Deel IV

Het leven in Eenrum van vóór 1940

door K.J.Boonstra


Herinneringen van Eenrum van 1925-1940

kaartjan1
een gedeelte uit de kaart:
Topografische ondergrond (c) Kadaster, 2014.Bewerkt door Jan Boonstra

EENRUM

Het leven in Eenrum van vóór 1940

door K.J.Boonstra



Herinneringen van Eenrum van 1925-1940
Deel IV
 

terug naar DEEL I

terug naar DEEL II

terug naar DEEL III

Direct naar het verhaal over het zwembad

Eenrum van vóór 1940

Voorwoord

Dit is deel IV van de verhalen
over de jeugdherinneringen in Eenrum van Karst Jan Boonstra . Vanaf 2011 schrijft hij regelmatig zijn herinneringen op.
In Deel I hebben we gelezen over de mensen die woonden om het huis aan de Zuiderstraat 22. En we lazen over de ambachten van begin 20e eeuw. In deel II en deel III komen we dichter bij de familie die op de Zuiderstraat 22 woonde: de familie en het bedrijf

Karst Jan gaat in deel IV weer op stap. Hij beschrijft mensen en bedrijven in en rond Eenrum. Ook de scholen komen aan de orde.


Karst Jan blijft schrijven, elke maand komt er weer een verhaal bij!

Veel plezier bij het lezen!

Nelleke Boonstra, webbeheerder

30. De buren

Petroleum
Aan de oostzijde van het inmiddels veel besproken pand woonde Jan Dekker.
Hij was al op leeftijd en had een huishoudster die je haast nooit te zien kreeg.
Dat hoefde ook niet want Jan Dekker zorgde wel dat ze rond kwamen. En hoe kwamen ze dan aan de kost? Dat is ook niet erg bekend maar je kon bij hem in ieder geval petroleum kopen. Bij de achterdeur links om de hoek stond een groot vat en daar zat het vocht in dat voor praktisch alle huishoudens onmisbaar was.

De tankauto
Regelmatig kwam er een tankauto met daarom de letters APC.
Dat was dus de leverancier.
Het was een Ford met achter dubbele wielen, niet naast elkaar maar achter elkaar. Dit was natuurlijk om auto en dus de tank zo lang mogelijk te kunnen maken. Er zat blijkbaar geen starter in de cabine want de motor werd bij vertrek altijd aangeslingerd.
De bestuurder was Jan Haak, hij kwam uit Winsum.
Jan Haak droeg een uniform want zijn jas en kleppet (met gladde voorrand) waren voorzien van de letters APC.
Jan Haak ging eerst achterom om te zien hoeveel er nodig was. Natuurlijk achterom want voordeuren werden in Eenrum heel weinig gebruikt. En daar stond immers ook het vat dat wachtte op aanvulling. Hij kwam terug en haalde vanuit de auto een prachtige stalen emmer. Als het nodig was twee. Aan deze emmers zaten stukjes metaal met inscriptie. Deze inscripties waren het bewijs dat de emmers gecontroleerd waren op inhoud. Altijd eerlijk zijn natuurlijk, dat gold ook hier.

Het klipke
Dit was dus de leverancier, nu de afnemers.
Je ging er heen met je “klipke” en voor enkele stuivers werd die gevuld.
Zo’n klipke was vierkant en ongeveer 50 cm hoog. De vuldop en het tuitje bevonden zich aan de bovenkant.
Zo zorgde Jan Dekker voor de brandstof in het petroleumstel.

Touw
Maar Jan Dekker deed meer.
Soms was hij bezig met touw. Dik touw, geschikt voor gebruik op schepen, voor het aanleggen b.v.
Het uiteinde zat vast aan het kippenhok achter in de tuin en lag tot voor aan de straat en weer terug, een heel lang eind dus. En dat touw daar deed hij iets mee. Het kreeg een soort behandeling. Het leek wel een eindbehandeling voor de aflevering. Maar hoe of wat is niet bekend. Maar in ieder geval : “Jan Dekker dut ien taauw”

De kaashandel
We gaan een huis verder.
Daar werd de voordeur wel gebruikt, want het was een winkel, een kaaswinkel. Aan de voorkant links van de deur was bovenaan een zwart bordje geplaatst en daarop stond met witte letters

“H. WESTRA” en daaronder “KAASHANDEL”

