Beginnen met patroon #4: 'Eerst maak ik innerlijk ruimte'

  ^  
 

Beginnen aan iets nieuws

De manier waarop iemand de wereld tegemoet treedt is heel karakteristiek gedrag. Het is heel herkenbaar voor anderen en voor de meeste mensen zelf ook goed herkenbaar. De wereld tegemoet treden doen we bijvoorbeeld als we 's morgens wakker worden, als we ergens voor het eerst binnenkomen, als we aan iets nieuws beginnen, als we met een vraag of een idee worden geconfronteerd. Dat laatste kan iets heel eenvoudigs zijn zoals al of niet een koekje nemen. Op het hier bedoelde begin volgt het hele proces van het beginnen.

We kunnen een aantal verschillende manieren onderscheiden waarop mensen de wereld of iets nieuws benaderen. Een daarvan is: beginnen met het opbouwen van ruimte voor zichzelf. In dit eerste van een reeks van voorbeelden zullen we het ruimte makende beginpatroon bespreken. Albert Einstein volgde dit beginpatroon. Voor mij reden genoeg om met dit patroon te beginnen.

Hij deelde het met zeer veel anderen. Bij deze en volgende besprekingen van beginpatronen zullen enkele bekende mensen, telkens uit verschillende levenssferen, als voorbeelden worden gebruikt.
 

  ^  
 

Beginnen met patroon #4: 'Eerst maak ik ruimte in mezelf'

De omschrijving van het beginpunt luidt: 'Voor ik begin moet ik eerst alles bij mezelf op een rijtje zetten om een concrete en praktische basis, een houvast te hebben. Ik moet zeker weten dat ik greep op mijn zaakjes heb. Ik ben op mijn best als ik 's morgens de tijd neem om mezelf te verzorgen, te ontbijten en me rustig voor te bereiden op de dag'.

Stel dat we Albert Einstein hadden gevraagd waar hij als eerste op let als hij ergens aan begint, bijvoorbeeld als hij bij vreemden binnenkomt. Dan zou hij waarschijnlijk iets hebben gezegd als: 'Ik vind het vooral belangrijk om eerst heel tastbaar en concreet te kijken of ik me er prettig voel, of ik er voldoende greep op kan krijgen. Want uiteindelijk wil ik een basis hebben, een binding, iets tastbaars waar vanuit ik verder kan werken'.

Was dezelfde vraag: 'Hoe begint U aan nieuwe dingen', gesteld aan Marie Curie, dan zou dat een antwoord hebben opgeleverd als: 'Ik moet eerst de dingen op een rij zetten, het plan of het idee moet gefundeerd zijn. Alleen als ik me betrokken voel, als ik beschik over een stevig houvast kan ik gerust verder gaan'.

We stellen dezelfde vraag aan nog een natuurkundige: Louis-Victor, prince (later duc) de Broglie. 'Ik begin vanuit mijn gevoel, ik begin altijd met de emotionele dingen. Ik zoek ook altijd eerst de menselijke kant. Ik trek graag dingen naar mij toe en hou ze vast'.

Een benadering van de omgeving als deze is niet voorbehouden aan natuurkundigen uit het verleden. In feite hanteert ongeveer 9.5 procent van de wereldbevolking dit patroon. Een aantal van mijn vrienden en kennissen benadert de wereld op deze manier. Ook kunstenaars zoals Vincent van Gogh en Salvador Dali, Rudyard Kipling en Leo Tolstoj zouden zich in deze beschrijvingen hebben herkend. Dit geldt ook voor Hector Berlioz, Franz Schubert, Carl Orff, Michael Glinka en Richard Strauss en beroemde vrouwen als Ava Gardner, Judy Garland, H.P. Blavatsky, Wallis Simpson en Marie Antoinette. Allemaal [ bronnen ] gebruikten zij ditzelfde patroon om ergens aan te beginnen.
 
