Deel II

Het leven in Eenrum van vóór 1940

door K.J.Boonstra


Herinneringen van Eenrum van 1925-1940

topokaart 1933
een gedeelte uit de kaart:
topokaart 1933
Topografische ondergrond (c) Kadaster, 2014.

EENRUM

Het leven in Eenrum van vóór 1940

door K.J.Boonstra



Herinneringen van Eenrum van 1925-1940
Deel II
 

terug naar DEEL I

verder naar DEEL III

verder naar DEEL IV

Eenrum van vóór 1940

Voorwoord

Dit is deel II van de verhalen
over de jeugdherinneringen in Eenrum van Karst Jan Boonstra . Vanaf 2011 schrijft hij regelmatig zijn herinneringen op.
Ze worden gepubliceerd in 'de Ainrommer'in de periode van 2011-2013. Nu verschijnen ze op het web.

In Deel I hebben we gelezen over de mensen die woonden om het huis aan de Zuiderstraat 22. En we lazen over de ambachten van begin 20e eeuw. In deel II komen we dichter bij de familie die op de Zuiderstraat 22 woonde: Boonstra!

Karst Jan (in het gronings 'Kasjan' ) heeft ook nu interesse in de technische details van de machines die worden gebruikt. hij kijkt bij zijn vader, bij de buren en bij al de inwoners van Eenrum.


Karst Jan blijft schrijven, elke maand komt er weer een verhaal bij!

Veel plezier bij het lezen!

Nelleke Boonstra, webbeheerder

11. pand A 250 eerste gedeelte

zuiderstraat 22

Het pand Zuiderstraat 22 stond vroeger geregistreed als perceel A 250.
In Pieterburen hadden de huizen ‘B’ nummers, Westernieland ‘C’ en Broek waarschijnlijk ‘C’.
Straatnamen waren er niet, alleen in de volksmond.
Van dit perceel A 250 is veel te vertellen want schrijver dezes is er geboren en heeft er 17 jaar gewoond.

Van kruidenier naar meubelmaker
Derk Boonstra, geboren in Zuidhorn, wonend in Den Ham en Aaltje Sikkema, geboren in Warffum kochten in 1923 dit pand om er een zaak te beginnen.
De ouders van Derk hadden een boerenbedrijfje (vee) in Den Ham en Aaltje kwam uit een schildersfamilie (10 kinderen) in Warffum. Ze gingen trouwen op 31 Augustus 1923 en begonnen vol moed aan hun bedrijf.
De vorige eigenaar was P. Pel en hij vertrok naar Winsum. Het was een kruidenierszaak met daarachter een boerderij. In die boerderij was ook een stal voor ongeveer 8 stuks vee. Of daar toen nog als boer gewerkt werd is niet bekend maar boer worden was ook niet de bedoeling.

Boonstra had ruimte nodig voor zijn vak en met zo’n schuur kon hij wel wat beginnen.

Schaatsen
Hij had een opleiding gehad als “stelmoaker” bij Noorman in Den Ham.
Job Noorman stond in het Noorden bekend als schaatsenfabrikant. In de ijzers stond zijn naam gegraveerd.

gegraveerde naam op het ijzer

poolster doorloper
afbeeldingen www.schaatsmuseum.nl

De schaatsen werden in de slappe tijd gemaakt en werden op een speciale manier verkocht. Er werden verscheiden paren schaatsen in een kist geplaatst en deze kisten werden verzonden naar verkoopadressen in het noorden. Na afloop van het schaatsseizoen fietste de heer Noorman bij de adressen langs om de stand van zaken op te nemen en om het eventuele succes voort te zetten.
Hier had Boonstra een goede leerschool als stelmaker en was tevens goed op de hoogte van de schaatssport. Hij kreeg ook een kist, verkocht ook schaatsen en wist heel goed hoe die geslepen moesten worden. Dit moest op een “natte stain”.

Meubelmaker
Het meubelvak heeft hij geleerd bij meubelmaker Meima in Warffum, zodoende kwam hij aan zijn Aaltje.
Van dit vak heeft hij zijn levenswerk gemaakt. De wagenmakerij voor de boeren liep immers af en hij wist van zijn bedrijf later een meubelfabriek te maken.

Rond 1927 werd de kruidenierszaak aan de kant gedaan.
Zoals het ging konden ze het niet volhouden. Want negen maanden na hun trouwdag werd er een zoon geboren en twee jaar later een dochter; het was druk in de stelmakerij en dan nog een kruidenierszaak erbij, dat was te veel. Er moest afgeslankt worden.

Kasjan
Hun zoon (dat ben ik) kreeg de naam Karst Jan.
Pa in Den Ham heette Karst en pa in Warffum heette Jan.
De dochter kreeg de naam Willemtje Aafke. Moeder in Warffum heette Willemtje en moeder in Den Ham heette Aafke. Allemaal erg logisch dus.
De eerste die mij (Karst Jan) zag was “Dinoa Stoal”. Zij was moekes hulp en was ook “boaker”. Ze woonde in “Muilns” op de hoek van een weggetje dat liep naar boer Wiersum op de Eenrumerstreek. Het was een dubbel huis schuin tegenover een toen bestaande molen. Haar man was “ Jan Stoal”, ze woonden aan de dorpskant.
Aan de andere kant, aan de noordzijde dus, woonden Piet en Trienje, dat waren schoonzoon en dochter, met hun kinderen Willem en Dinie.
Piet Bos was groentekweker, had grote tuinen achter het kerkhof en verkocht zijn groente (“veul spruut’n”) op de veiling in Groningen. Hij ging soms ’s morgens om 5 uur op de fiets naar de veiling om op de hoogte te zijn met de verkoop. Nageslacht van Jan en Dinoa woont momenteel aan de Achterweg. Dit alles naar aanleiding van de geboorte van Karst Jan, wiens naam later werd afgevlakt naar

Kasjan

.