Je liep de gang door en dan kwam je in een grote dwarsruimte met daarin veel planken, allemaal beladen met kaas.
Je kon er wat dat betreft te kust en te keur gaan. Het hele huis rook trouwens naar kaas. Voor zoveel kaas zou hij in Eenrum zeker geen klandizie hebben en dat was ook niet nodig. Hij verkocht hier aan de particulier maar hij ging ook naar winkeliers in de omgeving. Hij had tassen achter aan de fiets en ook aan het stuur. Hij “sudelde” dus met zijn handel en de hoeveelheid kon de klant bepalen en aan alles kon je zien dat het goed ging.
De kaas kwam binnen met bode Schut die voor het transport vanuit Groningen zorgde en die stond er altijd een flinke poos voor de aflevering.

Er gebeurde wel wat bij Westra. Zijn vrouw zorgde overdag natuurlijk voor de handel want de zoon (ze hadden 1 zoon) zocht het elders.

Tjipko
Hij heette Tjipko en was in 1933 ongeveer 25 jaar. Tjipko was kelner in de stad en had dus ook zijn vrije tijd. Hij kwam dan thuis en het was meteen feest in de straat, want Tjipko mocht graag voetballen. En dat wisten de jongens. Als Tjipko er was dan kwamen er al gauw een stuk of tien opdraven en werd er gevoetbald, dat was vaste prik.
Hoe het verder met Tjipko is gegaan is niet bekend.

Hiermede hebben we de noordkant van de Zuiderstraat gehad, aan de zuidkant krijgen we nog 2 percelen, Wieb Glas en van der Meulen, voor een volgende beleving.

.




31.Zuiderstraat, bewoners

De zuidzijde
Tegenover dit pand liep het pad naar Ernstheem.
Met een diepe goot er naast was dit de scheiding tussen Hofman en Wieb Glas.
De woonstee van Wieb Glas was een boerderij. Hij had een weiland en enige koeien. Dit weiland lag achter (aan de zuidkant) van zijn perceel. Van zijn nering merkte je niet veel.

De klompenmakerij
Iets anders was het met zijn buurman, aan het einde van de straat. Daar was en is de bekende klompenmakerij.
Destijds was het Douwe van der Meulen die daar de scepter zwaaide. Tegenwoordig zijn het de nazaten die het bedrijf handhaven.
Aan het begin van de straat had je de schoenenfabriek van Wilkens en op het eind de klompenfabriek van van der Meulen.
Er werd met machines gewerkt waarvan het geluid dagelijks door de straat daverde. Maar dat was in die tijd nooit een probleem.

Zie ook de website van de familie van der Meulen Eenrumer Klompen

klomp van van der Meulen
huidige kleurige klompen van van der Meulen

Van boom naar klomp
De klompen werden gemaakt uit bomen, want ze zijn van hout zoals je weet, naar ik meen van wilg of van populier. Douwe van der Meulen stapte een paar keer per jaar op zijn fiets om bomen te kopen. Waar of van wie is niet bekend, wel bekend is dat die werden aangevoerd door transportbedrijf Kampstra. Ook een naam die zich staande wist te houden.
Wanneer die bomen gelost waren moesten ze zo spoedig mogelijk in delen worden gezaagd. Dat gebeurde met de hand. Er werd maat genomen voor de lengte van de stukken zodat die zo praktisch mogelijk konden worden verwerkt en dan ging de zaag er in. Daar was een gedeelte van de straat voor nodig. Het was een enorm lange zaag met heel grote tanden. Op de uiteinden zat een staand handvat en werd dus door twee personen heen en weer getrokken om de boom in mootjes te verdelen. Het verdere gebeurde machinaal al moest er nog veel handwerk aan te pas komen voordat de klomp klaar was en kon worden verkocht.
De machinale bewerking kon je niet zien want die was voor buitenstaanders verboden toegang en natuurlijk gevaarlijk. Alleen al wanneer je de enorme cirkelzaag zag die dagelijks door de straat galmde dan had je wel genoeg.

Het leertje van de klomp
Het bijzondere van de klompen van van der Meulen is het leertje.
Dit leertje loopt aan weerskanten door een gleuf.
Als de klomp bij de verkoop moet worden gepast dan zit dat leertje aan één kant vast met twee blauwe nageltjes zgn.“klompspijkertjes” en aan de andere kant zit het leertje nog los. Nu komt het eigenlijke passen van de klomp. Wanneer de ruimte voor de voet goed aanvoelt wordt het leertje ook aan de andere kant vastgezet.
Tik – tik en de 2 spijkertjes gaan nooit weer los, en je hebt een paar klompen waarvan je niet voelt dat je ze draagt.
Geen wonder dat deze klompen de eeuwwisseling trotseerden.

