Download Tekst : DOC-versie
PDF-versie
|
ONBEPAALD LIDWOORD |
BEPAALD LIDWOORD |
DELEND LIDWOORD |
[N1]
|
1.
un (voor mannelijk woord) |
un
livre |
un
enfant |
un
hôtel |
|
2.
une (voor een vrouwelijk woord |
une
table |
une
orange |
une
heure |
[N2]
1. Na een ontkenning verandert un(e) in de of d’.
In het
Nederlands vertalen we dat met geen.
|
Il a un
livre |
Il n’a pas de livre. |
Hij
heeft geen boek.
|
|
Elle a une
orange. |
Elle
n’a pas d’orange. |
Zij
heeft geen sinaasappel |
[N3]
2. Na een vorm van être
verandert un(e) niet bij een ontkenning.
|
Ce n’est pas une pomme, mais une poire. |
1. Voor een zelfstandig naamwoord dat (met être of devenir)
als
naamwoordelijk deel van het gezegde wordt gebruikt,
en dat een
nationaliteit of een beroep aangeeft.
|
Son oncle
est Anglais. |
Zijn
oom is een Engelsman. |
|
Ma soeur
est journaliste. |
Mijn
zuster is (een) journaliste. |
Als er nog een bijvoeglijk
naamwoord bij staat, komt er wel een lidwoord.
|
Son oncle est un Anglais célèbre. |
Zijn
oom is een beroemde Engelsman |
|
Ma soeur est une bonne journaliste. |
Mijn
zuster is een goede journaliste. |
Ook na ce + être volgt wel een lidwoord
|
C’est
un Anglais. |
Het is
een Engelsman.
|
[N4] 2. In een
aantal uitdrukkingen
|
rendre
service à |
een
dienst bewijzen aan |
|
rendre
visite à |
een
bezoek brengen aan |
|
mettre fin
à |
een
eind maken aan
|
|
faire signe
à |
een
teken geven aan |
[N5]
3. In bijstellingen
|
J’ai visité Grasse, ville pittoresque |
Ik heb
Grasse bezocht, een schilderachtige stad |
4. Na jamais in de betekenis
van ‘aucun’ (geen enkel) gebruikt bij een zelfst. naamwoord.
|
Jamais roi ne fut plus malheureux |
Nooit
was een koning ongelukkiger |
[N1]
|
Enkelvoud |
|
|
|
|
|
1. le
(voor man. woord) |
le garçon |
de
jongen |
le livre |
het
boek |
|
2. la
(voor vr. woord) |
la table |
de
tafel |
la maison |
het
huis |
|
3.
l’ (voor klinker of h) |
l’eau
|
het
water |
l’hôtel
|
het
hotel |
|
Meervoud |
|
|
|
|
|
4. les |
les garçons |
de
jongens |
|
|
|
à + le
wordt au |
de + le
wordt du |
|
à + les
wordt aux |
de + les
wordt des |
[N5]
Een oude samengetrokken vorm is
ès (en + les) die men nog af en toe
aantreft,
bijvoorbeeld in :
|
docteur ès
lettres |
doctor in
de letteren |
[N1]
1. In een
woordenboek staat achter een zelfstandig naamwoord altijd m of f.
m = masculin (mannelijk) ; f =
féminin = vrouwelijk
2. Woorden die beginnen met
een klinker of h kun je het beste leren met
un of une. Dan leer je meteen welk geslacht het
woord heeft.
[N2]
1. Na
werkwoorden van liefhebben en haten is dat het geval :
aimer, adorer, détester, préférer.
|
Pierre aime
les chiens |
Piet
houdt van honden. |
2. Bij data
|
le 14 juillet
|
14 juli, de 14e juli, op 14 juli |
3. Voor landennamen,
behalve na ‘en’ en in opschriften / bij adressen.
|
la France |
Frankrijk
|
|
Maar : en
France = in Frankrijk |
Op een
envelop : France |
4. Bij namen van dagen in de
betekenis van ‘elke’
|
le lundi = ’s maandags ( = elke maandag) |
Maar :
lundi = maandag |
5. In bepaalde uitdrukkingen
|
la semaine
passée |
vorige
week |
|
l’année
passée |
vorig
jaar |
|
la semaine
prochaine |
volgende
week |
|
l’année
prochaine |
volgend
jaar |
[N3]
|
avoir le temps (l’occasion) de |
tijd
(gelegenheid) hebben om |
|
faire la
connaissance de |
kennis
maken met |
|
Au feu! |
Brand! |
|
Au secours!
|
Help |
|
C’est
l’été |
Het is
zomer |
|
C’est
la fête. |
Het is
feest |
6. Als een woord in algemene zin
wordt gebruikt.
|
Les
anniversaires sont amusants |
Verjaardagen
zijn leuk |
7. Bij een titel / beroep +
eigennaam
|
le roi
Louis XIV |
koning
Lodewijk XIV |
|
le docteur
Lebrun |
dokter
Lebrun |
8. Bij beschrijvingen van het
uiterlijk (vorm van avoir +
zelfst.naamw. + bijv. naamw.)
komt er
een bepaald lidwoord voor het zelfstandig naamwoord.
