Met &brandShortName; kunt u webpagina's maken en op het Internet publiceren.
Hiervoor hoeft u geen HTML te kennen. Met &brandShortName; is het even eenvoudig als het werken met een tekstverwerker.
Met de knoppen op de werkbalken kunt u lijsten, tabellen, afbeeldingen, koppelingen naar andere pagina's, kleuren en
diverse lettertypen gebruiken. Ook kunt u zien hoe de pagina er op het Internet uit komt te zien, terwijl u deze aan het maken bent.
Ook kunt u de pagina eenvoudig met anderen delen, ongeacht welke browser of e-mailprogramma zij gebruiken.
&brandShortName; is een HTML-maker (Hypertext Markup Language) waarmee u webpagina's kunt maken en bewerken.
&brandShortName; is een WYSIWYG-programma (What You See Is What You Get), zodat u kunt zien
hoe de pagina er straks voor een bezoeker uit ziet terwijl u de pagina maakt.
U heeft geen HTML-kennis nodig, aangezien de meeste basisfuncties via de werkbalken en menu's beschikbaar zijn.
Met &brandShortName; kunt u ook de HTML-broncode bewerken als u dat wilt.
Om de HTML-broncode te bekijken of te bewerken, opent u het menu Beeld en kiest u voor HTML bron,
of u klikt op het <HTML> Bron-tabblad onderin het &brandShortName;-venster.
Om een webpagina te maken, kunt u een van de hieronder beschreven methodes gebruiken.
Zodra u met een pagina bent begonnen, kunt u hieraan tekst toevoegen of tekst wijzigen zoals u het gewend bent van een tekstverwerker.
Een nieuwe pagina maken in &brandShortName;:
Klik op de knop Nieuw in de werkbalk van &brandShortName;.
Beginnen met een HTML-bestand van uw harde schijf:
Open het menu Bestand en kies voor Bestand openen.
&brandShortName; toont nu de het dialoogvenster HTML-bestand openen.
Zoek op de harde schijf het bestand dat u wilt bewerken.
Klik op Openen om het geselecteerde bestand in een &brandShortName;-venster te tonen.
Om een webpagina te bewerken:
Kies in het menu Bestand van &brandShortName; voor Weblocatie openen.
Dan verschijnt het dialoogvenster Weblocatie openen.
Tik hier het Internet-adres van de pagina die u wilt bewerken (bijvoorbeeld http://www.mozbrowser.nl) en klik op de knop Openen.
De pagina wordt nu getoond in &brandShortName;.
Tip: In een &brandShortName;-venster kunt u snel een pagina openen die u recent bewerkt hebt.
Daarvoor kiest u in het menu Bestand voor Recente pagina's en dan kunt u de getoonde lijst het gewenste bestand selecteren.
U kunt pagina's in &brandShortName; zowel in HTML- als tekst-formaat opslaan.
Wanneer u de pagina als HTML opslaat, dan blijft de opmaak van de pagina (zoals tekststijlen (vet, schuin, enz), tabellen,
verwijzingen en afbeeldingen) behouden. Wanneer u een pagina in tekstformaat opslaat, dan worden de HTML-tags verwijderd,
maar blijft de tekst van het document behouden.
Een pagina als HTML-bestand opslaan:
Open het menu Bestand en kies Opslaan of klik op de knop Opslaan op de werkbalk.
Als u de pagina nog geen titel heeft gegeven dan vraagt &brandShortName; om dit alsnog te doen.
Een browser toont de paginatitel in de titelbalk als de pagina wordt bekeken.
De paginatitel wordt ook in de lijst met bladwijzers in een browser getoond als de pagina daaraan wordt toegevoegd.
&brandShortName; vraagt vervolgens om een bestandsnaam in te voeren en aan te geven waar de pagina dient te worden opgeslagen.
Zorg ervoor dat er .html achter de bestandsnaam blijft staan.
De bestandsnaam of locatie van een bestaand HTML-bestand wijzigen:
Open het menu Bestand en kies voor Opslaan Als.
Kies nu een andere bestandsnaam en/of locatie in.