12. pand A 250 tweede gedeelte

De zinkput
Het pand Zuiderstraat 22, vroeger A 250 is weinig veranderd.
Wel zijn aan de voorkant dingen veranderd. Er was links een bloementuintje met een gepunt hekje en rechts ook.
Daartussen was een klein pleintje geplaveid met bakstenen. Maar voor dat pleintje was een “bat” (of het met een t of een d wordt geschreven weet ik niet), maar het is wel zeker dat hij stonk.
Bij een wierdedorp was de afvoer van vuil water geen probleem want het water loopt immers toch naar beneden en wordt dan afgevoerd naar een sloot of kanaal. Door het hele dorp liepen goten en die werden doorgespoeld door regenbuien. Wel werd het dikste vuil er hier en daar uitgehaald en dat gebeurde in zo’n “bat”. Een zinkput dus.

Om de zoveel tijd kwam de gemeente met een wipkar en 2 mannen om die drab er uit te halen. Ze hadden een lange stok met een soort zak er aan en daarmee trokken ze de smurrie naar boven en plonsden het in de “wipkoar”.
Een van de mannen was vaak Gerke de Vries. Hij was in vaste dienst bij de gemeente en was overal goed voor. Het “bat” was van beton en wanneer het deksel er weer op werd gelegd dan kon je aannemen dat er weer heel wat vuil was verwijderd. Het “bat” werd dus gevuld met afvalwater van veel gezinnen en regenwater. Wanneer het “bat” bijna vol was kon het water, dat het meeste bezinksel kwijt was, lozen door een opening aan de straatkant door een buis onder de straatstenen door via een diepe goot naar “katsloot” Die naam is waarschijnlijk ontleend aan het feit dat hier wel eens katten werden “verzoopn”.

Gemeentegrenzen
Langs de goot liep een stenen paadje met een “vonder” over de katsloot, dus over een poel van ongerechtigheden. Maar dat stenen pad was heel belangrijk want via het “vonder” kon je verder over het pad naar “Heernshaim”. Eerst een stukje groenland dat mijn moeder wel eens gebruikte als bleek voor lakens (blaik’n), dan een 2e vonder en dan nog één en zo liep of fietste je langs korenvelden de gemeente uit.
Want je kwam via het stenen pad bij het kanaal en dan kwam je via de brug die er nog ligt in de gemeente Winsum.
Je kon daar heerlijk zitten te vissen. Je zat dan in de gemeente Eenrum en je viste in de gemeente Winsum.
Eigenlijk heb ik dat ook gedaan want mijn vrouw die in 1940 mijn vriendin werd kwam uit Winsum.

Liep je verder naar de brug en klom op de brug over een hek dan was je in Ernstheem en wel op het terrein van Jan Ernst Wiek. Iedere morgen liepen een aantal arbeiders met hun blauwe kruikjes met witte afsluitdoppen en een “pudeltje” met brood vanuit Eenrum langs dit pad naar hun werkgever.
De 2e boer (richting Baflo) van Ernstheem was Luutje Foaber en die maakte ook vaak gebruik van deze verbinding van Ernstheem naar Eenrum. Foaber was een hele dikke man met een buik van jewelste. En als hij dan met zijn fiets in de Zuiderstraat te voorschijn kwam (lopend) dan klom hij op straat op zijn fiets. Het was echt klimmen. De fiets had geen pakjesdrager. Hij zette zijn linkervoet op een stepje bij de achteras, met zijn rechterbeen stond hij op de straat en zo zette hij gang om in balans te komen en reed de straat uit naar het dorps midden, naar Zeef, de kroegbaas en daar stond zijn borreltje te wachten. En dat gebeurde niet soms, maar vaak, misschien wel te vaak……

En nu staan we weer voor het pand A 250

.




13. Het pand A 250 derde gedeelte

De winkel en het woonhuis.
Het pand had en heeft aan de linkerzijde 2 ramen, dan de winkeldeur en aan de rechterzijde 1 raam.
Achter dit raam was toentertijd het kantoor.
Het was geen ideale plek want je moest als je naar het kantoor ging, door de etalage. Als er dan mensen voor de etalage naar de spullen keken, schrokken zij en dan waren direct vertrokken en dat was natuurlijk niet de bedoeling.
Aan de linkerkant was meer ruimte om te etaleren en diverse goederen en diensten werden hier aangeprezen.

