Luchtfoto Eenrum

EENRUM

Het leven in Eenrum van vóór 1940

door K.J.Boonstra


Herinneringen van Eenrum van 1925-1940


 

terug naar de website van Karst Jan Boonstra

terug naar de website van Nelleke Boonstra

verder naar DEEL II

verder naar DEEL III

verder naar DEEL IV

Eenrum van vóór 1940

Voorwoord

Karst Jan Boonstra is geboren in Eenrum in 1924.
Hij groeit op in dit dorp en heeft een scherpe kijk op de dingen die er gebeuren.
Wie wonen er, wat doen zij en hoe ontwikkelt een klein agraisch dorp zich in de tijd tussen de twee wereldoorlogen?

De historische kring van Eenrum heeft een interview met hem om zijn kennis over Eenrum te delen met anderen. En dat daagt hem uit om verhalen op te gaan schrijven.

Vanaf 2011 schrijft hij regelmatig zijn herinneringen op.
Let wel: het zijn herinneringen van een kind, dat wil zeggen het is geen feitelijk historisch verslag. Misschien dat sommige namen of plaatsen net even anders waren in de herinnnering van mijn vader dan de werkelijkheid.

Ze worden gepubliceerd in 'de Ainrommer' in de periode van 2011-2013. Nu verschijnen ze op het web. Karst Jan (in het gronings 'Kasjan' ) heeft interesse in de technische details van de machines die worden gebruikt, hij kijkt bij zijn vader, bij de buren en bij al de inwoners van Eenrum.

In korte verhalen vertelt hij zijn herinneringen.
Karst Jan blijft schrijven, elke maand komt er weer een verhaal bij! 1)

Veel plezier bij het lezen!

Nelleke Boonstra, webbeheerder

* DEEL I *

Eenrum van vóór 1940

1. Naar Eenrum, op de fiets.

Als je vóór 1940, in die tijd speelt zich dit verhaal af, van Winsum naar Eenrum fietste, want dit is de beste manier om veel op te merken, dan kwam je bij Mensingeweer door een drielandenpunt. Je reed door de gemeente Winsum, kwam dan in de gemeente Leens om daarna de gemeente Eenrum binnen te rijden. Na de afslag naar Baflo moest je over een draaibrug die na verloop van jaren is vervangen door een hogere vaste brug.

Over de brug

Bij de brug woonde de heer Reitsma, hij had een slagersbedrijf.
Hij werd ook wel, of meestal, Piet Bluf genoemd. Waarom weet ik niet. Hij moest tevens zorgen voor de bediening van de brug. Nu kwam dit niet vaak voor, want in dit kanaal was praktisch geen scheepvaart. Maar toch…het gebeurde een enkele keer dat het dan al donker was. Geen probleem, er was een hek en een stormlantaarn gaf aan dat je maar het beste kon stoppen.
Even verderop woonde aan de rechterkant de familie Klatter. Het huis hebben ze dunkt me zelf laten bouwen. Met hun zoon Arie ben ik op de “bewoarschoul” geweest.
Reed je verder dan had je aan de linkerkant de kwekerij”, “toenjederij”, van Scholtens.
Een zoon, Reinaard, was een goede fietser, hij had een racefiets en deed mee in wedstrijden.
Even verderop waren enkele villa’s en in het laatste huis woonde de familie Blom. Dit was een eenvoudig huis met plat dak. Dit huis was er neergezet door de Ned. Spoorwegen. De heer Blom werkte nl. bij het spoor en daar was de grond waarschijnlijk ook van.
We zijn nu nl. de overweg genaderd en daar moeten we overheen. Wel even uitkijken want er wordt niet gewaarschuwd voor een trein en als het mistig is kan hij al heel dichtbij zijn als je hem ziet.

station 1938
station Eenrum 1938 afbeelding www.stationsweb.nl

Over het spoor

Over het spoor kun je direct linksaf, dit is een weg naar het station. We gaan rechtdoor en zien aan de rechterkant een groot gebouw. Dit is een hotel, Tivoli, beheerd door de familie Wiersum. Vader en zoon waren een paar potige kerels. Het hotel had een grote doorrit, dus paard en koets konden onder dak.
Even verder rij je recht op een groot huis af en dat was het huis van de hoofdmeester. Achter dit huis stond nl. een grote school en daar was hij het hoofd van. Zijn naam was Wieringa en hij is heel oud geworden, over de 100, en is overleden in Hoogezand.
Aan de linkerkant staat ook een groot huis en dat werd bewoond door dokter Posthumus, een zeer geziene arts, die ook veel voor de gemeenschap heeft gedaan.
Een dokter ging vroeger met koets en koetsier op pad en daarom is er een koetshuis aangebouwd. Dokter Posthumus was echter moderner aangelegd want hij schafte zich motorische hulp aan. Hij kwam in 1924 en het nummer dat hij op zijn auto of motor moest dat bevestigen (A-8652) is in 1924 uitgegeven.

Even verderop woonde de heer Boonstra, hij had no. A-8532 en dat nummer was uitgegeven op 13 juni 1924. Een nummer was persoonlijk en werd uitgegeven op het provinciehuis in Groningen. Dit nummer mocht je op elk motorvoertuig gebruiken, voorwaarde was je het bij je had en klopte met het voertuig waar je in of op reed. Zo kon je ongeveer uitrekenen wanneer iemand zich voor het eerst iets motorisch had aangeschaft.

