ZIGZAGZINE 19: structuur #6, Inherente dynamiek: golfbeweging,
drijfveren en verbindingen van het proces

  ^  
 

De samenhang van processen

Als mens heb ik via mijn moeder en via mijn vader de menselijke eigenschappen meegekregen waarmee ik in deze tijd en ruimte mijn functie als deel van de mensheid uit moet oefenen.
Als bibliothecaris, als lid van een schildersclub, als lid van een groep zet ik (een deel van) mijn eigenschappen in, zolang ik erbij ben aangesloten, om het doel van die club, dat organisatie-, bedrijfs-, groeps- of maatschappelijk proces te helpen realiseren.
Elk overkoepelend proces, ook dat organisatie-, bedrijfs-, groeps- of maatschappelijk proces, biedt mij de mogelijkheid om mijn bekwaamheden te ontwikkelen en geeft zijn voorwaarden mee vanuit zijn eigen doel.

Een mens is, net als een dier, een plant of een theekopje, een proces. Een rivier en een berg, een vis en een school vissen, een vriend en een groep vrienden, een directeur en een bedrijf, een huis net zo goed als de stadswijk is een proces.
Ieder mens is een proces dat uit onderdelen is opgebouwd.
Een proces is een ruimtetijd-continuŁm met een begin en een einde.

Een proces is een geheel van subprocessen en zo is een mens behalve een proces met onderdelen ook een subproces binnen een groter geheel. Van meerdere grotere gehelen zelfs. Een mens is tegelijk een subproces van het mensdom als van een groep vrienden, van de mensen in een bedrijf, van de bewoners van een stadswijk en van vele andere processen. De grotere gehelen waar een mens deel van uitmaakt stellen hun eigen doelen en voorwaarden.
 

fig.1 Procesreeksen
 
Processen geven, via hun functies, aan hun ondergeschikte deelprocessen altijd een doel of voorwaarde mee. Daar horen een te gebruiken patroon en een eigen set functies bij, die samen de karakteristieke werkwijze voor de ontwikkeling van dat doel vormen.
Een systeem is een complex geheel van dingen; het gebruikt een proces met een begin, een einde en subprocessen om de door een groter moeder- of basissysteem gegeven opdracht uit te voeren. De term systeem wordt vooral in de fysica gebruikt en benadrukt het materiŽle aspect van de wereld, het ding zelf met zijn onderdelen. De term proces benadrukt de immateriŽle zijde, de werkzaamheid met de functies en hun onderlinge relaties. In de praktijk is het onderscheid soms niet te maken en kunnen de begrippen zonder probleem door elkaar heen worden gebruikt. Ik ga ervan uit dat alles proces is, dat alles wordend is, en geef er de voorkeur aan om vanuit de werkzaamheid te blijven denken. Ik zal slechts bij uitzondering de term systeem gebruiken.

Als onze hele wereld bestaat uit processen die aan hun ondergeschikte processen altijd een doel meegeven dan moeten wij vaststellen dat wij ons in een gedetermineerde situatie bevinden. [ noot ] De consequenties die dit heeft ten aanzien van de inhoud van begrippen als, bij voorbeeld, afhankelijkheid, aanpassing, opvoeding, leren, vrijheid, nut, gebruiken, oordelen, rechten, normen en kiezen zijn ingrijpend. De bespreking daarvan kan interessant worden. Ik kom daar later op terug.
 

  ^  
 

Uiterste grenzen: procesreeksen zonder begin of einde?