Auping en Balatum
Eens was er een uitstalling van Auping spiraalmatrassen.
Spiraalmatrassen waren tussen 1925 en 1930 in opkomst en waren hier dus te koop en wel in 4 kwaliteiten. Het was te zien aan het netwerk en aan de kleur van het frame. De kleur van de beste was de goudkleur en de goedkoopste was paars. De tussenkleuren zullen wel groen en blauw zijn geweest.
Ook was er eens een uitstalling van Balatum, de vloerbedekking die het goed deed.
Diverse kleuren werden getoond. De verkoopprijs was per el (68 cm). De verkoopprijs was gelijk aan de inkoopprijs maar die was per meter. De “ellestok” werd wel meer gebruikt, b.v. bij manufacturier Pol in de Hoofdstraat, daar werd alles per el verkocht.

In de etalage van Boonstra werd veel aangeprezen. In de oogsttijd moesten er in de huishoudingen snijbonen worden ingezet en die moesten worden gesneden. Dit gebeurde machinaal met een “snieboonmeulntje”. En die waren hier te huur. Er stonden dan 2 molentjes in de etalage.

Een molentje met het opschrift: IK BEN TE HUUR

en op het andere molentje: IK OOK

De belangrijkste artikelen die geëtaleerd werden, waren natuurlijk meubelen, praktisch alles eigen fabricaat. Crapauds, stoelen, tafels, kasten. Banken waren niet populair, want die werden er niet gevraagd.

Opknappen en betalen
De winkel was in 1923 een kruidenierswinkel maar is ongeveer in 1927 omgebouwd tot meubelwinkel. Het was een kwestie van uitbreken en schilderen en behangen. Dit laatste gebeurde door schilder Karel Sikkema uit Warffum, een broer van moeder Boonstra.
De beide ramen aan de linkerzijde waren van de woonkamer. De kamer werd weinig gebruikt, alles gebeurde achter in de keuken. Als er verjaardagsvisite was werd de kamer natuurlijk wel gebruikt.
Ook als de boeren kwamen om een rekening te betalen. Dan werd de kachel aangemaakt, eierkolen er op, en de boer kreeg een borreltje en een sigaar gepresenteerd en kon op die manier zijn schuld voldoen. De rekening werd voldaan met een plakzegel en een handtekening , en de datum werd er overheen geschreven. Bij bedragen van 10 gulden of meer was zo’n zegel van 10 cent verplicht. Het uitschrijven van rekeningen vond 2x per jaar plaats. De rekeningen werden per 1 mei en 1 november geschreven en meest per fiets rondgebracht.

Achter in de kamer waren twee bedsteden, één voor de ouders en één voor de kinderen. Voor de kinderen is later een andere oplossing gevonden. In de bedden lagen planken, daarop stromatrassen (“stroozakk’n”) met dekens, lakens en slopen en dat was het dan. Onder de planken was een soort kelder en dat was de plaats voor de benodigde wintervoorraad aardappelen.

Het pand A 250 kan natuurlijk veel meer geheimen prijsgeven maar daarover een volgende keer.

.




14. Verder in de winkel

De handel
Een winkel is natuurlijk een belangrijk bestanddeel van het bedrijf, dat geldt immers voor iedere winkel.
In heel wat winkels moet het druk zijn, vooral als het om artikelen gaat met kleine geldbedragen. Maar dat is met meubelen niet het geval. Er waren veel dagen dat er praktisch geen loop was. Maar als………..
en dan is het meestal ook wel de moeite waard.

Eens kwamen er een man en een vrouw aan fietsen die wel de hele dag of zeker wel de hele week goed maakten. Het waren de heer en mevrouw Wieringa van de Hamsterborg uit Den Ham.
Het is al een hele tijd geleden, tussen 1930 en 1940 en ook hun zoon Jan leeft al niet meer, dus durf ik het te vertellen. Ze gingen de borg verlaten (ook bekend als Piloersemaborg) en waren bezig met een nieuw huis aan de Hoofdweg (1e huis rechts in Den Ham) en hadden gedacht hun meubels bij Derk Boonstra in Eenrum te kopen. En natuurlijk is dat voor mekaar gekomen. Dik voor mekaar zelfs.
En zo kwamen de klanten soms van heinde en ver, ook vaak geactiveerd door de vele advertenties die in het “bokkeblad” werden geplaatst. Deze krant werd verspreid voor Hunsingo en omstreken en werd gedrukt en uitgegeven door J.C. Mekel te Winsum. Een vaste medewerker hiervan was Anko Stoal, zoon van Dinoa oet Meulns.

De telefoon
De winkel was ook een interlokaal trefpunt, want achterin hing de telefoon, in het centrum van het huis, dus je kon hem overal horen. Ons telefoonnummer was nummer 13. We hoorden bij de eersten die deze apparatuur hebben aangeschaft, daarom hadden we zo’n laag nummer. Het was een behoorlijk groot kastje, ter grootte van een slingerklok, van Zweedjs fabrikaat, naam Ericsson & Co. Aan de voorzijde bovenaan waren twee blinkende bellen die bij oproep een flinke portie lawaai produceerden.