We gaan verder maar dan eerst even rechtsaf. Dit pad leidde naar akkers waar veel groente bijv. spruiten, kool werd verbouwd waarvan een gedeelte naar de veiling ging in Groningen. Het enige huis dat aan de rechterkant aan dat pad stond was een kruideniersbedrijfje. Het was de winkel van “vrouw Kezoan” (Korzaan) die daar blijkbaar een bestaan had.

fietsroute

detailkaart 1933
Topografische ondergrond (c) Kadaster, 2014. Bewerkt door Jan Boonstra




2. De school van meester Wieringa en het kerkhof

Rijd je het dorp binnen dan kom je op een driesprong. Even afstappen en je staat voor een heel groot plein. Dit plein is nu ingericht als parkeerterrein maar het was vroeger het schoolplein voor een heel grote school. De school had een vooruitstekende ingang aan weerskanten voorzien van glas. Om half negen ’s morgens tikte meester Wieringa (de hoofdmeester) met zijn sleutel tegen het glas en dat was het begin van de lessen. Schoul gait ien.

De kinderen, en dat waren er nogal wat, stroomden naar binnen.
Ze gingen door de grote hal en ieder zocht zijn lokaal.
Er liep een lange gang dwars achter de hal door de hele school je kon naar rechts en naar links. Maar je kon in de hal ook de trap op.
Er waren twee trappen, één aan de rechter en één aan de linkerkant. Boven waren er evenveel lokalen (ik meen van 5) als beneden. Het was dus een heel geroezemoes voor iedereen op zijn plaats was. Bleef je beneden en ging naar links dan had je aan de rechterkant en dat was dus de achterkant van de school de “Bewoarschoul”.

In de jaren dertig hield Juffrouw Nienhuis daar de kleuters van vijf bezig.
Juffrouw Marie, zo werd ze genoemd kon dat heel goed.
Je leerde er knippen en plakken, je ging ook wel tekenen en zingen, je leerde van alles wat. Ze was een Eenrummerse, een dochter van brandstofhandelaar Nienhuis, hij woonde aan de haven. Kwam je van Pieterburen dan reed je recht op hun huis af.

In de “Bewoarschoul”hadden we ‘s morgens ook speelkwartier. Het was op een andere speelplaats.
De klasdeur ging dan open en we konden door een achterzijdeur naar buiten. Je kwam dan op het kerkhofspad en via dit pad kwam je “ien loan” Dit was en is de andere toegang tot het kerkhof. In die laan kon je heel mooi spelen.

Bij het kerkhof
Vlak bij de ingang van het kerkhof stond en staat een wit huis. Er is een foto gemaakt van onze kleuterklas met de eerste klas en op die foto staan de leerlingen waarvan velen nog bekenden zijn.

In dat grote witte huis woonde de familie Westra.
De heer Westra was koster, klokluider, “doodgroaver” (grafdelver dus) leedaanzegger, d.w.z. bij iemands overlijden ging hij het hele dorp door en bracht de droevige boodschap over aan ieder huis. Deftig gekleed in het zwart met hoge hoed. Als je het wilde kon je ook nog bijzonderheden van de overledene gewaar worden, want dat kon je hem dan vragen.
Een begrafenis was een bijzondere stoet. Het was een zwarte lijkwagen met zwarte paarden en daarachter liepen familie en bekenden. Veel van de vrouwen hadden iets zwarts om zich heen, zoiets als zwarte vitrage, een klassieke omslagdoek. En de klok maar luiden, ook hier was de heer Westra bij betrokken. Westra met zijn dikke snor. Hij droeg als hij niet de zwarte hoge hoed op had altijd een soort schipperspet met een zwarte, harde klep.

Nu gaan we weer terug naar het kruispunt en gaan verder met Eenrum van voor 1940.

.




3. Smederij van Piet Scheer, benzine- en fietsbedrijf in de Zuiderstraat

van der Scheer
smederij van P.T. van der Scheer

Het bedrijf van Piet Scheer

Wanneer je Eenrum binnenreed dan was na “Hotel Tivoli” het opvallendste bedrijf, het was het bedrijf van P.T. v.d Scheer aan het begin van de Zuiderstraat.
Het was een winkel waarin fietsen werden verkocht en op zij daarvan was een smederij. Voor de winkel stond een forse benzinepomp waar je dus kon tanken. Het was een rond gevaarte, kleur geel, afgewerkt met oranje. De hoogte was plm. 2.50 m en daarbovenop stond een ronde reclamelamp en hierop stond de naam “Shell”. Wanneer een klant zich meldde werden er 2 deurtjes geopend en de werkzaamheden konden beginnen. Binnen hing een lange zwengel, daarboven 2 grote flessen van 5 liter. Werd er gezwengeld dan liep de rechter fles vol. Was je 5 liter nodig dan kon met een knop of kraantje de benzine door de slang naar je tank. Was er meer nodig dan werd er doorgezwengeld en kon je 10 liter krijgen. Nog meer dan gingen de werkzaamheden weer van voren af aan. De aflevering was dus per 5 liter. Betalen was er meestal niet bij want het waren bijna altijd vaste klanten en die kregen later wel de rekening.
In de winkel waren fietsen geëtaleerd. “Fongers”was het merk dat hier verkocht werd. Goed spul dus. Maar of de omzet hoog was is te betwijfelen want je zag niet vaak iemand rijden op een nieuwe Fongers. Er reden trouwens weinig nieuwe fietsen. Oude fietsen werden vaak gemoffeld, de lak werd er dan in een oven op gebrand en dat was een stuk voordeliger dan nieuw.