En de burgers gunden elkaar de klandizie want bij de Boonstra’s droegen ze en dragen ze nog klompen van van der Meulen en bij van der Meulen staan in de voorkamer meubelen (in ieder geval één eiken kast) die schuin tegenover in de straat gemaakt is bij meubelmaker Boonstra.

.




32. Wandelen door Eenrum

Verderop
Wanneer je in 1930 de Zuiderstraat doorliep van Piet van der Scheer tot Douwe van der Meulen en je ging rechtdoor dan kwam je “ien ’t leege van weg” en dat is nog zo alleen is het nu “Lage weg”.

Het eerste huis aan de rechterkant was de woning van Jan Aldershof.
De naam is al eerder genoemd, hij was kweker. Het grootste gedeelte van zijn groenten ging naar de veiling maar hij ventte ook met paard en wagen. Zodoende zag je hem geregeld aan de deur.
Aan de linkerkant was een boerderijtje. Hier woonde de fam. Brander.
Een huis verder was een huis dat indertijd gebouwd was om als kerk dienst te doen voor gereformeerden die bij Baflo hoorden maar is als zodanig nooit gebruikt. Hier woonde de familie Kern.

Lutke Saaksum
En loop je nog verder dan begon hier een zandweg die zich een verderop splitste.
Na de splitsing lag rechts van de weg een fietspad waarop je tamelijk goed kon fietsen en dan kwam je uit op de weg van Saaxumhuizen naar “Leutje Soaksum”, tegenwoordig “Lutke Saaksum”.

Dat is natuurlijk een naam die nergens op lijkt.
Wie zegt nu “lutke” dat is zelfs geen Nederlands. In Kloosterburen deden ze het beter: Van “Leutje Hoeskes” maakten ze “Kleine Huisjes”, dat is tenminste radicaal en uit te spreken.
Nee, hier had de naam moeten zijn “Klein Saaxum” en dan het liefst met een X.

Tot zover het uiteinde van de splitsing naar rechts wat de kortste weg was van Eenrum naar Baflo. Nu gaan we de linkerkant op.
Daar kreeg en krijg je eerst de boerderij van Ké van Houten, daar is wel wat van te vertellen. We zullen Bene even wakker maken want “dôrsmassien komteraan”.

De boerderij van Ké van Houten

De dorsmachine
Rondom Eenrum was veel landbouw. De meeste boeren waren landbouwers. Eén van die boeren was Kee van Houten. Niet dat hij bij de “dikke boeren” behoorde maar toch hij had een behoorlijke productie en het was de moeite waard om een dorsmachine te laten komen om het koren te dorsen.
Dat was een hele onderneming De machines kwamen uit Winsum. Het ging dan om een dorskast, een stro-pers en een stoommachine. Alles werd stuk voor stuk getrokken door paarden. Om bij Van Houten te komen moest de hele machinerie door de Zuiderstraat. Het was een hele belevenis.

Bulldog Lanz
Later, tegen 1930, konden de paarden worden vervangen.
De tractor deed zijn intrede en nam alles moeiteloos over. Het was een rode tractor en het merk was Bulldog en daaronder stond Lanz.
De motor was natuurlijk bijzonder sterk en liep langzaam want als hij stationair draaide kon je de slagen van de zuiger tellen. En dit trekpaard verving tevens de stoommachine. Er zat een grote poelie op (net als trouwens bij de stoommachine) waar een lange riem over werd gelegd en dan was het starten en draaien maar. Een stoker was ook niet meer nodig.

Oogsten
Het koren werd met een vork bovenin de dorsmachine geworpen door arbeiders die bovenop een strowagen stonden en het koren kwam er onder weer uit waar het werd opgevangen in zakken. Opbrengst voor de boer.
Het stro werd machinaal getransporteerd naar de stro-pers waar een enorme vierkante trommel op en neer het stro in de pers drukte. Wij zouden het een jaknikker noemen. Er werd een stro-pak gevormd die werd voorzien van ijzerdraad rondom en wanneer deze de goede lengte had werd hij afgehaakt en werd op de rug weggedragen. Opbrengst voor de boer, in dit geval dus Ké van Houten.
Hoe het koren verder uiteindelijk bij de bakker kwam is een verhaal apart want het is niet zo maar brood, dat komt dus later.