ericsson 1920

Als je zelf wilde bellen dan moest je draaien aan een slinger en dan de hoorn opnemen. Op het postkantoor aan het begin van de Raadhuisstraat viel er dan een klepje open. Op dat klepje stond no. 13. Er achter was een opening voor een stekker. Degene die het toestel bediende zag dan wie er belde.
Er was niet altijd iemand aanwezig. Er waren openings- en sluitingstijden. Het was soms de postkantoorhouder maar meestal een medewerker. In dit geval bijna altijd de heer Simon Benninga die de zaak waarnam. De heer Benninga zorgde ook vaak voor de bezorging van de post, verkoop van zegels enz., deed dus veel werk op dit kantoor.
Maar nu dat klepje. Er was dus iemand die iets wenste. Stel Boonstra wilde contact met Groendijk. Dan noemde hij niet het nummer maar hij zei: “ Mag ik “Groendiek ee’m?” ? En dan kreeg hij A.P. (Groendijk) want bakker Groendijk had geen telefoon. Benninga pakte dan een snoertje met aan weerszijden een stekker en verbond zo het nummer van Boonstra met die van Groendijk.
Aan deze telefoonkast met de vele klepjes hing ook een groot horloge en veel papiertjes. Op zo’n papiertje werd de tijd genoteerd dat het gesprek begon en waarop het eindigde. En deze papiertjes kreeg je later als bewijs bij de nota van de telefoonkosten gevoegd.

Dat was dus de telefoon, misschien is er nog een leuk gesprek te voorschijn te halen. Maar dat komt dan later wel.

.




15. Achter in de winkel

De knecht
Achter in de winkel was een doorloop, de afscheiding was gemaakt door een gordijn.
Daar waren een heleboel kastjes met hierin allerlei spullen die in de werkplaats achter het huis van pas konden komen. Ook was er een deur die toegang gaf tot de trap waarop je naar boven kon komen.
Onder die trap was een bed getimmerd. Als je in dat bed lag sliep je half onder de trap, een scheve ruimte dus, en met je bovenste helft in een vrije ruimte. In deze “slaapkamer” sliep de knecht.
Dit was het woord dat altijd gebruikt werd voor een medewerker. In dit geval was het dus een meubelmaker die in de kost was. Het was vaak noodzaak dat hij bij de baas sliep, omdat hij van buiten kwam en waarschijnlijk was dat ook voordeliger.
De laatste knecht die in de kost was, was Derk Bolhuis en hij kwam uit Wetsinge, dat was wel een afstand die moeilijkheden gaf om tegen 7 uur aanwezig te zijn.
Het weekloon van een knecht was (zonder kost) ongeveer 15 gulden en daar moest hij dan vijf en een halve dag voor sabbelen. Maar dat was geen probleem, het werk ging altijd met plezier.
Toen dit bed beschikbaar kwam omdat er geen knecht in de kost was, was hier ruimte voor de beide jongens. Dit waren Karst Jan die geboren is in 1924, en Aafko die geboren is in de strenge winter van 1928-1929.

En van dit broertje Aafko komt nog eens een apart verhaal want dat was toch wel een markant broertje. Er was ook een zusje Willy, geboren in 1926, zij sliep eerst nog in de bedstee. En in 1932 kwam nog een zusje, Grietje.

Uitzicht van de zolder
Nu gaan we de trap op, een heel steile trap en zijn dan op zolder. Omdat de kinderen groter werden, moest er meer slaapgelegenheid komen en werden er op die zolder twee slaapkamers afgetimmerd waarvan één ook geschikt was om huiswerk te maken en de andere om soms een logétje te ontvangen.
Vanuit die slaap- en studeerkamer had je een prachtig uitzicht.

trein in winsum 1938
trein in Eenrum 1938, afbeelding www.statiosweb.nl

Je keek naar Ernstheem en kon ook de trein zien rijden. In de verte zag je hem al aan komen vanuit Winsum.
Een geweldige rookpluim zag je eerst, als de trein dichterbij gekomen was, zag je de locomotief met twee personenwagens en een postwagen onderweg naar het station Eenrum.
In de bocht die hij maakte na het passeren van de spoorbrug, verdween de rookpluim, want dan zette de machinist blijkbaar de toevoer van stoom er af en ging het freewheelend naar het station, mits het sein, dat daar ook was, op veilig stond. Stond dat niet op veilig dan ging de machinist fluiten en dan kon alsnog worden doorgereden want de stationschef was waarschijnlijk in gebreke gebleven.
Het uitzicht was dus geweldig en soms als het heel stil was en de windrichting gunstig, kon je de fluit van de melkfabriek in Winsum horen.
Het uitzicht is er nu niet meer. Bomen, allemaal bomen, je kunt de toren soms niet meer zien, zoveel bomen.

We gaan weer naar beneden, achterste voren, want de trap was heel steil en gaan nu naar het achterhuis waar ook wel het één en ander van is te vertellen, maar dat doen we een volgende keer.

Kasjan

.




16. Aafko

Nog steeds schrijf ik over gebeurtenissen die plaats vinden in of vanuit het pand Zuiderstraat 22, vroeger A 250.

Daar in de woonkamer in de ouderlijke bedstee werd geboren op 12 december 1928 een jongetje, hij kreeg de naam Aafko, genoemd naar grootmoeder Aafke.
Het werd een levenslustige knaap die op 5 jarige leeftijd op de fiets naar Winsum ging om een ijsco te kopen voor de stuiver die hij ergens had verdiend.
In Eenrum waren geen ijsco’s te koop.
Natuurlijk waren pa en moe ongerust want die wisten dat niet, dat Aafko helemaal naar Winsum ging.
Maar Aafko kwam er vrolijk weer aanfietsen. Zoiets zou later wel vaker gebeuren maar alles kwam altijd weer op zijn pootjes terecht.

