Deel III

Het leven in Eenrum van vóór 1940

door K.J.Boonstra


Herinneringen van Eenrum van 1925-1940

zuiderstraat
een gedeelte uit de kaart:
foto van: Rijksdienst voor cultureel erfgoed; Ton van der Wal

EENRUM

Het leven in Eenrum van vóór 1940

door K.J.Boonstra



Herinneringen van Eenrum van 1925-1940
Deel III
 

terug naar DEEL I

terug naar DEEL II

Eenrum van vóór 1940

Voorwoord

Dit is deel III van de verhalen
over de jeugdherinneringen in Eenrum van Karst Jan Boonstra . Vanaf 2011 schrijft hij regelmatig zijn herinneringen op.
Ze worden gepubliceerd in 'de Ainrommer'in de periode van 2011-2013. Nu verschijnen ze op het web.

In Deel I hebben we gelezen over de mensen die woonden om het huis aan de Zuiderstraat 22. En we lazen over de ambachten van begin 20e eeuw.
In deel II zijn de belangrijke verhalen van de inwoners van de Zuiderstraat en het huis zelf
In deel III richten we ons op het meubelbedrijf van de heer Boonstra met zijn machines en producten

Karst Jan (in het gronings 'Kasjan' ) heeft ook nu interesse in de technische details van de machines die worden gebruikt, en de wijze waarop de producten zijn gemaakt. hij kijkt bij zijn vader, bij de buren en bij al de inwoners van Eenrum. Als tien-jarige wordt hij ook ingezet om mee te helpen in het bedrijf


Karst Jan blijft schrijven, elke maand komt er weer een verhaal bij!

Veel plezier bij het lezen!

Nelleke Boonstra, webbeheerder

21. De machines in het bedrijf van Boonstra

Achter de schuifdeur (houten frame bekleed met triplex) kwam je in de machinale afdeling van het bedrijf.
Hier is in de loop der jaren natuurlijk heel wat veranderd. In 1923 begonnen als stelmakerij en in 1941 beëindigd als meubelfabriek(je).
Om dit mee te maken is er voor een kleuter als ik vaak wat te beleven.
Wat stonden hier voor machines?

Machines die nodig zijn om meubelen te maken

De vlak-en vandikte bank
Een belangrijke machine was de vlak-en vandikte bank. Dit was een zware stalen machine.
Het bovenblad bestond uit twee gedeelten die in hoogte verstelbaar waren. Daartussen draaide een zware as over de hele breedte van de machine. Die as was ongeveer 10 cm dik en hierin waren twee beitels vastgeschroefd en hij maakte 6000 toeren per minuut. De beitels staken iets boven de bladen uit.
Wanneer je hier hout overheen schoof dan werd het geschaafd, vlak gemaakt, vandaar de naam vlakbank.
De beitels moesten regelmatig worden geslepen en dat was een heel secuur werkje. Ook het terugplaatsen stak heel nauw en was heel interessant om naar te kijken. Het onderste gedeelte van de vlakbank (zo werd de machine altijd genoemd) zorgde dat het hout de goede dikte kreeg.
Vandaar de naam vlak-en vandiktebank.
Hier werden planken ingeduwd en die werden er door één geribbelde en één gladde as door getrokken, onderwijl waren ze door de ronddraaiende beitels geschaafd en kwamen ze er op de goede dikte weer uit en werden door een helper opgevangen.
Je kon niet boven en tegelijk onder werken. Beneden ging het om planken op dikte maken en boven om uitgezaagde zgn. regels af te vlakken.
De machine maakte veel geluid. Hij brulde het uit. De aandrijving geschiedde door 2 elektromotoren. Eén voor de vlakbank en dan moest je een schakelaar verdraaien, hij moest op toeren komen, en dan nog een tik verder als hij op toeren was. Een schakelaar die er onder zat was voor vandiktebank. En dat ging in één keer. De ronddraaiende assen werden aangedreven door drijfriemen. Dit was de zwaarst en meest imponerende machine die er stond. En dat was midden in de schuur.

De beschrijving van de werking van de machines is nu natuurlijk zoals een kleuter er naar keek.

De afkortmachine Aan de westkant tegen de muur hing een afkortmachine om planken op de goede maat af te zagen.
Dat moest vroeger met de handzaag.
Maar hier en daar eens rondgekeken, mijn vader vond niet een voor hem geschikt apparaat, toen werd besloten om die zelf te laten maken. Van ijzer.
Daarvoor moest natuurlijk de hulp van een smid worden ingeroepen.
En de keuze viel op “Piet Koeper”. Hij was een smid met technische aanleg. Zijn bedrijf was gevestigd bovenaan de Havenstraat. Hem werd verteld wat de bedoeling was en na wat overleg en overpeinzing zag hij toch wel brood in deze bijzondere opdracht. Het werd passen en meten en met lange en korte stangen maakte hij een gevaarte dat aan de zoldering hing en op rollen heen en weer kon worden getrokken. Een elektromotor bovenin, een riem naar beneden naar de aandrijfas, een cirkelzaag er aan geschroefd en afkorten maar.
Het werkte perfect en er heeft nooit iets aan gemankeerd.

