Gegeven:
Uit een boek missen een aantal opeenvolgende
bladzijden. De som van de nummers ervan is 9808.
Gevraagd:
Welke bladzijden ontbreken?
Gegeven:
Om een bepaald trajekt af te leggen heeft een
fietser tijdens wind-mee een tijd nodig van
4 minuten. Tijdens dezelfde wind tegen, heeft
hij 6 minuten nodig (dezelfde krachtinspanning).
Gevraagd:
Hoeveel tijd heeft hij nodig bij windstilte.
(weer dezelfde krachtinspanning)
Gegeven:
Aan beide zijden van het water vertrekt een
veerpont (gelijktijdig). Ze passeren elkaar
op 720 meter van de dichtstbijzijnde oever.
Aan de overzijde wordt door beide even lang
gestopt en daarna weer vertrokken. Nu passeren
ze elkaar op 400 meter van de andere oever.
(De snelheden zijn verschillend, maar constant)
Gevraagd:
Hoe breed is het water.
Gegeven:
Een tiental beweringen:
1. Precies een van deze beweringen is onwaar
2. Precies twee van deze beweringen zijn onwaar
3. Precies drie van deze beweringen zijn onwaar
:
enz.
:
9. Precies negen van deze beweringen zijn onwaar
10. Precies tien van deze beweringen zijn onwaar
Gevraagd:
Welke van deze beweringen is waar?
Gegeven:
De volgende staartdeling:
. . 9 / 6 . 8 . . . \ . 5 3
. . . 2
-------
. 9 . .
. . 4 .
-------
. . 4 .
. . . .
-------
0
Gevraagd:
Bepaal alle cijfers
Gegeven:
De volgende staartdeling:
. . . / . . . . . . . .\ . . 8 . .
. . .
-------
. . . .
. . .
-------
. . . .
. . . .
-------
0
Gevraagd:
Bepaal alle cijfers
Gegeven:
Vierkant stuk land met 4 bomen.
Gevraagd:
Kun je het land in vier gelijke stukken verdelen
(gelijk oppervlak en gelijk van vorm), zodat in
elk stuk een boom staat ?
Gegeven:
Op een weiland grazen koeien totdat het gras op is.
- 12 koeien kunnen 16 weken grazen
- 18 koeien kunnen 8 weken grazen
Na 6 weken blijkt het gras op te zijn.
Gevraagd:
Hoeveel koeien grazen er?
Gegeven:
Mijn vrouw en ik komen met nog vier echtparen
samen. Ieder schudt de hand van hen die hij/zij
niet kent. Vervolgens vraag ik aan ieder hoeveel
handen hij/zij heeft geschud. Ik krijg negen
verschillende antwoorden.
Gevraagd:
Hoeveel handen schudde mijn vrouw?
Gegeven:
Drie mannen staan achter elkaar met het gezicht
in dezelfde richting. A staat vooraan, B staat
in het midden en C staat achteraan.
Voor alle duidelijkheid: A ziet niemand, B ziet
alleen A, C ziet zowel A als B.
Uit een zak met drie rode en twee zwarte petjes
wordt ieder een opgezet.
Vraag aan C: Welk petje heb je? C weet het niet.
Vraag aan B: Welk petje heb je? B weet het niet.
Vraag aan A: Welk petje heb je? A weet het wel!!
Gevraagd:
Wat voor kleur petje heeft A op ?
Gegeven:
Een smurf-achtig volkje bestaat uit een groot
aantal mannetjes, die qua denk-proces volledig
identiek zijn. Er is één koning. De koning
zet iedereen een willekeurig petje op uit een
grote zak met witte en rode petjes. (Dit zodanig
dat men z'n eigen petje niet kan zien.)
Hij vertelt erbij, dat er in elk geval één
is die een wit petje op heeft.
Vervolgens vraagt de koning of iedereen met een
wit petje naar voren wil komen. Er gebeurt echter
niets. De volgende dag wordt de vraag herhaald en
er gebeurt weer niets. De vraag wordt elke dag
herhaald en op de tiende dag stappen alle dragers
van een wit petje naar voren.
Gevraagd:
Hoeveel dragen er een wit petje (en waarom)?
Gegeven:
Er zijn 12 gelijk uitziende munten, waarvan
1 vals. De valse munt wijkt in gewicht af
(lichter of zwaarder).