Hij ging naar school in Pieterburen en daar viel het al op dat er wat in dat kereltje zat.
Later (toen hij op 70 jarige leeftijd is overleden) heeft zijn juf, die nog leefde en de overlijdensadvertentie had gelezen, een brief gestuurd waarin zijn kenmerken genoemd werden en dat is toch wel bijzonder.
Aafko was goed bij maar had een hekel aan leren. Hij ging wel over, en vond een zes voldoende.

Toen hij de klassen had doorlopen en vanaf 1941 in Groningen woonde werd hij te werk gesteld bij een kruidenier. Die heeft heel wat met hem beleefd maar bezag alles van de vrolijke kant.
Als Aafko boodschappen had bezorgd kwam hij meestal ook met een bestelling thuis. Dat vond zijn baas (de Vink) natuurlijk prettig.
Toen Aafko onder dienst moest en de keuring plaats vond werd hij ingedeeld bij de mariniers, daar zagen ze dus ook wel wat in die jongeman. Hij werd uitgezonden naar Indië en wist daar de gevaarlijke plaatsen te ontwijken. Door correspondentie kreeg hij er contact met een meisje uit ’s Gravezande dat later zijn vrouw zou worden.
Terug uit de dienst liet hij zich aanmonsteren als kok op de grote vaart. Maar zijn keukenkwaliteiten waren zodanig dat hij in Vlissingen maar beter de trein kon nemen naar huis. Hij ging daarna werken bij zijn zwager Menzo die grossier was in o.a. margarine. En die zaak floreerde nogal, hij was daar best op zijn plaats. Ze wisten bijvoorbeeld de verkoop van Nutricia producten in handen te krijgen voor alleenverkoop aan de melkhandel. Het zaakje draaide als een tierelier, maar twee kapiteins, dat botert meestal niet.

Boonstra Europameubel
Hij ging toen bij zijn vader werken in de meubelhandel en daar kon hij zich ontplooien. Vader meende dat hij diverse winkels moest hebben (hij had er al 3) maar Aafko zag het breder. Hij moest en zou een grote zaak hebben aan de buitenkant van de stad. Ondanks de bezwaren die men zag, ook van de kant van zijn inkoopvereniging, zette Aafko door. De bank gaf ook niet voldoende krediet maar hij had zoveel vertrouwen bij zijn zakenrelatie gekweekt dat het geld ook niet meer het probleem was. Dus werd er gebouwd, het werd een prachtige zaak. Het gemeentebestuur was er zo mee ingenomen dat de burgemeester de zaak heeft geopend. Het bedrijf groeide als kool. “Boonstra Europameubel” werd een bekende klank in de stad zowel als in de provincie.

boonstra europameubel
afbeelding www.suikerzak.eu
Maar Aafko kon nog meer.
Bij de inkoopvereniging, waar hij lid van was, kreeg men ook oog voor zijn kwaliteiten. Hij kreeg daar een functie en kreeg er steeds meer te zeggen. Wat hij voorstelde ging meestal door en werd vaak een succes. Hij werd er commissaris en later president-commissaris, had er zijn eigen kantoor. Later is er één van de zalen naar hem genoemd. Men heeft hem voorgedragen als Ridder in de orde van Oranje Nassau en dat lintje heeft hij gekregen. Hij was geheel verrast maar het was hem gegund. Hij was een geweldig en zeer aangename zakenman.
Hij wist zijn zaak in Groningen en de inkoopvereniging in Amsterdam prima te besturen en als geboren Eenrumer mag dat best eens genoemd worden.

.




17. Het woonhuis van pand A 250

Het pand Zuiderstraat 22 (vroeger A 250) hebben we nog steeds op de korrel want daarvan weet de verteller van “verhoaltjes” veel te vertellen, hij is er immers geboren. Dat was al in 1924 en hij is in 1941 verhuisd naar Groningen.

De inrichting van de keuken
Het voorste gedeelte van het huis hebben we gehad en nu volgt het achterste.
Dit bestond uit 3 delen:
- de keuken (naast de oprit),
- het zgn. achterhuis,
- de kelder.
In de keuken speelde het familieleven zich voornamelijk af en daar was het ook altijd gezellig. In de winter snorde daar het ronde kacheltje, gestookt met eierkolen, bovenin waren drie ringen met een dekseltje, zodat er om iets te koken met verschillende “zakketels” kon worden gewerkt.