Dit waren de eerste 2 machines die we in deze afdeling tegenkomen. Maar er waren meer……..

.




22. Nog meer machines.

De schuurmachine, cirkelzaag en boormachine

Ging je naar rechts, oostelijk, dan stond daar de schuurmachine.
Geen groot geval. Vier stevige poten in de grond en waren met houten balken aan elkaar gebonden. De grondoppervlakte was ongeveer 100 x 200 cm.
Op ieder eind een dikke houten rol van ongeveer 15 cm.
Eén van die rollen werd aangedreven. Een band van schuurpapier draaide om de rollen en het voorwerp wat geschuurd moest worden moest je op de draaiende schuurband met de hand vasthouden.
Het ging om kleine voorwerpen, b.v. sjoelbrikken. Wel om je vingers denken want die brikken zijn niet zo dik. De beste brikken waren van palmhout, hardhout, die je stevig moest aandrukken.
Dit was een eenvoudige, zelfgebouwde machine die niet zo vaak werd gebruikt.

Daarnaast stond de cirkelzaag. Ook zelf gebouwd.
Die draaide iedere dag wel een poos.
De naam cirkelzaag kwam natuurlijk van de zaag die aan een as was bevestigd. Vier zware poten die met elkaar waren verbonden en daarop de as die werd aangedreven door een riem vanuit een keldertje. In dat keldertje was een as geplaatst met verschillende poulies. Hierdoor konden er machines worden bediend met verschillende snelheden.
Soms stond de kelder vol water en dat was niet te best. Het water moest er met emmertjes worden uitgehaald.
Om een plank in de lengte te zagen had je beslist de cirkelzaag nodig. Alle planken zijn niet even dik en daarom was het bovenblad van de machine in hoogte verstelbaar. Het blad had aan het einde een draaipunt (een as) en ging dus alleen aan de voorkant omhoog en kwam dan in een schuinere stand te staan zodat bij dunne planken het blad tamelijk schuin stond. Het verstellen ging met een kruk en ketting en ging met een schroef op en neer.
Het was een gevaarlijke machine, er waren geen beschermingsmiddelen aangebracht en het is meermalen gebeurd dat dr. Postumus er aan te pas moest komen om een bebloede hand weer te fatsoeneren.

Op deze zaagmachine was aan de andere kant gelegenheid om te boren. Behalve de as voor de cirkelzaag was er ook een as voor de boormachine geplaatst. Ook aangedreven door een drijfriem vanuit het keldertje. Onder de kruk voor het bovenblad lag een lat die ook naar de kelder liep en wanneer je daar een schop tegenaan gaf gleed een riem naar de poulie voor de boormachine. Je kon op de cirkelzaag dus zagen en boren. Ook wel tegelijk. Het boren ging eigenlijk alleen voor de pen en gat verbinding in de meubelen want daar kwam geen spijker aan te pas. Op het hout stonden 2 potloodstrepen en daartussen boorde je de gaatjes en dan schoof je de regel (zo noemde je het hout) heen en weer totdat het gat schoon was. Van tevoren was alles natuurlijk zo afgesteld dat de regel op de goede hoogte lag en dat je niet dieper boorde dan nodig.

Het verwerkte materiaal was meest eikenhout en de belangrijkste machines voor het maken van meubelen hebben we nu gehad.
Maar er werd meer gemaakt en daarom nemen we nog meer machines onder de loupe,

Kasjan

.




23. Machines en gereedschappen

De slijpsteen en lintzaag

Er kan heel wat heel wat in een boerenschuur, dat bleek wel op het nummer A 250 ( nu Zuiderstraat 22) in Eenrum want na de vlak-en vandiktebank, afkorter, schuurmachine, cirkelzaag stond er ook een slijpsteen.
Dit was een grote steen, het leek wel een molensteen, maar was dikker en had een doorsnede van wel een meter.
Deze steen draaide met hulp van een bak met water. Deze bak was onder en niet boven de steen geplaatst, maar door het draaien werd toch de bovenkant nat.
Wat geslepen moest worden werd tegen de draaiende steen gehouden en zo stond alles altijd op scherp. Alle gereedschappen die scherp moesten zijn, behalve de zagen, dit slijpen gebeurde met de hand met een vijl.

