LIDWOORDEN (Articles)  ► Home

          Download Tekst : DOC-versie   PDF-versie

ONBEPAALD LIDWOORD
[N1-5]

BEPAALD LIDWOORD
[N1-3,5]

DELEND LIDWOORD
[N2-4]

 


A. ONBEPAALD LIDWOORD(Article indéfini)  

[N1]

1 : Vormen 

  1. un (voor mannelijk woord) 

 un livre

 un enfant

 un hôtel

  2. une (voor een vrouwelijk woord

 une table

 une orange

 une heure 

 

[N2]   

2 : Ontkenning               

             1. Na een ontkenning verandert un(e) in de of d’.               
                  In het Nederlands vertalen we dat met geen.

Il a un livre

Il n’a pas de livre.

Hij heeft geen boek.

Elle a une orange.

Elle n’a pas d’orange.

Zij heeft geen sinaasappel

 

[N3]
            2. Na een vorm van être verandert un(e) niet bij een ontkenning.

Ce n’est pas une pomme, mais une poire.

3 : Geen onbepaald lidwoord in het Frans, wel in het Nederlands

            1. Voor een zelfstandig naamwoord dat (met être of devenir)
                  als naamwoordelijk deel van het gezegde wordt gebruikt,
                  en dat een nationaliteit of een beroep aangeeft.

Son oncle est Anglais.

Zijn oom is een Engelsman.

Ma soeur est journaliste.

Mijn zuster is (een) journaliste.


                   
Als er nog een bijvoeglijk naamwoord  bij staat, komt er wel een lidwoord.

Son oncle est un Anglais célèbre.

Zijn oom is een beroemde Engelsman

Ma soeur est une bonne journaliste.

Mijn zuster is een goede journaliste.


                   Ook na ce + être volgt wel een lidwoord

C’est un Anglais.

Het is een Engelsman.

 

[N4]     2. In een aantal uitdrukkingen

rendre service à

een dienst bewijzen aan

rendre visite à

een bezoek brengen aan

mettre fin à

een eind maken aan

faire signe à

een teken geven aan        

 

[N5]
           3. In bijstellingen

J’ai visité Grasse, ville pittoresque

Ik heb Grasse bezocht, een schilderachtige stad


           4. Na jamais in de betekenis van ‘aucun’ (geen enkel) gebruikt bij een zelfst. naamwoord.

Jamais roi ne fut plus malheureux

Nooit was een koning ongelukkiger
  (Geen enkele koning …)

 


B. BEPAALD LIDWOORD (Article défini) : de / het   

[N1]

1 : Vormen

    Enkelvoud 

 

 

 

 

1.  le (voor man. woord)

le garçon

de jongen

le livre

het boek

2.  la (voor vr. woord)

la table

de tafel

la maison

het huis

3.  l’ (voor klinker of h)

l’eau

het water

l’hôtel

het hotel

     Meervoud

 

 

 

 

4. les

les garçons

de jongens

 

 

2. Samentrekkingen

à + le wordt au

de + le wordt du

à + les wordt aux

de + les wordt des

 

[N5]
             Een oude samengetrokken vorm is ès (en + les) die men nog af en toe                 
                aantreft,  bijvoorbeeld in :

docteur ès lettres

doctor in de letteren

 

[N1]

 3. Bijzonderheden    

          1. In een woordenboek staat achter een zelfstandig naamwoord altijd m of  f.                          
                    m = masculin (mannelijk)  ;   f = féminin = vrouwelijk          

          2. Woorden die beginnen met een klinker of h kun je het beste leren met
                    un of une. Dan leer je meteen welk geslacht het woord heeft.
 

[N2]     

4. Geen bepaald lidwoord in het Nederlands, wel in het Frans           

         1. Na werkwoorden van liefhebben en haten is dat het geval :                              
                       aimer, adorer, détester, préférer.

Pierre aime les chiens

Piet houdt van honden.


         2. Bij data

le 14 juillet    

14 juli, de 14e juli, op 14 juli


         3. Voor landennamen, behalve na ‘en’ en in opschriften / bij adressen.

          la  France   

Frankrijk 

Maar : en France = in Frankrijk

Op een envelop : France


         4. Bij namen van dagen in de betekenis van ‘elke’  

le lundi = ’s maandags ( = elke maandag)

Maar : lundi = maandag


         5. In bepaalde uitdrukkingen

la semaine passée

vorige week

l’année passée

vorig jaar

la semaine prochaine

volgende week

l’année prochaine

volgend jaar

 

 [N3]  

avoir le temps (l’occasion) de

tijd (gelegenheid) hebben om

faire la connaissance de

kennis maken met

Au feu!

Brand!

Au secours!

Help

C’est l’été

Het is zomer

C’est la fête.

Het is feest

      
         6. Als een woord in algemene zin wordt gebruikt.  

Les anniversaires sont amusants

Verjaardagen zijn leuk


         7.  Bij een titel / beroep + eigennaam  

le roi Louis XIV

koning Lodewijk XIV

le docteur Lebrun

dokter Lebrun


         8. Bij beschrijvingen van het uiterlijk (vorm van avoir + zelfst.naamw. + bijv. naamw.)
                   komt er een bepaald lidwoord voor het  zelfstandig naamwoord.  

Il a les cheveux bruns.

Hij heeft bruin haar.

Elle a les yeux bleus

Zij heeft blauwe ogen.