De dokter op de fiets
Dokter Posthumus, híj had een mooie fiets. Hij had zadel en stuur hoog en zo reed hij langzaam en kaarsrecht het dorp door. “Hai zigt alles” zeiden ze dan. Groeten deed hij met een knipoog wat trouwens moeilijk te zien was want hij droeg een grote donkere kleppet. Hij hoefde natuurlijk niet te fietsen want hij had ook een motorfiets en bovendien een auto. In de auto hield hij van snel rijden en kocht nog wel eens wat aparts. Omstreeks 1935 had hij een heel mooie wagen, een Graham Paige met schuifdak en daarna een Tsjech, merk Tatra met een hoge rug. Hij was echt wel een autofanaat.

De smederij
Nu weer naar de smederij van “Piet Scheer” Het was altijd leuk om daar te kijken. Hamer en aambeeld werden druk gebruikt om het gloeiende ijzer een andere vorm te geven. En het gehamer kon je in de hele straat horen.
Wanneer er een paard moest worden beslagen, en een goede smid kon dat, gaf dat veel vertier want het paard werkte nooit mee en daar stond je natuurlijk op te wachten want het beest ging vaak nogal wat te keer.

Heel bijzonder was, maar dat kwam niet zo vaak voor, wanneer er een ijzeren band om een wagenwiel moest worden gelegd.
Zo’n “rad doar mos’n houp om”.Het wiel werd aangeleverd door de “stelmoaker” (ook wel “koeper”) , hij woonde even verder op.
Het midden van het rad was de “toet” daarin staken de “spaik’n” en die staken weer in de klossen hout (velg) die samen het ronde van het rad vormden.
Nu moest de “houp” van de smid daar precies om heen passen, of eigenlijk niet want dan was het te ruim en zou het er al gauw af vliegen. Nu werd er een natuurkundige truc toegepast. De maat van de “houp” werd door smid en “koeper” vastgesteld en het houten rad werd iets groter gemaakt dan de “houp” was. De “houp” werd dus iets te klein en toch moest ie er om.
Er werd er bij de smid op de buitenplaats, aan de straat dus, een rondje gemaakt van turf en kolen ter grootte van het wagenwiel dat er naast lag. De brandstof werd ontstoken, met behulp van petroleum natuurlijk, de “houp” werd in het vuur gelegd en nu branden maar totdat het ijzer helemaal gloeiend rood was. Dan kwamen er 2 smeden met tangen, tilden de “houp” op en legden die om het rad. En nu paste het wel want het ijzer was uitgezet. En “koeper” en smid wisten precies hoe groot dat verschil was. Maar…gloeiend ijzer en hout verdraagt elkaar niet, dus het hout vloog in brand. Natuurlijk was daar rekening mee gehouden, er stonden heel wat emmers water klaar om dat te blussen. En meteen kromp het ijzer en de “houp” zat muurvast om het houten rad. Er kwam geen spijker aan te pas. De wagen waarvoor het rad bestemd was kon afgebouwd worden.

Zo is dat jaren gegaan maar het einde was in zicht…….

.




4. Veranderingen

De boerenwagen
Tussen 1924 en 1935 is er heel wat veranderd, vooral op het gebied van vervoer.
Er moest meer gebeuren in minder tijd. Daardoor ondergingen ook de boerenwagens een verandering. Ze bleken te klein te zijn.
Er moesten b.v. nu vaak stropakken op de wagens worden vervoerd in plaats van losse hooi. En wat pak je nu op een boerenwagen wat stropakken betreft.
Daar hadden ze het volgende op gevonden: het werd de tijd van de “platte bakken”.
De wagens gingen naar de stelmaker (“koeper”), het bovenste gedeelte ging er af en er werd een platte bak op gebouwd. Eerder zat de bak tussen de wielen, nu stak de bak er overheen.
Rondom de bak werd een balkje bevestigd tegen afglijden en moet je nu eens kijken, wat een vooruitgang...

Er was werk aan de winkel.
De wagen ging naar de smid voor het nodige ijzerwerk. En de boeren hadden baat bij deze vergroting van de wagens. Er kon nu meer gebeuren op de boerderij en dat moest want de machines deden steeds meer hun intree, vooral in het verwerken van het graan. De dorsmachine ging zijn werk doen.

De kuiper
Na deze periode werd het werk voor de “koeper” toch steeds minder. Hij kon wel terugkijken op zijn mooie ambacht want dat was het.
Het woord “koeper” kwam van de “koep” Dit was een kuip. En de kuip was een houten, ovale bak, tobbe, waarin water werd gestort voor vele doeleinden, b.v. de was. Ook wanneer kinderen moesten worden “verschoond” kregen ze daarin een goede beurt. Dan was het een badkuip. “Ee’m ien tob en den op ber”.
Er was wel een goede vakman nodig om zo’n kuip te maken. Per slot was de kuip helemaal gemaakt van hout. De bodem was natuurlijk vlak, de einden van de planken staken in een groef die gemaakt was in het hout van de opstaande zijden. Maar die opstaande zijden, dat was juist de clou. Die planken (duigen net als van een vat) moesten op de zijden allemaal worden afgeschuind en wel zo dat als tegen elkaar werd geplaatst de kuip een ovale vorm kreeg. En hieruit bleek het vakmanswerk van de “koeper”. En een goede “koeper” kon zo’n kuip maken in één dag. Van planken tot kuip, ja, je was een “koeper” of je was het niet.
Als de kuip klaar was werd ie gevuld met water voor het dichttrekken van de naden En klaar was kees.
Je ziet, een “koeper” kon echt meer dan een “hiltje op een schopsteel zetten”.

