WOORDVOLGORDE  Home

  Download Tekst : DOC-versie   PDF-versie

 

 1.Niet vragende zin [N2,3,5]

 2.Vragende zin [N1-3,5]

 3.Klemtoonconctructie [N3]

 


[N2]

I. NIET VRAGENDE ZIN  

    Algemene regel

 (bijw. bepaling)

onderwerp

hele gezegde

lijd. voorwerp

meew. voorwerp

(bijw. bepaling)

                 Hier soir                nous          avons donné      un cadeau          à Yvonne.

    Opmerkingen

    1. Als in het Nederlands de zin begint met een bijwoordelijke bepaling, 
`        komt het onderwerp achter het werkwoord te staan. 
             ‘Gisteravond hebben wij een cadeau gegeven aan Yvonne.’
        In het Frans blijft de volgorde zoals die was zonder bijwoordelijke bepaling. 
        Het onderwerp blijft dus voor het  werkwoord staan. 

    2. Let op de plaats van het meewerkend voorwerp! 
        Bovenstaande zin kan ook vertaald worden met :
           Gisteravond hebben wij Yvonne een cadeau gegeven.’
        Omdat Yvonne meewerkend voorwerp is (je kunt er <aan> voor zetten), 
         moet er in het Frans  <à> voor staan.
        De plaats van het meewerkend voorwerp is achter het lijdend voorwerp.

    3. Voor de plaats en de volgorde van het persoonlijk voornaamwoord en <y> en <en>
          gelden aparte regels.
        Deze zijn te vinden bij het hoofdstuk over de Persoonlijke voornaamwoorden.

    4. Als de bijwoordelijke bepaling uit slechts één bijwoord bestaat, 
          gelden aparte regels.
         Deze zijn te vinden in het hoofdstuk over het Bijwoord.

[N3]

    INVERSIE (onderwerp achter werkwoord)

    In de volgende gevallen krijgt men inversie.

    1. Als het gesproken woord vooraf gaat.
          
‘Bonjour’, dit Roger.  ‘Mais non’, a-t-il dit.

    2. Als de zin begint met een van de volgende bijwoorden en het onderwerp 
          een persoonlijk voornaamwoord is of ‘ce’ of ‘on’. 
        Het bijwoord heeft dan wel een andere betekenis dan gewoonlijk. 

 aussi

 dan ook

 encore

 en dan nog

 toujours

 zoveel is zeker, toch

    Il a beaucoup travaillé. Aussi est-il fatigué. Hij heeft veel gewerkt. Hij is dan ook moe.
   
Il n’y en a qu’un seul exemple,                      Er is maar een voorbeeld,
          encore n’est-il pas juste.                           
en dan nog is het niet juist.
    Toujours est-il qu’on l’a vu à Paris.              Zoveel is zeker dat men hem in Parijs heeft gezien.

   

[N5] 

    3. In de volgende gevallen is inversie facultatief (niet verplicht)

        A. In bijzinnen die beginnen met één van de volgende woorden , wanneer het onderwerp 
             een persoonlijk voornaamwoord is of ‘ce’ of ‘on'

 à peine

 nauwelijks

 vainement / en vain

 tevergeefs

 au moins / du moins

 ten minste

 à plus forte raison

 des te meer

 sans doute

 waarschijnlijk

 tout au plus

 op zijn hoogst

 peut-être

 misschien

 

 

             Peut-être réussirez-vous.     Misschien zult u slagen.
           
À peine étais-je parti ...         Nauwelijks was ik vertrokken

        B. In bijvoeglijke bijzinnen (beginnend met een betrekkelijk voornaamwoord) als het onderwerp
              een zelfstandig naamwoord is.

            Voici la maison où est né l’empereur.    Dit is het huis waar de keizer is geboren.

        C. Bij een Futur du Passé (Conditionnel) als het woord ‘hoewel (al)‘ is weggelaten.

            Aurait-il tout l’or du monde, il ne serait pas content. 
                       
Al had hij al het goud van de wereld, hij zou niet tevreden zijn.

        D. Na 'tout...que, quelque ... que, si ... que' als het onderwerp een zelfstandig naamwoord is.

           Quelque (Si) grands que puissent être vos talents ...  Hoe groot uw talenten ook (mogen) zijn ...

        E. Bij indirecte vragen met zelfst.aamwoord als onderwerp en zonder lijdend voorwerp.

           Je lui ai demandé combien avait coûté ce livre . Ik heb hem gevraagd hoeveel dat boek had gekost.

        F. Na de volgende bijwoorden wanneer het onderwerp een zelfst.naamwoord is en er geen 
             lijdend voorwerp in de zin staat. 

 ainsi

 zo

 ici

 hier

 alors

 dan

 là

 daar

            Ici finit l’histoire.            Hier eindigt het verhaal.


[N1]

II VRAGENDE ZIN  

    A. Zonder vraagwoord

          Als je in het Frans een vraag stelt, kun je dit op verschillende manieren doen.

1. Gewone zin + vraagteken

           De gewone zin wordt op vragende toon uitgesproken.
              Tu fais du sport?  Doe jij aan sport?

2. Est-ce que + gewone zin + vraagteken

           Voor de gewone zin zet je <Est-ce que>. Verder is deze vraagmanier gelijk aan 1.
              
Est-ce que tu fais du sport?  Doe jij aan sport?

