitbreiden van het mobiele netwerk.

c.   Hoog opleidingsniveau van werknemers.

Automatisering en mechanisering van productieprocessen.

d.   Staat niet in het artikel. Eventueel kan men denken aan goede bereikbaarheid, infrastructuur, strategische ligging of zelfs de verwachte verslechtering van de arbeidsvoorwaarden van werknemers in Nederland, waaronder flexibilisering van arbeidstijden valt.

e.   Indien de lage loonkosten worden bereikt door het verhuizen van de productie naar lagelonenlanden zoals Polen, kan de arbeidsproductiviteit dalen indien er in verhouding meer arbeid wordt ingezet dan kapitaal. De arbeidsproductiviteit kan ook dalen door het lagere opleidingsniveau van werknemers in of uit lagelonenlanden.

 

Opdracht 7

a.

     


b.

     

c.   Hoogconjunctuur, laagconjunctuur, recessie.

d.   Hoogconjunctuur: stijging reëel nationaal inkomen, daling werkloosheid, stijging I, hoge stand lange rente.

Laagconjunctuur: daling of stagnering reëel nationaal inkomen, daling arbeidsproductiviteit, daling I, hogere stand lange rente.

Recessie: daling reëel nationaal inkomen, daling arbeidsproductiviteit, daling I, toename werkloosheid, lage stand lange rente.

e.   Door de stijging van de arbeidsproductiviteit. Het productievolume kan daardoor groeien zonder dat er meer arbeid voor nodig is.

 

Opdracht 8

a.   Nederland: 35% vennootschapsbelasting over € 10 miljoen = € 3,5 miljoen belasting.

Ierland: 10% vennootschapsbelasting over € 5 miljoen = € 500.000 belasting.

De winst is dan 6,5 + 4,5 = € 11 miljoen.

b.   Indien het dochterbedrijf in Nederland geregistreerd staat als zelfstandig bedrijf, en het moederbedrijf staat in Ierland, moet toch het Nederlandse belastingtarief worden betaald. Alleen als het dochterbedrijf geregistreerd staat in Ierland, moet het Ierse tarief betaald worden.

c.   De kosten van het Nederlandse moederbedrijf nemen toe met € 5 miljoen. De winst neemt af met € 5 miljoen tot € 5 miljoen voor het Nederlandse moederbedrijf.

De inkomsten van de Ierse dochteronderneming nemen tot met € 5 miljoen. De winst neemt met hetzelfde bedrag toe tot € 10 miljoen.

Dit leidt tot een grotere winst, de belasting die nu betaald moet worden over de winst wordt:

– Ierland: 10% over € 10 miljoen = € 1 miljoen.

– Nederland: 35% over € 5 miljoen = € 1,75 miljoen.

De winst is dan 9 + 3,25 = € 12,25 miljoen.

d.   De ondernemer moest over zijn inkomen 45% = € 300.000 x 45% = € 135.000 aan belasting betalen.

e.   De ondernemer moet over het inkomen uit loon 43% belasting betalen = 43% x € 100.000 = € 43.000.

Aan vennootschapsbelasting is de ondernemer 35% over € 200.000 = € 70.000 kwijt. In totaal betaalt hij nu € 43.000 + € 70.000 = € 113.000 belasting.

f.    Hoe lager het inkomen van de ondernemer, hoe lager zijn gemiddelde tarief. Dit voordeel gaat op totdat het gemiddelde tarief dat de ondernemer moet betalen over inkomsten uit loon 35% is. Dit is het tarief dat hij kwijt is aan vennootschapsbelasting op het geld dat hem als winst toekomt. Het marginale tarief van de loonbelasting bedraagt 52%, terwijl de vennootschapsbelasting 35% is. Minder loon betekent meer winst en aangezien winst minder wordt belast dan loon is het voordelig om zijn loon te verlagen.

g.   Dochter in Andorra, kost de ondernemer € 100.000. Dat betekent dat de winst verlaagd wordt met € 100.000. Dus betaalt de ondernemer nu over looninkomsten € 43.000 belasting en over de winst (in Nederland) betaalt hij € 35.000 belasting.

In totaal is het belastingvoordeel € 35.000, hij betaalt nu € 78.000.


Opdracht 9

a.   Gebruik en verbruik van goederen is duurder geworden door het verhogen van het hoogste BTW-tarief.

b.   De inkomstenbelasting ging omlaag, wat leidde tot een grotere koopkracht en de loonkosten voor de bedrijven gingen naar beneden.

c.   Een groot aantal aftrekposten werd afgeschaft, voornamelijk hogere inkomensklassen profiteerden van deze aftrekposten. Vermogen wordt effectiever belast.

d.   Verhoging BTW werkt denivellerend.

e.   Het gemiddelde belastingtarief voor J. Modaal is:

Inkomen = € 30.000

Vermogen = € 10.000

Belasting over inkomen:

14.869 x 32,35%     = 4.810

12.139 x 37,6%       = 4.564

2.991 x 42%           = 1.256

totaal                     = 10.630

Algemene heffingskorting en arbeidskorting = 2.496.

Totale belasting die J. Modaal betaalt = 10.630 - 2.496 = 8.134.

Het gemiddelde belastingtarief = 8.134/30.000 x 100 = 27%.

f.    Het gemiddelde belastingtarief voor P. de Rijk is:

inkomen 90.000 + eigenwoningforfait 3.200 - hypotheekrente 17.500 = 75.700.

vermogen 50.000 - vermogensvrijstelling van 17.600 = 32.400.

14.869 x 32,35%     = 4.810

12.139 x 37,6%       = 4.564

19.299 x 42%         = 8.105

29.390 x 52%         = 15.282

totaal                     = 32.761

32.761 - heffingskorting 2.496 = 30.265.

Vermogensbelasting = 1,2% van 32.400 = 388.

Totale belasting = 30.653.

Het gemiddeld belastingtarief van P. de Rijk is 30.653/90.000 x 100 = 34%.

g.  

J. Modaal

inkomen

belasting 35%

 

30.000

10.500

P. de Rijk

inkomen

belasting 35%

 

90.000

31.500

h.   Voor: het is duidelijk; iedereen betaalt hetzelfde percentage ongeacht inkomen.

Tegen: in verhouding betalen lagere inkomens meer belasting; zij houden veel minder geld over van hun inkomen. Het werkt denivellerend.

 

Opdracht 10

a.   1,3%.

b.   Het omslagstelsel betekent dat de werknemers die werken, geld opzij zetten voor de betaling van de AOW. Als de verhouding tussen werkenden en AOW-ers verslechtert, nemen de kosten voor de werkenden toe, wat kan leiden tot een financieringsprobleem.

c.   Het bedrag dat is gestort in het reservefonds 18% - 17% van 280 miljard euro = 28 miljard euro.

d.   Bij reservefonds is de premie in 2020 18%.

Zonder reservefonds is de premie opgelopen tot 22% in 2020, dat is 22/18 x 100 = 122,2, dus 22,2%.

 

Opdracht 11

a.   Het BNP bedraagt in 1996 25,34 x 1,536 = 38,92224.

De bevolking bestaat uit 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200.

Het BNP per hoofd bedraagt: 38,92224 miljard pond/3.440.200 = 11.314 pond.

b.   De index van het reële inkomen in 1996 bedraagt: 153,6/112,6 x 100 = 136,4120781.

De stijging bedraagt 36,41%.

c.   De inflatie in Ierland bedroeg in 1996 112,6 - 110/1,1 = 2,36%.

Volgens het inflatiecriterium mag de inflatie maximaal 1,5% + 1% = 2,5% bedragen, zodat Ierland aan het betreffende criterium voldeed.


d.   Het BNP bedraagt in 1995: 25,34 x 1,327 = 33,62618 miljard pond.

De ontvangsten van Ierland bedragen 0,044 x 33,62618 = 1,48 miljard pond.

e.   Het BNP is relatief sterk gestegen waardoor de ontvangsten uit de EU ondanks een kleine stijging in ponden een kleiner deel uitmaken van het BNP.

f.    Door investeringen in onderwijs kan de kwaliteit van de productiefactor arbeid verbeteren.

g.   Een toename van de bestedingen aan onderwijs leidt tot een toename van het nationale inkomen waardoor de bestedingen en het nationale inkomen in volgende periode verder stijgen.