Ook de lintzaag. Een lintzaag is onmisbaar er was dus ook een lintzaag.
Het geraamte van de lintzaag was van hout en dat zal wel een unicum geweest zijn en had later eigenlijk in een m museum een plaatsje verdiend.
Er zaten 2 wielen onder elkaar, zo groot als fietswielen en hierom draaide een lang ijzeren lint met zaagtanden. Vandaar de naam lintzaag.
Met een lintzaag hoef je niet rechtuit zagen, je kunt ook bochtjes maken, zoals met een figuurzaag, maar geen scherpe bochten, want het lint is ongeveer 2 cm breed. Met een cirkelzaag zaagde je dee rechte lijnen, b.v. stoelpoten, maar de (voor) en de achterstijlen zaagde je op de lintzaag.
De lintzaag brak nogal eens en dat kon je niet zelf repareren. Dat moest electrisch gelast worden en dat moest dan gebeuren bij de fa. Hoeksema aan het Boterdiep in Groningen. Dit was de machinale afdeling in de schuur.

De draaibank in de werkplaats

In de schuur is tijdens een verbouwing aan de oostzijde een keurige werkplaats gecreëerd waar het eigenlijke handwerk plaats vond. Hier stond aan de noordzijde de draaibank.
Dat draaiwerk was een lust om naar te kijken.
Het stuk hout, groot of klein, dat rond gemaakt moest worden was eerst met de lintzaag bewerkt, zodanig dat je kon zien wat de bedoeling was en dan werd het in de draaibank geplaatst. Er werd gewerkt met verschillende snelheden door middel van 6 poulies. Waren het grote stukken dan ging het langzaam en liep de drijfriem van klein naar groot en met kleine stukken ging het snel en liep dezelfde riem van groot naar klein.
Voor het draaien werden speciale beitels gebruikt en pa Boonstra wist precies hoe hij hier mee om moest gaan. Alle draaiwerk was dan ook voor hem.

De vloer in deze werkplaats was gedeeltelijk van hout en de rest was van beton. Waar je moest staan te werken, b.v. aan een schaafbank of bij de draaibank was de vloer van hout en de rest beton.
De bankschroef, een flinke, stond b.v. op een boomstam van ongeveer 1.20 hoog en was ook in beton geplaatst.

Deze werkplaats was natuurlijk voor mij als kind een prachtige plaats om de fabricage van allerlei producten mee te maken en daar was nogal wat variatie in Dat nemen we een volgende keer onder de loep.

.




24. Productie

Er werd nogal wat geproduceerd.
Vanaf 1923 hadden we eerst de stelmakerij waar boer en arbeider terecht kon, van boerenwagens tot schopsteel.
Maar de tijden veranderden en er moest uitgekeken worden naar meer mogelijkheden. Zo werd er gedacht aan meubels. Pa Boonstra had zelf een poos gewerkt bij meubelmaker Meima in Warffum (daar heeft hij zijn vrouw ook leren kennen).
Dus in Eenrum werd begonnen met het maken van meubels maar hiervoor moest er natuurlijk wel een vakman bij.
Van één is de naam me wel bekend, dat was Job Slagter, dat was een meubelmaker. Hij heeft later zelf een meubelzaak opgericht in Ten Boer, die zaak bestaat trouwens nog.(2013)

Een knecht was indertijd altijd intern, op de kost dus, en deed zodoende mee in het gezinsleven. De meubelmakers die we hebben gehad kwamen meestal uit een andere plaats en zodoende moest er voor onderdak worden gezorgd. Later kregen we eentje uit Warffum, hij ging elke dag op de fiets heen en weer.

De fabricage en verkoop

Linnenkasten en ledikanten
Wat werd er gefabriceerd en hoe werd gehandeld?
Alleen meubels maken voor Eenrum, dat kon natuurlijk niet. Pa Boonstra ging op reis. Hij huurde een auto en reisde 3 provincies af.
Zijn idee was om aantallen te kunnen maken van niet al te moeilijke producten. En dat werden aanvankelijk ledikanten en linnenkasten. En dat lukte.
Er werden foto’s gemaakt van de linnenkasten door fotograaf Molenhuis, wonend in Kruisweg. Die kwam dan met een groot toestel, overdekt met een grote zwarte doek. Hij was een pietje precies maar na veel schuiven en kijken van achter de lens werden de foto’s gemaakt. En die werden goed, heel goed.

Er waren auto’s genoeg te huur, soms voor 10 cent per kilometer.
Piet Kuiper had er een en Geert Medendorp ook wel, maar de auto kwam meestal van Heerema (leutje Piet) in Winsum of van Visser in Leens.
Later (toen was het al 1936) had Jo Bulthuis van hotel Gemeentehuis een hele mooie. Een splinternieuwe Chevrolet. A 5320. Als je daarmee voor de deur kwam dan moest je wel een goeie fabrikant zijn.