Dit verhaal over het vakmanschap van de “koeper” moest me toch even van het hart want het was machtig interessant om dit als kind mee te maken en het mag volgens mij niet worden vergeten.

En nu gaan we verder het dorp verkennen.

De veldwachter
Tegenover “Piet Scheer” de smid woonde veldwachter Vos.
Dat was een echte veldwachter, een imponerende man, een vervaarlijke snor en een sabel aan zijn fiets.
Vanuit een groot raam, dat er nog is, en daar zat hij vaak, had hij geheel zicht op de Heereweg; hij kon zien wat er binnenkwam, er uitging en wat er gebeurde op het belangrijke kruispunt waar hij aan woonde.
Hij was “Gemeenteveldwachter” er was ook geen andere, dus de andere dorpen van de gemeente Eenrum,
Pieterburen, Westernieland en Broek, behoorden ook tot zijn domein. Enfin, hij had een fiets, dus kon hij overal komen. En zijn baas was burgemeester Wiersum en dat was heus geen slechte baas. Misschien komen we Vos nog wel weer tegen.

De krant
We gaan verder en kijken bij de buren van v.d. Scheer.
En dat waren Wieling, Gebroeders Wieling. Dit waren natuurlijk de zonen van “Olle Wieling” en die woonde daar weer vlakbij aan de Kerkbuurt, 1e huis links.
Zijn huis was voorzien van een rood bord, links van de voordeur, en op dat bord stond met grote letters “Nieuwsblad van het Noorden” Hij zorgde voor de krant.
‘s Middags om een uur of half vijf ging hij naar het station en wanneer de trein tot stilstand was gekomen kon hij zijn pakket kranten in ontvangst nemen. Die borg hij op in een grote leren zwarte tas. Er waren mensen die daar de krant zelf kwamen weghalen en dat waren meestal dezelfde maar sommigen mensen kwamen af en toe. Als je niet kwam bezorgde hij de krant. Hij wist precies te onthouden wie wel of niet was geweest, je hoefde niet te rekenen dat, als je de krant had opgehaald, je dan ook nog eentje thuisbezorgd kreeg. Het was een vlug en secuur mannetje. Of hij ook verder bij transport was betrokken weet ik niet, maar zijn zoons wel.

De Gebroeders Wieling hadden een echt transportbedrijf waarover een volgende keer wel wat is te vertellen. 

.




5. Transport

Bodediensten
In Eenrum waren verschillende transportbedrijven. Belangrijk waren de bodediensten.
Deze bodediensten verzorgden de aanvoer van stukgoederen en levensmiddelen vanaf Groningen.
Moest het stukgoed van verder weg komen dan kwam het per bode naar de stad Groningen en werd daar overgeladen, dus van bode naar bode, en kwam zo op de plaats van bestemming.
Andersom ging het ook zo. Iets wat hier werd gemaakt, bijvoorbeeld klompen werden in Eenrum gemaakt, dan gingen deze per bode of bodes naar de plaats van bestemming.
Heel belangrijk was het vervoer van groente.
Er werd aan de rand van het dorp heel veel groente verbouwd, bijvoorbeeld achter het kerkhof en aan de Oude Oosterweg. Dit ging bijna allemaal naar de veiling in Groningen. Vóór 1920 ging dit per boot, of ook per boot en bodewagen. Na 1920 namen auto’s het over maar de naam bodewagen bleef bestaan.

De eerste bode die een vrachtauto had was volgens mij bode Schut. Hij had een Chevrolet van 1923 of 1924. Als hij van stee moest dan begon de auto vervaarlijk te piepen. Dat hoorde blijkbaar zo want het gebeurde steevast en was waarschijnlijk een bijgeluid van de koppeling. De bode die daarna op het toneel verscheen was bode Wieling. De eerder genoemde Gebr. Wieling.

De gebroeders Wieling
Het waren drie broers en zij runden de zaak. Omstreeks 1930 bouwden ze een nieuwe loods met een woning ervoor. De oudste van de drie was “Gerriet” (Gerrit) , hij ging daar wonen. De tweede was “Hennerk”, Hij zal wel Hendrik of Hendrikus hebben geheten maar er zullen weinig mensen zijn die dat hebben geweten. De derde was “Grardes” (waarschijnlijk Gerardus).
Gerriet had de algehele leiding. Gerriet regelde de zaak en er was natuurlijk heel wat te regelen. In Groningen maakte hij b.v. afspraken met de grotere leveranciers. Maandagsavonds en donderdagsavonds ging hij het dorp door om bij klanten, of vermoede klanten te vragen of ze nog een boodschap in de stad hadden of dat ze nog iets voor hen konden doen. Er moesten b.v. boorden worden gewassen en gestreken en dan ging er een doos met vuile boorden mee.
De bode moest allerhande klusjes opknappen. Gerriet nam een fiets mee op de bodewagen en hij fietste in de stad om zijn opdrachten uit te voeren. Hennerk had meer het losse vervoer en had een open vrachtauto tot zijn beschikking. Die hebben ze wat later aangeschaft, het nummer was A-12891 en de bodewagen had nummer A-8778 en dat was plm. 1925.
Het gebruikelijke merk in Eenrum was Ford en die kwamen van “Niekloas Bakker ien Menskeweer”. Zijn naam staat nog op de garage (nu antiekzaak) maar er zit een bord overheen.
We dwalen af. Hennerk heeft niet altijd meegedraaid. Hij verliet het drietal en vertrok naar Winschoten. De jongste en kleinste van de drie was Grardes. Ik denk dat hij het meeste werk moest opknappen. Hij zat altijd achter het stuur van de bodewagen en daar moest het mee gebeuren.