 

Opdracht 12

a.   De productie in Spanje zou moeten worden stilgelegd. In andere lidstaten kan efficiënter en goedkoper worden geproduceerd.

b.   Investeringen in onderwijs, verbetering van de infrastructuur en verbetering van de communicatiemogelijkheden. Eventueel subsidie voor de industrie om deze aan te kunnen passen tot de Europese standaard.

c.   Door een devaluatie van de munt kan Groningen goedkoper worden ten opzichte van de rest van de EU. Arbeid zou goedkoper worden, waardoor er werkgelegenheid wordt aangetrokken.

d.   Solliciteren en verhuizen naar overige delen van Nederland.

e.   Wisselkoersen, het omwisselen van het geld kost geld. Beperkte geldigheid van de munten. Te klein gebied. Wisselkoersrisico’s.

 

Opdracht 13

a.   Op het moment dat een minimumprijs is gegarandeerd bij welke hoeveelheid dan ook, zullen boeren en ondernemers meer gaan produceren dan noodzakelijk, aangezien ze weten dat ze een minimumprijs zullen ontvangen.

b.   Bij een perfect werkend prijsmechanisme zouden de productieoverschotten leiden tot een daling van de prijs, waardoor de overschotten weer verkocht zouden kunnen worden.

c.   Maximale totale winst: opbrengst - kosten = 160.000 x € 1,5 - 160.000 x € 1 = € 80.000.

d.   Melkkoeien leverden minder op. Het was niet meer voordelig om meer dan 100.000 liter melk te produceren. Dat betekende voor de boeren dat een inkrimping van de veestapel beter was, dus de koeien werden geslacht. Dit leidde tot een toename van het aanbod van rundvlees, wat een daling van de prijs tot gevolg had.

e.   De garantieprijzen liggen vaak hoger dan de prijs die op de vrije markt tot stand zou komen.

f.    Een productietekort leidt tot hogere prijzen en door het productietekort kan er niet worden voldaan aan de vraag.

 

Opdracht 14

a.   De internationale handel in goederen en diensten neemt toe. Dat betekent dat er meer geproduceerd moet worden, wat betekent meer werkgelenheid.

b.   De overheid treedt terug, er zijn minder handelsbarričres, de Europese bedrijven moeten concurreren met andere landen ter wereld en zullen dus hun producten concurrerend moeten maken. Onder andere via een verhoging van de arbeidsproductiviteit, bijvoorbeeld door innovatie. Bovendien verdwijnt arbeid met een lage arbeidsproductiviteit naar lagelonenlanden.

c.   De milieuorganisaties zullen niet blij zijn; meer handel gaat gepaard met grotere milieuvervuiling. Groepen binnen de samenleving die niet kunnen meekomen en werkloos zijn, zullen merken dat er minder solidariteit is, wat tot uiting kan komen in hun uitkering of kansen op de arbeidsmarkt. Door een terugtredende overheid neemt de solidariteit af.

d.   Het scenario van de regionale samenlevingen. Internationale handel neemt niet toe. Door zich te richten op kleine economische blokken kan men niet profiteren van internationale handel en neemt de productie van goederen en diensten veel minder hard toe.

e.   Het betreft de transatlantische markt. Internationale samenwerking gaat moeizaam en ook de samenwerking met de Verenigde Staten verloopt niet meer soepel. De groeiende groep ouderen handhaaft het dure stelsel van de AOW. Het draagvlak onder de jongeren is echter slecht, wat leidt tot hogere werkloosheid en arbeid die onaantrekkelijk is.


Opdracht 15

a.   Leer de begrippen uit de begrippenlijst.

b.

     

 

Opdracht 16

a.   Voor ontwikkelingslanden is het niet meer noodzakelijk om een uitgebreid vast telefoonnetwerk (infrastructuur) aan te leggen. Zij kunnen gebruik maken van de wet van de remmende voorsprong. Zij hoeven niet alle stappen in de technologische ontwikkeling geheel te maken, zij kunnen meteen inspringen op een hoger niveau. Afstanden worden overbrugd door het gebruik van satellieten. Iedereen kan (bijna) overal op de wereld bereikt worden.

b.   Er is een groot tijdsverschil tussen Bangalore India en Texas. Het is dus belangrijk dat er ook ’s nachts wordt gewerkt.

c.   In Rajastan, van 39% die konden lezen en schrijven in 1991 tot 61% in 2001.

d.   In Tamil Nadu en Haryana.

e.   Er is weinig werk in de formele economie. Veel gezinnen zetten eigen kleine bedrijfjes op die niet worden geregistreerd. Vaak werkt de hele familie mee.

f.    Er is veel arbeidsintensief werk en handwerk dat gedaan wordt door kleine informele bedrijfjes.

g.   In India verdient een IT-specialist 10x het salaris van een medewerker in een callcenter. In Amerika verdient een IT-specialist 4,8x het salaris van een medewerker van een callcenter. In Amerika zijn de lonen het meest genivelleerd.

h.   Door de toegenomen vraag naar producten en diensten als gevolg van de investeringen groeit de Indiase economie, de effectieve vraag neemt toe = conjunctureel effect.

i.    Door de toegenomen investeringen neemt de productiecapaciteit toe = structureel effect.

 

Opdracht 17

a.   Op het moment dat er een hoge prijs wordt gegarandeerd voor graan uit de EU is het niet verstandig om grote hoeveelheden graan voor een lager bedrag in te voeren. Hierdoor neemt het aanbod teveel toe, waardoor de garantieprijs niet gehandhaafd zou kunnen worden omdat de prijs op de markt teveel zou dalen. De kosten voor de garantieprijs zouden te hoog worden.

b.   Voor kleine boerenbedrijven zijn de kosten relatief hoog, zij kunnen niet maximaal produceren. Als de garantieprijs zou worden afgeschaft zouden ze geen winst meer maken en failliet gaan.

c.   Omdat de WTO de organisatie is die vrije wereldhandel bepleit. De maatregel van de EU is protectionistisch en gaat in tegen het vrije handelsprincipe.

d.   De prijs zal maximaal € 10 mogen zijn. Bij € 10 zijn de kosten voor 2 kg tapioca even hoog als voor 1 kg graan, bij een hogere prijs voor tapioca is het aanschaffen van tapioca niet meer rendabel en zal men graan blijven kopen.

Opdracht 18

a.   Als de EU geen garantieprijs voor graan hanteert en de import van landen buiten de EU toeneemt, zal de prijs op het niveau van de wereldmarktprijs komen te liggen door het grote overschot aan graan in de EU.

b.   40 - 17,50 = 22,50 cent per kilo.

c.   Er is een overschot van 30 miljard kilo.

d.   160 miljard kilo x 0,4 = € 64 miljard.

e.   De EU koopt 30 miljard kilo graan op tegen 22,50 cent per kilo = 30 x 0,225 = € 6,75 miljard.

De EU dumpt de 30 miljard kilo graan voor 15 cent per kilo = 30 x 0,15 = € 4,5 miljard.

De totale kosten voor de EU bedragen 6,75 - 4,5 = € 2,25 miljard.

f.    Bij een aanbod van 140 miljard kilo is de prijs 35 cent per kilo; 140 x 0,35 = € 49 miljard.

g.   Inkomensderving van de graanboeren is volgens de EU 20 miljard kilo x 0,35 cent = € 7 miljard.

De totale kostendaling voor de graanboeren is € 5 miljard.

De inkomenscompensatie bedraagt 7 - 5 = € 2 miljard.

 

Opdracht 19

a.   18,4 - 9,8 = € 8,6 miljard.

b.   Tussen de 115 en 124. De omzet in de akkerbouw kan alleen gestegen zijn als de stijging van het indexcijfer van de afzet groter is dan de daling van het indexcijfer van de verkoopprijs.

c.   Gedaald. In 1999 bedraagt het aandeel 37,50/84,51 x 100 = 44,4%.

d.   100 - 75,3/75,3 x 177,9 = $ 58,4 miljard.

e.   Een tekort. Export - import = 11,3 - 16,4 = $ -5,1 miljard.

 

Opdracht 20

a.   TVK = GVK x q = 50.000 x 5 = 250.000.

TCK = TK - TVK = 750.000 - 250.000 = 500.000.

of GCK = GTK - GVK = 15 - 5 = 10.

TCK = GCK x q = 10 x 50.000 = 500.000.

b.   Het break-even-punt (kosten zijn gelijk aan de opbrengsten) TO = TK.