Een volgende keer gaan we zien wat er nog meer op de linker splitsing van de “Lage weg” te doen was.

wordt vervolgd

.




33. Naar Hander

Er liepen vroeger meer wegen naar Baflo dan nu.
Bij Kee van Houten kon je rechtsaf en via een zandweg met fietspad aan de rechterkant naar de weg van Saaxumhuizen naar “Leuje Soaksum”.
Die weg is verdwenen.
Wanneer je vroeger de splitsing naar links nam, naar het Noordoosten dus, dan liep je op een doodlopende weg. Aan deze weg woonde boer Nap, dan kwam er een klein huisje, en vervolgens kwam je in de streek genoemd “Hander”. Hier woonde boer Havinga en was op de grens van de gemeenten Eenrum en Baflo.

Een bouwboer verkoopt zijn land
Havinga woonde in Eenrum maar waren wat kerk en school betreft georiënteerd op Baflo. Havinga was bouwboer, hij verbouwde veel koren, 1 keer per jaar kwam de dorsmachine net als bij Kee van Houten om zijn koren te dorsen. Deze machine kwam niet uit Winsum maar van David Vos uit Pieterburen. De voorman hierop was Onno "Pankouk", een bekende figuur in Pieterburen.
In 1939 heeft Havinga zijn land verkocht aan Luuje Bouwman. Luuje Bouwman was een “dikke heereboer” die meer land opkocht in deze buurt. Hij woonde in een villa aan de weg van Eenrum naar Pieterburen. Zijn auto was een Buick, later een Continental en het provinciaal nummer A-1202. Zijn dochters gingen “ien stad noar schoul” en reisden in de trein niet 3e maar 2e klas. Een 1e was er niet.
Nu nog even over Havinga. Zijn land was verkocht en hij moest dus opkrassen. Hij kocht een boerderij in Bedum en heeft die ook weer verkocht. Of hij vee had weet ik niet maar hij heeft zijn schaapjes wel op het droge.
Zijn zoon Tonnis is nu 90 jaar [2013], woont in een riant huis in Bedum en ik heb Tonnis Havinga na 80 jaar weer mogen ontmoeten. [Karst Jan is na 80 jaar bij hem op bezoek geweest om bij te praten over de herinneringen van Eenrum]

De boerenslee en kalkoenen
Om bij Havinga te komen zijn we boer Nap gepasseerd en die verdient wel een plaats in de verhaaltjes.
Hij had geen fiets want hij kwam om boodschappen te doen altijd met een zware boerenslee en een paard er voor door de Zuiderstraat. Als hij weer naar huis ging had hij zijn boodschappen in een bundeltje voor aan de slee vastgebonden en zo ging hij via de Lage Weg weer naar zijn hofstede.
Hij werd hier welkom geheten door kalkoenen. Je kon daar niet ongemerkt passeren want die beesten maakten nogal wat lawaai. Er waren hele dikke en grote bij en die kon hij tegen de kerstdagen waarschijnlijk goed verkopen. Hij had bij het voeren van deze dieren een flinke hulp aan zijn vrouw. Kalkoenen eten brandnetels. En zijn vrouw kon "branekkels plukk´n zunner hans´n". Dus het was voor haar een kleine moeite om zonder handschoenen voeder voor de dieren bij elkaar te scharrelen. Waar een vrouw al niet goed voor kan zijn.

Dit was HANDER.

Kasjan

.

.




34. Bewoners van de Oosterstraat

De Zuiderstraat met het verlengde, de Lageweg, hebben we gehad. De Lage weg loopt dood dus we gaan terug naar het kruispunt bij v.d. Meulen en gaan de Oosterstraat op.

Direct links om de hoek staat een huis dat werd bewoond door het echtpaar Vink.
Derk Vink en vrouw. Ze waren beheerder geweest van het “aarmhoes” d.w.z. verzorgingshuis aan de Hoornsterweg, tegenwoordig Raadhuisstraat. Met hun pensioentje en grote tuin konden ze zich best redden.
Voor zover ik weet hadden ze een dochter die gehuwd was met de heer Broos, belastingambtenaar in Leens.