En de meubels werden verkocht.
Linnenkasten gingen veel naar de kanaalstreek en Drenthe.
In Stadskanaal had je Kruit en even verder Kramer. Kramer was een gezellige dikkerd, als hij geen klanten had stond hij vaak in de winkeldeur. Er was ook een klant in Ter Apel, en verder in De Krim, Slagharen (Bemboom, later ponypark) Hoogeveen, Zuidwolde, Coevorden, Assen (Meier Kruisstraat, die straat bestaat niet meer), in Friesland Kapenga in St. Anna Parochie).
De verzending ging heel eenvoudig. Golfkarton om de kasten en je bracht de spullen naar het station.
Vrachtbrief schrijven en ze redden zich er wel mee.
Ook ging er weleens een vrachtwagen (Wieling) vol met kasten naar één klant.
Er werden natuurlijk ook wel meubelen in het dorp verkocht, en aan familie; bijvoorbeeld bij v.d. Meulen.staat er nog een mooie eiken linnenkast, maar de grote hoop ging naar meubelwinkeliers.

Vuren ledikanten werden geschilderd. Het schilderen gebeurde in Warffum bij Oom Karel (Sikkema). Een zwager dus. Daar ging geregeld een Fordje vol meubels heen.

Nu hebben we nog maar een deel van de productie, er was nog veel meer.
En dat allemaal door 1 baas en 2 knechten, Geen wonder dat er lange dagen werden gemaakt.
Over die fabricage word je zo maar niet uitgepraat.

.




25. stoelenfabricage

Stoelen
Er werden veel stoelen gefabriceerd.
Een garnituur bestond 4 stoelen en 2 fauteuils (armstoelen).
De zithoogte was gelijk. Er was weinig variatie in.
Voor goedkope stoelen werd beukenhout gebruikt en voor de normale stoel eiken.

Het houten kapje van de bovenkant van de stoel was voorzien van een stukje snijwerk.
Voor dat snijwerk moesten de kapjes naar de stad, naar een beeldhouwer.
De beeldhouwer die voor ons werkte woonde in de Nieuwe Kijk in ’t Jatstraat. Hij was wel een beetje een kunstenaar, zijn werkkleding bestond uit een witte stofjas en de hamer waarmee hij werkte was een ronde klopper en hij klopte met de lange kant. Het vervoer van de kapjes ging natuurlijk per bode.

Een stoel bestond uit 2 achterstijlen, 2 voorpoten, voor en achterregels en sporten.
Alles was voorzien van pinnen en gaten. De pennen zaten aan de regels.
Alles was na het zagen al geschaafd en geschuurd.
En nu moest er worden gelijmd om de stoelromp klaar te krijgen. Er werd uitsluitend gelijmd er kwam geen spijker aan te pas. Alleen de klossen in de hoeken hadden twee spijkertjes om de klos op de goede plaats te houden.
Er werd alleen beenderenlijm gebruikt. Dit kwam aan als plakken in de vorm van dunne straatstenen. Die plakken waren erg hard en moesten in stukjes worden geklopt. Daarna moesten deze worden geweekt en in warm water worden geroerd tot het een stroperige lijmmassa werd en dan had je echt houtlijm.
Deze lijm kwam in de lijmpot. Deze pot was tweedelig. Het buitenste deel was voorzien van water en daar hing het lijmpotje in.
De lijmpot stond altijd op de kachel en de kachel werd altijd gestookt. Het water in de lijmpot was dus steeds warm en de lijm in de binnenpot kon niet aanbranden want anders was ze waardeloos. Er was dus altijd lijm present.