TO = p x q = 10q.

TK = TVK + TCK = 5q + 500.000.

TO = TK 10q = 5q + 500.000 = 5q = 500.000 = q = 100.000

c.

     

d.   Zie grafiek.

e.   TO = 50.000 x 10 + 50.000 x 8 = 900.000.

TK = TCK + TVK = 500.000 + 100.000 x 5 = 1.000.000.

Het totale verlies is nu € 100.000.

Het totale verlies is dus gedaald met € 150.000 (250.000 - 100.000).

f.    Doordat de prijs hoger blijft dan de GVK zal de ondernemer bij vergroting van de verkoop een steeds groter deel van zijn constante kosten terugverdienen.

 

Opdracht 21

a.   Er zijn weinig aanbieders die een groot deel van de markt in handen hebben. De zes genoemde merken hadden in 2003 een marktaandeel van 61%. Dat van alle andere merken bedroeg 39%.

b.   Daar is sprake van monopolistische concurrentie. De aanbieders zijn de autodealers (garages) en de vragers zijn de consumenten.

c.   Een prijsstijging van de complementaire goederen van auto’s kan de vraag naar auto’s doen dalen. Als de prijs van benzine hoger wordt, wordt het gebruik van de auto duurder en zullen er minder nieuwe auto’s worden gevraagd omdat het te duur wordt om auto te rijden.

d.   Omdat een prijsverlaging niet hoeft te leiden tot een vergroting van het marktaandeel als de andere partijen ook hun prijs verlagen. Er bestaat het gevaar van een prijzenoorlog die nadelig is voor alle aanbieders.

e.   De prijselasticiteit geeft de mate aan waarin verandering van de gevraagde hoeveelheid reageert op een verandering van de prijs. Als de vraag relatief inelastisch is, zal de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid kleiner zijn dan de procentuele verandering van de prijs, p x q zal dalen, de omzet zal afnemen.

f.    Betere service, reclame, sponsoring, aantal verkooppunten, kwaliteit, innovatie.

g.   Stel de totale afzet in 2000 op 100. In 2003 is de totale afzet 95% (de daling van het aantal verkochte auto’s is 5%).

Afzet van PSA in 2000 = 12% van 100 = 12%.

Afzet van PSA in 2003 = 15% van 95 = 14,25%.

De afzet van PSA in 2003 t.o.v. 2000 = 14,25/12 x 100 = 118,75, dus 18,75% hoger.

 

Opdracht 22

 

afschrijvingen

valutarisico

Nederlandse betalingsbalans

 

waardevermindering van vaste kapitaalgoederen

het risico dat de wisselkoers van de vreemde valuta verandert

overzicht van alle in geld uitgedrukte transacties van een land met het buitenland in een jaar tijd.

migratie van kapitaal, van invloed op:

kleiner

groot

groot, aantal transacties met buitenland neemt toe. Betalingsbalansoverschot.

migratie van arbeid, van invloed op:

groter

klein

klein, aantal transacties met het buitenland neemt niet toe.

– Lagelonenlanden = landen waar de lonen aanzienlijk lager liggen dan in Nederland, vaak betreft het ontwikkelingslanden in Azië, Afrika en Latijns-Amerika.

– Arbeidsproductiviteit = de gemiddelde productie per werknemer gedurende een bepaalde periode.

– Loonkosten per eenheid product = de kosten gemaakt voor arbeid per product.


Hoofdstuk 2 Vrijhandel vergroot de welvaart niet voor iedereen

 

Opdracht 1

a.   Reële loonindex = nominale loonindex / prijsindex x 100.

RIC = 98,1/98 x 100 = 100,1. Stijging met 0,1%.

b.   Door het afschaffen van handelsbelemmeringen worden goederen in de EU goedkoper, er is meer concurrentie. Door de toegenomen concurrentie wordt ook arbeid goedkoper.

c.   Tot de indirecte belastingen. De invoerheffingen worden door de producent aan het betreffende land betaald, waardoor de goederen duurder verkocht kunnen worden. De kosten voor de producent gaan omhoog.

d.   Nederland is lid van de EU en van de WTO.

e.   Qvs = de vraag naar Amerikaanse wasmachines in Nederland.

Pvs = de prijs van Amerikaanse wasmachines in Nederland, inclusief invoerheffing.

Peu = de prijs van Europese wasmachines in Nederland.

De vraag naar Amerikaanse wasmachines in Nederland hangt negatief af van de prijs van Amerikaanse wasmachines en positief van de prijs van Europese wasmachines. Als Europese wasmachines duurder worden, stijgt de vraag naar Amerikaanse. En als Amerikaanse wasmachines duurder worden, daalt de vraag naar Amerikaanse wasmachines.

f.    Bij een prijs van $ 300 is de Qvs = -0,16 x 300 + 0,18 x 400 = 24.

De heffing leidt ertoe dat Amerikaanse wasmachines 50% duurder worden, dus dat betekent dat de Pvs = $ 450. De prijs van een Europese wasmachine = $ 400.

Bij Pvs = 450, Qvs = -0,16 x 450 + 0,18 x 400 = 0.

De heffing is een succes, de vraag naar Amerikaanse wasmachines daalt.

g.   nPeu = + 10% = 440.

nPvs = 10% invoerheffing = 330.

Qvs = -0,16 x 330 + 0,18 x 440 = 26,4.

$ 30 x Qvs = 792.

h.   Importwaarde van wasmachines in Nederland, zonder invoerheffing.

Pvs = 300 en Peu = 440. 26,4 (x 1.000) x 300 = 7.950.000.

 

Opdracht 2

a.   1000 kilo pinda’s export = 7500 kilo cement import.

Wordt: 1000 kilo pinda’s export = 5000 kilo cement import.

Ruilvoetverslechtering in % = 33,3%.

b.   De prijs voor grondstoffen komt tot stand op de vrije wereldmarkt, dat wil zeggen op een markt van volledige mededinging. Hierdoor ligt de prijs altijd dicht tegen de kostprijs aan. De prijs van de eindproducten die derdewereldlanden kopen, komt tot stand op een oligopolie- of monopoliemarkt, waarbij de prijs kan worden bepaald door het betreffende bedrijf, waardoor de prijs aanzienlijk hoger kan liggen dan de kostprijs. De derdewereldlanden hebben hier last van.

c.   103,5/97,2 x 100 = 106,5. Een stijging van 6,5% in 2001 t.o.v. 2000.

95,8/97,4 x 100 = 98,4. Een daling van 1,6% in 2002 t.o.v. 2001.

95,9/112,6 x 100 = 85,2. Een daling van 14,8% in 2003 t.o.v. 2002.

d.   Uitvoervolume +5,9, uitvoerprijzen -4,1.

De uitvoerwaarde verandert met 105,9 x 95,9/100 = 101,6. Een stijging van 1,6%.

Invoervolume -2,9, invoerprijzen +12,6.

De invoerwaarde verandert met 97,1 x 112,6/100 = 109,3. Een stijging van 9,3%.

De invoerwaarde stijgt sneller dan de uitvoerwaarde, het saldo verslechtert.

e.   Ruilvoetverslechtering betekent dat er meer moet worden betaald voor import ten opzichte van het jaar daarvoor. Als er niet meer export tegenover staat, omdat de prijs op de wereldmarkt bijvoorbeeld is ingestort voor het exportproduct, moet er meer betaald worden dan er binnenkomt. Dit leidt tot een verslechtering van de handelsbalans.

f.    Op de lopende rekening staan de inkomsten en uitgaven aan goederen, diensten, inkomens en giften. Er moet veel rente betaald worden. (Negatieve inkomensrekening.)

g.   Een overschot. Er komt meer geld in aan leningen dan dat er uit gaat. Dat is ook noodzakelijk om alle schulden te kunnen voldoen. Een overschot op de kapitaalrekening compenseert het tekort op de lopende rekening.


Opdracht 3

a.   Deze koffieboer voegt meer waarde toe aan de koffie, bijvoorbeeld omdat hij in het bezit van een pelmachine is.

b.   Onjuist. De toegevoegde waarde van de winkelier bestaat uit meer dan winst. In de toegevoegde waarde van de winkelier wordt de prijs voor de ingezette productiefactoren opgenomen.

c.   BBP = de som van alle toegevoegde waarde in een land.