Er ging heel veel groente naar de veiling en was de wagen vol dan was er nog een overdek boven het motorgedeelte en stapelen maar. De de veiling begon al vroeg, dus maandag en donderdag opladen. Terug uit de stad, liefst met een volgeladen wagen, moest alles zoveel mogelijk op dezelfde dag bezorgd worden. Dat was dus op dinsdag en vrijdag. De vrachtprijzen waren niet hoog, het was dubbeltjes en kwartjeswerk en er was concurrentie zowel van bode als van een beurtdienst (boot).

.




6. De bodes en hun auto’s

De bodes (bodediensten) die de transportdienst onderhielden zijn tussen 1920 en 1930 gemotoriseerd. Paard-en-wagen werd vrachtauto en het beurtschip werd motorboot.
De eerste bodewagen (auto) die ik heb waargenomen was bode Schut, daarna gebr. Wieling en daarna Smit. Volgens een bode boek was Wieling voor Mensingeweer en Smit voor Eenrum.
In de praktijk bleek dat Wieling voor beide was.
De heer Schut was rond 1927 niet zo jong meer en keek dus rond voor een hulp of een overname. Deze kwam in de persoon van Tj. Meisner. Waar hij vandaan kwam met zijn gezin weet ik niet meer maar ik meen uit Amerika. Misschien een spijt-emigrant. Hij was een doortastend man, kocht direct een nieuwe vrachtauto en hierop verscheen de naam “SCHUT & MEISNER”. Het autonummer dat is aangevraagd stond op zijn naam. Dit was A-17319 en is rond 1928 uitgegeven. Een normale vrachtwagen was hem niet lang genoeg, hij nam een truck met trailer. De truck was een Ford, deze kwam van Bakker natuurlijk.
Hoe lang de samenwerking heeft geduurd weet ik niet maar de dienst is waarschijnlijk overgenomen door P. Smit want de naam Schut en Meisner is verdwenen en P. Smit kwam er voor in de plaats.
Piet Smit kwam terug uit Amerika. Hij kocht ook een nieuwe bodewagen, een Ford- 4 cylinder, maar die beviel zeker niet wat al gauw kwam er V-8 voor de radiateur te staan. Het autonummer was A-21492, de uitgave van 1933-1934. Smit was een zeer voorzichtige rijder en de auto heeft het tot ongeveer 1955 volgehouden. Als er tussen dinsdag en vrijdag een vrachtje te krijgen was dan deed hij dat ook graag.

Hij had voor een tante van mij, Grietje Sikkema, een boedelverhuizinkje van Eenrum naar Den Haag, zijn broer ging mee als hulp en ik mocht er tussenin. Een prachtige, onvergetelijke tocht. Zijn broer werkte bij een boer,ik meen Dijkveld-Stol.

In de oorlog was er te weinig benzine verkrijgbaar en kregen ook de bodes benzinegebrek en zijn Wieling en Smit samen gegaan. Er is tenminste een foto waarop Marten Smit staat afgebeeld met de auto van Smit en de aanhangwagen van Wieling. Meisner is sinds 1933 als bode verdwenen. Hij begon elders met een eigen transportbedrijf.

De bode en de boot
Er was veel aanvoer van en naar Groningen per boot. Een motorboot. Het was een beurtschip zoals er in die tijd veel waren verschenen. Beurtschippers hadden veel vervoer per zak. Granen heen en kruidenierswaren en bakkersmeel terug. De motor had een vliegwiel en moest met de hand worden aan geslingerd.
Vaak moest ook de cilinderkop eerst worden verhit met een brander anders kreeg je het spul niet aan de loop. De eigenaars van het Eenrummer beurtschip waren JELSEMA & WERKEMA. Jelsema moest altijd het woord doen want Werkema was niet vlot met de tong, integendeel. Samen gingen ze met de boot heen en weer. Werkema had thuis in een schuur het beheer over brandstoffen, deze hadden ze in de handel.
Maar ook zij konden het vervoer met alleen de boot niet volhouden. De bodes deden het per dag en leverden zonder lossen ter plekke af. Dus ook Jelsema en Werkema waren gedwongen een auto aan te schaffen. Ze kochten een open vrachtwagen, Ford, van Bakker en hebben het zo nog een hele poos volgehouden.

Er was nog veel meer op transportgebied in Eenrum, maar daarover later. We moeten nog verder de Zuiderstraat in en we zijn nog maar bij de Gebr. Wieling.

.




7. Verder de Zuiderstraat in.

Het pand tegenover de Kerkbuurt (een naam van na de oorlog) werd bewoond door “Leeuw en vrouw Leeuw” .
Ze deden in zaken en hadden een kruideniersbedrijf, maar het had dunkt me niet veel om het lijf. De winkel was altijd netjes op orde, het waren trouwens ook keurige mensen, maar een drukke zaak was het niet.
Later, en nu nog, is er de bloemenzaak van Scholtens gevestigd.
Scholtens ( ik meen Derk) was indertijd tuinman bij dokter Posthumus. Mevrouw Posthumus had een prima meid aan het werk. De tuinman en de meid kwamen natuurlijk wel met elkaar in contact. Dokter had een grote tuin en je hoeft elkaar niet altijd stroef voorbij te lopen, enfin ze zijn met elkaar getrouwd en ze hebben zich in het pand van Leeuw gevestigd. Het is een goede beslissing geweest, dat blijkt wel.

Het huis naast het pand van Leeuw, eigenlijk een boerderijtje, is bewoond geweest door een familie Kerkhof (een van de mannen heette Rainer) daarna door de familie Baarveld. Ze hadden wat vee. Hier is niet veel over te vertellen.

