Download Tekst: DOC-versie PDF-versie
[N2]
|
aucun(e) |
geen
(enkel) |
plusieurs |
verscheidene |
|
autre |
ander |
quelqu’un
|
iemand |
|
chacun(e)
(zn) |
ieder,elk |
quelque
chose |
iets |
|
chaque (bn)
|
ieder,elk |
quelques |
enige |
|
l’un
l’autre |
elkaar |
(ne ... )
rien |
niets |
|
même |
zelfde |
tout (le) |
heel,
alles |
|
(ne
...) personne |
niemand |
tous (les) |
allen,
alle |
Voorbeelden
aucun avion
geen
enkel vliegtuig
aucune auto
geen enkele auto
aucun de ces avions
geen van die vliegtuigen
aucune de ces autos
geen van die auto’s
un autre
(livre)
een ander
(boek)
autre
chose
iets anders
chaque
élève
elke (iedere) leerlin
Chacun(e) attend son tour. Ieder wacht op z’n beurt.
chacun des
élèves
elk (ieder) van de leerlingen chacune des
filles elk
van de meisjes
Ils se regardent l’un l’autre. Ze
bekijken elkaar.
le même jour
dezelfde dag
Personne ne
l’entend. Niemand hoort
hem. Je
ne vois personne. Ik zie niemand.
Rien n’est
parfait.
Niets is volmaakt.
Je ne
vois rien.
Ik zie
niets.
Opmerkingen
1.
<même> betekent niet alleen ‘zelfde’,
maar kan ook ‘zelf’
of ‘zelfs’
betekenen.
Vergelijk: Il a le même
livre que moi. Hij heeft hetzelfde boek als ik.
Même Robert a lu
ce livre. Zelfs Robert heeft
dat boek gelezen.
Je l’ai vu moi-même.
Ik heb het zelf gezien.
2. In zinnen met ontkennende betekenis
betekenen ‘personne’ en ‘rien’ iemand en
iets.
sans voir
personne zonder
iemand te zien
sans rien
dire
zonder iets te zeggen
Il n’a jamais rien
dit. Hij
heeft nooit iets gezegd.
3. <tout>
heeft verschillende vormen en betekenissen
|
|
Enkelvoud |
Meervoud |
|
Mannelijk |
tout |
tous |
|
Vrouwelijk |
toute |
toutes |
Betekenissen
a. heel, hele
Gebruikt met lidwoord, aanwijzend
voornaamwoord of bezittelijk voornaamwoord
in het enkelvoud .
tout le
village het (ge)hele dorp , heel het dorp
toute cette
ville
die (ge)hele stad, heel die stad
toute notre
ville
onze hele stad, heel onze stad
b. al(le)
Gebruikt met lidwoord, aanwijzend
voornaamwoord of bezittelijk voornaamwoord
in het meervoud.
tous les
villages
alle dorpen
toutes ces
villes
al die steden
toutes nos
villes
al onze steden
c. alles : Zelfstandig gebruikt.
Tout est
perdu.
Alles is verloren.
d. allen : Zelfstandig gebruikt.
Tous sont partis
Allen zijn vertrokken.
e. elk(e), ieder(e)
Gebruikt zonder lidwoord voor een
zelfstandig naamwoord .
tout
village
elk dorp
toute
ville
elke stad
f. heel (bijwoord) [Zie ook bij
bijwoorden]
Il est tout
petit.
Hij is heel
klein.
Bijzonderheden
1. Verschil tussen ‘tout’
en ‘chaque’ in de betekenis van ‘elk, ieder’ :
tout = elk (in het
algemeen) Tout homme est
mortel.
Elk mens is sterfelijk.
chaque = elk
(ieder afzonderlijk) Chaque homme a ses défauts. Elk mens heeft zijn fouten.
2. Als <tous> allen betekent, wordt de
s uitgesproken, in de andere gevallen niet.
Ils sont tout
grand. Ze zijn heel groot.
(s wordt niet uitgesproken)
Ils sont tous
grands. Ze
zijn allen groot. (s wordt wel
uitgesproken)
[N3]
|
divers |
verscheidene |
quelque |
een of
andere |
|
différents |
verscheidene |
quelques-uns
|
enige,
sommige(n) |
Opmerkingen
1. Wanneer ‘divers’ en ‘différents’
vóór het zelfstandig naamwoord staan, betekenen ze
‘verscheidene’. Erachter betekenen ze
‘verschillend, uiteenlopend’.
divers (différents)
objets
verscheidene voorwerpen
des objets divers
(différents) verschillende voorwerpen
2. ‘quelque’ in het enkelvoud betekent ‘een of ander’. In het
meervoud ‘enige’
De zelfstandige vorm daarvan is ‘quelques-uns’
quelque élève
een of andere leerling
quelques
élèves
enige (sommige ) leerlingen
quelque
temps
enige (wat) tijd
quelques-uns des
élèves enige (sommige) van de leerlingen
quelques-uns sont en
retard sommigen zijn te laat
[N4]
|
certains |
sommige(n) |
tel |
zo(danig) |
|
l’on |
men |
l’un
et l’autre |
beide(n) |
Voorbeelden
certains disent que ...
sommigen zeggen dat ...
tel père, tel fils.
Zo vader, zo zoon.
l’un et l’autre
consul beide consuls
Opmerkingen
1. Het woord ‘on’ vindt zijn oorsprong in het Latijnse
‘homo’ = mens.
Daarom staat er soms een lidwoord voor, dat wij niet
vertalen.
Dit gebeurt vooral als het woord vóór ‘on’ op
een klinker eindigt.
Et l’on
dit que ...
En men zegt dat ...
2. ‘On’ is in het algemeen onzijdig en betekent ‘men’ ,
maar wanneer het op een
bepaalde persoon of bepaalde personen slaat, kan het
gevolgen hebben voor
de vertaling en het geslacht van het naamwoordelijk
deel van het gezegde.
Alors, mes amis, on est contents? Nou vrienden, zijn jullie
tevreden?
[N5]
|
autrui |
een
ander |
quelconque |
een of
ander |
|
maint |
menig |
quiconque |
wie ook
maar |
|
nul |
geen,
niemand |
|
|
Opmerkingen
1. ‘Autrui’
slaat op personen en staat meestal na een voorzetsel.
les défauts d’autrui
de fouten van een ander, andermans fouten
2. In combinatie met ‘nous’ en ‘vous’ wordt autres gebruikt om die woorden te
benadrukken.
Nous autres, Néerlandais, Wíj Nederlanders ...
Vous autres,
suivez-moi! Jullie daar, volg mij!
3.
Enkele uitdrukkingen met ‘autre’
l’autre
jour
onlangs
de temps à
autre
van tijd tot tijd
J’en ai vu bien
d’autres. Ik heb wel
andere dingen gezien.