De radio
Bovenin een hoek naast de deur hing een luidspreker, deze was aangesloten op een centrale radio. Deze centrale radio was afkomstig van het zendstation dat geëxploiteerd werd door de heer Dekker vanuit zijn woning in de (nu hetende) Burgermeester Wiersumstraat, dicht bij de haven.
Dekker was mede-eigenaar geweest van de zaak Medendorp & Dekker, maar ze waren uit elkaar gegaan. Dekker had een zware handicap. Hij was heel erg kreupel. Wanneer hij zijn rechterbeen gebruikte maakte zijn lichaam een hoek van bijna 90 graden. Een radiostation beheren was voor hem dus een goed beroep, daarbij kun je veel stil zitten.
Het transport van de radiosignalen ging via 2 draden bovengronds naar de klant. Wanneer er een nieuwe klant bijkwam moesten er weer draden worden gespannen. Als tijdens deze werkzaamheden de draad laag boven de straat hing en je kwam aanfietsen zoals ik een keer en je kreeg zo’n draad tegen je strot dan deed dat gemeen zeer.
Binnenshuis werd een contactdoos geplaatst voor de aansluitknop van de luidspreker. De aansluitknop had 3 standen: een 0, een 1 en een 2. De 1 was voor Hilversum en de 2 voor Huizen.
Lang niet iedereen had zo’n voorziening. Jan Bouwman bijvoorbeeld, die op een “spultje” buiten het dorp woonde en onderwijzer was, wilde Engels leren en dat kon je bijspijkeren op de radio. Eén keer in de week, net altijd onder het eten. Hij kwam daarom bij ons om de uitzending te horen. Hij stond dan daar in de hoek onder de radio Engelse woordjes te prevelen. Maar dat was immers tijdelijk en hij heeft zijn Engels wel gehaald.

Aan de muur
Boven de keukendeur was een foto geplakt. Die foto was uit de krant geknipt en vertoonde een witte 2 persoons Ford V8 cabriolet die aan de voorkant totaal in elkaar was gereden. Het was de auto van Bernhard die op weg was naar zijn Juliaantje om later prins te worden. Een (on)geluksvogel dus. En die foto mocht niet zomaar in het toilet verdwijnen.
Ook hing naast de deur een witte koffiemolen. Hieraan zat een slingertje en de gemalen koffie viel in een glazen vierkant potje. Verse koffie dus. Ook bevonden zich er 2 luiken waarachter de wintervoorraad aardappelen onder de bedden kon worden opgeslagen.
Dat was de keuken waar heel wat calorieën zijn verwerkt. Aan de opritzijde waren een paar ramen waardoor je de in- en uitgaande man kon opmerken.

Het achterhuis en de kelder
Je kwam in de keuken vanuit het “achterhuis”.
De vloer hiervan was van baksteen en daar was ook de regenbak. Dit was de enige ruimte waar je jezelf kon wassen. Voor gebruik kon je kiezen tussen regen- en putwater.
Voor de thee werd voor de smaak regenwater gebruikt. Dit water kwam vanaf de dakpannen via goten naar binnen. Het moest eerst door de “klinsbak”, een bak met daarin grintsteentjes waardoor het enigszins werd gezuiverd. Wat er dan nog in zat verdween wel bij het koken. We hadden altijd lekkere thee.

Het andere deel van het huis was de kelder, de plaats om de waren zo koel mogelijk te bewaren.
Er stond ook een “muggenkastje”, een kastje van ongeveer 1.20 m hoog met 2 deurtjes, voorzien van heel fijn gaas. Hierin werden de spullen bewaard die niet veilig waren voor de muggen. De muggen konden de reuk door de fijne gaas niet volgen en ze konden niet binnenkomen.

Hiermee is het huis dunkt me voldoende besproken.
Maar een heel voornaam deel (de schuur) komt nog, een mooi onderwerp voor een volgende keer.

Kasjan

.




18. Watervoorziening

Het pand Zuiderstraat 22 is en was een winkelpand inclusief woning.
Vroeger stond achter deze nederzetting een grote schuur. Tussen huis en schuur was een open ruimte van een paar meter dus je moest om van het een in het ander te komen altijd even door de buitenlucht.

In die open ruimte had je aan de westzijde een put, als deze van ijzer was geweest dan was het een pomp, maar deze put was van hout.
De put was een boomstam, vrij diep de grond in en was over de hele lengte voorzien van een gat voor de waterdoorlaat. Het (grond) water werd aangezogen door een zwengel waaraan een zuiger was bevestigd. Alles van hout. Bovenop de zuiger zat een leren klepje, die zich opende als de zuiger naar beneden ging en in het water werd gedompeld, en weer sloot in omgekeerde richting. Dit water stond dus al in de holte en werd van onderen tegengehouden door een puthart. Dit puthart zat geklemd en kon niet verder zakken door een vernauwing. Dit puthart was van boven ook voorzien van een leren klepje dat open ging voor water dat naar boven kwam en weer afsloot om het water tegen te houden. Het water kwam naar boven door luchtdruk.

Om de eerste keer water te krijgen moest er een emmer water van boven in gegooid worden voor goede afsluiting, en dan maar pompen. Water er uit, lucht er uit en dan kwam er dus een luchtledig waardoor het water van onder naar boven werd geperst. En dan had je heerlijk drinkwater.
Waren er mankementen dan was er een lange stang met een verdikking (haak) aan het eind waardoor een vakman het puthart naar boven kon halen. Hiervoor moest de haak door het puthart. Vakmanswerk dus en de eigenaar (vanaf 1923 Boonstra) was immers “koeper”, dus de put was altijd in orde.

Aan de oostzijde van de doorgang stond om de hoek een heel grote regenton en die was altijd vol om in een tijd van droogte regenwater op reserve te hebben. Dat kwam bijna nooit voor.

Het voorste gedeelte van de schuur.

