Download
tekst : DOC-versie PDF-versie
|
1. Onderwerp [N1-5] |
4. Meewerkend voorwerp
[N2] |
7. Het woord <y> [N3] |
|
2. Het + werkwoord [N2,4] |
5. Nadruksvorm
[N2,3 |
8. Plaats pers.vnw. [N2-4] |
|
3. Lijdend voorwerp
[N2-4] |
6. Het woord <en>
[N3,4] |
9. Volgorde [N3] |
[N1]
|
|
ENKELVOUD |
|
MEERVOUD |
|
|
1e persoon |
je
(j’) |
ik |
nous |
wij |
|
2e persoon |
tu |
jij
(je) |
vous |
jullie
/u |
|
3e persoon |
il |
hij,
het |
ils |
zij
(ze) |
Opmerkingen
1. <je> voor een klinker of h wordt <j’> : j’écoute = ik luister
[N2]
2. In plaats van <je, tu, il
enz.> gebruikt men in de spreektaal vaak <on>.
En France on parle français. In Frankrijk spreekt men (spreken ze)
Frans.
On est content,
Michel? Ben je tevreden, Michel?
On va sortir, mes
amis? Zullen we uitgaan, vrienden?
On est content, mes
amis? Zijn
jullie tevreden, vrienden?
3. Alleen familieleden en goede vrienden zeggen <tu> tegen elkaar.
De Fransen gebruiken in de andere gevallen
liever ‘vous’’ (=u) dan ‘tu’.
4. <il> gebruikt men om een mannelijk zelfstandig naamwoord te vervangen,
<elle> om vrouwelijk
zelfstandig naamwoorden te vervangen.
In het Nederlands is <il> daarom
niet altijd <hij> en <elle> niet altijd <zij>.
Le livre est cher? Oui, il est
cher. Is het boek duur? Ja, het is duur.
La table est brune?
Oui, elle est brune. Is de tafel bruin? Ja, hij is bruin.
5. Wanneer <ils> of <elles> ?
|
il + il
---------> ils |
|
il + elle -----> ils |
Het meervoud
‘zij’ is meestal ‘ils’, tenzij men er zeker van
is dat het zonder uitzondering
op vrouwelijke woorden betrekking
heeft. In dat geval krijgt men ‘elles’.
[N4]
6. Wanneer het onderwerp bestaat uit meer dan één persoonlijk
voornaamwoord,
moet er in het Frans een persoonlijk
voornaamwoord worden toegevoegd
dat beide persoonlijke voornaamwoorden
samenvat.
|
ik + ander
----------> wij -----------> nous |
|
jij (u) +
ander ------> jullie, u -----> vous |
Toi et moi, nous ne dirons rien.
Jij en ik zullen niets zeggen.
Mon ami et moi,
nous n’avons pas le temps. Mijn vriend en ik hebben geen tijd.
Toi et elle, vous
avez raison.
Jij en zij hebben gelijk.
Mon père et lui ne
sont pas
venus.
Mijn vader en hij zijn niet gekomen.
[N5]
7. In de spreektaal worden ‘je’, tu’ en
‘il(s)’ vaak bekort tot j’, t’ en i (of y).
Soms wordt het persoonlijk
voornaamwoord zelfs geheel weggelaten.
J’veux
pas.
Ik wil (het) niet.
T’as pas compris?
Heb je het niet begrepen?
I’m’est arrivé quelque chose. Er is mij iets overkomen.
Y a quelqu’un à la
porte.
Er is iemand aan de
deur.
Y-z-ont six
enfants.
Ze hebben zes kinderen.
Veux
pas. Ik wil niet.
[N2]
|
A. il
/elle (slaat terug op zelfstandig naamwoord) |
Als ‘het’ terugslaat op een zelfstandig
naamwoord, wordt ‘het’ vertaald met ‘il’ (mannelijk)
of ‘elle’ (vrouwelijk).
Où est le livre? il est sur la
table Waar is het boek? Het is (ligt) op de tafel.
Où est la baguette? Elle est sur
la table. Waar
is het stokbrood? Het is (ligt) op de tafel.
|
B. ce /
c’ + vorm van ‘zijn’+ zelfstandig of bijvoeglijk
naamwoord) |
‘Het is’ + zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk
naamwoord is ‘C’est’
C’est dimanche. Het is zondag.
C’est
possible. Het is mogelijk.
|
C. il
(tijdsaanduiding, weer, onpersoonlijke werkwoorden) |
Om de tijd aan te geven gebruikt men ‘il est’.
Om te zeggen wat voor weer het is,
gebruit men ‘il fait’
Il est huit heures. Het is acht uur.