Gevraagd:
Bepaal door 3 metingen met een balans welke munt
vals is (en tevens of deze lichter of zwaarder
is dan de echte). De te wegen combinaties mogen
niet afhangen van het resultaat van een vorige
meting (dus direct alle drie combinaties bepalen).
Gegeven:
Vier personen staan op de hoekpunten van een
denkbeeldig vierkant met zijden van 100 meter.
Ieder staat in de richting van een ander zoals
aangegeven in de figuur. Alle vier lopen nu met
dezelfde snelheid in de richting van degeen
waarnaar hij kijkt. Ze lopen dus volgens een
gebogen lijn en belanden uiteindelijk in het
midden van het vierkant, waar ze alle vier
gelijktijdig arriveren.
Gevraagd:
Hoeveel afstand heeft ieder afgelegd?
Gegeven:
Twee mannen lopen op een spoorbrug en zijn op 1/3.
Plotseling nadert er van achteren een trein met
een snelheid van 60 km/h. Beide mannen rennen met
dezelfde snelheid elk naar een ander eind van de
brug. Beiden kunnen de de trein op het nippertje
ontwijken.
Gevraagd:
Hoe snel liepen ze?
Gegeven:
Een schip vaart op een rivier op volle kracht
tegen de stroom in. De schipper laat bij
kilometerpaal 100 een fles over boord vallen.
Als hij dit na vijf minuten ontdekt keert hij
onmiddelijk (tijdloos) en vaart op volle kracht
terug. Bij kilometerpaal 101 is hij bij de fles.
Gevraagd:
Hoe groot is de stroomsnelheid van het water ?
Gegeven:
Een militaire colonne van 1 km lang loopt met
een snelheid van 6 km/uur. Een koerier wordt
op fiets vanaf de staart naar de kop gestuurd
voor een boodschap. Voor aangekomen keert hij
onmiddelijk (tijdloos) met dezelfde snelheid
terug. Als hij weer bij de staart is, heeft
de colonne sinds zijn start 1 km afgelegd.
Gevraagd:
Hoe snel fietst de koerier ?
Gegeven:
Voor een muur staat een bloembak van 1 m hoog
en 1 m diep. Tegen deze muur wordt een ladder
gezet van 7 m lengte.
Gevraagd:
Hoe hoog kan de ladder maximaal komen ?
Van deze puzzel heb ik (nog) geen oplossing
kunnen vinden die recht-toe-recht-aan tot het
antwoord leidt. Ik kan het alleen iteratief.
Als iemand een elegante oplossing vindt dan
ben ik zeer benieuwd!!
Gegeven:
Een cirkel-vormig weiland met een straal van
100 meter. Op de rand van het weiland staat
een paal waaraan een geit via een touw is
verbonden.
Gevraagd:
Hoe lang moet het touw zijn, zodat de geit
de helft van het oppervlak kan bereiken?
Gegeven :
Bij de stemming over een motie moeten voorstanders
gaan staan. Het resultaat lijkt positief omdat het
verschil tussen het aantal mensen dat staat en het
aantal mensen dat zit eenderde (1/3) is van het
aantal mensen dat is blijven zitten.
Na enige verwarring wordt echter opnieuw gestemd
en wordt de motie alsnog met één stem verschil
verworpen. Het bleek namelijk, dat er elf (11)
tegenstanders moesten blijven staan door een tekort
aan stoelen.
Gevraagd :
Hoeveel mensen namen aan de stemming deel?
Gegeven:
De belasting-inspecteur belt bij mij aan en
vraagt mij naar de leeftijden van mijn drie
kinderen. Ik zeg hem dat het produkt van hun
leeftijden 36 is. De man zegt hiermee niet
uit de voeten te kunnen en daarom zeg ik hem
dat de som van hun leeftijden gelijk is aan
mijn huisnummer. De man bekijkt het huisnummer
en zegt dat hij nog onvoldoende weet.
Nadat ik hem verteld had dat mijn jongste kind
volgende week jarig is ging de man tevreden weg.
Gevraagd:
Hoe oud zijn mijn kinderen?
Hoe moet de onderstaande figuur in zo weinig
mogelijk stukken worden verdeeld, zodat twee
kleinere vierkanten kunnen worden gevormd
zonder dat de stukken worden gedraaid?
(Alleen langs de lijnen knippen)
Gegeven:
Een waterlelie steekt 10 cm boven het
wateroppervlak uit. Door de wind gaat de lelie
op 40 cm afstand onder water.
