Download
tekst: DOC-versie PDF-versie
[N1]
1.
|
ne ... pas / n’ ...
pas |
niet / geen |
De Nederlandse woorden niet en geen bestaan in het Frans uit
twee woorden : ne ... pas.
Bij woorden die met een klinker of stomme h beginnen krijg je : n’
pas
Je ne mange
pas.
Ik eet niet.
Je ne mange pas de pommes. Ik eet geen appels.
Je n’écoute
pas.
Ik luister niet.
Je n’habite pas à
Paris.
Ik woon niet in Parijs.
[N2]
Opmerkingen
A. Plaats
van <ne> en <pas>
<Ne> staat vóór de
persoonsvorm, maar als daar een persoonlijk voornaamwoord
(me, te, le enz.) staat,
komt ‘ne’ daarvoor.
<pas> staat achter de
persoonsvorm, tenzij daar (bij een vraag) je, tu, il enz. staat.
<pas> staat nooit achter het
voltooid deelwoord
Je ne le veux pas.
Ik wil het niet.
Je ne l’ai pas voulu. Ik heb het niet gewild.
Il n’a pas
fumé. Hij heeft niet gerookt.
N’a-t-il pas
fumé? Heeft hij niet gerookt?
B. In
de spreektaal wordt <ne> vaak weggelaten.
Je fume
pas.
J’ai pas fumé.
C. Ook als er geen persoonsvorm is, laat men
‘ne’ weg.
pas de
pain
geen brood
2.
|
ne ...
jamais |
nooit |
ne ... plus
|
niet
meer |
|
ne ...
personne |
niemand |
ne ... rien
|
niets |
Je n’ai jamais fumé.
Jamais!
Ik heb nooit gerookt.
Nooit!
Il n’a salué
personne.
Hij heeft niemand gegroet.
Opmerkingen
A. Het tweede deel van de ontkenning
staat meestal vlak achter de persoonsvorm.
Maar :
<personne> staat achter het hele gezegde (zie voorbeeld hierboven).
B. Als <personne> of
<rien> onderwerp is, staat het vooraan de zin en komt <ne>
er vlak achter.
Personne
ne le
comprend.
Niemand begrijpt het.
Rienn’est
parfait.
Niets is volmaakt.
[N3]
Opmerkingen
C Als de ontkenning bij een infinitief
hoort, staat ‘ne’ + de ontkenning voor die Infinitief.
Il
m’a demandé de ne pas fumer. Hij heeft mij gevraagd niet te roken.
Il m’a dit de ne rien
faire
Hij heeft mij gezegd niets te
doen.
Ne pas
toucher!
Niet aanraken!
D. ‘Jamais’ zonder ‘ne’,
maar met persoonsvorm, betekent ‘ooit’.
As-tu jamais été
malheureux? Ben jij ooit ongelukkig geweest?
3.
|
ne ...
aucun(e) |
geen
enkele |
ne ... pas
du tout |
helemaal
niet |
|
ne |
niet |
ne ... pas
non plus |
ook
niet, evenmin |
|
ne ... ni
... ni |
noch
... noch |
ne ... que |
slechts,
(alleen) maar, nog maar |
|
ne ...
nulle part |
nergens |
|
|
Je n’ai trouvé aucune
faute. Ik heb geen enkele fout gevonden.
Il
n’a ni barbe ni moustache. Hij heeft baard noch snor (geen baard en ook geen
snor).
Je ne le
vois nulle
part.
Ik zie hem nergens.
Je
ne suis pas du tout content. Ik ben helemaal niet tevreden.
Il
n’a que quinze ans.
Hij is nog maar 15 jaar.
Opmerkingen
A. Evenals
‘personne’ staan ‘aucun’ en ‘nulle part’
achter het hele gezegde. (zie vb hierboven)
B. <pas .... du
tout> en <pas ... non plus> valleen uiteen bij een gezegde
dat uit meer dan
1 woord bestaat en als er een lijdend voorwerp achter
het gezegde staat.
Il ne veut pas parler du
tout.
Hij wil helemaal niet spreken.
Il n’a pas de cigares du tout.
Hij heeft helemaal geen sigaren.
Il n’a pas parlé non
plus.
Hij wil ook niet (evenmin) praten.
Il n’a pas de cigares non
plus. Hij heeft ook geen sigaren.
Let
op het verschil
Je ne fume
plus.
Ik rook niet meer.
Je ne fume pas plus que toi.
Ik rook niet meer dan jij.
Je ne fume pas non
plus.
Ik rook
ook niet.
C. Na
‘sans’ of bij een dubbele ontkenning wordt alleen de eerste
ontkenning vertaald.
Il est parti sans rien
dire. Hij is vertrokken zonder iets te zeggen.
Il n’a jamais rien fait.
Hij heeft nooit iets gedaan.
D. Bij <ne ...
que> staat ‘que’ voor het woord waarop het betrekking heeft.
Il ne veut qu’un seul
chien.
Hij wil maar één (enkele) hond.
Il ne veut jouer qu’une
heure. Hij wil maar één uur spelen.
Il n’a vu que son
frère.
Hij heeft alleen maar zijn broer gezien.
[N4]
E. Als <ne ... que> betrekking heeft
op een werkwoord, dan kan dit alleen een Infinitief
zijn
voorafgegaan door ‘faire’.
Je
n’ai fait que le
toucher.