Il fait
chaud.
Het is
warm.
Il fait
beau.
Het is mooi weer.
Il
pleut.
Het regent.
Let op het verschil
Il est beau = Hij (het) is mooi. <Il>
slaat terug op een mannelijk zelfst. naamwoord.
Il fait beau = Het is mooi weer.
[N4]
|
D. il
(+ être + bijvoeglijknaamwoord + bijzin of 'de + infinitif') |
Wanneer achter het bijvoeglijk naamwoord een bijzin volgt of <de +
infinitif>, moet men
volgens de regels <il est> gebruiken. In de
spreektaal gebruik men echter ook vaak ‘c’est’ .
Il est possible qu’il arrive aujourd’hui.
Het is
mogelijk dat hij vandaag aankomt.
Il est impossible
de faire cela.
Het is onmogelijk dat te doen.
|
E. Ça |
‘Het’ gevolgd door een ander werkwoord dan être is ‘cela’’
of ‘ça’.
Ça va
bien?
Gaat het goed?
[N2]
|
|
enkelvoud |
|
meervoud |
|
|
1e persoon |
me |
mij / me |
nous |
ons |
|
2e persoon |
te |
jou / je |
vous |
jullie / u |
|
3e persoon |
le |
hem, het |
les (m.) |
hen, ze |
Opmerkingen
1. Voor klinker of stomme h worden me, te,
se afgekort tot m',
t', s' ; le en la worden
afgekort tot l' voor
klinker of stomme h.
De betekenis moet uit het
gezinsverband worden afgeleid:
Je
l'ai vu = Ik heb hem gezien.
Je l'ai vue = Ik heb haar gezien.
2. In tegenstelling tot het Nederlands hebben
aimer (houden van), regarder (kijken naar),
écouter (luisteren naar) en attendre (wachten op) in het Frans een lijdend
voorwerp.
J’aime
ma mère. Je
l’aime
Ik houd van mijn moeder. Ik houd van haar (letterlijk : ik bemin haar).
Je regarde le
tableau. Je le regarde. Ik kijk naar het schilderij. Ik kijk er naar (letterlijk : Ik bekijk het).
J’écoute la radio. Je l’écoute.
Ik luister naar de radio. Ik luister ernaar. (letterlijk : ik beluister hem).
J’attends
mes amis. Je les attends. Ik wacht op mijn vrienden. ik wacht op hen (lett. : Ik verwacht ze).
[N3]
3. Voor ‘voici’ en ‘voilà’
kunnen vormen komen te staan van het persoonlijk voornaamwoord
als lijdend
voorwerp. De vertaling is dan ‘Hier ben ik, jij enz.’ of
‘Daar ben ik (jij enz.)’
me
voici hier ben ik
me
voilà daar ben ik
le
voici hier is hij
le voilà
daar
is hij
la
voici hier is zij
la voilà daar is zij
[N4]
4. Als ‘het’ slaat op hetgeen volgt, wordt het
in het Frans weggelaten.
Je
regrette d’avoir fait cela.
Ik betreur het dat gedaan te hebben.
[N2]
|
|
ENKELVOUD |
|
MEERVOUD |
|
|
1e persoon |
me |
mij
(me) |
nous |
ons |
|
2e persoon |
te |
jou
(je) |
vous |
jullie
/u |
|
3e persoon |
lui |
(aan)
hem, het |
leur |
hun,(aan)
hen |
Opmerkingen
1. Voor klinker of stomme h worden me, te, se afgekort tot m',
t', s'.
2. Als je in het Nederlands voor een
persoonlijk voornaamwoord <aan> of <voor>
zou kunnen
plaatsen, is het in de meeste gevallen een meewerkend voorwerp.
De vertaling van
hem of haar is dan lui en hen of hun
wordt leur.
Je donne un cadeau
à Jean. Je lui donne un cadeau. Ik geef (aan) hem een cadeau.
Je donne un
cadeau à Monique. Je lui donne un cadeau. Ik geef (aan) haar een cadeau.
J’ecris une lettre
à mes amis. Je leur écris une lettre. Ik schrijf hun (aan hen) een brief.
3. Omdat <lui> 2 betekenissen heeft
(hem en haar), moet je uit het zinsverband opmaken
hoe het
woord vertaald moet worden. (Zie de zinnen hierboven)
4. <Lui> en <leur> vervangen
een zelfstandig naamwoord dat een persoon aanduidt.