Gevraagd:
Hoe diep is het water ?
Gegeven:
Van een stuk grasland kunnen eten:
Koe en geit : 45 dagen
Koe en gans : 60 dagen
Koe alleen : 90 dagen
Geit en gans : 90 dagen
Gevraagd:
Hoe lang kunnen ze alle drie eten?
Gegeven:
Een vader, moeder en kind. Tijdens de verjaardag
van een van de drie is de som van hun leeftijden
70 jaar, en de vader is 6x zo oud als het kind.
Als de vader 2x zo oud is als het kind is de som
van de drie leeftijden 2x zo groot als nu.
Gevraagd:
Hoe oud is de moeder.
Gegeven:
Als een boer 75 van zijn kippen verkoopt kan hij
20 dagen langer met het voer toe dat hij heeft.
Als hij er 100 bij koopt is hij 15 dagen eerder
door zijn voer heen.
Gevraagd:
Hoeveel kippen heeft de boer?
Gegeven:
Een handelaar is in staat met een balans en een
aantal gewichten artikelen af te wegen t/m 4 kg
met een resolutie van 100 gram.
Gevaagd:
Hoeveel gewichten heeft hij minimaal nodig en
hoe zwaar zijn deze?
Gegeven:
Een trein rijdt van A naar B. Een uur na het
vertrek treedt een storing op, waardoor de
snelheid terugvalt naar 60%. Hierdoor komt de
trein 2 uur te laat aan in B. Als de storing
50 km later was opgetreden zou de trein
40 minuten vroeger aangekomen zijn.
Gevraagd:
Hoe ver is het van A naar B?
Gegeven:
Drie auto's staan, elk met een volle tank van
45 liter benzine, aan het begin van een lange
weg. Ze beschikken verder over voorzieningen
om benzine over te hevelen. Het verbruik is
voor alle drie 1 liter per 12 km.
Gevraagd:
Welke afstand kan worden overbrugd door een
van de auto's waarbij de andere twee weer op
eigen kracht terug bij het vertrekpunt kunnen
komen?
Gegeven:
Een parachutist landt in een strook bos van
1 km breed en meer dan 10 km lang. Het bos is
zo dicht, dat hij de buitenste boom moet zijn
gepasseerd voordat hij merkt dat hij het bos
uit is. Verder is hij in het bezit van een
kompas en apparatuur om de gelopen afstand te
bepalen.
Gevraagd:
Hoe moet hij lopen zodat hij na een minimale
afstand te hebben afgelegd gegarandeerd buiten
het bos komt?
Gegeven:
Om een ronde tafel zitten 10 echtparen, zodat
elk echtpaar tegenover elkaar zit. De dames
staan op, schuiven een aantal plaatsen op en
gaan weer zitten. Elke dame zit nu bij een
vreemde heer op schoot.
Gevraagd:
Hoe zitten de echtparen aan tafel en hoeveel
plaatsen schuiven de dames op?
Gegeven:
Door het midden van een massieve bol is een
gat geboord (door-en-door). De lengte van het
gat is 6 cm.
Gevraagd:
Wat is het volume van het resterende deel?
Gegeven:
Van een getal leveren de tweede macht en de
derde macht samen alle cijfers [0..9] precies
één maal.
Gevraagd:
Wat is dit getal?
Gegeven:
Ik kom elke dag om 5 uur met de trein aan.
Op datzelfde moment arriveert mijn vrouw per
auto om mij op te halen. Op een dag neem ik
een trein eerder en kom dus om 4 uur aan.
Ik loop mijn vrouw alvast tegemoet en zodoende
zijn we die dag 20 minuten eerder thuis.
Gevraagd:
Hoe lang heb ik moeten lopen?
Gegeven:
Een getal eindigt met het cijfer 4.
Verplaats deze 4 naar de eerste positie (de
andere cijfers schuiven daardoor dus een
positie naar rechts). Er ontstaat hierdoor
een nieuw getal, dat 4 maal zo groot is.
Gevraagd:
Wat is het kleinste getal waarbij dit geldt?
Gegeven:
In een steeg staat tegen beide muren een
ladder met de voet tegen de tegenoverliggende
muur. De ene ladder is 4 meter lang en de
andere 5 meter. Ze kruisen elkaar op een
hoogte van 1 meter.
Gevraagd:
Hoe breed is de steeg ?