Als u een pagina in &brandShortName; opslaat dan worden alle onderdelen van de pagina
(the HTML, images and other files, such as sound files and style
sheets), op de harde schijf opgeslagen. Als u slechts het HTML-gedeelte van de pagina wilt opslaan, dan kunt u dit opgeven in de
voorkeuren van &brandShortName; voor het opslaan van pagina's. Zie &brandShortName; Voorkeuren voor meer informatie over het wijzigen van de instelling
van &brandShortName; voor het opslaan van pagina's.
Als u voor een afbeelding een absolute locatie gebruikt (wanneer het met "http://" begint) en u bent met het Internet verbonden,
dan ziet u ook de afbeelding in de pagina in &brandShortName; en de browser.
Als de locatie van de afbeelding relatief is ten opzichte van de locatie van de pagina (begint met "file:///"),
dan wordt de afbeelding niet getoond in de lokale versie van de pagina.
Een pagina als tekstbestand opslaan:
Open het menu Bestand en kies voor Exporteren als tekst.
Voer de bestandsnaam in en geef aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
Let op: Afbeeldingen worden niet opgeslagen in pagina's die in tekstformaat worden opgeslagen.
Tip: U kunt in het menu Bestand kiezen voor Terugkeren om terug te keren naar de laatst-opgeslagen versie van de pagina
die u op dat moment aan het bewerken bent. Wijzigingen die u er ondertussen in hebt aangebracht gaan dan wel verloren.
Het bekijken van een gemaakte pagina in een browser om de koppelingen te testen:
Open het menu Bestand en kies voor Pagina bladeren (or klik op de knop Bladeren in de werkbalk).
Als u de pagina nog niet hebt opgeslagen, dan vraagt &brandShortName; u om een paginatitel, bestandsnaam en
locatie op de harde schijf op te geven. Het &brandShortName;-venster blijft geopend achter het nieuwe browser-venster dat wordt geopend.
Klik in de pagina waar de opmaak moet beginnen of selecteer de tekst die opgemaakt dient te worden.
Kies een opmaak voor de alinea met de selectielijst in de Opmaakwerkbalk:
Kerntekst:
Applies the application default font and style for regular text, without
affecting the spacing before or after the text.
Paragraaf: Voegt een alinea-tag in (gebruik dit om een nieuwe alinea te beginnen).
De alinea bevat boven- en ondermarges.
Kop 1 - Kop 6:
Maakt van de alinea een koptekst. Kop 1 geeft het hoogste niveau aan, terwijl Kop 6 het laagste niveau aangeeft.
Adres: Kan gebruikt worden voor de "ondertekening"
om aan te geven wie de pagina gemaakt heeft en met wie contact opgenomen kan worden voor meer informatie, bijvoorbeeld
gebruiker@voorbeeld.nl of gebruiker@voorbeeld.be.
Hier kunt u bijvoorbeeld de datum en een auteursrechttekst opnemen.
Doorgaans staat deze opmaak onderaan een webpagina onder een horizontale lijn.
Een browser toont de tekst in Adres-formaat schuingedrukt.
Vooraf opgemaakt: Dit is handig voor elementen als code-voorbeelden
gegevens in kolommen en e-mailberichten die in een lettertype met een vast breedte moeten worden weergegeven.
In alle andere tekst verwijdert een browser extra spaties, tabs en nieuwe regels.
Maar bij tekst die de stijl "Vooraf opgemaakt" gebruikt, wordt de witruimte
- en daarmee de opmaak van de originele tekst - behouden.
Tekst als koptekst opmaken:
Klik in de pagina waar de opmaak moet beginnen of selecteer de tekst die opgemaakt dient te worden.
Gebruik de selectielijst in de Opmaak-werkbalk om het juiste niveau voor koptekst te selecteren (van 1 (groot) naar 6 (klein).
Kies voor "Kop 1" voor het hoofdniveau van de tekst, "Kop 2" voor het volgende niveau enzovoorts.
Een lijst maken:
Klik in de pagina waar de opmaak moet beginnen of selecteer de tekst die opgemaakt dient te worden.
Open het menu Opmaak en kies voor Lijst.
Kies vervolgens een soort lijst:
Opgesomd: elk onderdeel van de lijst krijgt een opsomteken ervoor te staan (zoals in deze lijst).
Genummerd: de lijst wordt genummerd.
Term and Definitie:
Deze beide stijlen werken met elkaar samen om zo woordenboek-achtige lijst te maken.
Gebruik Term voor het woord en Definitie voor de definitie van het woord.