  ^  
 

Volgende stappen

De volgende stap in het proces kunnen we omschrijven als een tweede voorwaarde om echt te beginnen. De tweede voorwaarde voor mensen die een basis, een houvast zoeken, volgens het ruimte makende beginpatroon, is het verkrijgen van totaal overzicht (zie ook: schema). Dat is voor ieder van hen het logische vervolg na het bereiken van houvast. In de praktijk echter is de volgende stap een factor die veel meer individueel bepaald is. We kunnen na het beginpunt een toenemende diversiteit opmerken richting een individueel patroon.

Doorgaan met proberen een totaaloverzicht te verkrijgen zou dus voor deze groep mensen het logische vervolg zijn. Maar mensen doen niet altijd wat logisch is. De meeste mensen geven er de voorkeur aan een andere richting in te slaan. Misschien lijkt dat niet verstandig, maar het draagt waarschijnlijk bij aan hun flexibiliteit en verbreedt in ieder geval hun levenservaring. Ook al hebben (onbewust) andere bekwaamheden de voorkeur, alle delen van het patroon blijven ter beschikking.
 

  ^  
 

Voorbeelden: individuele invullingen van dit beginpatroon

Albert Einstein (1879 - 1955) [ bron ]
fig.1: Albert Einstein, geboortekaart zou, als volgende stap, met zijn initiatief tot actie (fase 1) om houvast te hebben

  • direct aan het werk (fase 6) gaan. Voor hem is werken denken, theorieŽn analyseren, doelen stellen. Een wezenlijk onderdeel daarvan vormt ook altijd zijn gevoel: voelt dit idee goed, kan ik er in geloven dat het zal werken.
  • Vanaf dat punt (6) concentreert hij zich (fase 8) op de beperkingen van de idee, onderzoekt of de kern van de zaak (8) bestaande grenzen zou verduidelijken of verruimen;
  • om vervolgens dat inzicht in de kern van de zaak (8) aan zijn referentiekader (fase 2) te toetsen;
  • deze waarden (2) brengt hij in bij de volgende stap naar de ontwikkeling van zijn onderzoek in kosmologie (fase 9), waarvoor hij zijn vermogens kracht, soepelheid, controle en speelsheid kon inzetten;
  • zijn idealen of theoriŽn (9) worden dan intuÔtief en critisch bestudeerd in de groep (fase 11);
  • voor zij methodisch wordt getest en gewogen op consistentie (fase 10);
  • om zijn overtuiging (10) vervolgens met vuur en gestructureerd in te brengen in overlegsituaties (fase 7), waar hij van partners hulp, steun en aanvulling in de vorm van informatie, structurering, intuÔtie en inzicht verwachtte;
  • waarna de samenwerking (7) terugvoert naar de ontwikkeling van zijn grenzeloze doelen en idealen (9), met zijn vermogens kracht, soepelheid, controle en speelsheid.

Met de laatste stap onstaat een herhaling van de laatste vier fasen (9, 11, 10 en 7), gevoed vanuit alle andere gebieden.
 

  ^  
 
Marie Curie (1867 - 1934) [ bron ]
fig.2: Marie Curie, geboortekaart zou, zodra zij in haar initiatief meent voldoende stevig houvast te hebben (fase 1),
  • graag direct recht op haar doel af willen gaan, er helemaal in onderduiken en het tot op de bodem uit willen zoeken (fase 8);
  • haar speurtocht, die zij dan amper kan loslaten (8), leidt naar onzichtbare straling in materie (fase 12);
  • dit zoeken (8) naar het onzichtbare (12) leidt naar een routinematige toetsingsfase (fase 5) met daarin haar vermogens kracht, onderscheiden, verzamelen en begrenzen;
  • van dat wat zij aan het licht heeft gebracht (5) wil zij praktisch en geduldig de haalbaarheid bewijzen (fase 10);
  • wat haar vervolgens weer terugbrengt naar het routinematig toetsen en aan het licht brengen (5) met  inzet van haar vermogens kracht, vergelijken, verzamelen en begrenzen.