Wanneer in de volledige zin het voorzetsel <à> voor dit
zelfstandig naamwoord gebruikt
wordt, gaat het om een meewerkend voorwerp
en moet men dus niet le, la of les
gebruiken , maar lui en leur. Zie voorbeelden bij opmerking
2.
|
|
ENKELVOUD |
|
MEERVOUD |
|
|
1e persoon |
moi |
mij, ik |
nous |
ons,
wij |
|
2e persoon |
toi |
jou,
jij |
vous |
jullie,
je, u |
|
3e persoon |
lui elle
soi |
hem ,
hij haar, zij zich |
leur leur |
hen,
zij hen, zij |
De nadruksvorm (le pronom personnel absolu) wordt in
de volgende gevallen gebruikt:
|
A. na
voorzetsel |
avec moi met
mij
pour elle voor haar
sans toi zonder jou
derrière lui achter
hem
Opmerking
Men gebruikt deze
vormen ook na het voorzetsel <à> als men in het Nederlands
<aan>
niet weg kan laten.
Je pense à
lui. Ik denk aan hem.
Je pense à elle. Ik denk aan haar.
<aan hem, aan haar> is hier
geen meewerkend voorwerp, want je kunt ‘aan’ niet weglaten.
|
B. los
staand, zonder werkwoord |
Qui va à l’école?
Moi. Wie gaat naar school? Ik.
|
C. Om
het onderwerp nadruk te geven |
1. Als je nadruk wilt leggen
op het onderwerp, moet je zowel het beklemtoonde als
het
onbeklemtoonde persoonlijk voornaamwoord gebruiken.
Moi, je suis content. Ik ben blij.
Toi, tu es
content. Jij bent blij.
2. Aan het
beklemtoonde onderwerp kan ook nog ‘même’ toegevoegd worden.
Het
is een bijvoeglijk naamwoord en dus veranderlijk.
|
Je le fais moi-même. |
Moi-même je le fais. |
|
Tu le fais toi-même. |
Toi-même tu le fais. |
|
Il le fait lui-même. Elle le fait
elle-même. |
Lui-même le fait. Elle-même le fait. |
|
Nous le faisons nous-mêmes. |
Nous-mêmes nous le faisons. |
|
Vous le faites vous-même(s). |
Vous-même(s) vous le faites. |
|
Ils le font eux-mêmes. Elles le font
elles-mêmes. |
Eux-mêmes le font. Elles-mêmes le font. |
[N3]
3. Bij <lui,
elle> en <eux, elles> is het niet nodig de onbeklemtoonde vorm erbij
te gebruiken.
Je
kunt de nadruksvorm zowel vooraan als achteraan in de zin plaatsen.
Hieronder staat een overzicht van de mogelijkheden.
Moi, je le fais.
Je le fais,
moi.
Ík doe het.
Toi, tu le
fais.
Tu le fais,
toi.
Jíj doet het.
Lui (il) le
fait.
Il le fait, lui.
Hij doet het.
Nous, nous le faisons. Nous le faisons,
nous. Wij doen het
.
Vous, vous le faites. Vous le
faites, vous.
Jullie doen (u doet) het.
Eux (ils) le
font.
Ils le font,
eux. Zíj doen het.
Elles (elles) le font. Elles le font,
elles. Zíj doen het.
Opmerking
De nous-vorm kan ook als volgt benadrukt
worden : Nous, on le fait. Wij doen het.
|
D. Om
het bezittelijk voornaamwoord te beklemtonen of verduidelijken |
son livre à
lui zijn boek
son livre à elle haar boek
|
de +
iets---> en |
En
vervangt het voorzetsel «de» + zelfst.naamwoord of heeft betrekking op een
hoeveelheid.
Mogelijke vertalingen : er,
ervan, erover
Vous parlez des
vacances? Oui, j'en parle.
Ja, ik
praat erover.
Vous avez une
voiture?
Oui,
j'en ai une.
Ja, ik heb er een.
Il y
a beaucoup de voitures? Oui, il y en a
beaucoup. Ja, er zijn er veel.
Als «en» een woord voorafgegaan door een
delend lidwoord vervangt, vertalen we het met
«die, dat»
Il
y a des voitures?
Oui, il y en a. Ja, die zijn er.
Vous avez du fromage? Oui, j'en ai.
Ja, dat heb ik.
Let op
<de> + persoon
wordt niet vervangen door <en>.
Je parle de Jean. Je parle de
lui. Ik spreek over Jan. Ik spreek over hem.
[N4]
Opmerking
Als ‘ervan’
slaat op hetgeen volgt, wordt het in het Frans niet vertaald.
Ik
ben er zeker van dat hij niet komt.
Je
suis sûr qu’il ne viendra pas.