Warmte bij de stoelfabricage.
De kachel werd gestookt met spaanders en die waren er genoeg. Er werd een ijzeren paal in de kachel gezet en daarom heen werden de spaanders gestampt. Wanneer de kachel bijna vol was werd de paal er uit getrokken en werd er aan de onderzijde met een lucifer de brand er in gezet. Bovenin had je dan eerst rook en wanneer dit rookgas ontplofte kwamen de vlammen naar boven en had je een hele poos een constante vlam en bruikbare lijm.
De stoelen konden in elkaar worden gezet. Het hout was van tevoren dicht bij de kachel geplaatst want het moest warm zijn en gekrompen, dan kreeg je later een erg vaste verbinding.
De pennen en gaten werden met een houten klopper dicht geklopt en daarna kwam er een lange tang op om de pen diep in het gat te krijgen. Alles moest vlug gebeuren want anders werd de lijm te koud.
Daarna dan was de stoelromp gemonteerd, konden de 4 klossen er in en kon de romp drogen. Dit moest minstens een nacht duren maar dan zat ie ook goed in elkaar.
Voordat de stoffering werd aangebracht moesten de rompen worden gekleurd. Dit was het beitsen. De beits was bruin, licht, middel of donker. Wanneer je de neus boven de bus hield dan hield je dat niet lang vol want dan snoof je ammoniak. Het was wasbeits. Eén keer beitsen, drogen , zachtjes schuren en dan nog een keer beitsen. Weer drogen en dan borstelen en nu kreeg je de nodige glans en dan kon de stoffering worden aangebracht. Hiervoor waren stoffeerders nodig en die moesten van elders komen. Het waren zelfstandig werkers (tegenwoordig zouden we ze zzp’ ers noemen) en die kwamen uit de stad, na afspraak, en hadden hun eigen gereedschap.

Wat nodig is bij het maken van de stoel.
De materialen waren door pa Boonstra ingekocht en bestond uit vele onderdelen.
Singelband, kopspijkertjes, naaitouw, springveren, koppeltouw (voor de veren), veerlinnen (over de veren) vulling (crin of houtwol) vullinnen, afnaaitouw, watten, en dan kwam de bekleding. Dit was meestal trijp wat uitgezocht was in een staalboek en kwam van een grossier.
Volle rollen werden betrokken van een fabriek. Bekend was de “Hengelosche trijpweverij” waar vaak werd ingekocht.

Dit was de stoelproductie, nog maar een onderdeel van de productie, dat zal een volgende beschrijving laten zien.

.




26. Fabricagevariatie.

Kisten maken
Perceel A 250, nu Zuiderstraat 22 was een meubelfabriek(je) maar was je eigen leven ten einde dan kon je er ook terecht.
Er werden nl. ook lijkkisten gefabriceerd.
Er waren altijd een paar in voorraad, altijd aan het zicht onttrokken door een paar pakdekens. Er was ook verschil, het belangrijkste verschil was de houtsoort, eiken of vurenhout. Dit gaf het belangrijkste prijsverschil, verder was er nog wat verschil in het beslag.
Het werk was practisch hetzelfde. Er moesten brede planken voor gebruikt worden en die kon je niet kopen. Van smalle planken moesten brede worden gemaakt en dat kwam ook voor andere producten wel eens van pas. Het gereedschap hiervoor bestond uit metalen staanders, verbonden door platte stangen met gaten. Deze stangen hielden de staanders bijeen in de gaten zo dat de benodigde breedte van de plank kon worden verkregen. De planken werden van lijm voorzien en in de constructie gelegd. Daarna werden er aan beide kanten afgeschuinde klossen tussen geslagen om druk op de naden te krijgen waardoor alles goed werd verlijmd. Je kon ook stapelen zodat je meerdere brede planken in één keer kon verkrijgen.
Wanneer je voldoende breed hout had konden er lijkkisten worden gemaakt. De uitvoering kon blank of bruin zijn. Meestal werd er gebeitst, dus bruine uitvoering. Het deksel kon worden vastgeschroefd met een bepaalde sleutel die op de schroeven paste. Deze schroeven hadden een vierkante kop. Voor de klep die boven het kijkglas paste was er een kleinere schroef met ook daarvoor een passend sleuteltje.

Alles was dus eigen fabricaat, uitgevoerd door één baas met een of twee knechten.
Bij de boeren had je arbeiders en bij overige bedrijven had je knechten. Dus bij ons had je knechten, ook bij de lijkkisten fabricage.

Nu hebben we één knecht gehad die er de gewoonte van maakte dat wanneer er lijkkisten werden gemaakt dat hij er zijn middagdutje er in deed. Dat is hem nooit kwalijk genomen en hij deed het zonder deksel.

De sjoelbak
Een heel ander product was een sjoelbak. Sjoelbakken werden hier ook gemaakt.
Het was meestal in opdracht van een bedrijf die bij zijn producten bonnen uitgaf. En bij de bonnen kon je een sjoelbak krijgen.
De winkeliers, meest kruideniers, konden bonnen geven bij hun artikelen en de klanten konden uitzoeken in een boekje als ze voldoende bonnen hadden. En daar stond ook een sjoelbak in.
Een van de bedrijven was in Winsum, een groothandel, genaamd Sikkens & Veenstra. De groothandel Sikkens & Veenstra had een grote klantenkring in de 3 noordelijke provincies. (een bijzonderheid: Jan Veenstra was de vader van Geertje, mijn latere vrouw)
Er zijn heel wat sjoelbakken en nog veel meer brikken de deur uitgegaan.