Voor kolom 1 betekent dat dat de toegevoegde waarde in Nicaragua bestaat uit de toegevoegde waarden van koffieboer en exporteur = € 0,90.

Voor kolom 2 betekent dat dat de toegevoegde waarde in Nicaragua bestaat uit de toegevoegde waarden van koffieboer, fabriek en exporteur = € 4,60.

De regering van Nicaragua zal kiezen voor kolom 2.

d.   De consument kiest voor kolom 2. De prijs van de koffie is in kolom 1 € 8,80 en in kolom 2 € 8,70.

 

Opdracht 4

a.   Verslechterd. De prijs van koffie op de wereldmarkt is gedaald. Er komt dus minder geld het ontwikkelingsland binnen, terwijl de prijs van import niet is gedaald. De ruilvoet is verslechterd.

b.   Op de beurzen wordt handel gedreven in termijncontracten. Zij moeten een verzekering bieden tegen prijsschommelingen. Op het moment dat een oogst dreigt te mislukken, zullen de termijncontracten gelijk daarop reageren; de prijs gaat omhoog.

c.   Op het moment dat het aanbod tegenvalt, moet de buffervoorraad op de markt gebracht worden om het aanbod op peil te houden waardoor de prijs niet hoeft te stijgen.

d.   Prijsstabiliteit betekent dat de prijs van koffie in de winkel stabiel kan blijven. De vraag naar koffie zal niet of nauwelijks schommelen. Producenten hebben dan dus meer zekerheid wat betreft hun inkomen.

e.   1. De buffervoorraden zijn te klein en kunnen dus te weinig gewicht in de schaal leggen bij een dalend koffieaanbod.

2. Door de termijncontracten die worden afgesloten, wordt het belang van de buffervoorraden teniet gedaan.

 

Opdracht 5

a.   Op het moment dat de prijs onder de $ 1,60 dreigt te komen, wordt een buffervoorraad aangelegd. Op het moment dat de prijs boven de $ 2,40 dreigt te komen, wordt de buffervoorraad verkocht. Door het verschil in inkoopprijs en verkoopprijs kunnen de kosten gedekt worden.

b.   Inkomens stijgen, dus er kunnen meer rubberen voorwerpen gekocht worden (bijvoorbeeld autobanden).

Nieuwe toepassingen van rubber in de industrie.

De prijs van het substituut voor rubber is gestegen. Hierdoor neemt de vraag naar rubber toe.

c.   De buffervoorraad neemt af. Door de toegenomen vraag stijgt de prijs. Om de prijs toch binnen de afspraak te houden, wordt de buffervoorraad ingezet om aan de vraag te voldoen en de prijs onder de $ 2,40 te houden.

d.   Opbrengst beheerder buffervoorraad = 27.500 x 2,20 = $ 60.500.

e.

     

f.    elasticiteit =  =  =

g.   De vraag naar natuurrubber neemt toe. De vraaglijn zal naar boven verschuiven.

h.   De vraag naar natuurrubber hangt nu minder af van de prijs. Een stijging van de prijs zal niet gelijk leiden tot een daling van de vraag. Er moet meer worden ingegrepen. Overigens hangt dat af van het aanbod van rubber. Op het moment dat het aanbod van rubber heftig gaat schommelen, zal er meer moeten worden ingegrepen. Als het aanbod stabiel blijft hoeft er minder te worden ingegrepen.

 

Opdracht 6

 

2002

2003

2004

exportprijs aardgas

€ 0,195

€ 0,32

€ 0,42

importprijs olie

$ 31

$ 32

$ 34

a.   Indexcijfers:

Export aardgas in € 0,32/0,195 x 100 = 164.

Import olie in $ 32/31 x 100 = 103.

Ruilvoet = 164/103 x 100 = 159.

b.

 

2002

2003

2004

dollar

1:1,10

1:1,01 €

1:0,95 €

exportprijs aardgas

$ 0,177

$ 0,316

$ 0,44

importprijs olie

€ 34,1

€ 32,32

€ 32,3

Export aardgas: 0,44 x 100/0,316 = 139,24.

Import olie: 32,3 x 100/32,32 = 99,94.

Ruilvoet: 139,24/99,94 x 100 = 139,32.

Door daling van de koers van de dollar wordt het voor Nederland goedkoper om olie in te kopen in Amerika, maar de prijs van onze export wordt hoger.

c.   Het wordt door de hoge olieprijs rendabel om te gaan boren naar aardgas in de Waddenzee.

d.   Welvaart in ruime zin: er wordt niet alleen gekeken naar de materiële productie, er wordt nu ook rekening gehouden met de externe effecten, zoals de milieugoederen (zowel positief als negatief).

Door de hoge benzineprijs worden er minder autokilometers gereden. Dit is goed voor het milieu. Het stimuleert daarbij autofabrikanten om zuinigere auto’s te bouwen.

e.   Welvaart in enge zin: er wordt alleen gekeken naar de materiële productie, er wordt geen rekening gehouden met de (negatieve) externe effecten, zoals de milieuvervuiling.

De hoge benzineprijs betekent dat de kosten voor producenten van goederen en diensten hoger zijn, dit betekent hogere prijzen, slechtere concurrentiepositie, minder omzet en minder winst.

 

Opdracht 7

a.     BBP per hoofd = 440 miljard/120 miljoen = $ 3.667.

b.     Het verschil tussen het BBP en het NBP zijn de afschrijvingen. Het NBP ligt dus lager.

c.     Netto investeringen in vaste activa = netto investeringen - netto investeringen in vlottende activa;

45 - 3,5 = $ 41,5 miljard.

d.     Bruto investeringen in vaste activa = netto investeringen in vaste activa + afschrijvingen;

41,5 + 46 = $ 87,5 miljard.

e.     In Nederland wordt een kleiner deel van het inkomen van gezinnen direct aangewend voor consumptie. Een deel wordt gespaard en een ander deel gaat naar de belasting. In het ontwikkelingsland wordt een veel groter deel van het inkomen direct aangewend voor consumptie. Er wordt nauwelijks gespaard en de belastingen liggen lager. Dit betekent dat een investering van 50 miljoen dollar betekent dat bijna dit gehele bedrag wordt geconsumeerd, wat leidt tot een hogere productie enzovoort.

f.      De toename van het BBP door de investering is 20 x 50 miljoen = 1 miljard. Het BBP wordt 441 miljard. Het BBP per persoon wordt 441 miljard/120 miljoen = $ 3675.

Verandering % = nieuw - oud/oud x 100 = 0,2%.

g.     Dit betekent dat niet 50 miljoen wordt onttrokken aan de Nederlandse economie, maar slechts 45 miljoen. Het BBP gaat in Nederland zodoende niet met 100 miljoen omlaag maar slechts met 10 miljoen.

 

Opdracht 8

a.     $ 240 x 10.200.000 = $ 2.44.800.000 dollar.

b.     BBP = $ 220 x 10,2 miljoen inwoners = 2.244 miljoen.

Totale ontwikkelingshulp is 16% van het BBP = 389, dus het BBP = 2.431 miljoen.

Het aantal inwoners waarmee gerekend wordt in mogelijkheid 1, is gelijk als in 2000. Er is geen rekening gehouden met de bevolkingsgroei.

c.     BBP = 2.431 miljoen/220 = 11,1 miljoen inwoners.

d.     Welvaart in enge zin houdt geen rekening met immateriële zaken, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld de uitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg en bestrijding HIV/aids niet worden meegerekend. Het zegt niets over het informele circuit.

e.     BBP wordt 2405,5, dus het BBP per hoofd wordt 2405,5/11,05 = 217,7. Het BBP per hoofd daalt met 3 dollar.

 

Opdracht 9

a.     Afschrijvingen = $ 9 miljard = 40% van bruto investeringen 100/40 x 9 = 22,5 mld.

Netto investeringen = bruto investeringen - afschrijvingen = 22,5 - 9 = 13,5 mld.

b.     Bruto toegevoegde waarde = som beloning productiefactoren.