Aan de oostkant van de straat stonden een paar woningen en dan was er een open pleintje. Hier lagen vaak bomen. Die bomen waren van Vogel. De heer Vogel was klompenmaker. Dus er waren 2 klompenmakers die vlak bij elkaar woonden. Vogel maakte een klomp waarvan de vorm afweek van de klomp van van der Meulen. Het was een “ tripklomp” maar je zag er nooit iemand mee lopen. De productie zal wel erg klein zijn geweest want Vogel verdiende zijn kostje elders. Hij had een fiets waar achter op de bagagedrager een motortje was gemonteerd dat het achterwiel aandreef en daar tufte hij iedere mogen mee naar zijn werk in Loppersum. Tussen Stedum en Loppersum moest hij een overweg passeren en dat is hem een keer noodlottig geworden. Vogel is verongelukt door een aanrijding met een trein.

Willem, de harmonicaspeler
Het gezin Vogel woonde in de laatste woning van een rijtje dat kops op de straat lag. Langs het kleine pleintje dus. Ze hadden een zoon: Willem. Heel Eenrum kende hem wel, want Willem was niet normaal. Hij had de ziekte van Down, een soort mongooltje dus. H ij praatte heel eigenaardig en lachte veel. Dat lachen was als het ware een huilend geluid. Heel vreemd. Werken kon hij niet, hij kon zich er niet op concentreren. Maar wat hij wel kon dat was harmonicaspelen..
Vaak, op een zomeravond, zat hij buiten en speelde naar hartenlust op zijn instrument. Er stond dan een groepje om hem heen. Ze genoten van het spel en Willem genoot van de belangstelling.

De bakker en de boer Verder had je in de Oosterstraat nog een ambachtelijke bakkerij.
Bakker Muil bakte hier zijn broodjes. Wat zijn specialiteit was weet ik niet maar het brood smaakte prima. De winkel was klein en aan “vrouw Muil" was de verkoop wel vertrouwd. Ze had nogal een schelle stem en regeerde het zaakje dunkt me met straffe hand. Er waren ook kinderen, in ieder geval twee dochters en één zoon. Een deel van dit nageslacht woont nog in Eenrum.

Vanaf de bakkerij liep en loopt de straat naar beneden.
Aan het eind woonde aan de rechterkant het gezin Jolman ( een van hun zonen heette Albert) en aan de linkerkant was de boerderij van Nier Lammers. Herinnering hieraan is de mestgeur die ik vaak opsnoof. Ik moest er iedere morgen langs want mijn pad naar school liep via de Oosterstraat en wat nu de Oude Oosterweg heet naar Pieterburen.
Waarom zo ver weg ? Dat is een verhaal apart.

Kasjan

tripklomp
tripklomp

.




35. Naar Pieterburen

Wonen in Eenrum en naar school in Pieterburen.

De reden om in een ander dorp naar school te gaan was “godsdienst”
Ons gezin was gereformeerd en die waren er weinig in Eenrum en zeker geen gezinnen met kinderen. Wel woonden gereformeerden in de omgeving zoals in Baflo en Pieterburen.
Er woonden ook weinig Rooms-Katholieken in Eenrum. De drie jongens van kleermaker Fokkelman (R.K.) gingen naar Den-Hoorn naar school, waar hun kerk en school vlak naast elkaar stonden.
En wij gingen naar Pieterburen.
Niet direct want toen ik 5 jaar was ging ik eerst naar de “Bewaarschool” in Eenrum want die was er nergens in de buurt. Het was gewoon een klaslokaal in de openbare school. Het was ook een leuke klas onder leiding van juffrouw Marie Nienhuis.

De tweemansschool in Pieterburen

school pieterburen, foto komt nog
de tweemansschool, links meester Feddema, rechts meester Bouwman, Karst Jan ligt rechtsvoor op de grond

Maar na een jaar bracht mijn vader mij op 1 mei (1929) naar de school in Pieterburen.
Het was een 2-mans school, twee lokalen dus.
Bij mijn aankomst stonden de beide “meesters” samen bij het hek om de nieuwe leerlingen te verwelkomen.
Er waren meen ik 7 nieuwelingen.
Het hoofd van de school was Tj. Feddema en de onderwijzer was J. Bouwman.
Feddema was van Friese oorsprong en Bouwman was een Groninger.

