Download Tekst : DOC-versie
PDF-versie
|
1. Wie [N2-3] |
4. Overige vraagwoorden
[N1-3] |
|
2. Wat [N2-3] |
5. Vraagwoord + que +
Subj. [N4] |
|
3. Welk [N2-3] |
|
[N2]
|
|
Onderwerp |
Lijdend
voorwerp |
Na
voorzetsel |
|
wie |
qui (est-ce
qui) |
qui (est-ce
que) |
(à) qui (est-ce que) |
Onderwerp: Qui a
frappé? / Qui est-ce qui a frappé? Wie
heeft geklopt?
Lijd.voorwerp: Qui vois-tu? / Qui est-ce que
tu vois? Wie zie jij?
Na voorzetsel: A qui penses-tu? / A qui est-ce
que tu penses? Aan
wie denk jij?
De vorm Qui est-ce qui wordt minder vaak gebruikt.
Opmerking
1.
Om inversie (omkering van werkwoord en onderwerp) te vermijden kan men in de
directe vraag
est-ce que toevoegen als ‘wie’ lijdend voorwerp is.
[N3]
2. Let op de vertaling van wie (= hij die, degene(n) die, enz).
Wie is dan een betrekkelijk voornaamwoord met
ingesloten antecedent.
In het Frans is het antecedent nooit ingesloten en
moet vertaald worden met
celui (celle, ceux,
celles) qui
Wie
(= Degene
die) dat zegt is een
leugenaar.
Celui qui dit cela est un menteur.
Wie (= Zij die) dat zegt is een
leugenaarster.
Celle qui qui
cela est une menteuse.
Wie (=
Zij [m.] die ) dat zeggen zijn
leugenaars. Ceux
qui disent cela sont des menteurs.
Wie
(=
Zij [vr.] die) dat zeggen
zijn leugenaarsters. Celles qui disent
cea sont des menteuses.
Al wie (= Al diegenen die) dat zeggen, zijn leugenaars. Tous
ceux qui disent cela sont des menteurs.
[N2]
|
|
Onderwerp
|
Lijdend
voorwerp |
Na
voorzetsel |
Zonder
werkwoord |
|
wat |
qu’est-ce
qui |
que /
qu’est-ce que |
(à) quoi (est-ce que) |
quoi |
Onderwerp:
Qu’est-ce qui se passe? Wat
gebeurt er?
Lijdend voorwerp: Que fais-tu? / Qu’est-ce
que tu fais? Wat doe jij?
Na voorzetsel: A quoi
penses-tu? / A quoi est-ce que tu penses? Waaraan denk jij?
Zonder werkwoord: Quoi? Wat?
[N3]
Opmerking
1. Om inversie (omkering van werkwoord en onderwerp) te
vermijden kan men in de directe vraag
est-ce que toevoegen als
‘wat’ lijdend voorwerp is of na een voorzetsel staat.
2. Waarmee, waaraan, waarvan enz. moet bij
vertaling in het Frans gesplitst worden in :
met wat,
aan wat, van wat enz. (avec quoi, à quoi, de quoi enz.)
3. ‘Wat’ + vorm van werkwoord ‘zijn’
= Quel, quelle, quels, quelles + vorm van être
Quel est le prix? Wat is de prijs?
Quelle est la
réponse? Wat is het antwoord?
Quels sont leurs
projets? Wat zijn hun plannen?
Quelles sont leurs
intentions? Wat zijn hun
bedoelingen.
N.B. Als naar een definitie gevraagd wordt,
zegt men :
<qu’est-ce que>
of <qu’est-ce que c’est
que>
Qu’est-ce qu’une île? / Qu’est-ce que c’est
qu’une île? Wat
is een eiland?
4. Uitdrukkingen
A quoi bon de rester?
Wat heeft het voor zin (waar is het goed
voor) te blijven?
Quoi de
neuf? Wat is er voor nieuws?
Quelle (sorte de)
fleur est-ce? Wat
voor bloem is dat?
Pas de quoi. Niets te danken.
5. ‘Wat’ in de indirecte vraag is een
betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent .
In het Nederlands kan men dat vervangen door
‘hetgeen (= datgene wat)’.