Heel vasthoudend en routinematig blijft zij bezig met toetsen (5) en afgrenzen (10) van het materiaal of probleem dat zij onder handen heeft.
 

  ^  
 
Louis-Victor de Broglie (1892 - 1987) [ bron ]
fig.3: Louis-Victor de Broglie, geboortekaart zou, zodra hij meent voldoende betrokken te zijn (fase 1),
  • zijn initiatieven graag bezien vanuit een oogpunt van sociale zekerheid, van acceptatie door de sociale groep van vrienden, collega's of vertrouwden waartoe hij behoort (fase 11);
  • wat hem opnieuw en steeds weer aanzet tot verdere initiatieven om te concretiseren (1).

In feite blijft hij alsmaar heen en weer gaan tussen de sociale groep (11) en zijn eigen initiatief (1).
Het proces stopt daar, tot iets anders het doorbreekt.

Ook voor hem zou doorgaan met proberen een overzicht van het geheel verkrijgen (fase 2) het logische vervolg zijn. Helaas leidt die fase hem niet verder bij de poging al zijn mogelijkheden te gebruiken.

Omdat in het dagelijks leven van de meeste mensen wel iets wordt verwacht en de persoon meestal zelf ook een prestatie wil leveren, is 'werken' een voor de hand liggende ingang. Alle mensen die dit patroon gebruiken, de drie voorbeeldpersonen dus ook, benaderen werk op dezelfde manier: zij geloven in wat ze doen, zij vinden hun werk ideaal, zij werken met enthousiasme (fase 6).

  • Inderdaad zou de Broglie werken ideaal vinden (fase 6), vooral wanneer het, zoals doceren, ook nog zijn status zou verhogen (fase 10);
  • vanuit deze maatschappelijke positie (10) zou hij op een gebied waar hij nieuwe grenzen kan stellen onderzoek willen doen (fase 8);
  • die onderzoekingen (8) leiden op hun beurt tot inzicht in de essentie en de substantie van materie (fase 4);
  • van waaruit (4) hij nieuwe substantiŽle initiatieven kan nemen (1);
  • welke (fase 1) weer tot toetsing in de groep van collega's leidt (fase 11) en dat weer tot een nieuw beginnen (1).

Voor de wetenschapper en onderzoeker (9, 5) de Broglie ligt nog een andere combinatie voor de hand:

  • hij zou zijn onderzoekingen (fase 9, fase 5) routinematig op de achtergrond verrichten en daar grenzeloos veel gegevens verwerken (12);
  • de verzamelde informatie (fase 12) zou hij dan minutieus op zijn manier analyseren (3);
  • en zorgvuldig de structuur van het allerkleinste bestuderen, de resultaten overdragen en beschikbaar stellen (fase 3).

Veel anderen deelden/delen dit beginpatroon [ bronnen ], voorbeelden staan op een aparte pagina.

Koppelingen naar
individuele ruimte-tijd dank zij een uniek coŲrdinatenstelsel - structuur #9/3,
gebeurtenissen georiŽnteerd en verbonden in ruimte en tijd - structuur #13/4.
 

  ^  
 

Het schema van alle fasen van het de-innerlijke-ruimte-makende beginpatroon.

Fasen:

  1. Ik begin op basis van mijn gevoel, altijd komen de emotionele dingen eerst. Ik zoek altijd eerst de menselijke kant. Voor ik begin moet ik zeker weten dat ik zelf mijn plaats heb, grip op de zaak kan krijgen. Ik trek graag dingen naar mij toe en houd ze vast;
    Mijn tweede voorwaarde is dat ik ook totaaloverzicht krijg, dat ik de leiding kan hebben.
  2. Ik wil bij het beheer over mijn referentiekader wel totaaloverzicht hebben, maar een ander mag het werk doen. Ik ben royaal en wil onafhankelijk zijn van bezit. Ik wil leiding geven aan de beslissingen van mijn partner;
    Eindvoorwaarde van deze fase is dat het wel zuiver, dienend is.
  3. Ik leg korte kontakten op een dienende manier. Ik analyseer mijn kennis, mijn kennissen zijn kritisch. Ik verzamel kennis op een kritische manier, zuivere kennis;
    Uiteindelijk hou ik een tweede weg open, zoek ik informatie die harmonisch is.
  4. Ik zorg voor mijn geborgenheid door te streven naar schoonheid. Ik onderneem altijd twee dingen, ik voel me veiliger als er een alternatief is. In huis wil ik harmonie, dat vormt de basis waar ik op sta;
    Ik ben op mijn gevoel begonnen; maar uiteindelijk moet mijn onderneming ook kernachtig en praktisch zijn, zonder omwegen.
  5. In mijn diepste ik ben ik erg kwetsbaar, overgevoelig. In mijn diepste ik wil ik kernachtig en praktisch zijn. Ik zoek de kern van mezelf, duidelijkheid over mezelf. Ik ontken die aspecten van mezelf die ik niet wil zien;
    Tweede voorwaarde is dat ik in mezelf kan blijven geloven.
  6. Mijn werk is mijn ideaal. Ik geloof in mijn werk. Ik heb een optimistische, idealistische en flexibele houding t.a.v. mijn werk. Ik werk aan idealen, doelen, aan geloof;
    Uiteindelijk moet mijn werk wel haalbaar zijn.
  7. Ik begin altijd met de menselijke kant, ik probeer eerst houvast, grip te krijgen. Mijn aanvulling mag alleen werken, op een formele manier, brengt de vorm aan, brengt zekerheid, betrouwbaarheid en stabiliteit mee. Ik kom innerlijk in harmonie door zelfstandig te zijn in samenwerking;
    De tweede voorwaarde is dat er uiteindelijk uitzonderlijke samenwerking mogelijk is, dat de samenwerking spanningsvrij en gelijkwaardig is.
  8. Het referentiekader van mijn aanvulling moet uniek zijn. Ik kom tot een standpunt door gelijkwaardigheid. Ik kies mijn enkelvoudige doelen op een unieke, vernieuwende manier. Ik geniet als ik grenzen kan overschrijden. Als iets mij niet past, als ik mij onzeker of onmachtig voel, ontken ik gelijkwaardigheid;
    Uiteindelijk zoek ik of er een oplossing inzit, zodat ik los kan laten.
  9. De weg van mijn aanvulling is oplossen, is opofferend zijn. Ik ontwikkel grenzeloze doelen. Ik vorm ondoorgrondelijke idealen. Mijn idealen lossen op, verdwijnen. Mijn ideaal is opoffering. Ik ben naÔef op een offervaardige manier;
    De tweede voorwaarde is dat ik mijn doel op een praktische manier vaste vorm kan geven.
  10. Ik werk vol energie in de zaak van een ander. Ik wil maatschappelijk actief zijn. Ik heb praktische ideeŽn over de samenleving. Mijn behoefte aan zekerheid is praktisch en energiek. Ik heb een praktisch beroep, waar ik veel energie in kan stoppen;
    Mijn tweede voorwaarde is dat het een product op moet leveren.
  11. Ik beweeg me in mijn vriendenkring aanvankelijk op een afwachtende manier, maar trouwe vrienden laat ik niet meer los. Mijn aanvulling is in wezen trouw en volgzaam, afwachtend maar uiteindelijk productgericht, ik kan ervan op aan dat hij / zij tot het einde volhoudt. Mijn vrienden zijn trouw, ik ben trouw aan mijn vrienden;
    Per slot van rekening moet er wel communicatie uit voortkomen, mijn vrienden moeten kunnen relativeren.
  12. Ik kan omgaan met chaotische informatie. Ik kan op een relativerende manier loslaten. Ik laat relaties los. Ik loop weg met het werk van mijn aanvulling, het werk van mijn aanvulling is relativeren, communiceren. Ik beŽindig zaken als ik elders meer vind;
    Ik laat alleen los wanneer ik uiteindelijk emotioneel houvast vind; als ik emotioneel nieuw houvast gevonden heb laat ik het oude los.