Omzet - kosten voor productiefactoren betaald door bedrijven 70 - 11 = 59 mld.

c.     Netto nationaal inkomen = beloning productiefactoren = NBP = 59 - 9 = 50 mld.

d.     bedrijven (bedragen in mld.)

afschrijvingen

9 mld.

consumptie

45,5 mld.

beloning productiefactoren

50 mld.

investeringen

13,5 mld.

totaal

59 mld.

totaal

59 mld.

e.     Doordat het land geen internationale handel voert en geen ontwikkelingshulp meer krijgt, kan het niet aan buitenlandse harde valuta komen. De koers van het geld in het land zelf is niet hard, maar kan erg schommelen. Het risico dat de bank het geleende geld niet terugbetaald krijgt is aanzienlijk, en de bank geeft derhalve geen lening.

f.      Het stopzetten van de hulp betekent dat de kapitaalgoederenvoorraad krimpt.

g.     De kapitaalgoederenvoorraad is gekrompen. De investeringen van bedrijven in de productiecapaciteit blijven achter. Er wordt gewerkt met verouderde apparaten. De economische groei vertraagt of stopt geheel.

h.     Door het stopzetten van de hulp moet het land op eigen benen staan. Het kan besluiten om toch internationale handel te gaan voeren. Dit betekent dat er buitenlandse valuta kunnen binnenkomen en dat de westerse banken leningen zullen toestaan, wat leidt tot meer investeringen in de productiecapaciteit, wat leidt tot economische groei.

 

Opdracht 10

a.     Nee, hier zit ook onderlinge schuld in tussen Afrikaanse landen.

b.     toename buitenlandse schuld: 83.

83/103,2 x 100% = 80,4%.

c.     Er is een overschot op de kapitaalbalans. Kapitaalbalans = deelbalans van de betalingsbalans waarop de in een jaar ontvangen en verstrekte kredieten worden genoteerd, en de investeringen vanuit het buitenland en naar het buitenland.

De totale schuld neemt meer toe dan het tekort op de lopende rekening. Er vloeit meer geld uit dan dat er in komt. Om de balans in evenwicht te brengen en om aan de verplichtingen te kunnen voldoen, moet worden ingeteerd op de goud- en deviezenvoorraad.

d.     Daling van de economische groei leidt er ook vaak toe dat er minder wordt geďmporteerd, dus neemt het tekort op de lopende rekening af.

e.     De gezamenlijke schuld is toegenomen. Dat betekent dat er meer geld moet worden geleend. Hierover moet rente betaald worden, waardoor de lopende rekening verslechterd.

f.      Afrika is in een vicieuze cirkel terechtgekomen. Doordat er steeds meer vreemd geld besteed moet worden aan aflossing en rente, blijft er minder over voor import en ontwikkeling, daardoor neemt de export af, daalt de instroom aan vreemd geld, waarvan relatief weer meer opgaat aan aflossing en rente.

 

Opdracht 11

Let erop dat het betoog consistent is, begrippen juist gebruikt worden en de argumentatie klopt.


Opdracht 12

a.     De armoede-index kijkt naar vier criteria, de HDI kijkt naar drie criteria. In de armoede-index wordt ook gekeken naar sociale uitsluiting. De HDI kijkt ook naar de levensverwachting en geeft de gemiddelde leeftijd.

b.     De verdeling van de rijkdom is ongelijk, er zijn een aantal hele rijke mensen in de Verenigde Staten die het BBP per hoofd van de bevolking omhoog halen.

c.     De armoede-index, in deze index wordt het deel van de bevolking dat in armoede leeft weergegeven.

d.  

In Nederland en Frankrijk is de verdeling van de inkomens ongeveer gelijk aan elkaar. Er is geen sprake van een grote ongelijkheid en dus ligt de Lorenzcurve redelijk dicht tegen de diagonale lijn aan.

e.     Het reëel BBP per inwoner is in de VS het hoogst. Hij vindt immateriële zaken zoals milieu, vrije tijd en inkomensverdeling dus niet belangrijk.

f.      Dat kan komen door een stijging van de onderwijsdeelname, bovendien stijgt de onderwijsindex.

Arbeid in een kenniseconomie is geschoold werk dat goed betaald wordt. Als het economisch beter gaat, zal ook het reëel BBP per inwoner stijgen. Hierdoor stijgt Finland op de HDI.

g.    


h.     Het kan, maar is niet waarschijnlijk. De internationale handel van Kameroen zal niet zomaar zo toenemen dat er een inkomensstijging van 8% mogelijk is. In Canada zal de loonstijging waarschijnlijk gelijke tred houden met de inflatie of daar iets bovenuit stijgen. Een loonstijging van 3% is waarschijnlijker voor Canada.

i.      Kameroen = +8% = 2.355 x 1,08 = 2.543.

Canada = +1% = 21.916 x 1,01 = 22.135.

De verhouding was 21.916/2.355 = 9,3.

De verhouding wordt 22.135/2.543 = 8,7.

De inkomens komen dichter bij elkaar, eerder lag het inkomen in Canada gemiddeld 9,3x zo hoog als het inkomen in Kameroen. Dit wordt 8,7x zoveel.

j.      Deze econoom heeft duidelijk een nogal pessimistische kijk op ontwikkelingshulp. Hij gaat er van uit dat alleen de rijken zullen profiteren van de hulp en niet de armen. Er komen met andere woorden meer heel rijke mensen in Kameroen, terwijl de arme mensen er weinig van merken.


Opdracht 13

a.   Leer de begrippen uit de begrippenlijst.

b.

     

 

Opdracht 14

a.   In bron 42 is duidelijk te zien dat er een groep landen (linksonder in de grafiek) is die een laag inkomen per hoofd hebben en die ook nog eens negatieve groei van het inkomen hebben. De scheve verhouding tussen die arme landen en de rijke landen neemt toe. Verder blijkt dat er een aantal landen wel succesvol is, die landen die (linksboven in grafiek) een veel snellere groei doormaken dan de rijke landen. De verhouding rijke landen en arme landen is ook goed te zien, er zijn veel meer arme landen dan rijke.

b.   Er is sprake van negatieve groei, het inkomen per hoofd neemt af.

c.   Het inkomen is laag.

d.   Uit deze grafiek wordt duidelijk dat het merendeel van de wereldbevolking in armoede leeft, maar ook dat de groei van het inkomen van een groot deel van de arme mensen veel harder gaat dan de groei van het inkomen van de mensen in rijke landen (China en India).

e.   Bron 43. Hieruit zou blijken dat het inkomen van een grote groep armen in de wereld (China en India) sneller stijgt dan het inkomen van de rijke mensen in de wereld (rijke Westen) en dat dit komt door de wereldhandel, c.q. het opengooien van de binnenlandse markt voor internationale goederen.

f.    Bron 42. Het is duidelijk dat er een grote groep landen is die de ontwikkeling helemaal niet bijhoudt, zie linksonder in de grafiek. De inkomensverhouding verslechtert.

g.   Bron 43. Hieruit blijkt dat de economieën van China en India sterk groeien.


Opdracht 15

a.   Het technisch personeel ontbreekt, kennis en know how zijn niet aanwezig, reserve-onderdelen of reparateurs zijn niet aanwezig of het ontbreekt aan de hulpmiddelen om de goederen te gebruiken.

b.   Een ruilvoetverslechtering betekent dat men met de gelden die men verdient uit de export de import niet meer kan betalen. Dit betekent een tekort op de betalingsbalans, bij gebrek aan buitenlandse valuta moet een beroep worden gedaan op de goud- en deviezenvoorraad om de betalingsbalans weer in evenwicht te krijgen. (De rente en aflossingen moeten bij een ruilvoetverslechtering gewoon worden betaald!)

c.   Het kan het land prikkelen om meer producten zelf te produceren, effectiever te werken of om over te schakelen op de productie van goederen die wel goed in de markt liggen. Bovendien zijn het exportprijzen; relatief laag (dus goede interne concurrentiepositie).

d.   Door lagere grondstofprijzen kan het onrendabel zijn om een synthetisch middel te maken met dezelfde eigenschappen. Indien natuurrubber heel goedkoop is, heeft het weinig zin om kunstrubber te produceren.

e.   Indien het tekort het gevolg is van een grote aflossing of betaling van rente op een afgesloten lening.

f.    Omdat er rente en aflossingen moeten worden betaald. Op het moment dat de ruilvoet verslechtert, moeten de rente en aflossingen betaald worden, wat kan leiden tot grote tekorten in de toekomst.

g.   De Amerikaanse dollar is een harde munt en internationaal aanvaard; er is weinig kans op grote koersschommelingen.

h.   Dat is te zien aan het % aflossing in 2002 van de exportwaarde + de rentebetalingen. Er moet meer dan 100% van de exportwaarde worden betaald aan rente en aflossing. Er blijven geen buitenlandse valuta over om te investeren of te consumeren, hierdoor zal de export niet snel toenemen. Er moet worden ingeteerd op de eigen reserves.

i.    Filippijnen 10% rente over schuld, totale schuld is 10,2, dus 10% is 1,02.