Als we nog even blijven stilstaan bij de relatie tussen processen, dan zien we dat er reeksen ontstaan met aan de beide uiteinden van het geheel een vreemde situatie. Immers, de reeks zoals die volgt uit de definitie dat een proces een geheel is met subprocessen kan geen begin en geen einde hebben. Dat blijft maar doorgaan. Maar dat strookt absoluut niet met de idee van een heelal, of van een universum dat, zoals de naam zegt, alles omvat. Eindeloosheid strookt ook niet met de idee van elementaire deeltjes. Die zouden, omdat ze elementair zijn, immers geen subprocessen meer gebruiken. Het universum zou geen gewoon proces of systeem kunnen zijn, een elementair deeltje evenmin. [ noot ]

Een eindeloze reeks van processen? Ik denk dat wij ons, in de eerste plaats, moeten realiseren dat moeilijk is vast te stellen of de limiet van de menselijke kenvermogens samenvalt met de werkelijkheid. Wij kunnen alleen maar constateren dat de menselijke kenvermogens een grens stellen aan onze dagelijkse werkelijkheid. Een voorbeeld: de meeste dieren hebben zintuigen die op de onze lijken. Toch zijn er soorten die meer of juist minder zien of horen dan wij. Zoals de dieren en planten in de diepzee, waar geen licht doordringt, waar de druk enorm hoog is en waar de temperatuur op sommige plaatsen enorm hoog kan zijn, aangepast zijn aan de omstandigheden die hun werkelijkheid uitmaken. Dat een bepaalde diersoort bepaalde kleuren niet waar kan nemen betekent nog niet dat die kleuren niet bestaan. De soort heeft ze gewoon niet nodig. Zo beperken onze kenvermogens onze wereld tot de ruimtetijd van 3+1 dimensies. De werkelijke wereld kan heel anders gedimensioneerd zijn. Misschien kan ons begripsvermogen zich uitbreiden door het onderzoeken van de grenzen van de werkelijkheid maar onze kenvermogens en ons voorstellingsvermogen dwingen ons tot bescheidenheid. Onze vermogens zullen zich niet zo snel aanpassen omdat kennis van die grenzen geen direct effect heeft op het zien, ruiken, voelen, enzovoort van onze dagelijkse omgeving.

Het komt er op neer dat, in deze zine althans, ik de natuurkundigen volg in de constatering dat deze limieten bestaan. Het hoe en wat van deze uitersten valt buiten het bestek van dit onderdeel van de behandeling van het proces. Ik constateer ook dat er een andere grens in ons dagelijks leven bestaat die zo belangrijk is dat we hem beslist beter moeten leren kennen.
 

  ^  
 

Op de grens van innerlijk en omgeving, van verleden en toekomst

Heeft U zich wel eens voorgesteld in welke vreemde situatie wij ons als mens bevinden? Enerzijds zijn er de wisselvalligheden in de processen om ons heen, in die wereld die ons jachtterrein is, die wij uitdagen om te leren wat we nodig hebben voor onze ontwikkeling. Anderzijds is er de zekerheid binnen het eigen proces met zijn unieke verwevenheden, contrasten en tegendelen dat, op alle niveaus, bezig is te worden wat alleen dit proces worden kan. Als mens bevinden wij ons op de grens tussen de macroscopische wereld om ons heen die tot de rand van het heelal of het universum reikt en onze eigen innerlijke wereld die tot de grens van de microscopische subprocessen reikt.
Onze situatie kan vanuit twee punten worden bezien. Enerzijds vormt zich op de grenslijn van deze twee werelden iemands individualiteit als men zich bewust is zowel van de vaak tegenstrijdige belangen als van de noodzakelijke onderlinge samenhang. Die mens bevindt zich op de scheidingslijn van zijn eigen subjectieve context en de voor hem objectieve omgevingscontext, op het punt waar hij de dualiteit verenigt tot een evenwichtig onverdeeld geheel. Anderzijds is het een grens in de tijd tussen het verleden met zijn eigen herinneringen en de eigen toekomst van de zelf gestuurde subprocessen en hun effecten. De mens bevindt zich hier midden in het heden, in een wereld van schijnbaar doodlopende wegen en aanvaardbare mogelijkheden. Vanuit dit perspectief bezien kan men de eigen groei als deel van het grote, zich ontwikkelende, geheel ervaren.
Het is een dynamisch middelpunt van verbindingen in ruimte en tijd die ons in staat stelt te zigzaggen en patronen te weven van schijnbaar nutteloze omwegen. Wat nuttig is voor de een hoeft dat voor de ander niet te zijn. Wat nu onnut lijkt te zijn kan later van het grootste nut blijken. Nut is, net als Goed en Kwaad, Ruimte en Tijd, Zwart en Wit, gewoon relatief. [ noot ]
 