De schoenfabriek
Tegenover Baarveld, aan de noordzijde van de straat dus, daar gebeurde meer.
Hier ronkten de machines. Hier had je de schoenfabriek van Wilkens.
Aan de voorzijde het woonhuis en daarachter de fabriek. Het huis werd bewoond door “Wilkens en vrouw Wilkens” Hij werd wel “Janske” genoemd want het was een klein manneke. Hij zal waarschijnlijk Johannes hebben geheten.
Hij had de leiding in de fabriek. En daar werd hard gewerkt. De machines stonden op de bovenverdieping. Als je de brede trap opging en je kwam boven dan was het één en al bedrijvigheid.
Aan de linkerkant (Westzijde dus), draaide bovenin een aandrijfas. Deze was met een riem verbonden met een elektromotor. Alle machines aan die zijde waren weer met een riem die over poelies liep, aangesloten op die erg lange aandrijfas.
Al behoefde er maar één machine gebruikt de te worden, dan moest bovenin toch de hele zaak draaien. En dat was altijd een leuk gezicht. Tussen de poelies draaiden ringen die heen en weer gingen en de as schoon hielden. Wel kon je een machine stil zetten door de riem te verschuiven, maar de hele dag had je het monotone geluid van het bedrijf.
Er werden dus schoenen gefabriceerd en die moesten verkocht worden.
Het bedrijf werd gerund door twee broers.

De een was voor de productie en de andere voor de verkoop. De naam van de andere broer is mij niet bekend, maar het was een echte vertegenwoordiger. Het was een joyeuze baas, had een prima voorkomen en reed altijd in een mooie auto. Deze auto huurden ze van Bakker in Mensingeweer. Uit de tijd van ongeveer 1930, het was het een 4-persoons Ford cabrio, met een crèmekleurig linnendak, een wagen dus waar je wel mee voor den dag kon komen. De nummerplaat vermeldde het nummer A-690.
De zaak heeft een glorietijd gehad maar ging zoals zoveel fabriekjes ter ziele. De broer is vertegenwoordiger geworden van een gerenommeerd merk, vestiging Nijmegen en Janske heeft geprobeerd zich te redden met particuliere verkoop. In het woonhuis was aan de rechterkant een gedeelte ingericht als winkel, er werd iemand op pad gestuurd voor verkoop. Er werd een auto gehuurd van Medendorp. (Medendorp was een fietsenmaker, woonachtig in het Centrum, en het merk van de auto was Citroën).
Maar het liep niet meer, de zaak ging dicht en in de fabriek kwam een timmerbedrijf.
Een mens eindigt vaak zoals hij is begonnen en zo ging het ook Janske. Hij heeft nog een tijdje schoenen staan flikken in de Poelestraat in Groningen Dat was het bedrijf Wilkens.

De Zuiderstraat was een straat waar nog veel meer gebeurde dus die straat lopen we zeker verder door.

.




8. Een bijzondere transactie

De voormalige schoenenfabriek van Wilkens lag langs een “gangkje”, dit straatje heeft nu natuurlijk een veel deftiger naam, maar vroeger waren het gankjes, en deze liep vanaf de Zuiderstraat recht op de kerk af.
Het eerste huisje dat op de hoek van de Zuiderstraat en het gangkje stond is een tijd bewoond geweest door een familie Nubé. Nubé was als zovelen werkzaam in de landbouw. In zijn vrije tijd deed hij veel aan figuurzagen en kocht zijn triplex vaak bij de verderop wonende meubelmaker Boonstra. Ze deden aldus vaak zaken al ging het niet om grote bedragen.
Nubé ging verhuizen naar een woning onder aan de dijk ergens in de Noordpolder. Dit gaf natuurlijk aanleiding tot een verhaal.

Het bleek dat Nubé nog een kippenhok nodig had en Boonstra had een auto-as nodig met wielen met luchtbanden. Boonstra had een handkar waar hij materialen mee versleepte, zoals hout ophalen van Eggens of één van zijn producten afleveren bij de smid. En de oude houten wielen bevielen hem niet meer.
Nu kon je wel een auto-as met wielen kopen bij de Job Knoop in Aduard maar dan moest je de hele auto nemen.
Nu kwamen de beide mannen op een idee. Boonstra koopt de auto, die wordt gesleept naar de dijkwoning, Nubé haalt er een onderstel onder weg en redt zich met de rest en dan had hij een mooi kippenhok.
Deze transactie is aldus uitgevoerd en is naar beider tevredenheid verlopen.

Hobby’s in Eenrum
Figuurzagen werd er veel gedaan in Eenrum.
Het is vooral een soort huisvlijt geworden gepropageerd door het “NUT” en de inspiratie kwam vooral van dr. Posthumus, de aanjager van veel activiteiten.
Ieder voorjaar was er een tentoonstelling van de producten in het oude witte gemeentehuis en er waren prijzen aan verbonden.
Er woonde ook een familie Nubé “achter streng kett’n”.
Zij waren specialisten in het maken van vliegers. “Droak oploat’n”. Dat gebeurde meestal op het land achter hun huis, het voetbalveld.
Deze vliegers stonden vaak heel hoog en heel ver. Er werden dan briefjes naar de vlieger gestuurd, stukjes papier met een gat er in die langs het touw omhoog waaiden.
Vaak was er ‘s avonds geen wind meer maar de vlieger stond dan nog hoog in de lucht. “Hou kin dat?” “Hai het nog boo m wiend” Dat waren de nuupkes.