[N3]
|
ander
voorzetsel + iets ---> y |
<Y>
vervangt een ander voorzetsel dan <de> + zelfs. naamw.(geen
persoon).
Mogelijke vertalingen
: er, erin, erop, eraan, erheen.
Tu
habites à Kampen? Oui, j'y habite.
Ja, ik woon er.
Tu vas à Paris?
Oui, j'y vais. Ja, ik ga erheen.
Let op
<Y> wordt niet
gebruikt voor personen, wel voor zaken.
Je m’intéresse à ta soeur. Je
m’intéresse à elle. Ik
interesseer me voor haar.
Je m’intéresse au
sport. Je m’y
intéresse. Ik interesseer me ervoor.
J’obéis à mes parents.
Je leur
obéis.
Ik gehoorzaam hen
(meew. voorw.)
J’obéis aux
lois.
J’y obéis.
Ik gehoorzaam eraan.
[N2]
|
a. HOOFDREGEL
: Voor de persoonsvorm |
Het persoonlijk voornaamwoord als lijdend voorwerp of
meewerkend voorwerp
komt voor de persoonsvorm (verbogen vorm
van het werkwoord).
Hetzelfde geldt voor <y> en <en>.
Je le
connais Ik ken hem.
Je
l’ai
connu.
Ik heb hem gekend.
Me
voici.
Hier ben ik.
Ne
m’attends pas. Wacht niet op me.
J’y
vais
Ik ga erheen.
[N3]
|
b. Achter
Gebiedende Wijs bevestigend |
In de gebiedende wijs bevestigend komen de persoonlijke
voornaamwoorden
achter het werkwoord.
Donnez-lui le
livre! Geef
hem het boek!
Opmerking
1. In de gebiedende wijs ontkennend staat het
persoonlijk voornaamwoord gewoon
vóór het
werkwoord.
Ne lui donnez pas le
livre! Geef
hem het boek niet!
2. <me> en <te> veranderen in
<moi> en <toi> als ze achter het werkwoord komen te staan.
Donnez-moi
ce livre. Geef mij dat boek!
Lève-toi!
Sta
op!
Ook hier is de plaats in de ontkennende zin
weer gewoon voor het werkwoord.
Ne me
donne pas ce livre. Geef
mij dat boek niet.
Ne te lève
pas.
Sta niet op!
[N4]
Uitzondering
Voor <y> en <en> veranderen
‘me’ en ‘te’’ niet in ‘moi’ en
‘toi’
Donnez-m’en! Geef mij er (wat) van.
Va
t’en! Ga weg! (geb. wijs van
s’en aller = weggaan)
[N3]
|
c. Voor de infinitief
|
Als er een infinitief in de zin staat,
staat het persoonlijk voornaamwoord
(het onderwerp
uitgezonderd) voor de infinitief.
Ditzelfde geldt voor <y> en
<en>.
Je veux lui donner un beau livre. Ik wil hem (haar) een mooi boek geven.
Je peux en donner un
exemple. Ik kan er een voorbeeld van geven.
Je ne veux pas y
aller.
Ik wil er niet heen gaan.
Let op het verschil
il me faut
payer ik moet betalen (letterlijk: het is mij
nodig te betalen)
il faut me
payer men moet mij betalen (letterlijk : het is
nodig mij te betalen)
Uitzondering
Bij enkele werkwoorden
blijven de persoonlijke voornaamwoorden gewoon voor de
persoonsvorm staan.
Het zijn de
volgende werkwoorden :
faire,
laisser, voir, entendre, sentir, envoyer, ouïr (horen).
Je la fais bâtir. (la = la maison) Ik
laat het bouwen.
Je l’ai fait
bâtir.
Ik heb het laten bouwen.
a. Volgorde,
behalve in de gebiedende wijs bevestigend
|
me te se nous vous |
le la les |
lui leur |
y |
en |
+ persoonsvorm of infinitief |
Il me le donne.
Hij geeft het mij.
Il ne me le donne pas. Hij geeft het mij niet.
Il le lui
donne.
Hij geeft het hem.
Je lui en
parle. Ik spreek hem erover.
Il y en a beaucoup.
Er zijn er veel.
Ne leur en
parle pas. Spreek hun er niet over.
Je vais le lui demander. Ik zal het hem vragen. Je
vais lui en parler. Ik zal
hem erover spreken.
b. Volgorde in de gebiedende wijs bevestigend.
|
werkwoord + |
-le
-la -les |
-moi -toi -lui -nous -vous -leur |
y |
en |
Donnez-le-moi! Geef het mij!
Vas-y!
Ga erheen! / Ga je gang!
Donnez-nous-en! Geef ons er (wat) van!