Download
Tekst : DOC-versie
PDF-versie
|
1 Onderwerp (qui)
[N2,5] |
4 Met voorzetsel 'de'
[N3,5] |
|
2 Lijdend voorwerp (que
/ qu’) [N2,5] |
5 Zonder
antecedent [N4] |
|
3 Na voorzetsel (algemeen)
[N3] |
|
[N2]
|
qui |
Het
betrekkelijk voornaamwoord (die, dat) is altijd qui
wanneer het onderwerp is
van het erop volgende werkwoord.
|
L’élève qui
parle. |
De
leerling die spreekt. |
|
Le
club qui
a gagné. |
De club die
gewonnen heeft. |
|
L’homme qui
nous regarde. |
De man
die naar ons kijkt (letterlijk : die ons bekijkt). |
[N5]
Opmerking
1. In de
spreektaal gebruikt men nog
wel eens que
(qu’)
in plaats van qui.
|
un homme
qu’a
toujours fait du foot - een man die altijd heeft gevoetbald
|
|
2. In
de schrijftaal gebruikt men in plaats van 'qui'
ook wel 'lequel,
laquelle, lesquels’
en 'lesquelles'
[N2]
|
que
/ qu’ |
Het betrekkelijk voornaamwoord is altijd que
(of qu’ voor klinker of stomme h) , wanneer
het lijdend
voorwerp is van het erop volgende
werkwoord.
|
La
maison que
vous voyez.. |
Het huis dat u
ziet. |
|
L’homme qu'
il regarde. |
De man naar wie
hij kijkt (letterlijk : die hij bekijkt). |
[N5]
Opmerking
In het Nederlands kunnen wij bij een betrekkelijk voornaamwoord niet
horen dat
het
lijdend voorwerp is. Dat kan tot
misverstanden leiden bij
een letterlijke vertaling.
Voorbeeld
‘L’escalier qu’éclaire une lampe’
betekent letterlijk ‘De trap die een lamp verlicht.’
In het Frans is te zien dat qu'
lijdend voorwerp is en dat une lampe
dus onderwerp moet zijn.
Daarom kan men de bijzin hier beter in de lijdende vorm
zetten:
De trap die
door een lamp verlicht wordt.
[N3]
|
A.
Voorzetsel + qui (bij personen) |
|
B.
Voorzetsel + lequel (laquelle, lesquels, lesquelles) (bij
zaken) |
Na
voorzetsels gebruikt men qui
als het over personen gaat
en lequel,
laquelle, lesquels,
lesquelles als het over zaken
gaat.
Let
hierbij op het volgende :
à + lequel
wordt auquel
à +
lesquels wordt auxquels
à +
lesquelles wordt auxquelles
A.
Bij personen
|
l’ami
avec
qui il joue |
de vriend met wie
hij speelt |
|
l’amie
à qui
il pense |
de vriendin aan wie
hij denkt |
|
la
personne pour
qui je suis venu |
de persoon voor wie
ik gekomen ben |
B. Bij zaken
|
le
train dans
lequel il voyage |
de trein waarin
hij reist |
|
le
club auquel
je pense |
de club waaraan
ik denk |
|
les
choses auxquelles
je pense |
de dingen waaraan
ik denk |
Opmerkingen
1. De Nederlandse woorden waaraan,
waarop, waarvoor enz. worden in het Frans
eigenlijk
vertaald met aan dewelke, op
dewelke, voor dewelke.
2. Om een plaats aan te duiden, gebruikt de Fransman liever où
in plaats van
dans
lequel, auquel, sur lequel enz.
|
Arnhem
est la ville où
(= dans laquelle) je suis né. |
Arnhem is de stad waar(in)
ik geboren ben. |
|
la
ville où
(= à laquelle) nous allons |
de stad waar
wij heen
gaan |
|
la
table où
(= sur laquelle) il a mis le livre |
de tafel waarop
hij het boek gelegd heeft |
3. Vergelijk
|
le jour où |
de dag waarop |
|
un jour que |
op een dag dat |
[N3]
|
dont |
Het voorzetsel de + betrekkelijk
voornaamwoord wordt meestal vervangen door dont
(van wie, wiens, waarvan, waarover,
enz).