Gegeven:
Twee lege vazen, een zak met 100 rode knikkers
en een zak met 100 zwarte knikkers. U moet de
knikkers over de twee vazen verdelen en daarna
geblindoekt uit een willekeurige vaas een
knikker pakken. Als dit een rode knikker blijkt
te zijn heeft u gewonnen. (na het vullen worden
de vazen eerst geschud)
Gevraagd:
Hoe kunt u het best de knikkers over de vazen
verdelen. (of maakt het niets uit)
Gegeven:
Een vader is vier keer zo oud als de zoon was
toen de vader twee keer zo oud was als de zoon
nu is. Negen jaar geleden waren ze samen 50.
Gevraagd:
Hoe oud is de zoon nu?
Gegeven:
Na het winnen van een quiz moet ik kiezen uit een
drietal gesloten deuren. achter één deur ligt
een prijs; achter de andere deuren ligt niets.
Nadat ik een keuze heb gemaakt opent de quizmaster
(die weet waar de prijs ligt) één van de overige
deuren, waar echter niets achter blijkt te liggen.
Vervolgens vraagt hij of ik mijn keuze wil herzien.
Gevraagd:
Moet ik bij mijn eerste keuze blijven, moet ik de
andere dichte deur kiezen of maakt het niets uit?
Gegeven:
Een vlak van 100x100 cm en een voldoende aantal tegels
van 10x20 cm om dit vlak geheel vol te leggen. Dit
kan op een groot aantal manieren.
Van het vlak moet echter in twee tegenovergestelde hoeken
een stuk van 10x10 cm vrij blijven.
Gevraagd:
Is het mogelijk om het resterende deel volledig met
hele tegels te bedekken?
Zo ja: geef een voorbeeld
Zo nee: waarom niet
Gegeven:
Ik heb drie zwarte en drie witte knikkers en verdeel
deze in drie paren: Z+Z, W+W, Z+W. Verder heb ik drie
doosjes, met daarop de teksten "Z+Z", "W+W" en "Z+W".
Ik doe in elk doosje een knikkerpaar, waarbij op geen
enkel doosje het opschrift klopt met de inhoud.
Gevraagd:
Kun je te weten komen welk paar in welk doosje zit
door slechts één doosje zover open te schuiven dat
je maar één knikker kunt zien?
Gegeven:
Zes kwartjes zijn in een driehoek tegen elkaar gelegd.
Een zevende kwartje laat ik langs de gehele rand van
deze figuur rollen.
Gevraagd:
Hoeveel omwentelingen maakt het zevende kwartje?
Gegeven:
Een vel papier, bedrukt als een schaakbord
Gevraagd:
Kunt u dit vel zodanig verknippen (over de lijnen),
dat er uitsluitend stukken ontstaan met twee maal
zoveel vlakken van de ene als van de andere kleur?
- Zo ja, geef een voorbeeld
- Zo nee, waarom niet
Gegeven:
Een komkommer weegt 2 kg, waarvan 99% water is. Deze
komkommer wordt 's morgens in de zon gelegd. 's Avonds
blijkt dat een deel van het water is verdampt, en vormt
water nog 98% van het gewicht.
Gevraagd:
Hoe zwaar is nu de komkommer?
Gegeven:
Ik heb tien pennendozen. In vijf daarvan zit een potlood
en in vier zit een pen (een doos kan dus ook beide bevatten).
Ik maak vervolgens een willekeurige doos open.
Gevraagd:
Hoe groot is de kans dat deze leeg is?
Gegeven:
Voor een spoorlijntje met een aantal stations is er voor elk
denkbare traject een verschillend kaartje (ook verschillend
voor A->B en B->A).
Na uitbreiding zijn er 34 nieuwe kaartjes nodig.
Gevraagd:
Hoeveel stations waren er voor de uitbreiding?
Gegeven:
Negen punten in een 3x3 matrix volgens onderstaande figuur.
Gevraagd:
Teken hierin vier aaneengesloten rechte lijnstukken, die
elk van de negen punten precies een keer kruisen.
Gegeven:
Een groep mensen krijgt in het donker elk een petje op, dat
rood of wit is. De mensen komen een-voor-een naar buiten en
moeten zonder te communiceren een rij vormen die aan de ene
kant aleen rode petjes bevat en aan de andere kant witte
petjes (dus bijvoorbeeld RRRRRRRRWWWWWWW).
