Download Tekst : DOC-versie
PDF-versie
[N1]
|
à |
in,
naar, aan |
de |
van,
uit |
|
après
|
na |
devant
|
voor |
|
chez |
bij,
naar |
en |
in,
naar |
|
dans |
in |
pour |
voor |
Voorbeelden
à :
1 in bij plaatsbepaling: Il habite à Paris. Hij woont in Parijs.
2 naar na
werkwoord van beweging: Il va à Paris. Hij gaat naar Parijs.
3 aan bij
plaatsbepaling: à
table - aan tafel
4 aan bij
meewerkend voorwerp
Il donne le livre à
Pierre. Hij geeft het boek aan Piet.
chez : 1
bij (huis, winkel enz.): Il est chez le docteur. Hij
is bij de dokter.
2 naar na werkwoord van beweging: Il va chez le docteur. Hij gaat naar de dokter.
de : 1
van : gebruikelijke vertaling: Le livre de Paul. Het boek van Paul.
2. uit : na werkwoord
zoals komen: Il vient de
l’école. Hij komt uit school.
3 over : na spreken:
parler de - spreken over
devant : voor
van plaats : devant la
maison - voor het huis
en : 1. in
voor aardrijkskundige namen: en
France - in Frankrijk
2. in bij diverse
woorden: en été
- in de zomer
3. naar bij
werkwoord van beweging: Nous allons en
France. Wij gaan naar Frankrijk.
pour : (bestemd) voor:
Ce livre est pour
toi. Dat boek is voor jou.
[N2a]
|
à
côté de |
naast |
contre
|
tegen |
pendant
|
gedurende |
|
à
droite de |
rechts
van |
depuis
|
sinds |
près
de |
bij |
|
à
gauche de |
links
van |
derrière
|
achter |
sans |
zonder |
|
avant
|
voor |
entre
|
tussen |
sous |
onder |
|
avec |
met |
jusqu’à
|
tot
(aan) |
sur |
op |
avant: voor» van tijd: avant 8 heures - voor 8 uur
près de : bij
als plaatsaanduiding: près de
l’église - bij de kerk
Nieuwe betekenissen
|
à |
om,
te, tot |
de |
te |
pour |
om
te |
à : 1
om bij tijd: à
trois heures - om drie uur
2 te voor
werkwoord: J’ai beaucoup à
faire. Ik heb veel te doen.
3 tot: de 3 à 4 heures - van 3 tot 4 uur
; au revoir - tot ziens
de : te voor werkwoord: Il est possible de rester. Het is mogelijk te blijven.
pour : (met
het doel) om te : C’est
pour gagner de
l’argent. Dat is om geld te verdienen.
[N2b]
|
en
face de |
tegenover |
plein
de |
vol
van |
|
loin
de |
ver
van |
sauf |
behalve |
|
par |
door,
per, met |
vers |
naar,
tegen |
par:
1 (dwars) door: sauter par
la fenêtre - door het raam springen
2 door bij lijdende vorm: écrit par - geschreven door
3 per, met : par avion - per
(met het) vliegtuig
vers : 1 tegen
bij tijd: vers
trois heures - tegen drie uur
2. naar bij
richting: vers la
porte - naar de deur
Nieuwe betekenissen
|
dans
|
over |
pour |
naar |
dans: over + tijdstip : dans une heure - over een uur
pour: na
een werkwoord van beweging: Il part pour
Paris.Hij vertrekt naar Parijs.
[N3]
|
à
l’égard de |
ten
aanzien van |
environ
|
ongeveer |
|
à
partir de |
vanaf |
excepté
|
behalve |
|
au
bout de |
na
(verloop van) |
grâce
à |
dank
zij |
|
au
dessus de |
boven |
malgré
|
ondanks |
|
au
dessous de |
onder |
par
rapport à |
met
betrekking tot
|
|
au
milieu de |
temidden
van |
quant
à |
wat
betreft |
|
autour
de |
(rond)om |
selon
|
volgens |
|
dès |
(reeds)
vanaf |
|
|
au bout de : na
(verloop van): au bout d’une
heure - na (verloop) van een uur
Let op het verschil!