Ook werd een ligstoel aangeboden op bonnen. En die werd ook in het meubelfabriekje Boonstra gemaakt. Veel bonnen voor weinig hout. Ik moest eens een ligstoel op de fiets naar Winsum brengen. Toen ik daar aankwam brak er een daverend gelach uit. Wat was het geval? Deze stoel was bestemd voor de dikste vrouw van Obergum. “Breng hem zelf maar heen” was de opdracht. We hebben er nooit meer iets van gehoord.

Als je als jongen van 10 jaar meedraait in een bedrijf maak je van alles mee. Je sleept de planken mee naar binnen en draagt de producten mee naar buiten.

Kasjan

.




27. Fabricage, meegaan met de tijd

Meegaan met de tijd
De tijden veranderden, ook de vraag naar producten.
De behoefte aan geschilderde ledikanten en linnenkasten nam af, tenminste bij ons. Misschien kwam het door concurrentie, de tijden werden slechter, de crisisperiode van 1932 en later brak aan.BR> Toch is het in het bedrijf van Boonstra altijd druk geweest. Er kon snel overgeschakeld worden op iets anders. Wel speelden de financiën altijd een grote rol. Bij een bank kreeg je op productie in zo’n klein bedrijf geen lening.
De klanten werden trager in betaling en de leveranciers wilden ook graag centjes beuren. Wanneer binnen een maand niet werd betaald dan stuurden ze zgn. wissels. Dit waren kwitanties van de tegoeden en die werden aangeboden door een “wisselloper”. Zo iemand was met wissels op pad gestuurd door een bank en dan kon je aan de deur betalen. Betaalde je niet dan maakte hij een aantekening en de wissel ging terug.
Bij ons kwam als wisselloper bakker Sikkens uit Leens. Hij had deze baan als bijverdienste en kwam op de fiets. Later, plm. 1938 schafte hij zich een motortje aan, het kleinste DKW’tje dat er gemaakt werd, maar hij was nu natuurlijk de koning te rijk. Bij ons ging er ook vaak een wissel retour en dan had je weer een tijdje uitstel van betaling.
De verhouding met de leveranciers is echter altijd prima geweest. ze hadden wel vertrouwen in Derk Boonstra en ze zagen wel dat er altijd werk aan de winkel was.

De ligstoel
Het was nu tijd om iets anders te fabriceren en de keuze viel op (de al eerder genoemde) ligstoelen, de overbekende ligstoelen met 2 losse kussens.
Er werden 4 modellen gemaakt in een degelijke eiken uitvoering.
De beide voorpoten waren rond. Gedraaid op de draaibank. Alleen pa kon dat.
De armleggers van no. 1 waren gebogen. Dat buigen gebeurde ook in eigen huis. Een blok hout was doormidden gezaagd en de vorm van zoals de armlegger moest worden. Zo’n eiken plankje moest als het ware gaar worden gekookt in heet water en moest dan in het houten blok worden geklemd om dan de volgende morgen gebogen te voorschijn te komen.
No. 2 was net zo’n stoel maar dan met rechte armleggers, ietsje goedkoper dus.
No. 3 had balpoten. Door de dunnere poot nog weer iets voordeliger en no. 4 had ook die dunnere poot maar dan geen balpoot.
Er werden foto’s van gemaakt en een advertentie opgesteld voor een landelijk blad. Dit was “Het vakblad voor de Meubelindustrie”, uitsluitend voor wederverkopers, winkeliers dus, aangeboden door D. Boonstra, meubelfabriek te Eenrum.
En de klanten kwamen ook uit andere delen van het land, een goede klant woonde in Heerlen.
Het liep goed, maar gelukkig niet te hard. Want zo’n stoel is zo maar niet klaar. De onderdelen moeten worden gemaakt en gemonteerd. De stoel moet worden gebeitst. Waterbeits, want wasbeits houdt geen lak. Er moet dan worden geschuurd, daarna grondlak, weer schuren en dan aflakken. Alles met de hand want er was geen spuiterij.
Voor verzending inpakken en afleveren op het station. Franco verzending en als je alle 4 tegelijk kocht kreeg je ook nog korting.

De “fabriek” werd gerund door 3 personen, vaak met een leerling. En dit is maar een onderdeel van het bedrijf, je raakt er niet over uitgepraat. We gaan nu de werkplaats uit en een volgende keer zoeken we de buitenlucht op en gaan met de auto op stap.

.