[N2]

3. Omkering als onderwerp pers.vnw. is of ‘ce’ of ‘on’

           Deze vraagvorm is gelijk aan die van het Nederlands.
                Fais-tu du sport?  Doe jij aan sport?

           Opmerking

             1. Tussen het werkwoord en het persoonlijk voornaamwoord komt een streepje (trait d’union)

             2. Bij ‘il, elle’ en ‘on’ komt ook nog een t te staan tussen het werkwoord en het pers.voornaamwoord
                  als het werkwoord op een klinker eindigt.
                            
il parle             parle-t-il        spreekt hij
                             il a                    a-t-il               heeft hij
                             on a                 a-t-on            heeft men

             3. Let op de plaats van het pers.voornaamwoord in vragende ontkennende zinnen.
                   N’a-t-il pas beaucoup d’amis?  Heeft hij niet veel vrienden?

[N3]

4. Samengestelde vraagconstructie  (combinatie van 1 en 3)

           Als het onderwerp een zelfstandig naamwoord is, kan de 3e vraagvorm niet gebruikt worden.
           In plaats daarvan neemt men de gewone zin en herhaalt het onderwerp met ‘il(s) of elle(s)’
           De gewone zin  ‘Roger fait du sport’ wordt dan :
                 Roger, fait-il du sport? Doet Roger aan sport? 


[N2]

    B. Met vraagwoord

     Na een vraagwoord heeft men de keuze uit verschillende vraagvormen 

1. vraagwoord (= deel van het onderwerp) + gewone zinsvolgorde

             Deze manier is alleen mogelijk als het vraagwoord onderwerp is of er deel van uitmaakt.

                        Qui est là?                                          Wie is daar?
                        Quels élèves sont absents?          Welke leerlingen zijn afwezig?
                        Combien d’enfants sont restés?  
Hoeveel kinderen zijn gebleven?

2. vraagwoord + est-ce que + gewone zinsvolgorde

             Deze manier is altijd mogelijk.      
                 
Qu’est-ce que c’est?                                  Wat is dat?
                  Où est-ce que tu as vu ce match?           Waar heb je die wedstrijd gezien?
                  Pourquoi est-ce que tu n’es pas venu?
Waarom ben je niet gekomen?

3. vraagwoord + inversie  (omkering onderwerp - werkwoord)

             Deze manier kan alleen als het onderwerp een persoonlijk voornaamwoord is of ‘ce’ of ‘on’.
             Met een zelfstandig naamwoord als onderwerp kan deze manier alleen 
              als er geen lijdend  voorwerp volgt.
                 Où as-tu vu ce match?    Waar heb je die wedstrijd gezien?
                 
Qui est-ce?                       Wie is dat?
                 Où est Roger?                 Waar is Roger?
                 Quel âge a ta soeur?     
Hoe oud is je zus?

[N3]

4. gewone zin + vraagwoord achteraan (spreektaal)

                                                 
           In de spreektaal gebruikt men vaak deze vraagconstructie.
              
Tu es venu comment?     Hoe ben je gekomen?
               C’est quand?                    
Wanneer is het? 

5. vraagwoord + gewone zinsvolgorde (spreektaal)

           Dit is vraagmanier 2, maar dan zonder ‘est-ce que’
               Pourquoi tu n’es pas venu?   
Waarom ben je niet gekomen.

  

[N5]

6. vraagwoord + samengestelde vraagconstructie

             Als het onderwerp een zelfstandig naamwoord is, gebruikt men vaak 
                de samengestelde vraagconstructie.
             Alleen als er geen lijdend voorwerp in de zin staat, kan men soms ook 
                de vorige vraagmanier gebruiken, behalve bij <pourquoi>.
                 
Pourquoi votre soeur est-elle absente?    Waarom is uw zuster afwezig?          
                 De qui votre ami tient-il cette nouvelle?     
Van wie heeft uw vriend dit nieuws?           


[N3]

III. KLEMTOONCONSTRUCTIE (Periphrase grammaticale) 

     De klemtoonconstructie kan de vaste volgorde veranderen.  Er zijn 2 constructies mogelijk : 

 A. C’est ... qui  (beklemtoonde onderwerp)

          Als het onderwerp accent krijgt, plaatst men dat tussen <C’est ... qui>. 
            De rest van de zin blijft onveranderd.
          Wel krijgt men bij de persoonlijke voornaamwoorden de nadruksvorm : moi, toi enz.
            
J’ai vu Jean à la gare.                               
                  C’est moi qui ai vu Jean à la gare.          
Ik heb Jan op het station gezien.
             Monique ne veut pas danser.
                  
C’est Monique qui ne veut pas dansen.  Monique wil niet dansen.

B. C’est ... que  (andere zinsdelen)

         Delen van een zin die geen onderwerp zijn, kan men benadrukken 
            door ze te plaatsen tussen <C’est ... que>.
              
C’est Jean que j’ai vu à la gare.          Ik heb Jan op het station gezien.
              C’est à la gare que j’ai vu Jean.         
Ik heb Jan op het station gezien.
              Paris est une belle ville.
              C’est une belle ville que Paris.            Parijs is een mooie stad.

         Opmerking
           De laatste zin is opmerkelijk. Deze constructie krijgt men als het naamwoordelijk deel 
            van het gezegde nadruk krijgt.