fig.2 De Boom van de kennis van Goed en Kwaad
 
Ik vraag mij af hoe concreet die grens is. Waarschijnlijk is deze ruimtelijk even ongrijpbaar als het begrip 'heden' in de tijd dat ons steeds ontglipt. Het is - denk ik - geen grens tussen leven en dood, anders zou de grens alleen voor levende wezens bestaan. Een grens van wel of niet bewust zijn is dan net zo min het geval. Aangezien het een grens tussen de innerlijke ruimtetijd en de omgevings ruimtetijd is die alle processen betreft, ook rotsstructuren, instituties, theekopjes en denkprocessen, moet het een wordingsgrens zijn. Ook in psychologische zin is het een grens waar het uniek eigene, door aanpassingen naar aanleiding van ervaringen in de omgeving, 'verwikkeld' raakt en zich ontwikkelt. Een psychologie die op de hier beschreven uitgangspunten is gebaseerd zou procespsychologie kunnen worden genoemd.

Het lijkt mij waarschijnlijk dat een mens die bewust wil leven en die ziet in welke ingewikkelde en soms verwarrende situatie hij of zij zich bevindt, al over informatie over en een redelijke ervaring met processen in zijn omgeving beschikt. Die mens is bezig zichzelf niet alleen te ontwikkelen maar ook beter te leren kennen. Die mens heeft kennis nodig over zijn relatie met zijn omgeving en zal daarnaast inzicht in zijn eigen proces en de samenhang van zijn eigenschappen willen hebben.
Intussen is het een feit dat een mens zijn ervaringen in de omgeving kan gebruiken om inzicht te verwerven in de werking en de eigenschappen van het eigen innerlijk proces, van zichzelf. In ZZZine #21 zal ik een praktisch hulpmiddel voor introspectie aanreiken.

Om te begrijpen hoe het allemaal werkt moeten we vooral ook weten hoe het eigen proces in elkaar steekt en hoe de verschillende onderdelen bij voorkeur samenwerken. Daarom geef ik eerst een algemeen overzicht van de belangrijkste gegevens over het proces met zijn cyclische golfbeweging, zijn drijfveren en hun subprocessen, en zijn unieke interne verbindingen.
 

  ^  
 

Hoe kan een proces doen wat het te doen heeft? Een overzicht

Elk proces doet wat het moet doen omdat het een doel heeft. Elk proces is uniek. De Matterhorn is een andere berg dan de Kilimanjaro of de Everest. Een proces is uniek in die zin dat het een eigen doel en werkwijze heeft meegekregen uit een moederproces waaruit het daar en toen is ontstaan. Daaruit volgt dat een proces onmogelijk anders dan subjectief kan zijn in de realisering van zijn doel. Een proces handhaaft altijd de eigen integriteit ook al kunnen verkeerd begrepen leerprocessen het tegenovergestelde suggereren. Dank zij zijn capaciteit om het effect van subprocessen en de reacties vanuit de ervaringswereld in te schatten kan het proces de verwezenlijking van zijn doel plannen.
Inschatting vindt plaats in de tiende fase van ieder proces en met behulp van de consistentiefunctie. Singulariteit en de basis daarvan is in de structuurlijn al herhaaldelijk aan de orde geweest. Dit zal ook niet de laatste keer zijn.