|
Il a les cheveux bruns. |
Hij
heeft bruin haar. |
|
Elle a les yeux bleus |
Zij
heeft blauwe ogen. |
9. Bij talen, behalve na
‘en’ en bij parler (spreken als moedertaal)
|
J’apprends
le français. |
Ik leer
Frans |
|
Il écrit en
français. |
Hij
schrijft in het Frans. |
|
Il parle
français |
Hij
spreekt Frans (moedertaal) |
|
Il parle le
français. |
Hij
spreekt Frans (hij beheerst de Franse taal) |
[N5]
10. In populaire spreektaal voor een zelfst.naamwoord
dat als
‘aangesproken persoon’ wordt gebruikt.
|
Eh! l’ami, un petit mot. |
Hé
vriend, hoor eens. |
[N2]
|
Enkelvoud |
|
|
|
1. du
(voor mannelijk woord) |
du vin |
(wat)
wijn |
|
2. de
la (voor vrouwelijk woord) |
de la
viande |
(wat)
vlees |
|
3. de
l’ (voor klinker of h) |
de
l’eau |
(wat)
water |
|
Meervoud |
|
|
|
4.
des |
des tomates |
(wat)
tomaten |
In veel
gevallen waar je in het Nederlands geen lidwoord aantreft, komt er in het Frans
wel een lidwoord. We noemen dit het
delend lidwoord (article partitif).
Het geeft een onbepaalde hoeveelheid aan. We
kunnen het eventueel vertalen met «wat».
|
Il y a encore du vin? |
Is er
nog (wat) wijn?
|
Bij gesproken teksten is het delend lidwoord
nodig om te laten horen dat een woord
meervoud is.
De woorden pain en pains hebben dezelfde uitspraak,
maar als je du pain
hoort, weet je dat het brood betekent, terwijl des pains broden zijn.
1. Na een ontkenning : ne..pas,
ne..plus enz.
|
Je mange du
pain. |
Je ne mange pas de pain. |
Ik eet
geen brood. |
|
J’achète
de la viande. |
Je n’achète pas de viande. |
Ik koop
geen vlees. |
|
Il donne de
l’argent. |
Il ne donne pas d’argent. |
Hij
geeft geen geld.
|
|
Je veux des
tomates. |
Je ne veux pas de tomates. |
Ik wil
geen tomaten. |
2. Na bijwoorden of zelfstandige
naamwoorden van hoeveelheid
bijwoorden
: beaucoup, peu, assez, plus, moins, combien, trop enz.
|
beaucoup de
pain |
veel
brood |
peu de
viande |
weinig
vlees |
zelfst.naamwoorden : un kilo, un litre, une bouteille, un verre
enz.
|
un kilo de
tomates |
een
kilo tomaten |
un litre
d’eau |
een
liter water |
[N3]
3. Als tussen twee zelfstandige naamwoorden
geen lidwoord staat of als er
een plaatsnaam achter het zelfst.naamwoord staat , komt er de of d’
tussen.
|
een
pakje sigaretten
|
un paquet
de cigarettes |
|
de stad
Amsterdam |
la ville
d’Amsterdam |
Geen <de> na de volgende hoeveelheidswoorden
:
plusieurs = verscheidene
; quelques = enige
|
plusieurs
garçons |
verscheidene
jongens |
quelques
jours |
enige
dagen |
[N4]
4. Als in het meervoud
een bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig
naamwoord
staat.
|
Il a de bons amis |
Hij
heeft goede vrienden |
|
Maar : J’ai de la bonne viande. |
Ik heb
goed vlees. |
[N2]
|
avoir faim |
honger
hebben |
avoir
soif |
dorst
hebben |
|
avoir peur |
bang
zijn |
avoir
besoin de |
nodig
hebben |
|
avoir
raison |
gelijk
hebben |
avoir mal à |
pijn
hebben aan |
|
avoir tort |
ongelijk
hebben |
|
|
[N4]
|
avoir honte
de |
zich
schamen over |
avoir
sommeil |
slaap
hebben |
|
avoir envie
de |
zin
hebben om |
avoir
l’air |
schijnen
|
[N2]
a. Men gebruikt het bepaald lidwoord in
plaats van het delend lidwoord
na werkwoorden zoals : aimer, détester, adorer, préférer :
|
J’aime les oranges. |
Ik houd
van sinaasappels. |
[N4]
b. Het delend lidwoord vervalt na : de,
sans, en, ni… ni, (soms) avec
|
couvert de
neige |
bedekt
met sneeuw |
|
sans fautes
|
zonder
fouten |
|
une montre
en or |
een
horloge van goud (een gouden -) |
|
il n’a ni barbe ni moustache |
hij
heeft noch baard noch snor (geen baard en ook
geen snor) |
Na avec
vervalt het delend lidwoord alleen als avec + zelfst.naamw een
bijwoordelijke bepaling
vormt.
|
avec courage
(= courageusement) |
moedig |
c. Na een hoeveelheidswoord toch een delend lidwoord :
|
la plupart
des gens |
de
meeste mensen (het merendeel van de mensen) |
|
bien des
gens |
heel
wat mensen |
d. Als een woord in algemene zin gebruikt wordt, gebruikt men een bepaald
lidwoord.
|
La neige
est blanche. |
Sneeuw is wit. |
e. Als niet het bestaan, maar de aard van iets ontkend wordt, blijft het
delend lidwoord gehandhaafd.
|
Ce n’est pas du vin, mais de la bière. |
Dat is
geen wijn, maar bier. |
f. Als de combinatie bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord een
eenheid is geworden, blijft het
delend lidwoord gehandhaafd.
|
des jeunes
gens |
jongelui |
des petits
pois |
doperwten |