Gevraagd:
Wat moet ieder doen zodra hij/zij naar buiten komt?
Gegeven:
Ik loop mee op een roltrap met een snelheid van 1 trede per
seconde. Na 50 stappen ben ik aan het eind. Ik draai me om
en ren met een snelheid van 5 treden per seconde terug. Na
125 stappen ben ik weer aan het begin van de roltrap.
Gevraagd:
Hoeveel stappen heb ik nodig als de roltrap stil staat?
Gegeven:
Ik wil een kamer van 9x12 meter voorzien van vloerbedekking.
In het midden mag een stuk van 1x8 meter onbedekt blijven.
(totaal dus 9x12 - 8 = 100 m^2)
Gevraagd:
Hoe moet ik een stuk vloerbedekking van 10x10 meter in twee
delen knippen, zodat ik hiermee mijn kamer kan beleggen?
Gegeven:
Onderstaande figuren zijn opgebouwd uit dezelfde stukken.
Gevraagd:
Hoe ontstaat het "gat" in de onderste figuur?
Gegeven:
Twee lonten, die elk een brandduur hebben van één uur,
maar die niet met een constante snelheid branden.
Gevraagd:
Hoe kan ik met deze twee lonten (en een aansteker) een tijd
van 45 minuten afmeten?
Gegeven:
Twee concentrische cirkels en een raaklijn aan de binnenste
cirkel. De afstand tussen het raakpunt en het snijpunt met
de buitenste cirkel is 1.
Gevraagd:
Wat is het oppervlak van de "ring" tussen beide cirkels?
Gegeven:
Mijn buurman en ik gaan beide 15.000 km van onze woonplaats
op vakantie.
Gevraagd:
Wat is de maximale afstand tussen onze vakantiebestemmingen?
(De omtrek van de aarde is 40.000 km)
Gegeven:
Drie personen (A, B of C) hebben elk een wit of zwart
petje op, waarbij alleen bekend is dat ze niet alle
drie wit zijn. A ziet B en C, B ziet A en C, C is blind.
Aan A wordt gevraagd welke kleur hij heeft. A zegt dat hij
het niet weet. Daarna wordt dezelfde vraag aan B gesteld.
Deze zegt ook dat hij het niet weet. Tenslotte wordt het
aan C gevraagd. Deze zegt dat hij het wel weet!
Gevraagd:
Welke kleur heeft C op?
Gegeven:
Als ik nog slechts 8 meter van de bus ben verwijderd begint
deze weg te rijden met een versnelling van 1 m/s^2.
Gevraagd:
Hoe hard moet ik gaan rennen om nog net op het achterbalcon
te kunnen springen?
Gegeven:
Ik beschik over een onbeperkte hoeveelheid
witte en zwarte knikkers. Ik doe 100 witte knikkers
in een zak samen met een willekeurig aantal
zwarte knikkers. Ik pak steeds twee knikkers
uit de zak en ik leg een witte terug bij twee
verschillende, anders leg ik een zwarte terug.
Het totale aantal knikkers in de zak neemt dus
steeds met één af. Uiteindelijk neem ik dus
de laatste twee en leg weer één terug.
Gevraagd:
Welke kleur heeft de laatste knikker die wordt terug
gelegd (en waarom)?
Gegeven:
Rangeerspoor met twee wagons (rood en groen) van elk
5 meter lang en een locomotief (blaauw) van 10 meter
lang. Het dode spoor rechts-onder is 15 meter lang en
het dode spoor links-onder is 5 meter lang.
Gevraagd:
Rangeer met behulp van de locomotief de beide wagons
zodanig dat ze van plaats verwisseld zijn, en de
locomotief weer op dezelfde plaats staat.
Gegeven:
De volgende regels met cijfer-reeksen:
1
11
21
1211
111221
312211
13112221
Gevraagd:
Welke reeks hoort op de volgende regel?
Gegeven:
Een draadkubus met (12) ribben die elk een weerstand
hebben van 1 Ohm.
Gevraagd:
Wat is de weerstand tussen twee tegenoverliggende
hoekpunten?
Gegeven:
Iemand loopt op willekeurige monenten naar het station,
wacht daar op de eerstvolgende trein en gaat dan weer
terug. Hij noteert steeds of het een personen- of een
goederentrein was. Het blijkt dat hij gemiddeld vijf
keer zoveel personentreinen ziet dan goederentreinen,
terwijl er volgens de dienstregeling toch evenveel
van beide langskomen.