Zuiderstraat zuidzijde
We gaan nu weer naar de Zuiderstraat. Zuidzijde.
We hebben “Boorveld” gehad en komen nu bij groentekweker Aldershof. Dit is Ko Aldershof, niet te verwarren met zijn broer Jan, die ook groentekweker was maar even verderop woonde.
Ko leverde aan de veiling maar reed ook rond met een handkar om op deze manier particulier zijn waren aan de man te brengen.
Ko en zijn vrouw hadden een dochter, Griet. En die Griet dat was er eentje. Als die op straat liep, dan liep er ook wat. Griet straalde van alle kanten en was blijkbaar altijd in een goede stemming. Later is ze met een slagersknecht die van buiten kwam getrouwd en hebben nog in Groningen gewoond aan de Eeldersingel boven bakker Bolt.

We lopen verder en staan nu voor het huis van de fam. Schelhaas.
Zij hadden twee zonen: Johan en Koenraad. Johan staat op de kleuterfoto naast Arie Klatter.
Schelhaas was een verzekeringsman. ‘s Morgens stapte hij op zijn fiets en wist met zijn aktetas vol papieren de kost te verdienen. Er hing zwart bord aan de muur waarop stond dat hij werkte voor de Onderlinge brandwaarborgmaatschappij Woudsend.

Tegenover Schelhaas, aan de noordkant van de straat dus, woonde Voos.
Man, vrouw en twee zonen. Kobus Voos, dat kan de naam zijn van de man of één van de zoons.
Het waren alle drie beren van kerels, echt het toonbeeld van stoere werkers. En werken dat deden ze en ook niet het makkelijkste werk. Het waren rietdekkers en dat konden ze.
Hun resultaten werden ook een keer zichtbaar in de straat. Achter het pand op no. 22 (nu speelgoedwinkel) stond een grote schuur met een rieten dak. Dat dak is helemaal vervangen en dat is gedaan door de heren Voos. Hoe of wat, waar dat riet weg kwam bijvoorbeeld, dat hoorde je niet, de mannen zeiden niet veel maar “raait dekk’n” dat konden ze en daar ging het ja om.

.




9. Het “gangkje”.

Het huis van de rietdekkers Voos staat weer aan een “gangkje”.
Dit vond ik altijd een heel mooi straatje want er zitten 2 bochten in en daar kon ik met mijn broertje in zijn kruiwagentje altijd lekker doorheen racen.
De bewoners van de aanliggende huisjes hielden wel eens hun hart vast en één van de vrouwen zei eens: “Hai, hai, kiend kin wel verongelukk’n”.
Maar mijn broertje, met de benen voor over het schotje en aan weerszijden van het wiel, vond het best en we zijn altijd heelhuids beneden aangekomen.

De Bulthuis families
Aan de andere kant van het gankje woonde tot plm.1927 de fam. Bulthuis.
Het was een winkelpand.
Wat Bulthuis te koop had weet ik niet maar waarschijnlijk kruidenierswaren en/of manufacturen.
Hoeveel personen er woonden is mij ook niet bekend, in ieder geval een paar mannen, waarschijnlijk zonen en ze waren nogal avontuurlijk. Ze hebben indertijd een aanvraag ingediend om een busdienst te mogen oprichten. De bedoeling was om te rijden vanaf het spoorwegstation Baflo. Ze hebben daar heel veel moeite voor gedaan en er heeft ook een bus gereden want ik heb er een keer in gezeten.
Ik reed een keer met mijn vader van Baflo naar Eenrum. Het was donker en het zicht was slecht Voorbij “Leuje Soaksum” ging het over de brug naar beneden en toen “stoof ons Fordje op kop ien’ grindbult”
We werden toen opgepikt door een bus van Bulthuis die ons thuis weer heeft afgeleverd.
De Bulthuizen zijn uit Eenrum vertrokken en verhuisd naar Den Andel.
Later kwamen ze geregeld terug want ze verkochten costuums en die lieten ze maken bij kleermaker Fokkelman die aan de overkant in de Zuiderstraat woonde.
De Bulthuis jongens waren de eersten in het noorden die waterscooters hadden. In Den Andel hadden ze een heel grote bak met dekkleden er in, en gevuld met water. Hier kon je met een motorbootje in rond varen. Of de exploitatie lonend geweest is betwijfel ik.

Er waren trouwens meer Bulthuizen in Eenrum. Neem bijvoorbeeld bakker Bulthuis.
Hij woonde vlak naast de dorpspomp.
Hij betrok zijn hardbroden van een bakkerij Bulthuis in Den Andel. Deze broden werden altijd bezorgd met een bruine bestelwagen, merk Willys. Dit zal wel familie geweest zijn.
En dan had je Jo Bulthuis, de eigenaar van Hotel ‘Gemeentehuis’.
En er woonde ook een Bulthuis op een “spultje”aan de weg naar Saaxumhuizen. Voorop het huis stond en staat de naam van zijn dochter META.

De kruidenierswinkel van “Daiphoes”
Toen de Bulthuizen uit de Zuiderstraat waren vertrokken werd het pand betrokken door de fam. “Daiphoes”.
Man, vrouw en dochter Sien. Zij begonnen daar een kruidenierszaak. Een huis verderop woonde Boonstra, hij had ook een kruidenierswinkel en is omstreeks die tijd daarmee gestopt. Dit zal wel verband met elkaar hebben gehad.