au bout d’une heure na (verloop) van een uur
après
une heure na 1
uur ( na enen)
Nieuwe betekenissen
|
sur |
aan,
over |
sur: 1 aan (rivier, zee): situé sur la Seine - gelegen aan de Seine
2 over (met als
onderwerp): un livre sur
la France - een boek over Frankrijk
[N4]
|
à
travers |
(dwars)
door |
faute
de |
bij
gebrek aan |
|
auprès
de |
bij |
hors
de |
buiten |
|
concernant
|
betreffende |
le
long de |
langs |
|
d’après
|
volgens |
suivant
|
volgens |
|
durant
|
gedurende |
via |
via |
|
en
dehors de |
buiten |
vu |
gezien |
|
envers
|
jegens |
|
|
(en de)hors de : buiten
: hors de la ville
- buiten de stad
vu : geeft
reden aan: vu la
chaleur - gezien de warmte
[N5]
|
étant
donné |
gezien |
moyennant
|
door
middel van |
|
hormis
|
behalve |
touchant
|
betreffende,
aangaande |
|
hors |
buiten |
|
|
étant donné : geeft reden aan: étant donné(es) les circonstances
- gezien de omstandigheden
hors: vooral figuurlijk: hors jeu - buiten spel
[N1]
|
aan |
à |
naar |
à,
en |
|
bij |
chez,
près de |
van |
de |
|
in |
à,
dans, en |
voor |
devant,
pour |
|
na |
après |
uit |
de |
aan: 1
à bij plaatsbepaling : à table
- aan tafel
2 à als
meewerkend voornaamwoord: Elle donne le livre à Paul. Zij geeft
het boek aan Paul.
bij: 1 chez: bij iem. in huis, de zaak
enz.: chez le
boulanger - bij de bakker
2 près de : in de buurt
van: près de
l’école - bij school
in: 1 à voor plaatsnamen: à Paris - in
Parijs
2 dans (in tegenstelling tot
'buiten'): dans
le jardin - in de tuin
en voor vrouwelijke landennamen: en France - in
Frankrijk
naar : 1 à + plaats, plek: Il va à l’école. Hij gaat naar school.
2 en
voor vrouwelijke landen enkelvoud: Je vais en France. Ik
ga naar Frankrijk.
van : de
direct achter het zelfstandig naamwoord: le Tour de France - de Ronde van Frankrijk
voor:
1 pour bij bestemming: C’est pour toi. Dat
is voor jou.
2 devant
als plaatsbepaling: devant
la porte - voor de deur
uit : de:
afkomstig -, komend uit: Il vient de
Paris. Hij komt uit Parijs.
[N2a]
|
achter
|
derrière |
sedert,
sinds |
depuis |
|
gedurende
|
pendant |
te |
à,
de |
|
links
van |
à
gauche de |
tegen
|
contre |
|
met |
avec |
tot |
(jusqu’)à |
|
naast
|
à
côté de |
tussen
|
entre |
|
onder
|
sous |
tijdens
|
pendant |
|
om |
à |
voor |
avant |
|
op |
sur,
à, dans |
zonder
|
sans |
|
rechts
van |
à
droite de |
|
|
onder: sous (plaatsbepaling) : sous
la table - onder de tafel
om: à
+ tijd : à
trois heures - om drie uur
op: 1 sur (bovenop): sur la table - op
de tafel
2 à : bepaling v.tijd
/plaats: à
l’école, à ce
moment-là - op school, op dat moment
3 dans
(=in): dans
ma chambre, dans la rue
op mijn kamer, op straat
te :1 de meestal voor infinitief: Il décide de partir. Hij besluit te vertrekken.
2 à bij
enkele werkwoorden (zie C): Il
commence à
pleuvoir. Het begint te regenen.
tegen: contre:
plaatsbepaling: contre
le mur - tegen de muur
tot 1 (zonder 'de' ervoor in het Ned.): jusqu’à:Il
est resté jusqu’à
3 heures.Hij is tot 3 uur gebleven.