Een proces kan zijn doel verwezenlijken omdat de unieke combinatie van middelen die het bij zijn zelfstandig worden heeft meegekregen voldoende is. Het doel ligt in zijn eigenschappen besloten. De eigenschappen en het doel van een proces zijn in ruimte en tijd beperkt. Ruimtelijk is het proces bepaald door evolutionaire factoren: het bestaat uit rubber of beton of los zand of vlees en bloed; het kan armen of takken of vleugels of vinnen ontwikkelen. In de tijd is het bepaald door omgevingsfactoren: de combinatie van onderdelen die beschikbaar is bij het beginnen als zelfstandig proces en in de tijd daarna.
Dingen zonder vleugels kunnen niet vliegen, een ding met armen kon zich al wel voorstellen hoe het zou kunnen zijn maar kan pas vliegen sinds de vliegmachine bestaat. Een ding met armen en handen kan alleen dan eten als er eten voorhanden is in de omgeving.
De representatie van het coŲrdinatensysteem dat de unieke combinatie van eigenschappen van processen, zoals bijvoorbeeld de trein van Einstein, mensen, ideeŽn en theekopjes, beschrijft is behandeld in ZZZine #9 en ZZZine #13.

Een proces kan doen wat het wil doen doordat het beschikt over inherente dynamiek, een geheugen en een omgeving. De contrasten tussen de fasen brengen een natuurlijke meervoudige golfbeweging teweeg die de stuwkracht fig.3 Dynamische golfbeweginglevert voor de voortgang van het proces. Het kan het geheugen gebruiken doordat het proces terug kan koppelen naar eerdere ervaringen: een proces verloopt cyclisch. Een proces heeft slechts ťťn punt van contact met zijn ervaringswereld. In contact treden met de omgeving houdt altijd het begin van een apart, op een meer specifiek doel gericht, proces in.
De inherente dynamiek van processen is behandeld in ZZZine #6 en in ZZZine #16. Over terugkoppeling en de cyclische aard van het proces is gesproken in ZZZine #6. Terugkoppeling vindt plaats in de tweede fase van ieder proces en met behulp van de referentiefunctie. Dit is herhaalde malen geÔllustreerd, ook in de patronenlijn. De cyclische aard van het proces zal bij de beschrijving van de verwerking van de resultaten van functies en subprocessen opnieuw aan de orde komen.

Een proces doet wat het wil doen omdat het een georganiseerd geheel is van onderdelen als fasen, patronen van vormen van actie, functies en subprocessen die op een unieke manier onderling verbonden zijn en die wisseling van perspectief mogelijk maken. Ieder proces beschikt over dezelfde onderdelen en functies als andere processen. In de praktijk passen een rots of een staat of een dier, door hun verschillende aard, de onderdelen van het proces verschillend toe. Informatie wordt wel altijd overgedragen, maar niet altijd door het uitspreken of typen van woorden. Bijen schijnen informatie over richting en plaats van honing met behulp van bewegingen over te brengen.
Fasen en patronen zijn herhaaldelijk en uitvoerig aan de orde geweest. In het vervolg van deze lijn en in de patronenlijn zal dat worden voortgezet.
Functies, de subprocessen, de verbindingen en de wisselingen van perspectief die het proces completeren en het tot een samenhangend, georganiseerd geheel maken worden in de volgende delen van de structuurlijn besproken. In de verhalenlijn, in ZZZine #17, is al een voorbeeld van de werking van enkele functies behandeld.

Na deze algemene karakteristieken van het proces zijn we nu toe aan een overzicht van de functies en enkele belangrijke subprocessen.
 

  ^  
 

Functies: waar subprocessen beginnen

Elk proces gebruikt zijn functies om subprocessen te starten. Functies zijn de drijfveren van een proces. Ieder proces is ontstaan doordat een eerder proces een functie heeft gebruikt en daarmee een subproces in gang heeft gezet. Zo werkt de evolutie, zo ontstaat een idee of theorie, zo draait de aarde om de zon, zo worden kinderen geboren.