Meester Bouwman
Het ouderlijk huis van meester Bouwman stond in Eenrum.
Ze hadden een klein boerenbedrijf aan de weg naar Saaxumhuizen tegenover Hander. Ze hadden een lange ree (oprit) naar hun “spultje” en vooraan bij de weg aan weerszijden een witte paal. Op de linker stonden de letters WERK en op de rechter LUST.
Jan Bouwman ging altijd op de fiets naar Pieterburen. Hij kon ergens binnendoor op de zandweg komen, dus met een kwartiertje fietsen was hij bij school. De school begon om half negen. In het eerste leerjaar ging ik lopend en 's namiddags mocht ik wel eens een enkele keer bij Bouwman achterop een eind meerijden. De school ging uit om 3 uur.
Bouwman was volgens mij een prima onderwijzer. Hij kon heel mooi vertellen, ook veel spannende verhalen uit de Bijbel zoals ‘Jona in de walvis’ en ‘Noach met zijn ark’. Juist om deze godsdienstlessen gingen wij naar deze school. Van godsdienstonderwijs kwam thuis niet veel terecht.

In de klas
Er werd les gegeven van maandag tot en met vrijdag.
Veel leerlingen kwamen van ver, van Broek b.v. of ze woonden bij de dijk. Daarom had iedereen brood bij zich wat we in het middaguur in een lokaal konden oppeuzelen.
Het aanzien in de klas gaf een groot verschil het jaar door, wat veroorzaakt werd door het jaargetijde. In de winter in de eerste plaats de verwarming. Achter in de klas stond in een hoek een grote zwarte kachel die gestookt werd met cokes. Daaromheen een groot zwart metalen scherm. Voor de veiligheid natuurlijk maar daarop kon je ook mooi je kleren drogen. Want vooral in de winter kwam je soms kletsnat aan. De jassen, de kousen en de sokken dampten het uit.
Iedereen liep op klompen. In de gang stonden lange rijen klompebakken waarin je bij binnenkomst je klompen kwijt kon. Velen hadden leren zooltjes, een soort pantoffeltjes met een riempje en een klein rond zwart knoopje, waarop je de klas inging. nfin er is nog veel meer van de school en ook van de weg naar Pieterburen te vertellen maar dat doen we een volgende keer.

Kasjan

.




36. Naar school in Pieterburen

De broodboom
De school in Pieterburen zal ik nooit vergeten. Het hoofd en de onderwijzer waren prima en zodoende heb ik daar veel geleerd.
Als je op school kwam, in de eerste klas dus kreeg je als welkom een “broodboom”, een boomtak waaraan de bakker “Aikema” brood had gebakken. Dit was een gewoonte en door de ouders besteld.
Mijn ouders wisten dat niet en zodoende begon het met een kleine teleurstelling.
Dat vergeet je natuurlijk ook nooit.

In het eerste lokaal doorliep je 3 klassen. Bij de overgang naar de vierde nam je je spulletjes mee en rende je de klas uit door de gang naar het andere lokaal.
Om de beurt. Dan kwam je bij meester Feddema en zat je onder een strenger regiem.
Hij was een echte Fries en dat kon je ook merken. Een heel belangrijk onderdeel voor hem was het leren van het Friese volkslied en dat werd dan ook vaak gezongen. Zijn wil was wet dat deed zijn optreden duidelijk merken.

Sinterklaas
Ik ben in Eenrum in de openbare school naar de “Bewaarschool” geweest.
Nu werd daar ieder jaar het Sinterklaasfeest gevierd. In Pieterburen niet.
De klassen begonnen per 1 mei.
Nu kreeg ik in 1930 van de school in Eenrum toen ik al in Pieterburen naar school ging, een uitnodiging om als oud leerling het Sinterklaasfeest mee te vieren.
Erg leuk natuurlijk en ik kreeg een briefje mee naar school om een vrije dag. Maar het ging niet door. Het mocht niet van meester Feddema.
Mijn ouders vonden dit onzin en hebben mij op die bewuste dag naar het Sinterklaasfeest gestuurd in plaats van naar Pieterburen. Voor mij leuk maar voor mijn ouders niet.
Ze waren in overtreding en meester Feddema gaf het aan.
Mijn vader moest voor het kantongerecht in Onderdendam verschijnen en kreeg een boete van f. 25.--. Dat was meester Feddema, een prima leerkracht maar het het was toch maar beter dat hij Pieterburen verliet en hij werd benoemd in Ferwerd in Friesland.
Mijn vader mocht daar de inrichting van het huis verzorgen, dus eind goed al goed.