De rentebetaling is 13% van de exportwaarde, dus 100 exportwaarde is 100/13 x 1,02 = 7,8.

j.    Aflossing = 63% van de exportwaarde = 4,9.

 

Opdracht 16

a.   In vier jaar is de bevolking en het prijsniveau meer gestegen dan het BBP.

b.   Inkomen per hoofd = $ 300 mld./10 miljoen = $ 30.000.

c.   Inkomen per hoofd in 2005 gerekend in prijzen 2000 = $ 30.000 x 1,25 = $ 37.500.

d.   Inkomen per hoofd in 2004 = $ 286 mld./10,4 miljoen = $ 27.500.

RIC = NIC/PIC = 109/100 = 1,09.

e.

inkomen

jaar 1

jaar 2

jaar 3

jaar 4

30.000 x 1,01

30.300

30.603

30.909

31.218

3.000 x 1,03

3.090

3.182

3.278

3.377

verschil

27.210

27.421

27.631

27.841

f.

9,8

9,6

9,4

9,2

g.   Door internationale handel verbetert de positie van ontwikkelingslanden, maar alleen als allerlei protectionistische maatregelen worden afgeschaft. Door toegang te krijgen tot de Europese en Amerikaanse markt kunnen ontwikkelingslanden meer goederen exporteren, ze krijgen meer harde valuta binnen, er kan meer geconsumeerd en geďnvesteerd worden, de productie kan omhoog enzovoort.

h.   De EU heeft hier weinig zin in omdat dit de concurrentiepositie van de eigen producten en producenten aantast, wat hier kan leiden tot grote werkloosheid en eventueel uiteindelijk afhankelijkheid van ontwikkelingslanden.

 

Opdracht 17

a.   60 miljoen vaten, 50% is 30 miljoen vaten productie Opec.

Productiedaling met 10% = 54 miljoen vaten, 30% is 16,2 miljoen vaten productie Opec.

Er worden 30 - 16,2 = 13,8 miljoen vaten minder geproduceerd door de Opec.

b.   Als de prijs van olie zeer hoog is, wordt het rendabel om te zoeken naar alternatieve bronnen van energie.

c.   Het was voor Noorwegen niet meer rendabel om de olie te winnen. De kosten lagen te hoog terwijl de opbrengst achterbleef.

d.   BTW is een percentage van de verkoopprijs. Een daling daarvan betekent dus minder BTW-inkomsten voor de overheid.

e.   Accijnzen zijn een vast bedrag per liter. Het aantal verkochte liters benzine zal niet dalen, dus ook de accijnsopbrengsten niet.

f.    De kosten voor goederen en diensten voor de overheid nemen af. De lagere olieprijs kan de economie daarbij stimuleren wat de export en productie ten goede komt, wat leidt tot hogere belastinginkomsten.

 

Opdracht 18

a.   De buffervoorraden zullen toenemen. De prijs marktprijs ligt immers onder de minimumprijs. Het interventiebureau zal dan de grondstof opkopen en opslaan om zo de prijs te laten stijgen.

b.   Bij grondstoffen die in enorme hoeveelheden worden geconsumeerd en die veel ruimte innemen is het aanleggen van buffervoorraden niet verstandig of economisch rendabel.

c.   Bij dreiging van een te lage koers wordt de grondstof ingekocht door het interventiebureau. Bij dreiging van een te hoge koers wordt de grondstof vervolgens verkocht door het interventiebureau. Het prijsverschil tussen inkoop en verkoop kan de kosten dekken.

d.  

e.   Nee. De vraaglijn verandert niet door een verandering van het aanbod. Of er moet sprake zijn van een zo grote prijsverhoging, dat het rendabel wordt om over te stappen op een substituut. Dan verschuift de vraaglijn naar beneden.


Hoofdstuk 3 Internationale kapitaalstromen

 

Opdracht 1

a.   Export 29 aan Zuid Korea, import uit Zuid Korea 15, saldo = +14.

b.   Japan BBP 4.659, export 120 aan VS.

% export aan BBP = 2,55.

c.   Importquote = de waarde van de geďmporteerde goederen en diensten / de waarde van de binnenlandse productie x 100%.

193/4659 x 100 = 4,14%.

d.   Secundaire sector = industriële sector en nijverheid. Japan heeft de grootste secundaire sector, de export van industriële producten overtreft de import van grondstoffen en industriële producten.

e.   Nationaal spaarsaldo = begrotingssaldo + particulier spaarsaldo (B-O) + (S-I) = (E-M).

Export = 120 + 61 + 29 + 65 + 33 = 308.

Import = 59 + 44 + 15 + 63 + 12 = 193.

E-M = 115; het nationaal spaarsaldo is 115.

f.    Vergrijzing leidt tot meer kosten. Een groter deel van het inkomen (dat voor ouderen lager ligt dan voor jongeren) zal worden gebruikt voor consumptie. Hierdoor blijft er minder geld over voor sparen, wat leidt tot een daling van het spaarsaldo van Japan.

g.   Het geld wordt belegd in het buitenland of geleend aan het buitenland. Hierover wordt rente en dividend betaald, waardoor het overschot op de lopende rekening weer kan stijgen.

h.   De speculanten verwachten een rentedaling. Ze verlaten dus Japan en beleggen het geld in andere landen met een hoger (verwacht) rendement.

 

Opdracht 2

a.   Tekort op de lopende rekening = inkomsten < uitgaven.

De vraag naar Amerikaanse dollars neemt af. De koers zal dalen bij een gelijkblijvende kapitaalbalans.

b.   Het tekort op de lopende rekening wordt groter door de betaling van rente en interest.

c.   Overschot kapitaalrekening = $ 49.598 miljoen.

Saldo lopende rekening = $ -57.391 miljoen.

Verandering in officiële reserves = $ 7.793 miljoen = afname.

d.   Het aanbod van dollars was gestegen. Door de dollars om te wisselen voor de lokale munt waarmee het leger aankopen kon doen in de betreffende landen. De dollar is een internationaal geaccepteerde valuta.

e.   Dit leidde tot een toename van de geldhoeveelheid (dollars) in Europa en Vietnam die daarmee hun import konden betalen. Het aanbod van dollars op de kapitaalmarkt steeg, wat leidde tot een koersdaling.

f.    Devaluatie = een officiële koersverlaging, waarbij de monetaire autoriteiten de spilkoers verlagen.

g.   Bij langdurige betalingsbalanstekorten zal een land genoodzaakt zijn de valuta te devalueren (als andere maatregelen niet meer helpen). Bij devaluatie wordt voor het land de invoer duurder, en voor het buitenland wordt de export van het land goedkoper. Hierbij zal door de toegenomen export en de afgenomen import (meestal) het betalingsbalanstekort afnemen.

h.   Door de duurdere import van goederen en grondstoffen.

i.    De kosten voor het levensonderhoud zijn al hoger, een belastingverhoging (om aan geld te komen als overheid) zou kunnen leiden tot maatschappelijke onrust. Er blijft minder geld over voor sparen en investeren doordat een groter deel van het inkomen wordt gebruikt om te consumeren. Bovendien zal de nominale rente stijgen (de gestegen inflatie moet gecompenseerd worden), waardoor de rentelasten op de staatsschuld ook stijgen.

 

Opdracht 3

a.   Nee. Je kunt met de dollar niet overal in Nederland betalingen doen.

b.   Substitutie. Hij zet zijn giraal tegoed om in chartaal geld.

c.   Transformatie. Amerikaanse dollars zijn in Nederland geen wettig betaalmiddel en moeten gerekend worden tot niet-geld.

d.   Hoger. Meer mensen kunnen een beroep doen op Amerikaans geld. Er moet meer geld in kas zijn bij de ABN Amro.


Opdracht 4

a.   De post debiteuren en rekening-couranttegoeden in euro’s.

b.   Rekening-couranttegoeden in euro’s.

c.   liquiditeitspercentage = is de hoeveelheid kasgeld (+ tegoed bij DNB) uitgedrukt als percentage van de rekening-courantverplichtingen. Het geeft dus aan hoeverre een bank aan haar kortlopende schulden kan voldoen.