Gevraagd:
Hoe kan dat?
Gegeven:
Vier kleine plaatsen liggen op de hoekpunten van een denkbeeldig
vierkant met zijden van 10 km.
Gevraagd:
Bedenk een wegenstelsel dat de vier plaatsen verbindt met
een minimale totale weglengte.
Gegeven:
Tom woont in een straat met huisnummers 8 t/m 100.
Jan wil het huisnummer van Tom weten.
Jan: "Is het nummer hoger dan 50?"
Tom geeft antwoord maar liegt.
Jan: "Is het nummer een veelvoud van 4?"
Tom geeft antwoord maar liegt.
Jan: "Is het nummer een kwadraatgetal?"
Tom geeft antwoord naar waarheid.
Jan: "Ik weet het nummer als je me zegt of het eerste cijfer een 3 is"
Tom geeft antwoord, maar we weten niet of hij liegt of waarheid spreekt.
Jan noemt het nummer, maar het is fout.
Gevraagd:
Wat is het juiste huisnummer?
Gegeven:
Een driehoekig stuk land wordt ingesloten door drie vierkante stukken
van resp. 10, 20 en 50 hectare.
Gevraagd:
Wat is de oppervlakte van de driehoek?
Gegeven:
Een gelijkbenige driehoek ACB, met tophoek C = 20 graden
Punt D op zijde AC, zodanig dat hoek ABD = 50 graden
Punt E op zijde BC, zodanig dat hoek BAE = 60 graden
Beide lijnen snijden elkaar in punt P
De punten D en E worden met een lijn verbonden
Gevraagd:
Hoe groot zijn de hoeken in driehoek DEP?
Gegeven:
Een zak bevat 1 fiche, waarvan bekend is dat het wit
of zwart is. Er wordt een witte fiche bijgedaan, de
zak wordt geschud en er wordt een fiche uitgehaald,
dat wit blijkt te zijn.
Gevraagd:
Wat is nu de kans om een wit fiche te trekken?
Gegeven:
Een man begint met honderd gulden. Winst en verlies
worden bepaald door een geschud pakje van vijf rode
en vijf zwarte kaarten, waaruit kaarten worden
getrokken en terzijde gelegd. De man wint bij rood
en verliest bij zwart. Iedere keer zet hij de helft
van zijn geld in.
Gevraagd:
Wint of verliest de man, en hoeveel?
Gegeven:
Aan een ronde draaibare tafel kunnen 24 mensen
plaats nemen. Op de tafel zijn 24 naambordjes
geplaatst van die 24 mensen. Alle namen zijn
verschillend. Bij het plaats nemen ontstaat
bij toeval zo'n verwarring, dat de 24 personen
willekeurig plaats nemen. Ze komen er achter
dat niemand goed zit.
Gevraagd:
Is het, ongeacht hoe ze zitten, altijd mogelijk
de tafel te roteren totdat minstens twee mensen
tegelijkertijd tegenover hun naambordje zitten ?
Gegeven:
Een boer heeft 100 Euro en moet daarvan
100 dieren kopen, en van elk dier minstens 1.
- Een schaap kost 15 Euro
- Een geit kost 1 Euro
- Een kip kost 0.25 Euro
Gevraagd:
Hoeveel stuks moet hij kopen van elk dier?
Gegeven:
Een scherphoekige driehoek heeft een omtrek van 21 cm en een oppervlakte van 21 cm^2
Gevraagd:
Wat is de diameter van de grootste cirkel die in deze driehoek past?
Gegeven:
Jan en Piet gaan knikkeren. Ze beginnen elk met evenveel knikkers.
Na het eerste potje heeft Piet er tien verloren.
Na het tweedde potje wint Piet er weer een stel terug.
Piet roept: "Nu wordt mijn aantal knikkers in één klap verdubbeld".
Gevraagd:
Hoeveel knikkers heeft Jan op dit moment?
Gegeven:
Een cirkelvormig weiland met een diameter van 50 m.
Aan de rand van dit weiland staat een paaltje (P),
waar een geit aan is vastgepind.
De lijn door de uiterste punten die de geit op de rand
van het weiland kan bereiken gaat door het middelpunt.
Gevraagd:
Hoe groot is het oppervlak van het stuk dat de geit niet kan bereiken?