De reis naar school
Om in Pieterburen te komen was de zandweg, nu Oosterweg, de kortste, veiligste en de meest interessante weg om langs te fietsen. Eerst had je een verhard kronkelig weggetje (nu Oude Oosterweg) tot aan de oprit naar de boerderij van Dijkveld-Stol.

Ging je tussen die 2 palen door dan zat je op de kortste weg naar Warffum. De zoon van commissionair Vrieling die op de HBS in Warffum studeerde ging hier altijd langs. Natuurlijk op de fiets en hij droeg in zomer en winter altijd een korte broek met kniekousen. Blote knieën dus. Vrieling woonde schuin tegenover het postkantoor en ging geregeld met zakjes, waarin zaadmonsters, naar de beurs in Groningen.

Maar ik ging niet naar Dijkveld-Stol, ik ging het noorden in, het zandpad op.
Dit was het slechtste stuk van de rit, smal fietspadje aan de kant, vies en modderig bij slecht weer.

Zaaien en oogsten
De rit was interessant want je reed tussen de wuivende korenvelden met de lange halmen en hier en daar een bos klaprozen aan de rand. Zo maakte je het zaaien, de groei en de oogst mee.
Vooral de oogst was leuk. Er werd met de hand (zichten) en later met een maaimachine geoogst. Vrouwen liepen er achteraan om de schoven met een bosje halmen te binden. De “bindsters”.
De schoven werden in hokken gezet en bleven een poosje op het land staan. Die werden dan later met paard en wagen opgehaald.
Ik fietste daar altijd met veel plezier. Met heel slecht weer werd ik door mijn vader per auto gebracht en gehaald, maar ik fietste liever. Er is dan immers veel meer te beleven, vooral omdat het dit zandpad betreft. Later meer.

Karst Jan

.




37. Het schoolpad

Het zandpad op naar school.
Elke dag ging ik met plezier het noorden in. De route bestond eigenlijk in drie delen en op het eerste deel reed je recht op een boerderij af.
Die boerderij staat er nog. Voor de ree (oprit) sloeg je linksaf.
(Dit punt is bij een ruilverkaveling naar voren gehaald. De ree is dus langer geworden.)
Vanaf dat punt kon het erg waaien.
Het waait daar trouwens eigenlijk altijd. Je fietst daar het noordwesten in en wanneer die noordwester wind te keer gaat dan moest je op de trappers staan om er tegenop te kunnen.

Willy op fiets in de tegenwind
Toen mijn zus Willy ook de leeftijd kreeg om naar school te gaan gingen we samen.
Willy was maar een fragiel figuurtje, erg dun, maar ze was wel een taaie.
Ze at heel weinig, moeder kon het er “slecht inkrijgen”. Pa had het bij kapper Zaagman in Pieterburen geregeld dat ze daar in het middaguur een bord "soep’nbrij" (karnemelkse pap) kon eten want dat lustte ze wel en dan kreeg ze tenminste wat.

Die Willy dus ging ook op de fiets naar school in Pieterburen, weer of geen weer.
En op het punt dat wij het noordwesten in draaiden was het voor haar soms eigenlijk geen doen.
Ik verzon daar wat op want je kon daar niet blijven staan.
Ik nam een eind touw mee en knoopte het aan mijn fiets en aan de hare om haar in de wind op te tornen.
Maar ik zei er bij :
”Ik wil die wel trekk’n moar ’t taauw mot slap blie’m.”
(het touw moet slap blijven hangen).
En met die opdracht fietste ze achter mij aan en kwamen we met tegenwind op tijd bij school.

Later heb dit eens verteld aan een bankdirecteur en die wou het toepassen op zijn cliëntele.

De Handwijzer
Terug op het fietspad.
Wij fietsten met een grote boog om de boerderij heen en kwamen op een kruispunt.
Hier stond een handwijzer. Een richtingbord dus met 4 plaatsnamen en dat is nog zo.
EENRUM , PIETERBUREN, DEN ANDEL KLOOSTERBUREN.
Altijd werd het woord “handwijzer” gebruikt. Heel vroeger was het houten plankje zodanig besneden dat het uiteinde een hand voorstelde met een vinger die de richting aanwees.
In de buurt van Kruisweg heeft lang zo’n handwijzer gestaan waar tevens op stond : “half uur gaans”.