De werkgebieden van functies zijn algemeen gedefinieerd, als potentiŽle eigenschappen zonder nuanceringen. Ieder proces gebruikt dezelfde functies. Om toch een uniek proces te kunnen zijn en tot het eigen doel te kunnen geraken moeten functies dus op een karakteristieke manier worden ontwikkeld. Een functie heeft, hoewel hij gespecialiseerd is en blijft in zijn werkgebied, een, voor dat proces of systeem, eigen karakter als volgt meegekregen:

  • De plaats van de beginfunctie (begin- en eindpunt van het proces) is gerelateerd aan de beginvoorwaarden van het proces die, op hun beurt, zijn gekoppeld aan een bepaalde plaats en tijd: een bepaald beginpatroon.
  • Binnen een bepaald proces heeft tegelijkertijd iedere andere functie een eigen karakter gekregen door zijn plaatsing in een bepaalde fase van het geheel: bijv. de referentiefunctie die in de communicatiefase staat.
  • Binnen een bepaald proces wordt het eigen karakter van een functie mede bepaald door zijn plaats in relatie met de andere functies: bijv. de uitwisselings- en de overdrachtsfunctie staan zo dicht tegen elkaar in de fase van het zoeken van een emotionele basis dat ze niet te onderscheiden zijn, of, een erg energieke relatie tussen de verwijderings- en de zelfbesturingsfunctie kan soms van de zelfbesturingsfunctie een dominante functie maken.

Een functie wordt - in de loop van het proces - geactiveerd en de functie initieert een subproces. fig.4 SubprocessenZo komt een mens tot een op een karakteristieke manier gestructureerd patroon van handelen, herinneren, denken, praten, voelen, beslissen, enzovoort.

Om meer te weten te komen over aard en type van functies en subprocessen gaan we even terug naar het proces. Binnen het proces vindt in de fasen de behandeling van de innerlijke drijfveren (in de eigen ruimtetijd) en de ervaringen uit de omgevingswereld (uit de omgevings ruimtetijd) plaats. In gewone taal betekent dat dat een mens innerlijk zigzagt tussen facetten uit de omgeving en van binnenin zichzelf. Vanuit, bijvoorbeeld, een gelegenheid zoeken om een plannetje uit te voeren, houd hij zich achtereenvolgens innerlijk bezig met

  1. zich openstellen voor een goede gelegenheid (initiŽren, de eerste vorm van actie van de drie fysieke aspecten van zichzelf in de omgeving),
  2. zich zijn opzet en ervaringen herinneren (tegenoverstellen, de tweede vorm van actie van de drie introspectieve tijd-aspecten van het consistent zijn),
  3. het vergelijken van gelegenheid en herinneringen (verenigen, de derde vorm van actie van de drie verstandelijke aspecten van zichzelf in een in de tijd veranderlijke omgeving),
  4. het maken van een ruimtelijke verbinding tussen zijn subjectieve reacties en al het voorgaande (initiŽren, de eerste vorm van actie van de drie emotionele aspecten van het consistent zijn)
    [NB. Elke activiteit en combinatie van activiteiten van een mens veroorzaakt continu een beweging in de innerlijke ruimte, een emotie, die geregistreerd en bewaard wordt en waar, later, aan gerefereerd kan worden],
    zo is het subject voorbereid en kan
  5. zich in de omgeving kenbaar maken (tegenoverstellen, de tweede vorm van actie van de drie fysieke aspecten van zichzelf in de omgeving),
  6. enzovoort.