2 à voorafgegaan
door ‘de’: de 3 à
4 heures - van 3 tot 4 uur
3 à in
uitdrukkingen: à
bientôt - tot straks
tussen: entre: entre deux murs - tussen twee muren
voor : avant
(tijd): avant
neuf heures - voor negen uur
Bijzonderheden
in: 1 en voor vrouwelijke
landennamen: en France
- in Frankrijk
2 à voor plaatsnamen ,
mannelijke en meervoudige landen:
à Paris, au Canada, aux, Etats-Unis - in
Parijs, in Canada, in de Verenigde
Staten
[N2b]
|
behalve
|
sauf |
tegenover
|
en
face de |
|
naar |
vers,
pour |
ver
van |
loin
de |
|
over |
dans,
de |
vol
van |
plein
de |
|
per |
par |
|
|
naar: vers (in de richting
van): Il se dirige vers
la porte. Hij
begeeft zich naar de deur.
pour (na
partir): partir pour - vertrekken naar
over: 1 dans + tijd: dans une heure - over een uur
2 de: bij
spreken: parler de
- spreken over
Bijzondere gevallen
|
aan |
au
bord de, sur |
onder
|
au
dessous de, pendant |
|
in |
pendant |
tegen
|
à,
vers |
|
naar |
chez |
van |
à |
aan : 1 sur (gelegen aan): Paris est situé sur la Seine. Parijs ligt aan de Seine.
2 au bord de (aan de
oever van): au bord dela
mer - aan zee
in : pendant
(= tijdens): pendant
les vacances - in de vakantie
naar: chez voor personen: Il va chez le docteur. - Hij gaat naar de dokter.
nbsp;
onder: 1 au dessous de (bij
temperatuur): au-dessous de
zéro - onder nul
2 pendant
(= tijdens): pendant le
repas - onder de maaltijd
tegen :
1 à : bij spreken en zeggen: Qu’est-ce qu’il dit à son ami? Wat zegt hij tegen zijn vriend ?
2 vers :
bij tijd : vers six
heures - tegen zes uur
van:
à (niet direct achter zelfst.naamw.): A qui est ce
crayon ? Van wie is dat potlood ?
Il
est à
moi. Het is van mij.
Let op het verschil!
1 Il tient une fleur à la main. Hij houdt een bloem in zijn hand (bloem is zichtbaar)
Il cache un bonbon dans la main. Hij verbergt een snoepje in zijn hand (snoepje
onzichtbaar)
2 en
une heure = in een uur ; dans une heure = over een uur
en
moins d’une heure = binnen een uur
[N3]
|
behalve
|
excepté |
ondanks
|
malgré |
|
beneden,
onder |
au-dessous
de, sous |
ongeveer
|
environ,
-aine |
|
boven
|
au-dessus
de |
te midden
van |
au
milieu de |
|
dank
zij |
grâce
à |
ten
aanzien van |
à
l’égard de
|
|
met
betrekking tot |
par
rapport à |
vanaf
|
à
partir de |
|
midden
in |
au
milieu de |
volgens
|
selon |
|
na
(verloop van) |
au
bout de |
wat
betreft |
quant
à |
|
omstreeks
|
environ |
|
|
na: au bout de (=na verloop van): au bout d’une heure - na
(verloop van) een uur
onder: 1 au-dessous de (temperatuur):
au-dessous de
zéro - onder nul
2 sous
(plaatsbepaling): sous
la table - onder de tafel
ongeveer: 1
environ: environ
dix kilomètres - ongeveer tien kilometer
2 -aine achter getal: une trentaine
de personnes - ongeveer dertig personen
(een dertigtal
personen)
Extra betekenissen
|
aan |
niet
vertalen |
tegen
|
envers |
|
bij |
avec, sur, par, de, dans |
tot |
jusque |
|
in |
en,
à, dans, niet vertalen |
tussen
|
parmi |
|
onder
|
parmi |
voor |
de |
|
op |
contre,
de, en, par, niet vertalen |
uit |
par |
aan: niet vertalen bij adressen: Il habite boulevard
X. Hij woont aan de Bld. X.
bij: 1
avec(= in gezelschap van): Il est avec Pierre. Hij is bij Pierre.