Het raadsel van Oost en West
Op het kruispunt aangekomen sta je bij een transformatorhuisje.
Aan de linkerzijde, westzijde en dat was vroeger niet zo.
Als je van de andere kant komt is het dus aan de rechterzijde, oostzijde dus.
Ik bekijk het nu ook van de andere kant. En inderdaad, wat links was is nu rechts en wat west was is nu oost.Een wonderlijke speling van de natuur. Dat moet onderzocht worden.

Een volgende keer dan maar

31-7-2014
Karst Jan BR>

.




wordt vervolgd

.




.....

.




toegift

Het zwembad in de gemeente Eenrum

zwembad Eenrum

Het Zwembad in Eenrum

Van 1932 tot 1943 was er een zwembad in Eenrum op de plaats van de splitsing Westernielandstermaar en Pieterbuurstermaar.

Hoe is het zwembad er gekomen? Welke geschiedenis ligt daar achter?

Karst Jan vertelt:

Ik heb de tot standkoming vanaf het begin meegemaakt en ik kan er dus een kleine historie over vertellen.

Dokter Posthumus was de man die het voor elkaar heeft gebokst, waarschijnlijk met de hoofden van de scholen.
Hij deed veel in samenwerking met meester Ploegman van de openbare school in Pieterburen.
Hij wist de mensen op een ludieke manier op de noodzaak van het zwemmen te wijzen.

Het zwembad was voor de hele gemeente bestemd, dus ook voor de omliggende dorpen.
Daarom werd er een bijeenkomst gehouden midden in de gemeente en wel op de brug in de hoofdweg naar Pieterburen,
vlakbij de boerderij van Noordhuis.

Er kwamen veel mensen op de been, de brug was tjokvol.
Ook de brugleuningen waren bezet.
Ik heb het zelf niet gezien, maar mijn vader was er wel bij aanwezig.

Dokter Posthumus hield zijn verhaal, maar overtuiging is natuurlijk een tweede.
Plotseling was er een plons, iemand was van de brugleuning gevallen en je zag hem niet meer.
Grote consternatie. Maar hij kwam weer boven en zwom naar de kant.

"Zie je nu wel"
zei dokter Posthumus,
"als je kunt zwemmen is zoiets nooit een probleem, maar je moet het wel eerst leren.
Het gaat daar gebeuren"...
HIj wees in oostelijke richting.
"Daar splitst het kanaal en daar komt het zwembad".

En het is doorgegaan.
Veel ouders uit Eenrum, Pieterburen, Westernieland en Broek hebben hier zwemmen geleerd.

In Eenrum moest je in de school leren 'droogzwemmen', dat wil zeggen met platte buik op een bankje.
Dan kreeg je voorgeschoteld hoe je kon zwemmen in schoolslag, want daar begon je mee.
Zo zal het in Pieterburen en Westernieland ook wel zijn gegaan.

Er was veel enthousiasme voor het zwembad.
Op de foto staat een rijtje badhokjes met aan weerszijden een groot hok.
De hokjes waren voor volwassenen – ook bij hen was er liefhebberij – en de grote hokken voor de kinderen.
Het was gezamenlijk verkleden.
Het achterste hok op de foto was voor jongens en het voorste voor de meisjes.
Op het begin was het onderkomen van de badmeester. Zijn naam was Henk Pieterman. Het was een vaste badmeester, hij was altijd aanwezig.

badmeester Pieterman
Op het eind van het seizoen was er 'diplomazwemmen'.
De afstand tot de brug bij Kalverkamp was heen-en-weer 100 meter, en dat moest je in schoolslag kunnen halen.
De springplank was op de hoek gemonteerd, dus duiken kon je er ook.
De toegang was langs de achterzijde van de boerderij, je kon ook vanaf het zandpad, nu Oosterweg – over een paadje naar de boerderij. Er waren zelfs twee jongens van Westernieland die met de kano kwamen.

Karst Jan Boonstra
.

.




...

EINDE VAN DEEL IV

.


kom later terug, dan zijn er meer verhalen



ga terug naar > Eenrum Deel I

ga terug naar > Eenrum Deel II

ga terug naar Eenrum DEEL III

 

This is all it up until now!
Kom terug, want binnenkort is er meer te lezen!

1) Een aantal van deze verhalen zijn in vereenvoudigde vorm gepubliceerd door de historische kring van Eenrum en in druk in 'de Ainrommer' in de periode van 2011-2013.

 

ga naar het begin

als je opmerkingen hebt stuur ze naar:C.A.Boonstra.

0905 2016
Copyright © 2014 K.J.Boonstra