De winkel van “Daiphoes” was wel een tamelijk drukke winkel, Vrouw Daiphoes regeerde het spul en Daiphoes die dunkt me nooit tegensprak, kreeg altijd opdracht waar hij de manden met boodschappen met zijn Fordje moest bezorgen. In de winkel was het altijd nogal donker, bijna alles werd afgewogen met gewichten, later kwam er een “Van Berkel”op de toonbank.
Vrouw Daiphoes was nogal pittig, de zaak was haar best toevertrouwd. Ze had opgestoken haar en de haarspelden waren haar gereedschap voor bijvoorbeeld het openmaken van een koekjesblik. Sien, de dochter was toen al 25-30 jaar, wat ze deed weet ik niet, er kwam ook wel eens een vriend of kennis op bezoek maar van trouwen is me niets bekend.
Diephuis was een zelfstandige kruidenier, zoals overal trouwens maar rond 1937 zijn ze aangesloten bij de inkoopvereniging “Sperwer”.

In de Zuiderstraat waren nog meer bedrijven, maar daarover later

.




10. De kleermaker

Tegenover Diephuis, aan de zuidkant van de straat dus, woonde de familie Fokkelman.
Het gezin was r.k., in de volksmond Rooms, de kinderen gingen in Hoorn naar school.
Tegenwoordig noemt men de plaats Wehe-den Hoorn, maar in mijn jeugd was het Hoorn en Wijh.
De kinderen van Fokkelman waren jongens, drie jongens. De oudste was Johan, dan kwam Bernhard en de derde was André. Naar ik meen te weten is Johan later bedrijfsleider geworden in een supermarkt. Bernhard was een bijzonder jongetje. Of het een echte jongen was is te betwijfelen. Hij was in ieder geval een beetje ongewoon. Hij liep heel lang met een duim in de mond en hij had meisjesmanieren. Hij is later vertrokken naar Brabant en ging wonen en werken in een klooster te Zundert. André is bij het vak van zijn vader gebleven en is kleermaker geworden en is in “Stad” gaan wonen.
Met deze drie jongens hebben we ( mijn broertje Aafko, mijn zusjes Willy en Grietje) veel in de straat gespeeld. Spelletjes waren b.v. “Bezietjekroep’n”, “Pig en lepken”, “Houbeln”, “Kooihink’n”, “Tikjen”, ook wel eens “Voetball’n” maar dat laatste was niet zo geschikt vanwege de nabijheid van huis en tuinen.
Fokkelman was dus “Snieder”. Op het glas boven de voordeur stond met keurig gekrulde letters (de voorletters weet ik niet meer): Fokkelman & Zonen, tailleurs. Het is dus een beroep geweest van geslacht op geslacht.
De naaikamer was voor aan de straat en je kon de hele dag zien wat er in het atelier plaats vond. Fokkelman had één knecht, een medewerker dus. Zijn achternaam was Halsema, hij kwam uit Kloosterburen en liep slecht. Hij had een klompvoet en het werk was dus voor hem heel geschikt.
Er was altijd werk. De naaimachines snorden een groot gedeelte van de dag. De aandrijving was met de voeten. Er moest natuurlijk ook gestreken worden en dat ging met een strijkijzer zonder een hinderlijke draad. Dat was dus erg handig en zover is men tegenwoordig niet meer.
Je kon bij Fokkelman heren-en jongenskleding bestellen. De maat werd in de naaikamer genomen en een dag of wat later was het pak of pakje klaar.
Vrouw Fokkelman was een vrouw om niet te vergeten. Het was een forse vrouw, ze was de bazin in huis en kon flink te keer gaan. Dat heeft de pastoor gemerkt die een keer op bezoek kwam en er een verschil van mening was. Dit werd mondeling uitgevochten in de naaikamer aan de straat en dat gaf natuurlijk veel hilariteit, de ramen trilden.
Dat was huize Fokkelman.

De familie Hofman
Naast Fokkelman woonde “Kloazien”. Tot ongeveer 1930 woonde ze daar met haar vader “Olle Joap”. Toen die stierf woonde ze dus alleen. Het was een forse vrouw en had rood haar met achterop een dikke knoedel. Ze werd wel eens geplaagd en kon dan erg kwaad worden. Ook kwam er vaak een bal in haar tuintje en dan verscheen ze in de deur. Ze had dan een waarschuwende vinger omhoog en 'Denk er om!'.

Haar achternaam was waarschijnlijk Hofman want achter haar huisje woonde Hofman en naar ik weet was dat een broer van haar. Dat huis stond langs een stenen pad en dat pad liep naar de Katsloot. Daarover later meer. Hofman had een grote tuin, was dus tuinier maar hij had er ook handel bij. Op het huis van Kloazien, aan de straatkant dus, was een bord bevestigd met het opschrift: Zaadteelt en zaadhandel A.D. Hobbel Ooltgensplaat.
Hofman en vrouw Hofman hadden 2 jongens : Job en Aalbert. Job was in 1930 ongeveer 10 jaar en ze gingen natuurlijk in Eenrum naar school. Tot zover Hofman.

EINDE VAN DEEL I

.




wordt vervolgd
Eenrum Deel II
Eenrum Deel III
Eenrum Deel IV

 

This is all it up until now!
Kom terug, want binnenkort is er meer te lezen!

1) Een aantal van deze verhalen zijn in vereenvoudigde vorm gepubliceerd door de historische kring van Eenrum en in druk in 'de Ainrommer' in de periode van 2011-2013.

 

ga naar het begin

als je opmerkingen hebt stuur ze naar:C.A.Boonstra.

2 juni 2014,
bijgewerkt op 2-6 2014
Copyright © 2014 K.J.Boonstra