Dit geldt zowel voor personen als voor zaken.
|
La
fille de cet homme est malade. |
De dochter van die
man is ziek. |
|
L’homme
dont
la fille est malade. |
De man van wie
de dochter (wiens dochter) ziek is. |
|
Je
parle de ces élèves. |
Ik praat over die
leerlingen. |
|
Les
élèves dont
je parle. |
De leerlingen over wie
ik praat. |
|
Je
connais l’auteur de ce livre. |
Ik ken de
schrijver van dat boek. |
|
Le
livre dont
je connais l’auteur. |
Het boek waarvan
ik de schrijver ken. |
Opmerkingen
1. Ga altijd uit van het Franse voorzetsel en niet van het
Nederlandse.
|
Je
doute de ses paroles. |
Ik twijfel aan
zijn woorden. |
|
Les
paroles dont
je doute. |
De woorden waaraan
ik twijfel. |
|
J’ai
besoin de ce livre. |
Ik heb dat boek
nodig (ik heb behoefte aan dat boek). |
|
Le
livre dont
j’ai besoin. |
Het boek dat
ik nodig heb (waaraan ik behoefte heb). |
[N5]
2. In plaats van 'dont'
komt men in de schrijftaal ook wel de volgende vormen tegen:
duquel, de laquelle, desquels en desquelles.
[N4]
|
a. ce
qui (onderwerp) |
(dat) wat |
|
b.
ce que (lijd.voorwerp) |
(dat) wat |
|
c.
voorzetsel + quoi |
waaraan,
waarvoor enz. |
|
d.
ce dont |
waarvan, waarover |
a. ce qui,
als
onderwerp van de bijzin.
Vertaling : wat,
in de betekenis van dat
wat of hetgeen.
|
Ce
qui
est beau, n’est pas toujours utile. |
Wat mooi is, is niet
alijd nuttig. |
Soms slaat ‘ce qui’ terug op een hele
zin.
|
Il
est parti, ce
qui m’étonne. |
Hij is vertrokken,
wat
mij verbaast. |
b. ce
que, als
lijdend voorwerp van de bijzin
Vertaling : wat,
in de betekenis van dat
wat of hetgeen.
|
Ce
que
vous dites n’est pas vrai. |
Wat u zegt, is niet
waar. |
Ook ‘ce que’ slaat soms terug op een
hele zin.
|
Il
est parti, ce
que j’avais déjà prévu. |
Hij is vertrokken,
wat
ik al voorzien had. |
c. quoi
na een voorzetsel
(in het Nederlands waar + voorzetsel)
|
Je
sais à
quoi tu penses. |
Ik weet waaraan
je denkt. |
d. ce
dont / de quoi
: in het Nederlands waarvan
of waarover
|
Je
sais de
quoi vous voulez parler. |
Ik weet waarover
u wilt spreken. |
|
Le
livre auquel
je pense. |
Het boek waaraan
ik denk. |
|
Je
sais à
quoi il pense. |
Ik weet waaraan
hij denkt. |
|
Le
livre dont
il parle. |
Het boek waarover
hij spreekt. |
|
Je
sais de
quoi il parle. |
Ik weet waarover
hij spreekt. |
Opmerking
Vergelijkbaar met ce qui
en ce que
(= wat) is
het gebruik van celui,
celle, ceux
en celles
gevolgd door qui
of que.
|
Celui
qui
a dit cela, est un menteur. |
Wie (degene die) dat
gezegd heeft is een leugenaar. |
|
Celui
que
tu regardes est mon ami. |
Degene naar wie jij kijkt is mijn
vriend. |