Er werd ontzettend veel gelopen tussen huis en schuur want het eerste gedeelte van de schuur werd gebruikt voor de huishouding.
Hier stonden o.a. de kookkachel en de waschmachine. Deze machine was een gelakte houten kuip, doorsnede bijna een meter, en stond op metalen poten. In het midden was een viertandige omgekeerde houten vork die het wasgoed heen en weer slingerde. Aan de onderkant van de kuip bevond zich de elektromotor die het zaakje aandreef. Het was een prima uitvinding, de naam was “Velo”.

In deze ruimte was ook het toilet. Wel afgeschermd natuurlijk door een deur met een haakje, maar de naam “toilet” werd nooit gebruikt. We zeiden “thuuske” en het was voor gezin en personeel.
Het waren houten planken met bovenin een groot gat met een deksel. Het geval kon alleen gebruikt worden door degenen die zittend hun behoefte moesten doen en voor de afwerking lagen er wat kranten.
De plé was demontabel want de gemeente zorgde voor de afvoer. Iedere week kwamen er een paar sterke mannen die de emmer er uithaalden en de inhoud in een kar plompten die op straat stond en zo goed als waterdicht was. Waar gingen ze er mee heen ?

De gemeente had eigen terrein buiten het dorp bij de ingang van de haven, daar stond ook een weegbrug en daarachter zal wel een diep gat gegraven zijn waar “het spul”werd gelost.

De afdeling die we nu besproken hebben was dus heel belangrijk, er werd gestookt, gekookt en gewassen. Gewassen lakens werden nadien ook nog wel eens gebleekt op een weiland op 50 m afstand richting Ernstheem: “Heernshaim”.
Voor het stoken werd veel turf gebruikt. Deze turf was “baggelteurf” kleine vierkante turfjes, per schip aangevoerd en gedeponeerd op een zoldertje. Van dat zoldertje liep een vierkante pijp van ongeveer 60 x 60 cm naar beneden en kon je onderaan de turfjes pakken.

Dit was het gedeelte van de schuur die voor de huishouding werd gebruikt. De rest, en dat was een grote ruimte, werd gebruikt voor het bedrijf en daar moest de kost worden verdiend en dat is gelukt. Het is de moeite waard om daar ook eens een verhaaltje over te houden.

Tot dan
Kasjan

.




19. Bie Boonstroa ien schuur.

Achter het woonpand was een grote schuur.
Het huis was immers ook een boerderij toen Boonstra het kocht. Maar hij ging het herbestemmen.

De naam “schuur” is altijd gebleven. Het was ook een echte boerenschuur.
Achterin was nog een stal met ruimte voor ongeveer 6 dieren.
De eerste jaren na 1923 was het een grote open ruimte die in de loop van de tijd veel veranderingen onderging. In het begin konden zelfs zwaluwen naar binnen komen en zich nestelen. Dit was heel leuk, vooral als de jongen te voorschijn kwamen. Onder de nesten waren plankjes getimmerd zodat er geen hinder werd ondervonden van de uitwerpselen.
Later werden er afdelingen gemaakt en een zolder en toen was het dus gedaan met de vogelpret.

Als je de schuur binnenkwam via het “washok” kwam je in de ruimte waar o.a. de “stoomfiets” stond. Deze werd aangeschaft in 1924 en werd gebruikt voor bezoek aan leveranciers en klanten. Het merk was “Douglas”. De leveranciers woonden hoofdzakelijk “ien stad”. Deze stoomfiets kon natuurlijk ook gebruik worden voor privé gebruik. Nu had je een praktisch vervoermiddel dat ook ideaal was voor bezoek aan familieleden die in Den Ham, Warffum en Groningen woonden.

De T-Fort van 1924

Fort T

In 1928 werd er een auto aangeschaft.
Een T-Ford van 1924. Het was een 4-persoons auto met een open kap. Een cabriolet dus. Zo’n model had de voorkeur want daar kon je gemakkelijk een vrachtwagentje van maken. De zaag er in en de carrosserie werd er afgesloopt. Alleen het voorste gedeelte met deur en vooruit bleef bestaan. Aan de linkerkant was geen deur, ook de chauffeur moest aan de rechterkant naar binnen.
In plaats van een deur zat aan de linkerbuitenkant het reservewiel. Dit was geen compleet wiel maar alleen maar een velg met een luchtband. Verder werd er een bak op het chassis getimmerd met een achterwand tegen de cabine. Alles van hout.

Het werd een open vrachtauto(otje), met schotten aan de zijkanten van de laadbak. Op deze schotten was aan de buitenkant geschilderd wat Boonstra allemaal te koop had. Tegen de weersinvloeden werd natuurlijk een groot bruin dekzeil aangeschaft.

Het starten van de T-Ford.

In de cabine waren er allerlei instrumenten om het wagentje “van stee” te krijgen.
De chauffeur, in dit geval bijna altijd de baas zelf nam plaats achter het stuur en startte de motor. Dat deed hij met de hak want daar zat in de vloer een uitstaande knop verwerkt waar je het beste met de hak op kon drukken.
Midden op het zwarte stuur zat de claxon, die stak er bovenuit. De rand van het stuur lag dus lager dan het middelpunt.