2 sur (op het
lichaam): Je n’ai pas d’argent sur moi. Ik heb geen
geld bij me.
3 par in
uitdrukkingen: par hasard
- bij toeval
4 de in uitdrukkingen:
Merci d’avance
- Bij voorbaat dank.
5 dans
: bij beroep: Il travaille dans
la police. Hij werkt bij
de politie.
in: 1
en voor zelfst.naamw. die geen voorwerp aangeven: en danger - in gevaar
2 à als vage
plaatsbepaling: à
la main, à
l’étranger - in de hand, in het buitenland
3 dans voor samengestelde
landen enkelvoud: dans
la Grande Bretagne - in Groot Brittannië
4 niet vertalen bij adres: Il habite
rue de l’Ecole. Hij woont in de Rue de l.’Ecole
onder: parmi
(= temidden van): parmi
la foule - onder de menigte
op: 1
de in bepaalde uitdrukkingen: de cette façon, d’un ton fâché - op
die manier, op boze toon
2 contre (na fâché):
fâché contre - boos op
3 en bij bepaalde uitdrukkingen: en ce moment - op
dit moment
4 par +
bijv.naamw. + dag: par
une belle journée - op een mooie dag
5 niet vertalen bij dag, nacht
enz.: un jour - op
een dag
tegen: envers (= jegens): Il est aimable envers moi. Hij is aardig tegen mij.
tot: jusque
+ bepaling van plaats: jusqu’ici, jusqu’où, jusqu’en - tot
hier, tot waar, tot in
tussen: parmi
(= temidden van): parmi
la foule - tussen de menigte
voor : de
na bepaalde woorden. Merci
de ta lettre. Bedankt voor je brief.
uit: par
in uitdrukkingen: apprendre par
cœur - uit het hoofd leren
Bijzonderheden
1. Let op het verschil tussen: à l’ombre = in de schaduw ; dans l’ombre = in het donker
2. De voorzetsels à, de,
en moeten
worden herhaald. De andere mogen
worden herhaald.
Il est allé en
France, en Italie et en Grèce.
3. Let op het verschil:
De qui est ce livre? Il est de Sartre. Van wie is dat boek? Het
is van Sartre. (de auteur )
A qui est ce livre? Il
est à
Pierre. Van wie is dat boek ? Het is van Pierre (eigenaar)
[N4]
|
aangaande
|
concernant |
buiten
|
hors
de |
|
behalve
|
outre,
sauf, excepté |
jegens
|
envers |
|
betreffende
|
concernant |
langs
|
le long de, devant, au bord de |
|
bij gebrek aan |
faute
de |
om |
autour
de |
behalve:
1 outre (=afgezien van)
Outre
les enfants il y avait aussi les parents.
Behalve de kinderen waren er ook de ouders.
2 sauf, excepté (=uitgezonderd)
Tout le monde était là, sauf (excepté) lui. Iedereen was er, behalve hij
langs: 1
le long de: une promenade le
long de la rivière een wandeling langs de rivier
2 devant
(voor langs): le bus passe devant
la maison - de bus rijdt langs het huis
3 au bord de
( bij weg): au bord de
la route - langs de weg
om : autour
de (rondom): autour de la
table - om de tafel
Extra betekenissen
|
aan |
de |
naar |
de |
|
bij |
à,
sur, auprès de
|
tot |
à |
|
in |
sous |
uit |
de,
dans, par |
|
met |
à |
|
|
aan: de in sommige
uitdrukkingen: d’un
côté, de l’autre
côté - aan de ene kant, aan de andere kant
bij: 1
à in uitdrukkingen: au
départ, à
l’arrivée - bij het vertrek, bij aankomst
2 sur bij maten: 3 sur 4 mètres - 3 bij 4 meter
3 auprès de
(langdurige nabijheid): Il reste auprès
du malade. Hij
blijft bij de zieke.
in: sous
(eigenlijk: onder) : sous
la pluie, sous une
tente - in de regen, in een tent
met: à
bij (uiterlijke) kenmerken: la fille aux
yeux bleus - het meisje met de blauwe ogen
naar:
(à destination) de (=met bestemming): le train de Paris - de trein naar Parijs
tot: à
in uitdrukkingen: à
mon regret - tot mijn spijt
uit: 1
(en provenance) de : afkomstig -, komend uit: le
train de Lille - de trein uit Lille
2 dans: bij ‘nemen,
pakken, halen,drinken’
Je
prends un livre dans la
bibliothèque. Ik neem een boek uit
de boekenkast.