28. Vervoer van de producten

Inleiding
Nog steeds hebben we het over activiteiten vanuit het pand Zuiderstraat 22.
Voor de oorlog van 1940 was het huisnummer A 250, straatnamen werden in het dorp niet vermeld.
Wel waren er namen die in de loop der jaren waren ontstaan door een bepaalde oorzaak, b.v. Ossengang, Jodengang, Oranjestraat, Molens enz. maar wat de oorsprong was is meestal niet te verklaren.

De verkoop
In het pand A 250 waren vanaf 1 Sept. 1923 nogal wat activiteiten. De meeste zijn in eerdere verhaaltjes al genoemd.
Er was veel inkoop en het bedrag van de verkoop was nog hoger. Alles wat er werd verkocht werd opgehaald.
In het begin waren dat de kruidenierswaren. Toen die verkoop werd beëindigd was er alleen de stelmakerij en later de meubelmakerij.
Maar er was ook handel in meubels, bijvoorbeeld stoelen voor kerken en vergaderzalen. Ook een leuk artikel was de kinderwagen. Deze kinderwagens werden op een uithangbord te koop aangeboden.
Er werd tevens veel in de streekkrant wereldkundig gemaakt. Dat was in het “Bokkeblad” uitgegeven door J.C. Mekel te Winsum.

Bezorging met de auto
Maar alle spullen moesten bezorgd of verstuurd worden. En daarvoor was een vervoermiddel nodig. Er was wel een handkar maar er werd al gauw door pa Boonstra uitgekeken naar een auto. En die werd aangeschaft in 1928.
Het was een T- Ford uit 1924. Een 4-persoons met linnen kap, een cabrio dus. En die cabrio was geen behoefte aan luxe, maar je kon er gemakkelijk een vrachtwagentje van maken. De zaag er in, cabine dichtmaken met hout en achter een open bak. (zie ook verhalen over de T-Ford nummer 19 en 20 )
Met deze auto is heel wat vervoerd.
In 1933 of 1934 is deze auto vervangen door een Chevrolet uit 1928. Dit was alleen maar een chassis met motor + kap en 2 portieren.

Wel ging er een boos telefoontje naar Knoop, de leverancier.
“Wat hes mie nou ien hann’stopt” “Wat ten ?” Op ain baand zat’n 47 lapp’n “Ja, bann’benn’duur’…

Op het chassis werd een houten geraamte getimmerd met rondom dun ijzerplaat. Hij werd van boven iets langer gemaakt om ruimte te krijgen. Zo kon boven de voorruit een open vakje worden verkregen en aan de achterkant was de auto boven iets langer dan beneden.
Het was geen model dat een bekroning waard was, maar er kon wat in en daar ging het om. Je kon met 3 kinderwagens op zicht naar een klant, het was een hele vooruitgang.

De nieuwe Chevrolet. Wat waren nu de verschilpunten van de auto die de vooruitgang typeren.
Het dashboard was voorzien van een km teller. Die werkte trouwens niet.
Er was een ampèremeter, een lichtschakelaar, een choke en een schakelaar voor de richting aanwijzers. En dat was modern want aan het Fordje zaten alleen stangen met aan het eind een rond blad (zoals een seinpaal).
Een hele vooruitgang was ook de ruitenwisser. Dat moest vroeger met de hand maar nu ging het machinaal, met lucht. Gaf je de motor meer gas dan ging de auto sneller maar de ruitenwisser langzamer. Met veel gas stopte deze helemaal.
Gas geven was ook een heel verschil. Vroeger met de hand aan een hendel onder het stuur. Nu een pedaal en bediening met de voet. De platte bovenkant was er af, dus alleen maar een stangetje. Er werd nu een dikke houten knop opgezet. De voet kon niet missen en die knop is nooit vervangen.
De starter zat naast het gaspedaal, vroeger starten met de hak.
Verder stak er een versnellingspook uit de vloer. En dat was ook een groot verschil, want dat had de Ford niet. Die regelde het zelf, dus eigenlijk in die zin was de T-Ford puur modern. Maar alle auto’s werden met een versnellingspook afgeleverd en ook de Chevrolets.
Hiernaast had je de handrem. De remmen werkten alleen op de achterwielen.
Op het dashboard ontbrak een temperatuurmeter.
Ook een benzinemeter was niet aanwezig. De benzinetank zat achter, maar daar was een houten vloer overheen getimmerd. Dus hier een luikje in gemaakt, dan de tank openen en meten met een duimstok. Aan de vochtige centimeters kon je uitrekenen hoeveel kilometers je nog ongeveer kon rijden.

Bovenstaande is een schets van de eerste twee auto’s die voor het bedrijf werden aangeschaft en die veel nut hebben bewezen. Maar de mooiste komt nog……

Kasjan

.