         9. Bij talen, behalve na ‘en’ en bij parler (spreken als moedertaal)  

J’apprends le français.

Ik leer Frans

Il écrit en français.

Hij schrijft in het Frans.

Il parle français

Hij spreekt Frans (moedertaal)

Il parle le français.

Hij spreekt Frans (hij beheerst de Franse taal)

 

[N5]
      10. In populaire spreektaal voor een zelfst.naamwoord dat als
                     ‘aangesproken persoon’ wordt gebruikt.  

   Eh! l’ami, un petit mot.    

Hé vriend, hoor eens.

 


[N2]

C. DELEND LIDWOORD (Article partitif) 
        geen lidwoord in het Nederlands 

 1. Vormen    

    Enkelvoud 

 

 

1.  du (voor mannelijk woord)

du vin

(wat) wijn

2.  de la (voor vrouwelijk woord)

de la viande

(wat) vlees

3.  de l’ (voor klinker of h)

de l’eau

(wat) water

     Meervoud

 

 

4.  des

des tomates

(wat) tomaten

2. Gebruik               

       In veel gevallen waar je in het Nederlands geen lidwoord aantreft, komt er in het Frans  
         wel een lidwoord.  We noemen dit het delend lidwoord (article partitif).
       Het geeft een onbepaalde hoeveelheid aan.  We kunnen het eventueel vertalen met «wat».  

Il y a encore du vin?

Is er nog (wat) wijn?


       Bij gesproken teksten is het delend lidwoord nodig om te laten horen dat een woord
         meervoud is.      
       De woorden pain en pains hebben dezelfde uitspraak, maar als je du pain         
         hoort, weet je dat het brood betekent, terwijl des pains broden zijn.        

3. Delend lidwoord vervangen door «de» of «d’»

       1. Na een ontkenning : ne..pas, ne..plus enz.
 

Je mange du pain.

Je ne mange pas de pain.

Ik eet geen brood.

J’achète de la viande.

Je n’achète pas de viande.

Ik koop geen vlees.

Il donne de l’argent.

Il ne donne pas d’argent.

Hij geeft geen geld.

Je veux des tomates.

Je ne veux pas de tomates.

Ik wil geen tomaten.

 
       2. Na bijwoorden of zelfstandige naamwoorden van hoeveelheid
                    bijwoorden : beaucoup, peu, assez, plus, moins, combien, trop enz.

beaucoup de pain

veel brood

peu de viande

weinig vlees

        
                   zelfst.naamwoorden : un kilo, un litre, une bouteille, un verre enz.           

un kilo de tomates

een kilo tomaten

un litre d’eau

een liter water

 

[N3]
        3. Als tussen twee zelfstandige naamwoorden geen lidwoord staat of als er
                   een plaatsnaam achter het zelfst.naamwoord staat , komt er de of d’ tussen.

een pakje sigaretten

un paquet de cigarettes

de stad Amsterdam

la ville d’Amsterdam


             Geen <de> na de volgende hoeveelheidswoorden :                                  
              plusieurs = verscheidene   ;  quelques = enige  

plusieurs garçons

verscheidene jongens

quelques jours

enige dagen

             

 [N4]
   
        4. Als in het meervoud een bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig                     
                   naamwoord staat.     

           Il a de bons amis

Hij heeft goede vrienden

Maar : J’ai de la bonne viande.

Ik heb goed vlees.

         

[N2]     

4. Uitdrukkingen zonder ‘delend lidwoord’ of ‘de’      

avoir faim

honger hebben

avoir  soif

dorst hebben

avoir peur

bang zijn

avoir besoin de

nodig hebben

avoir raison

gelijk hebben

avoir mal à

pijn hebben aan

avoir tort

ongelijk hebben

 

 


                

[N4]  

avoir honte de

zich schamen over

avoir sommeil

slaap hebben

avoir envie de

zin hebben om

avoir l’air

schijnen 

                       

[N2]              

Bijzonderheden    

a. Men gebruikt het bepaald lidwoord in plaats van het delend lidwoord
       na werkwoorden zoals :  aimer, détester, adorer, préférer :    

  J’aime les oranges.

Ik houd van sinaasappels.

 

[N4]

b. Het delend lidwoord vervalt na :  de, sans, en, ni… ni, (soms) avec

couvert de neige

bedekt met sneeuw

sans fautes

zonder fouten

une montre en or

een horloge van goud  (een gouden -)

il n’a ni barbe ni moustache

hij heeft noch baard noch snor  (geen baard en ook geen snor)


     Na avec vervalt het delend lidwoord alleen als avec + zelfst.naamw een                        
                bijwoordelijke bepaling vormt.   

avec courage (= courageusement)     

moedig

               
c. Na een hoeveelheidswoord toch een delend lidwoord :  

la plupart des gens

de meeste mensen (het merendeel van de mensen)

bien des gens

heel wat mensen


d. Als een woord in algemene zin gebruikt wordt, gebruikt men een bepaald lidwoord.

La neige est blanche.

    Sneeuw is wit.


e. Als niet het bestaan, maar de aard van iets ontkend wordt, blijft het  
      delend lidwoord  gehandhaafd.  

Ce n’est pas du vin, mais de la bière.

Dat is geen wijn, maar bier.

   
f. Als de combinatie bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord een
       eenheid is  geworden, blijft het delend lidwoord gehandhaafd.

des jeunes gens   

jongelui

des petits pois

doperwten