Onder het stuur had je ruimte en dat was voor 2 handles, net zoals je tegenwoordig de richtingaanwijzer hebt. De linker handle was voor de ontsteking en de rechter voor het gas. Bij het starten moest de linker handle helemaal naar beneden en de rechter een klein eindje. Sloeg de motor aan dan moest de linker direct weer omhoog en de rechter een beetje verder naar beneden.
Voor deze procedure moest eerst een sleuteltje worden omgedraaid. Eerst naar links en als de motor liep direct naar rechts, naar ik meen ook voor de ontsteking. Dit sleuteltje zat in het dashboard.
Ook moest er worden gechoked. Er stak een knop uit het dashboard waaraan moest worden getrokken.

Lukte het starten niet, (de accu’s - 6 volt - waren toen nog niet erg sterk, en wanneer het erg koud was lukte het helemaal niet) dan moest er worden geslingerd. Daarom hing er vooraan de auto permanent een slinger. Links onderaan de radiateur stak een ijzerdraadje naar buiten die verbonden was met de choke. Je moest dus met de rechterhand slingeren en met de linkerhand choken. Als de zaak liep dan moest de motordrijver heel vlug weer naar binnen om de handles weer in de goede stand te zetten. Er moest al met al vaak heel wat gebeuren voor dat de rit kon beginnen.

Voor een verdere beschrijving van de auto en het rijden komt er voor de liefhebbers een vervolg van dit auto-verhaal.

Kasjan

.




20. Onderdelen van de T-Ford

De pedalen
In de cabine zaten 3 voetpedalen.
De linker was voor de koppeling van de motor met de achteras voor aandrijving, de rechter was voor de rem en de middelste voor het terugrijden. Als je bij stilstand daarop trapte reed de wagen terug.
De rem werkte met stangetjes alleen op de achterwielen. In latere jaren werd er met oliedruk ook met de voorwielen geremd. Dat was toen heel bijzonder en werd dan vaak achter op de auto met een rood driehoekje vermeld. Op dat bordje stond: pas op, 4 remmen.

Als de motor liep en je trapte het linker pedaal in dan gebeurde er niets, maar gaf je gas (met de hand) en liet het pedaal opkomen dan ging de auto rijden. Dus net als tegenwoordig. Maar je hoefde niet te schakelen, er zat geen pook in, dus Ford werkte toen eigenlijk al met een automaat.
Het was alleen maar sturen, gas geven en remmen.

Andere onderdelen.
De vloer was helemaal ruim want de handrem zat aan de linkerkant.
De handle van het handgas was aan de onderkant geribbeld dus die ging stroef. Je zette het gas op een bepaalde stand en je hield dezelfde snelheid. Ford had dus toen ook al net als nu “speed control”.
Het dashboard gaf weinig gegevens.

Wat meters betreft, er was alleen maar een Ampére meter. Als die naar rechts stond dan werd de accu opgeladen maar gebruikte je stroom dan week die naar links. Hoe meer je gebruikte hoe verder naar links. Was er kortsluiting dan stond ie natuurlijk helemaal links, dan was het foute boel.
De startmotor was niet op de Ampére meter aangesloten.
Op het dashbord had je in het midden de lichtschakelaar met centraal het contactsleuteltje. Rondom was een randje met daarop de woorden BAT DIM OFF ON MAG. Het eerste en laatste woord sloegen denk ik op het sleuteltje en de middelste drie op de verlichting.
De richtingaanwijzers werden met de hand bediend. Een aanwijzer bestond uit een plankje met op het eind een ronding, net als bij een seinpaal. Een stang die van buiten naar binnenliep moest je naar beneden halen en dan kon je duidelijk zien (behalve in het donker) wat de bedoeling was.
De ruitenwisser moest ook met de hand worden bediend. Bij een zware bui werd er dus met één hand gestuurd.

Het gebruik van de T-Ford

De auto werd voor vele doeleinden gebruikt. Het was geen zware wagen.

De kinderen van Boonstra gingen in Pieterburen naar school. Bij slecht weer werden ze opgehaald. Kinderen uit Broek mochten dan ook meerijden.
Deze kinderen zaten dan in de open achterbak, liefst op het eind met de benen naar beneden want er was geen achterklep.
Er waren er nogal wat want in Broek had je een paar zegenrijke gezinnen.

En nu gebeurde het een keer dat door het gewicht achterop de voorwielen niet meer voldoende contact hadden met de weg (hij wipte dus op) en de auto begon te slingeren. Het was bij een boerderij met een gracht er omheen. Een paar kinderen merkten het en vlogen naar voren. Toen stond de zaak weer stevig op de poten en was de handwijzer naar Broek in zicht en konden de passagiers afstappen.

Dat was het verhaal over de auto.

We gaan verder met de schuur. Een schuifdeur door en je kwam in de machinale afdeling van het bedrijf waarover ook wel wat is te vertellen. Dat in het volgende verhaal.

Kasjan

EINDE VAN DEEL II

.


kom later terug, dan zijn er meer verhalen



ga terug naar > Eenrum Deel I
DEEL III

DEEL IV

 

This is all it up until now!
Kom terug, want binnenkort is er meer te lezen!

1) Een aantal van deze verhalen zijn in vereenvoudigde vorm gepubliceerd door de historische kring van Eenrum en in druk in 'de Ainrommer' in de periode van 2011-2013.

 

ga naar het begin

als je opmerkingen hebt stuur ze naar:C.A.Boonstra.

0705 2016
Copyright © 2014 K.J.Boonstra