29. De derde auto

Op zoek naar een nieuwe auto.
Voor het meubelbedrijf op no. A 250 (tegenwoordig Zuiderstraat 22) was een goede auto onmisbaar.
De zaak was in 1938 ook nog uitgebreid want er was een winkel in Groningen geopend, en het rijdend materiaal was nu niet “je van het” dus werd er uitgekeken naar iets beters.
De krant, in dit geval “Het Nieuwsblad van het Noorden”, werd dagelijks geraadpleegd onder de kolom “te koop aangeboden” om iets geschikts aan te treffen.
Er waren wel auto’s maar de auto moest aan heel wat voorwaarden voldoen. Het moest een flinke personenwagen zijn, bij voorkeur met een linnen kap. Van zo’n auto kon je gemakkelijk een stuk afslopen om er daarna een houten bak op te bouwen. En zo eentje vond je er eigenlijk nooit tussen.
Totdat, warempel, op zekere dag er een aanbod was.
De adverteerder woonde in Winschoten, het was George Bodewitz, dansleraar. Hij had een 8-persoons limousine, over de hele lengte voorzien van een linnenkap. Het merk was “Peerless”. Fabrikage 1933.
De wagen zou in goede staat zijn en de prijs was f. 115.--. Dat leek er wat op.

Alleen het was een vreemd merk, de goede staat moest je afwachten en de prijs was aan de hoge kant. Er werd gebeld naar Winschoten voor een afspraak. Dus een ritje naar Winschoten en daar stond ie in al zijn glorie. Een prachtige auto.

De Peerless.
Bij dat eerste bezoekje: Niet gekocht : “Eerst nog eens met mijn vrouw over praten”
De auto leek pa Boonstra wel wat maar hij vertrouwde het merk niet. Nooit eerder van gehoord.
Informeren bij een deskundige garagehouder. Dat was in dit geval Evert Dijkema in Winsum, daar waren we klant. Die kwam met een geruststelling. Van zo’n auto (het leek wel een Chrysler) was vast wel hier of daar, indien nodig, een onderdeeltje te vinden.

De auto werd gekocht, opgehaald en stond daarna bij ons “op voord” (oprit) met de neus naar de straat te pronken in het zonnetje.
Tenminste zo was het op die dag dat Rieks Hofman (de oudere broer van Job) de auto ging bekijken.
Hij woonde tegenover ons aan het padje naar Heernshaim. Hij was natuurlijk erg nieuwsgierig naar de aanwinst van Boonstra en bekeek de auto van alle kanten.

Willie haar eerste ritje
Ook zag hij het sleuteltje want een autosleutel liet je indertijd altijd zitten.
Willy, mijn zus van 11 jaar zat voor in de auto, zij vond het prachtig deze nieuwe auto.
Rieks had net zijn rijbewijs gehaald en dit leek hem een buitenkansje. Hij vroeg Willy : “Zeln wie ’n eendje ried’n ?”
Dat leek Willy wel wat en verdraaid, daar tuften ze heen.
Toen het werd opgemerkt wist niemand wat er gebeurd was, maar “voord” was leeg. Wat moet je dan doen. Niets natuurlijk want even later kwam Rieks om de bocht zetten met Willy voorin. Zij glunderde, was blij met het ritje en Rieks was zich helemaal niet zo van kwaad bewust, maar hij kreeg natuurlijk wel een uitbrander en daarmee was de zaak gesust.

De limousine wordt een vrachtwagentje
Het is een heel mooi vrachtwagentje geworden. Een houten bak, gemaakt door door vaklui, de onderste 60 cm gelakt hout, dan opgetrokken met donkerbruin doek en daarboven een wit dak. Aan de beide zijkanten was de naam van de eigenaar vermeld: BOONSTRA en de beide vestigingsplaatsen : EENRUM – GRONINGEN.

We hebben er een paar jaar plezier van gehad. Na het uitbreken van de oorlog kregen we nog een tijdje een rijvergunning, maar al spoedig was het afgelopen. Ik heb met mijn boxje op de Leege Weg nog een foto van de auto gemaakt en daarna ging hij naar de sloop. Jammer !!

.




EINDE VAN DEEL III

Deel IV brengt ons bij de andere inwoners van Eenrum.

. ga verder naar > Eenrum Deel IV )




(ga terug naar > Eenrum Deel I )

(ga terug naar > Eenrum Deel II )

 

This is all it up until now!
Kom terug, want binnenkort is er meer te lezen!

1) Een aantal van deze verhalen zijn in vereenvoudigde vorm gepubliceerd door de historische kring van Eenrum en in druk in 'de Ainrommer' in de periode van 2011-2013.

 

ga naar het begin

als je opmerkingen hebt stuur ze naar:C.A.Boonstra.

04 05 2014
Copyright © 2014 K.J.Boonstra