364 + 156/2138 x 100 = 24,3%.

d.   144 / ? x100% = 23% ŕ ? = 626. De bank kan nu dus nog maximaal 626 – 548 = 78 miljard dollar aan giraal krediet verstrekken.

e.   Er is maar een beperkt deel van de hoeveelheid Amerikaanse dollars in Amerika. Daarbij kan de FED alleen invloed uitoefenen op de geldscheppende banken in Amerika. Elders ter wereld kunnen ook Amerikaanse dollars worden geschept zonder dat de FED daar invloed op kan uitoefenen.

f.    Verhogen. Hierdoor zullen meer buitenlandse investeerders in Amerika willen investeren en neemt de vraag naar dollars toe wat de koers doet stijgen.

g.   Verhogen. Er ontstaat dan een tekort aan geld, waardoor de rente zal gaan stijgen.

h.   Zie antwoord e.

 

Opdracht 5

a.   De intraregionale handel binnen de NAFTA bedraagt $ 702,5.

b.   De totale handel van de NAFTA met de vier Zuid-Amerikaanse handelsblokken is

42,7 + 43,4 + 15,6 + 8,6 = $ 110,3 miljard.

c.   Interregionale handel binnen de NAFTA = $ 702,5.

De handel met de Mercosar = $ 42,7.

Verhouding is 702,5/42,7 = 16,5.

d.   42,7/702,5 = 0,06.

e.   Het schakelt het valutarisico uit. Al te grote valutaschommelingen worden voorkomen, wat gunstig is voor de import en export.

 

Opdracht 6

a.   De staatsschuld is gestegen. Van 30% van het BBP in 1993 tot 52,5% van het BBP in 2001.

b.   Het financieringstekort is ook gestegen.

c.   Gestegen, de vraag naar valuta nam toe.

d.   4,1% + 54% = 58,1% (ongeveer).

e.   Weinig, door hoge rente te bieden hoopt men toch nog beleggers te trekken die hun geld willen investeren in Argentinië.

f.    De consumptie daalt. Dure uitgaven waarvoor geleend moet worden zullen zo lang mogelijk worden uitgesteld.

g.   De investeringen dalen. Het is immers duur om geld te lenen bij de bank.

h.   Het BBP is gedaald met 11,1%.

 

2000

2001

2002

 

-0,5

-3,9

-7

100

99,5

95,6

88,9

 

 

96,1

93

 

Opdracht 7

Koers op 5 juli: $ 1 = 240 pesos.

Koers op 6 juli: $ 1 = 248 pesos.

Daggeldrente = 300%.

a.   5 juni: 100.000 dollar = 24.000.000 pesos.

b.   6 juni: 24.000.000 x 300% rente = 72.000.000 pesos.

c.   Omgewisseld = $ 290.333 (72.000.000/248).

d.   Procentuele winst van 190%.

e.   Door de daling van de wisselkoers worden buitenlandse importgoederen veel duurder, wat leidt tot een stijging van onder andere de voedselprijzen die zijn geďmporteerd.

f.    Er is een valutarisico. Op het moment dat de koers sterk daalt, heeft dit gelijk gevolgen voor import en export.

g.   Door een zwevende wisselkoers wordt Argentinië bij een dalende wisselkoers goedkoper voor het buitenland en zal de export stijgen. Hierdoor zal het tekort op de lopende rekening op termijn dalen.

h.   Een besparing van de overheidsuitgaven is belangrijk voor het kunnen terugbetalen van de rente en aflossingen op de vele leningen. Bij hoge overheidsuitgaven is de kans groot op een dubbel tekort waardoor de rente en aflossingen niet meer kunnen worden betaald. Bovendien daalt de import als de overheid bezuinigt.

 

Opdracht 8

a.   De yen, de euro, de dollar en de pond.

b.   Goud.

c.   De hoeveelheid US dollars neemt af.

d.   In de ontwikkelingslanden neemt het aandeel Euro toe. In de geďndustrialiseerde landen neemt het aandeel Overige meer toe.

e.   Brazilië heeft een tekort op de lopende rekening en een financieringstekort. Zij moet dus meer lenen.

f.    Rusland.

g.   Kortlopende schulden moeten snel worden afgelost en kennen vaak een hoge rente.

h.   Door de appreciatie worden Amerikaanse producten duurder. De eigen producten worden goedkoper, er kan meer worden geëxporteerd, wat kan leiden tot een verbetering van het saldo op de lopende rekening. Er kan immers meer vraag ontstaan naar de exportproducten, wat leidt tot meer inkomsten.

 

Opdracht 9

a.   De onderlinge goederentransacties tussen de EMU lidstaten vallen weg op de gezamenlijke betalingsbalans van de EMU.

b.   311,7 - 284,6 = 27,1.

Saldo lopende rekening = 26,3 - 27,1 + 8,7 = 7,9.

De import van diensten bedraagt 84,3 - 7,9 = 76,4.

c.   De officiële reserves van de EMU nemen met 0,7 miljard toe (26,3 - 25,6).

d.   De EMU heeft een spaaroverschot.

e.   Een voorbeeld van kapitaalimport is een kapitaalinvestering in de EMU gefinancierd vanuit het buitenland.

f.    Nee. Het is wel mogelijk om te zien of er sprake is van een schuld of overschot. Maar de precieze omvang is niet te geven. Bij ontwikkelingslanden met een grote buitenlandse schuld zijn een negatieve inkomensrekening (rentebetalingen aan het buitenland) en een positieve kapitaalbalans (ontvangen leningen) kenmerkend.

 

Opdracht 10

a.   Geld oftewel leningen op korte termijn.

b.   Liquiditeitspercentage = de hoeveelheid kasgeld (+ tegoed bij DNB) uitgedrukt als percentage van de rekening-courantverplichtingen. Het geeft dus aan in hoeverre een bank aan haar kortlopende schulden kan voldoen.

167 + 89 = 256/1.280 x 100% = 20%.

c.   Het rekening-couranttegoed neemt toe met 85 miljard tot 1.365.

d.   Het tegoed bij ECB neemt ook toe met 85 miljard tot 252 miljard.

Dus .

e.   De geldmarkt is verruimd. Het liquiditeitspercentage is hoger geworden. Indien de bank het liquiditeitspercentage van 20% wil aanhouden, kan zij nog 340 miljard euro scheppen.

f.    De rente daalt. Het aanbod van leningen op de geldmarkt neemt toe.

g.   Door het aanbod van euro’s en de lagere rente worden euro’s omgewisseld in vreemde valuta, het aanbod euro’s stijgt nogmaals, waardoor de koers van de euro daalt.

h.   Kasreserve verhogen, zodat alle ruimte op de geldmarkt weer afneemt.

 

Opdracht 11

Kenmerken van een column: de persoonlijke mening van de auteur wordt gegeven, een duidelijk standpunt dat wordt onderbouwd met argumenten. Vaak is het een kort en bondig betoog. In een column is plaats voor ironie en sarcasme. Een column is subjectief en dus niet objectief verifieerbaar; het is een mening.

Let erop dat het betoog consistent is, begrippen juist gebruikt worden en duidelijke argumenten gebruikt worden. Een column geeft een mening weer, ook als je het niet met de inhoud eens bent, kan de column zeer goed in elkaar zitten. Let op opbouw. Begin en einde van de column moeten kloppen, de redenering mag niet halverwege mank gaan.