De tekst die is opgemaakt met Term wordt links uitgelijnd en de tekst opgemaakt met Definitie wordt ingesprongen.
Tip: U kunt snel blok tekst in een lijst omzetten door de tekst te selecteren en op de knop Genummerde Lijst
of Opsommingslijst
op de Opmaak-werkbalk te klikken.
Opmaak van opsomming of nummers aanpassen:
Klik in de lijst de tekst waarvan u de opmaak wilt aanpassen of selecteer een of meerdere onderdelen van de lijst
als u de hele lijst een nieuwe stijl wilt geven.
Open het menu Opmaak en kies voor Lijst-eigenschappen.
Kies een stijl uit de keuzelijst. Voor genummerde lijsten kunt u een startgetal opgeven.
Voor opsommingslijsten kunt u de opmaak van de opsommingstekens aanpassen.
Tip: U kunt ook dubbelklikken op een opsommingsteken of een nummer
van een lijst om het dialoogvenster Lijst-eigenschappen te tonen.
Tekst in de pagina uitlijnen (bijvoorbeeld gecentreerd of links/rechts uitgelijnd):
Klik in de tekst om aan te geven welke tekst uitgelijnd moet worden.
Open het menu Opmaak en kies voor Uitlijnen; kies vervolgens een instelling uit de lijst die dan verschijnt.
Let op: U kunt ook de Opmaak-werkbalk gebruiken om tekst uit te lijnen.
Klik in de lijst om het invoegpunt aan het eind van het laatste onderdeel in de lijst te plaatsen en druk tweemaal op
Enter (Return op Mac OS) om de lijst te beëindigen.
Een of meerdere onderdelen van de lijst in normale tekst wijzigen:
Klik in de lijst of selecteer enkele onderdelen van de lijst.
Klik in het geval van een genummerde lijst op de knop Genummerde lijst (of in het geval van een
opsommingslijst op de knop Opsommingslijst) in de werkbalk Opmaak.
Ingesprongen tekst onder een onderdeel van de lijst plaatsen:
Klik in de lijst.
Druk op Shift+Enter om een inspringing zonder opsommingsteken te maken.
Typ de tekst die u in wilt springen.
Druk nogmaals Shift+Enter om nog een ingesprongen alinea te maken of druk op
Enter om een volgende onderdeel aan de lijst toe te voegen.
Tip:
U kunt de inspringing van de onderdelen van de lijst vergroten of verkleinen door op de knop
Inspringing vergroten of Inspringing verkleinen van de Opmaak werkbalk te klikken.
Ook kunt u ergens in de lijst klikken en dan de Tab-toets op het toetsenbord indrukken om een niveau in te springen.
Met Shift+Tab maakt u dit weer ongedaan.
Twee aansluitende lijsten samenvoegen:
Selecteer twee lijsten die u wilt samenvoegen. Zorg ervoor dat u alle onderdelen van beide lijsten selecteert.
Houd er rekening mee dat tekst tussen beide lijsten ook onderdeel wordt van de samengevoegde lijst.
Klik op de knop Opsommingslijst of Genummerde lijst van de werkbalk Opmaak om beide lijsten samen te voegen.
Verander de opmaak, kleur, lettertype van geselecteerde tekst:
Selecteer de tekst die veranderd dient te worden.
Open het menu Opmaak en kies een van onderstaande onderdelen:
Lettertype: Kies hiermee een lettertype.
Als u wilt dat de lettertypen van degene die de pagina bekijkt gebruikt worden, dan kunt u kiezen voor Variabele grootte of Vaste grootte.
Let op: Niet alle lettertypen die op een computer geïnstalleerd zijn
worden getoond. In plaats van een lettertype op te geven dat misschien niet iedereen die de webpagina bekijkt heeft,
wordt het aanbevolen een van de lettertypen in het menu te kiezen. Deze werken op iedere computer.
Lettertypen als Helvetica, Arial, Times en Courier zien er bijvoorbeeld doorgaans hetzelfde uit op verschillende computers.
Als u een ander lettertype kiest, dan kan het voorkomen dat het er op een andere computer anders uit ziet.
Grootte: Gebruik dit om een relatieve tekstgrootte
te kiezen of vergroot of verklein de tekstgrootte (afhankelijk van de omringende tekst).