De ordening van de fasen in vier groepen is een meervoudige combinatie van twee maal twee groepen die op drie manieren worden gebruikt. De ordening is gebaseerd op de uitgangspunten van het proces zoals die in deel 2 van de structuurlijn, ZZZine #6, sumier zijn geformuleerd en in volgende delen in beschrijvingen van het proces worden uitgewerkt.
Per groep volgen nu enkele voorbeelden van de grotere subprocessen en de functies of drijfveren waarover ieder mens beschikt:

  1. fysieke subprocessen, zoals een zenuwstelsel, een immuunsysteem, een bloedvatenstelsel, botten en spieren, een energiesysteem en de begin-, de activerings-, de besturings- en de groeifuncties;
  2. introspectieve subprocessen, zoals het reguleringssysteem voor de eigen ruimtetijd, het aan de eigen waarden refererend systeem, het waarheidssysteem en de consistentie-, de referentie-, en de analyseringsfuncties;
  3. intellectuele subprocessen, zoals het kennisverwervingssysteem (w.o. talen, klokken en culturen), het uitwisselingssysteem (w.o. smaak en mode), het socialiseringssysteem en de uitwisselings-, de vernieuwings- en de overdrachtsfuncties;
  4. emotionele subprocessen, zoals het innerlijk bewegingssysteem dat subjectieve reakties materialiseert, het selectiesysteem, het geheugen en de emotionele basisfunctie, de verwijderings- en de integratiefuncties.
     
  ^  
 

De werking van functies tussen proces en subproces

De combinatie, dat is de plaats en de onderlinge relatie, van de functies binnen een proces bepalen de eigenschappen, het karakteristiek eigene van een proces en zijn subprocessen.

  • Als gevolg van zijn plaatsing binnen een bepaald proces volgt een specifieke functie altijd eenzelfde patroon;
  • Als gevolg van hun plaatsing staan de functies op de cirkel van het proces op onregelmatige afstanden die niet veranderen. Sommige van de vele mogelijke afstanden of hoeken zijn relaties die een betekenis dragen. Als zij heel dicht bij elkaar staan kunnen zij als een eenheid optreden, functies kunnen elkaars werking bevorderen of tegenwerken door hun positie ten opzichte van elkaar, een functie kan geÔsoleerd staan of juist met meerdere andere functies in een significante relatie staan;
  • Als gevolg van de plaatsing van functies kunnen er fasen zijn waarin zich geen enkele drijfveer bevindt, of juist meerdere bij elkaar;
  • Als gevolg van hun plaatsing op de cirkel kunnen twee functies soms als het ware elkaars spiegelbeeld vormen en het effect hebben als zijn ze verwisselbaar;
  • Als gevolg van de plaatsing van functies op onregelmatige afstanden op de cirkel van het proces vinden verschuivingen van perspectief plaats die meestal de normale voortgang door de fasen doorbreken.

De beginfunctie valt altijd samen met het beginpunt van een proces. De beginfunctie is actief geweest op het allereerste moment waarop het proces ontstond, zoals bijv. de geboorte van een kind. De drijfveer om te beginnen is weer actief, telkens als het proces opnieuw in contact treedt met zijn omgevingswereld, zoals steeds bij het beginnen aan een nieuwe dag of bij het beginnen aan iets nieuws.
Alle andere functies waarover een proces beschikt spelen hun eigen rol in de ontwikkeling van de beginfunctie. Omgekeerd speelt de beginfunctie ook zijn specifieke rol in de ontwikkeling van elk van de overige functies. Dit is een belangrijk punt dat nadere uitleg vereist.
 

De functies staan verspreid over het proces. Elke functie heeft een bepaalde plaats in het basisproces van een mens of een ding. De functies staan, op verschillende manieren, in verbinding met de onderdelen van het basisproces: zijn fasen en zijn andere functies. Dit betekent dat, zodra bijv. functie A wordt geactiveerd, het subproces volgens het eigen patroon van die functie zal verlopen, dat alle andere functies ten opzichte van functie A in een andere fase terecht zijn gekomen waar zij dus ander werk verrichten maar dat wel nog steeds op hun eigen manier doen. Functie B heeft in de ontwikkeling van functie A en in al diens subprocessen een andere plaats dan in de ontwikkeling en de subprocessen van functie C. Dit geldt ook voor de overige functies.
fig.5 Draaiing van functies
Een overzicht van de 5 voorbeelden.
Het resultaat van het proces van bijv. functie A komt op het einde altijd terug naar de functie zelf en daarmee naar de fase in het basisproces waar functie A zich in bevindt. Stel, bijvoorbeeld, dat iemand iets wil zeggen. De overdrachtsfunctie wordt geactiveerd en begint een subproces. Als de persoon klaar is met praten komt het proces terug naar de opdrachtgevende functie, en daarmee naar de fase in het basisproces dat de overdrachtsfunctie inschakelde. Dat basisproces kan dan verder gaan met zijn volgende fase.
 