Je
bois le thé dans un verre. Ik drink de
thee uit een glas.
3 par: in uitdrukkingen:
apprendre par
cœur - uit het hoofd leren
regarder par la fenêtre - uit
het raam kijken
[N5]
|
binnen
|
à l’intérieur de, en moins de |
om |
tous
les |
|
door |
par, à cause de, à travers, au travers de |
ondanks |
en
dépit de |
|
door
middel van |
moyennant
|
over |
par
dessus, sur |
|
gezien
|
étant
donné, vu |
|
|
binnen: 1 à l’intérieur (=
binnenin): à l’intérieur de
la maison - binnen in het huis
2
en moins de + tijd: en moins d’une heure - binnen een uur
door: 1 par (ergens doorheen zonder obstakel) :
sauter par la fenêtre -
door het raam springen
2 à travers:
(met obstakel): regarder à travers les
arbres - door de bomen (heen) kijken
3 au travers de: idem: regarder au travers des arbres - door de bomen (heen)
kijken
4 à cause de
(= vanwege):
Il
n’est pas sorti à cause de la pluie. Hij is niet uitgegaan vanwege de regen.
gezien:
1 étant donné (= vanwege): étant donné(es) les circonstances
- gezien de omstandigheden
2 vu (= vanwege): vu la situation difficile - gezien de moeilijke situatie
om: tous les bij herhaling (m.): tous les quinze jours - om
de 15 dagen (2 weken)
toutes les
(idem vr.): toutes les
dix minutes -om de tien minuten
over: 1 par-dessus: over .. heen: sauter par-dessus le mur - over de muur springen
2 sur: over
rivier, arm: sur le
fleuve, sur le bras - over de rivier, over de arm
Extra betekenissen
|
behalve
|
hormis |
tegen
|
à |
|
bij |
à, par, près, niet vertalen |
van |
sur,
d’entre |
|
met |
niet
vertalen |
voorbij
|
passé |
|
na |
passé |
|
|
behalve: hormis
(=uitgezonderd): tous, hormis elle - allen, behalve zij
bij:1 à
bij acheter e.d. : A
qui as-tu acheté ces fleurs? Bij
wie heb je die bloemen gekocht?
2 près: soms bij plaatsnaam:
Fauquemont près
Maëstricht - Fauquemont bij Maastricht
3 par + weer, dag: par un temps
merveilleux - bij prachtig weer
4 niet vertalen : wat
meegenomen is: Il n’avait pas de manteau. Hij had geen jas bij zich
met: niet vertalen bij
beschrijving van houding
e.d.:
Il parlait, la bouche pleine. Hij sprak met volle mond.
na: 1 passé: passé dix heures - na tienen
2 uitdrukking: le lendemain de son départ - de dag na zijn vertrek
tegen: à: in sommige uitdrukkingen: vendre à un prix élevé
- tegen een hoge prijs verkopen
van: 1 sur: bepaalde uitdrukkingen: neuf sur dix - negen van de tien
2 d’entre
- na
hoeveelheidsdwoord: plusieurs d’entre eux - verscheidene van hen
- ontkenning of vragend vnw. + pers.vnw.:
aucun d’entre nous - niemand van ons
Qui d’entre vous est le coupable? Wie van jullie is de schuldige ?
voorbij: passé: passé la ferme - voorbij de boerderij
Bijzonderheden
gedurende = durant als de tijdsduur
ononderbroken is, bij pendant hoeft dat niet het geval te zijn.
Durant tout l’hiver il a gelé. Gedurende de hele winter heeft het gevroren.
Je l’ai rencontré pendant mon séjour en France. Ik heb hem tijdens mijn verblijf in Frankrijk ontmoet.