In het Frans is het antecedent niet
ingesloten en moet vertaald worden met :
ce qui
(onderwerp) - ce que (lijdend voorwerp)
DIRECTE
VRAAG
INDIRECTE VRAAG
Qu’est-ce qui se
passe? Dis-moi ce qui se
passe. Zeg mij wat er
gebeurt.
Qu’est-ce que tu
fais? Dis-moi
ce que tu fais. Zeg mij wat je doet.
6. Als je
iets niet begrepen of verstaan hebt, gebruikt men in de spreektaal meestal
‘Comment?’ (Wat?)
7. Wat als uitroep wordt vertaald met <Que + werkwoord> of <Quel + zelfst. naamwoord>
Que
c’est triste! Wat
is dat triest!
Quel bruit! Wat een lawaai!
8. Overzicht vertalingen van <wat>
wat =
onderwerp
Qu’est-ce qui se passe? Wat
gebeurt er?
wat =
lijd.voorwerp Qu’est-ce que
tu fais?
Wat doe jij?
wat + vorm van
‘être’ Quel est le
prix?
Wat is de prijs?
wat = hetgeen (ond.)
Dis-moi ce qui se passe. Zeg
mij wat (er) gebeurt.
wat = hetgeen
(lijd.vw) Dis-moi ce que tu fais. Zeg mij wat je doet.
wat (bij definitie)
Qu’est-ce qu’une île?
Wat is een
eiland?
wat (zonder
werkw.) Quoi? /
Comment? Wat?
wat (uitroep +
ww) Que c’est
triste!
Wat is dat
triest!
wat (uitroep +
zelfst.nw) Quel
bruit!
Wat een lawaai!
[N2]
A. Bijvoeglijk (voor zelfstandig naamwoord of vorm van être)
|
|
Mannelijk |
Vrouwelijk |
|
Enkelvoud |
quel |
quelle |
|
Meervoud |
quels |
quelles |
Quel frère?
Welke broer. Quels
frères? Welke
broers?
Quelle soeur? Welke
zus(ter) Quelles soeurs? Welke zusters?
Opmerkingen
1. De vormen van het enkelvoud en meervoud hebben dezelfde
uitspraak,
behalve als er een klinker of stomme h achter
staat.
De s van quel(le)s wordt dan als z uitgesproken.
Quel
enfant? Quels_enfants?
2. <quel + vorm van être> wordt vertaald met <wat is /
zijn>
Quel est le prix? Wat is de prijs
3. <Quel> in een uitroep wordt vertaald met <Wat een>
Quel bruit! Wat een lawaai!
4. Uitdrukkingen
Quel temps fait-il? Wat voor weer is het? (letterlijk : Welk weer
is het?)
Quelle heure est-il? Hoe laat is het? (letterlijk : Welk uur is het?)
[N3]
B. Zelfstandig (alleenstaand of gevolgd door <de>)
|
|
Mannelijk |
Vrouwelijk |
|
Enkelvoud |
lequel |
laquelle |
|
Meervoud |
lesquels |
lesquelles |
Voici deux livres. Lequel
(de ces livres) voulez-vous? Welke (van die boeken) wilt u?
Voici deux robes. Laquelle (de ces robes)
voulez-vous? Welke (van die jurken)
wilt u?
Donnez-moi les livres. Lesquels,
monsieur? Welke,
meneer?
Donnez-moi ces fleurs. Lesquelles, madame? Welke, mevrouw?
[N2]
|
quand |
wanneer |
Opmerkingen
1. Où betekent niet alleen ‘waar’, maar ook ‘waarheen,
waarin’, enz.
Où
vas-tu? Waar ga je heen (naar toe)
[N3]
2. ‘Comment’ wordt ook gebruikt om aan te geven dat
je iets niet begrepen of verstaan hebt.
Comment? Wat?
[N4]
Als een vraagwoord gevolgd wordt door <que + Subjonctif>, vertalen
we het met <vraagwoord ... ook>
qui que ce
soit wie
het ook is (zijn moge)
quoi que ce soit
wat het ook
is
où
que ce soit
waar het ook
is