  ^  
 

Subprocessen en ruimtetijd

Een functie of eigenschap ontwikkelt zich in de loop van de tijd. 'Ontwikkelt zich' betekent dat het zelf een wordingsproces is. Het is een subproces van het basisproces waarbinnen het functioneert. Een proces verloopt altijd cyclisch; het kan zich ontwikkelen omdat het leert van zijn ervaring uit het verleden. Dit is mogelijk onder meer dank zij zijn geheugen, de vermogens om terug te koppelen en om consistent te zijn.
Een subproces gaat zijn gang en levert in zijn laatste fase het resultaat in bij de functie die het in gang zette. Een subproces is, vanuit het proces gezien, in het algemeen een doorgang naar een volgend onderdeel. Het is een doorgaand of transiterend proces. Die doorgang of ontwikkeling vindt plaats of in de relatie met de omgevings ruimte en tijd of in de innerlijke ruimte en tijd. In beide gevallen wordt het resultaat in de innerlijke ruimte en tijd van het proces verwerkt.
Alleen subprocessen die als gebeurtenissen in de omgevings ruimte en tijd zijn te beschouwen zijn registreerbaar, daarvan kunnen we zeggen dat ze hier en toen plaatsvonden (de fysieke en intellectuele subprocessen). Bij innerlijke subprocessen is dat juist niet het geval omdat ze zich per definitie in het onbewuste afspelen (de introspectieve en emotionele subprocessen). Wij worden ze ons wel op een zekere plaats en tijd als gebeurtenissen in de omgevings ruimtetijd bewust.

Soms wordt een subproces een zelfstandig proces. Dat is het geval als het subproces, zoals wij dat gewoonlijk zeggen, een eigen leven gaat leiden, als het zich als zelfstandige eenheid manifesteert. In feite meldt het zich aan bij een ander proces om daar deel van te gaan uitmaken. Het meest bekende voorbeeld is een baby die zich, op het moment van de geboorte, als zelfstandig wezen aan de mensheid presenteert. Bij de aanvangstoestand op die plaats en tijd hoort een coŲrdinatenstelsel met unieke eigenschappen waarover het als proces zelfstandig kan beschikken. Ondanks zijn zelfstandigheid blijft het wel, als subproces, deel uitmaken van de ontwikkeling van zijn moeder en van zijn vader. Het onderscheid is, in feite, relatief. Het hangt af van het standpunt van waaruit het wordt bekeken.
Bezien als zelfstandig proces heeft het een eigen in- en uitgang voor contact met zijn eigen ervaringswereld. Bezien als transiterend proces heeft het een afgeleid begin- en eindpunt en doel; het gebruikt de in- en uitgang van het hoofdproces voor contact met de ervaringswereld van dat proces. De publicatie van een nieuwe theorie is een manifestatie van zelfstandigheid. Discuteren over een nieuwe theorie is de activiteit van een functie in een meeromvattend proces.
 

Hiermee is het algemene overzicht van de onderdelen van het proces voltooid. Het lijkt mij het duidelijkst om volgende keer te beginnen met de structuur van het menselijk proces met de onderlinge verbindingen tussen de onderdelen die het proces een eigen karakter verlenen, zijn functies en subprocessen. Vanuit de beelden die dat oplevert zal het waarschijnlijk mogelijk zijn om parallellen te trekken naar de verbinding van het proces met zijn omgevingswereld. Een gecompliceerde materie waarin ik zal proberen de orde die er is te ontdekken.