[N2]
|
NEDERLANDS
|
FRANS
|
|
te +
infinitief (hele werkwoord) |
de +
infinitif |
|
geen
voorzetsel |
geen voorzetsel
|
Voorbeeld: Hij besluit te
komen. Il décide de venir.
Ik wil vertrekken. Je veux partir.
Opmerking
Soms kan «de» ook vertaald worden met «om te», maar meestal kun
je het ook weglaten.
Als «om» niet weggelaten kan worden, moet het vertaald worden met
«pour».
Het betekent dan eigenlijk ' met het doel om'.
Je lui permets de
sortir.
Ik sta hem toe (om) uit te gaan.
Je travaille pour gagner de
l’argent Ik
werk om geld te verdienen.
1. Werkwoorden met «à» voor de
infinitif.
|
aider
à |
helpen
(om) te |
avoir
à |
te
.. hebben |
|
apprendre
à |
leren
(te) |
commencer
à |
beginnen
te |
Il m’aide à porter les bagages. Hij helpt mij de bagage te dragen.
Nous apprenons à parler le français. Wij leren Frans spreken.
J’ai quelque chose à faire. Ik heb iets te doen.
Il commence à pleuvoir. Het begint te regenen.
[N3]
|
continuer
à |
doorgaan
met |
|
hésiter
à |
aarzelen
(om) te |
|
inviter
à |
uitnodigen
(om) te |
|
réussir
à |
erin
slagen om te |
Elle continue à parler. Zij gaat door met praten (Zij blijft maar praten)
Il réussit à me trouver. Hij slaagt erin mij te vinden.
[N4]
|
arriver
à |
erin
slagen om te |
se
mettre à |
beginnen
te |
|
chercher
à |
proberen
om te |
parvenir
à |
erin
slagen om te |
|
consentir
à |
erin
toestemmen om |
se
préparer à |
zich
gereed maken om te |
|
encourager
à |
aanmoedigen
om |
|
|
Je n’arrive (parviens) pas à vous comprendre. Ik slaag er niet in jullie te
begrijpen.
Il se met à pleuvoir. Het
begint te regenen.
[N5]
|
aimer
à |
ervan
houden om te |
passer
à |
doorbrengen
met |
|
s’attendre
à |
verwachten |
tenir
à |
beslist
willen |
J’attends à être bien reçu. Ik verwacht goed ontvangen te worden.
Nous tenons à faire des
progrès. Wij willen beslist vorderingen maken.
Opmerking
aimer wordt meestal gebruikt zonder voorzetsel, maar komt
ook voor met «à»
en een enkele keer ook met de: Il aime à danser.
[N2]
2. Werkwoorden
zonder voorzetsel in het Frans, met voorzetsel in het Nederlands.
|
aimer
|
houden
van |
détester
|
een
hekel hebben aan, haten |
|
adorer
|
dol
zijn op |
préférer
|
de
voorkeur geven aan, liever hebben |
Elle aime danser.
Zij houdt ervan te dansen. (Zij houdt van dansen / Zij danst
graag)
J’adore chanter. Ik ben dol op zingen.
Je déteste travailler.Ik heb
er een hekel aan om te werken (Ik haat werken)
Je préfère rester. Ik geef er de voorkeur aan te blijven. (Ik
blijf liever)
[N3]
|
aimer
mieux |
er
de voorkeur aan geven om te |
espérer
|
hopen
|
|
croire
|
menen |
oser |
durven
|
|
désirer
|
wensen |
sembler
|
lijken
|
J’aime mieux rester. Ik geef er de voorkeur aan te blijven. (Ik blijf liever)
J’espère avoir le temps. Ik hoop tijd te hebben.
[N4]
|
paraître
|
schijnen |
|
valoir
mieux |
beter
zijn |
Il vaut mieux partir. Het is beter te vertrekken (Je
kunt beter vertrekken)
[N5]
|
compter
|
van
plan zijn |
penser
|
denken |
Que
comptes-tu faire? Wat
ben je van plan te doen?
Let op het verschil
commencer à = beginnen te ; commencer par = beginnen met
Il commence à pleuvoir. Het begint te regenen.
Il commence par pleurer. Hij begint met huilen (Eerst huilt hij).