Ik heb hem (het) alleen maar aangeraakt.
[N3]
F. <pas> mag
weggelaten worden, maar wordt wel vertaald na de volgende werkwoorden :
pouvoir, savoir, oser, cesser
In de overige gevallen wordt ‘ne’ zonder verdere
ontkenning niet vertaald.
Elle ne peut
venir
Zij kan niet komen.
Je ne saurais vous le dire.
Ik zou het u niet kunnen zeggen.
Nous n’osons entrer.
Wij durven niet naar binnen te gaan.
Il ne cesse de
pleuvoir.
Het blijft maar (houdt niet op te) regenen
Maar :
J’ai peur qu’il ne vienne.
Ik ben bang dat hij komt.
[N4]
Als
‘savoir’’ kennen (geleerd hebben) betekent, mag
‘pas’ niet weggelaten worden
bij de ontkenning.
Je ne sais pas l’anglais.
Ik ken geen Engels.
[N5]
<ne> zonder <pas>
moet ook in de volgende gevallen wel vertaald worden met <niet>
a.
In bijzinnen die afhangen van een ontkennende of vragende hoofdzin
Il n’y a pas de fleur qu’il ne
connaisse. Er is geen bloem die
hij niet kent.
Y a-t-il un homme dont elle ne médise? Is er een man van wie zij geen kwaad spreekt?
Let op het verschil
Il n’y a personne qui ne vous connaisse. Er is niemand die u niet kent (Iedereen
kent u)
Il n’y a personne qui vous
connaisse. Er
is niemand die u kent. (Niemand kent u)
b.
Na het vraagwoord ‘Qui’
in uitroepen.
Qui de nous n’a ses
défauts!
Wie van ons heeft niet zijn (geen)
gebreken!
c. Na ‘geleden’ (il y a, voici,
voilà que)
Il y a (Voici) un mois que je ne l’ai vu. Ik heb hem in geen maand gezien
(lett. Het is al
een maand geleden dat ik hem gezien heb)
d.
Na het voorzetsel si (=
als, indien)
Si vous n’y consentez
...
Als u er niet in toestemt ...
e.
In sommige uitdrukkingen
n’importe (qui, quand
etc.)
het doet er niet toe (wie, wanneer
enz.)
À Dieu ne
plaise.
God verhoede dat.
Ne vous
déplaise
Moge het u niet mishagen / met uw welnemen
Qu’à cela ne
tienne.
Laat dat geen beletsel zijn.
G. ‘ne explétif’ (het niet
vertaalde ‘ne’)
In de volgende gevallen kan bij het werkwoord
‘ne’ geplaatst worden zonder dat dit
vertaald wordt.
a.
Na werkwoord van vrees,
bevestigend gebruikt.
Je crains qu’il (ne) vienne.
Ik vrees dat hij
komt.
Maar : Je crains qu’il ne vienne
pas. Ik vrees dat hij niet komt.
b.
Na werkwoorden van twijfel of
ontkenning, negatief gebruikt.
Je ne doute pas qu’il ne
réussisse. Ik twijfel er niet aan dat hij zal slagen (slaagt).
c.
Na het werkwoorden van verhinderen en
vermijden.
J’empêche qu’il ne
vienne. Ik verhinder dat hij komt.
Evitez qu’il ne vous parle.
Probeer te
vermijden dat hij met u spreekt.
d.
Na de uitdrukkingen ‘il
s’en faut peu / peu s’en faut’ en ‘il ne s’en faut pas’
Peu s’en faut que la mer ne les
engloutisse. Het scheelt maar weinig of de zee slokt hen op.
Il ne s’en est pas beaucoup fallu qu’il ne
fût tué. Het
scheelde niet veel of hij werd gedood.
e.
Bij vergelijkingen
(ongelijkheid) en na de woorden autre(ment)
als de hoofdzin
bevestigend is.
Il est moins riche qu’on ne croit.
Hij is minder rijk dan men denkt.
Le menteur parle autrement qu’il ne
pense. De leugenaar spreek
anders dan hij denkt.
f.
Na de voegwoorden <avant que, à
moins que (tenzij), de peur que, de crainte que>
avant qu’il ne fasse froid
voordat het koud is
Il n’ira pas à moins qu’on ne
l’ordonne. Hij zal niet gaan, tenzij men het hem beveelt.
de peur qu’il ne vienne
uit angst dat hij komt
[N4]
4.
|
ne ...
guère |
nauwelijks |
ne ...
point |
(helemaal)
niet |
Elle n’a guère
dormi. Ze heeft
nauwelijks geslapen.
Je ne l’ai point
vu. Ik heb hem (helemaal) niet gezien.
[N5]
5.
|
ne ... âme
qui vive |
niemand |
ne ... mie |
(helemaal)
niet |
|
ne ... de
ma vie |
nooit |
ne ... mot |
niets |
|
ne ...
goutte |
niets |
|
|
Il n’y avait âme qui
vive.
Er was niemand
(geen levende ziel)
Je
n’ai vu de ma vie un tel homme. Ik heb nooit (van m’n leven) zo’n man gezien.
Je
n’y vois
goutte.
Ik zie niets (letterlijk :
geen druppel)
Il
ne chanta mie.
Hij zong helemaal niet. (letterlijk : geen
kruimeltje)
Il
ne souffle mot.
Hij zegt niets (geen woord)