 

Opdracht 12

a.   Indien de rente stijgt, zullen meer investeerders willen beleggen in een land, waardoor de vraag naar de betreffende valuta toeneemt, wat leidt tot een stijgende wisselkoers.

b.   Indien de wisselkoers stijgt, betekent dit dat de valuta duurder wordt ten opzichte van het buitenland. Dit leidt tot een verslechtering van de ruilvoet. Er is een negatief verband, er moet dus ook een - worden geplaatst.

c.   Een verbetering van de ruilvoet heeft een negatief effect op de inflatie. Een verbetering van de ruilvoet betekent dat een valuta ten opzichte van een andere valuta goedkoper wordt. De import wordt duurder, wat leidt tot inflatie.

d.   Indien de conjunctuur verbetert, heeft dit effect op de import. Bij een conjuncturele verbetering wordt een groter deel van de productiecapaciteit van een land ingezet, wat leidt tot een grotere import van bijvoorbeeld grondstoffen. Ook consumenten gaan meer importeren.

e.   Een verbetering van de ruilvoet, er kan meer gekocht worden met de eigen valuta in het buitenland, wat leidt tot een kleiner exportvolume. Er is een negatief verband, dus een -.

f.    Een verbetering van de ruilvoet, er kan meer gekocht worden met de eigen valuta in het buitenland, wat leidt tot een groter importvolume. Er is een positief verband, dus een +.

g.   Indien het importvolume stijgt, stijgt ook de vraag naar buitenlandse valuta (om de import mee te kunnen betalen), waardoor de koers daalt.

h.   Indien het exportvolume stijgt, stijgt ook de vraag naar binnenlandse valuta (waarmee de export betaald kan worden), waardoor de koers stijgt.

i.    Door inflatie daalt de internationale concurrentiepositie. Het exportvolume neemt af. De vraag naar de valuta neemt af en de wisselkoers daalt.

 

Opdracht 13

a.   Het betreft een depreciatie. Er is geen sprake van een vaste wisselkoers en er kan dan ook geen devaluatie van de officiële spilkoers plaatsvinden.

b.   Verkopen. Het vertrouwen in de yen nam af, de valutahandelaren wilden liever in een andere valuta beleggen.

c.   Kapitaalrekening.

d.   Omdat er in de komende zes dagen maar op twee dagen handel gedreven kan worden, wat betekent dat het risico te groot wordt.

e.   Banken, toeristen, bedrijven.

f.    Daling van de wisselkoers, de yen wordt goedkoper ten opzichte van buitenlandse valuta. De ruilvoet verslechtert. Japanse export wordt goedkoper maar import wordt veel duurder.

g.   Door de daling van de koers wordt het veel duurder om buitenlandse producten te importeren. Prijzen in de winkels voor bepaalde producten worden hoger, wat leidt tot inflatie.

h.   De Japanse centrale bank koopt yens op, verhoogt de rente, beperkt de kasreserves van geldscheppende banken.

 

Opdracht 14

a.   Belastingverlaging.

b.   Verbetering. De import neemt af, de export neemt toe. (Japan is goedkoop voor het buitenland.)

c.   De vraag naar Amerikaanse producten neemt af, omdat Japanse producten goedkoper worden, waardoor de groei wordt afgeremd.

 

Opdracht 15

a.   1.

b.   .

c.   Nee.

d.   1.

e.   De koers is $ 1 = € 1,10. Dan $ 3,25 = € 3,58.

f.    In Nederland.

g.   Aanbod neemt toe. (De dollars worden omgewisseld in euro’s.)

h.   De koers van de dollar daalt.

i.    Tot $ 1 is € 0,80.

j.    De koers van de dollar dreigt onder de grens van 1 euro te komen. Dit betekent dat het aanbod van dollars hoog is, om de koers te kunnen stabiliseren moet het aanbod dollars omlaag. De Amerikaanse centrale bank koopt dollars op.

k.   De monetaire reserves dalen.

l.    Kost teveel geld.

m.  Omdat indien er niet wordt gedevalueerd/-revalueerd er teveel interventies moeten worden gepleegd. Dit leidt tot een verlaging van de monetaire reserves, wat het vertrouwen in de munt aantast en dus weer leidt tot een daling van de koers in plaats van een stijging.

 

Opdracht 16

a.   Een mogelijke verklaring is een snellere stijging van de dollarkoers ten opzichte van de euro of de vraag naar onze export is prijsinelastisch.

b.   Goederenimport = 41,2/1,03 = 40 miljard.

c.   Saldo goederenrekening 2002: 43,8 - 40 = 3,8 miljard.

Saldo goederenrekening 2003: 46,9 - 41,2 = 5,7 miljard.

Procentuele verbetering. 5,7 - 3,8/3,8 x 100 = 50%.

d.   Saldo energie-export en energie-import 2002: 19 - 18,8 = 0,2.

Saldo energie-export en energie-import 2003: 22,6 - 22,1 = 0,5.

Het saldo is verbeterd.

e.   Saldo lopende rekening 2004.

24,2 + 12,9 + 2,4 - 13,1 = +26,4 miljard.

f.    Door een stijgende koers is Nederland duurder geworden voor het buitenland. Als het aantal toeristen gelijk blijft, stijgen de inkomsten. Op het moment dat de koers van de euro stijgt, wordt het buitenland goedkoper. De uitgaven voor toerisme gaan omhoog.

 

Opdracht 17

a.   De koers van de euro is gedaald. Een winstdaling in Engelse ponden levert een winststijging op in euro’s, omgerekend krijg je meer euro’s voor Engelse ponden.

b.   Artikel 3. Institutionele beleggers beleggen steeds meer in het buitenland, waardoor de uitgaven op de kapitaalrekening toenemen.

c.   Artikel 1. De winst van de Engelse supermarktketen wordt overgeboekt naar het vasteland van Europa.

Artikel 3. Een toename van de beleggingen in het buitenland leveren voor Nederland een toename van ontvangen inkomsten uit beleggingen.

 

Opdracht 18

a.   Een hogere dollarkoers betekent dat Amerikaanse producten ten opzichte van buitenlandse producten duur zijn. De export van Amerikaanse producten neemt af.

b.   Minder productie betekent minder inkomen dus kopen de Amerikanen minder bij de Ahold supermarkten.

c.   Als de koers van de euro daalt.

d.   De winst van ASML zal naar alle waarschijnlijkheid stijgen. Op het moment dat ASML veel goedkoper kan leveren doordat de eurokoers lager ligt dan de dollarkoers, nemen de productie en de winst toe.

 

Opdracht 19

a.   Op het moment dat er meer vraag is dan er geproduceerd kan worden, gaan de prijzen omhoog, wat leidt tot inflatie.

b.   Door een verhoging van de rente zal er minder worden geleend en meer worden belegd. Grote uitgaven worden uitgesteld, waardoor de hoogconjunctuur kan worden afgeremd.

c.   De vraag naar Amerikaanse dollars wordt hoger door een rentestijging, er zullen meer mensen hun geld in Amerika willen beleggen. Dit heeft tot gevolg dat ook Canadese beleggers liever in Amerika beleggen, wat de vraag naar de Canadese dollar doet afnemen, terwijl de vraag naar Amerikaanse dollars stijgt, wat leidt tot een lagere wisselkoers.

d.   In Canada is geen sprake van een hoogconjunctuur maar eerder van een laagconjunctuur. In dit geval is een hoge rente slecht voor de economie, het remt de toch al slechte economie nog meer.


Opdracht 20

In een dualistische economie komen moderne bedrijven die op export gericht zijn en ondernemingen die op een traditionele manier produceren voor de binnenlandse markt voor. Er bestaan twee verschillende economieën binnen hetzelfde land. Dit komt voornamelijk in ontwikkelingslanden voor.

Globalisering: groeiende afhankelijkheid van andere economieën en de wereldmarkt. Ontwikkelde landen hebben vaak open economieën en hebben bedrijven die op import en export gericht zijn.

Let op juist gebruik van begrippen. Let op consistente argumentatie.

 

Opdracht 21

a.

primaire bank

Activa

 

Passiva

 

tegoed CB

€ +8,2

rekening-couranttegoeden

€ +8,2

De geldmarkt verruimt dus.

 

centrale bank

Activa

 

Passiva

 

 

 

schatkist

tegoed algemene bank

-8,2

+8,2

b.   DTC = Dutch Treasury Certificates (schatkistpapier). De overheid leent geld op de geldmarkt door schatkistpapier aan banken te verkopen. De overheid brengt geld in omloop dat afkomstig is van geldscheppende instellingen, de geldhoeveelheid neemt toe.

 

algemene bank

Activa

 

Passiva

 

DTC

tegoed CB

+4,7

-4,7

 

 

De geldmarkt verkrapt.

c.   Er is sprake van een ruime geldmarkt. Voor de banken is het niet noodzakelijk om gebruik te maken van de gehele herfinanciering bij ECB. Zij hebben blijkbaar genoeg liquide middelen.

d.   De rente stijgt, vraag > aanbod.

e.   De wisselkoers stijgt, door de rentestijging neemt de vraag naar euro’s toe.