Tekststijl: Kies hiermee een tekststijl (zoals schuingedrukt, vetgedrukt of onderstreept)
of een andere voorgedefinieerde stijl te kiezen (bijvoorbeeld Code).
Tekstkleur: Kies hier een kleur met de kleurenkiezer.
Als u bekend bent met de hexadecimale kleurcodes van HTML, dan kunt u een specifieke code invoeren of u kunt een kleurnaam invoeren
(bijvoorbeeld "blue"; dit werkt met Engelse kleurnamen).
Achtergrondkleur van een pagina veranderen:
Klik ergens in de pagina.
Klik the background color block in de werkbalk Opmaak.
Kies een achtergrondkleur uit het dialoogvenster Paginakleuren en achtergrond.
Klik op OK.
Tip:
Om snel de tekstkleur aan te passen naar de laatstgebruikte kleur, selecteert u de tekst, drukt u op de Shift-toets
en klikt u op de knop Tekstkleur in de werkbalk Opmaak.
Dit is handig als u één kleur wilt gebruiken voor verschillende tekstregels.
Plaats de cursor in de pagina op de plaats waar u het zoeken wilt beginnen.
Open het menu Bewerken en kies voor Zoeken en vervangen. Nu komt het dialoogvenster Zoeken en vervangen tevoorschijn.
Voer de te zoeken tekst in achter "Wat zoeken".
Om nauwkeuriger te zoeken kunt u een van onderstaande opties selecteren:
Hoofdlettergevoelig: Gebruik dit als hoofd- en kleine letters precies overeen moeten komen met wat u heeft ingevoerd.
Doorgaan na documenteinde: Gebruik dit om aan het einde van de pagina bovenaan of onderaan de pagina
(afhankelijk van in welke richting u zoekt) verder te gaan met zoeken.
Achterwaarts zoeken: Gebruik dit om ten opzichte van de cursor achterwaards te zoeken richting het begin van de pagina.
Klik op Volgende Zoeken om het zoeken te starten.
Als &brandShortName; het eerste voorkomen heeft gevonden dan kunt u op Volgende zoeken klikken om verder te zoeken.
Klik op Sluiten als u genoeg gevonden tekst hebt.
Zoeken en vervangen van tekst in de pagina die u aan het bewerken bent:
Klik in de pagina waar u met zoeken wilt beginnen.
Open het menu Bewerken en kies voor Zoeken en vervangen.
Nu verschijnt het dialoogvenster Zoeken en vervangen.
Voer de tekst in die u wilt zoeken en de tekst waardoor u het wilt vervangen.
Om nauwkeuriger te zoeken kunt u een van onderstaande opties selecteren:
Hoofdlettergevoelig: Gebruik dit als hoofd- en kleine letters precies overeen moeten komen met wat u heeft ingevoerd.
Doorgaan na documenteinde: Gebruik dit om aan het einde van de pagina bovenaan of onderaan de pagina
(afhankelijk van in welke richting u zoekt) verder te gaan met zoeken.
Achterwaarts zoeken: Gebruik dit om ten opzichte van de cursor achterwaarts te zoeken richting het begin van de pagina.
Klik op Volgende zoeken om verder te zoeken. &brandShortName; selecteert dan het volgende voorkomen van de tekst (indien aanwezig).
Klik op Vervangen om de op dat moment geselecteerde tekst te vervangen door de tekst achter Vervangen door.
Klik op Vervangen en zoeken om de geselecteerde tekst te vervangen en het volgende voorkomen te zoeken.
Klik op Alles vervangen om alle te zoeken tekst in de pagina te vervangen door de tekst achter Vervangen door.
Klik op Sluiten als u genoeg tekst vervangen hebt.
Horizontale lijnen are typically used to separate different sections
of a document visually. To insert a horizontal line (also called a
rule) in your page, begin from the &brandShortName;
window:
Click to place the insertion point where you want the line to
appear.
Open het menu Invoegen en kies Horizontal Line.
Setting Horizontal Line
Properties
You can customize a line's height, length, width, alignment, and
shading.
Double-click the line to display the Horizontal Line Properties
dialog box.
Edit any of these properties:
Width: Enter the width and then choose "%
of window" or "pixels." If you
specify width as a percentage, the line's width changes
whenever the &brandShortName;
window's or browser window's width changes.
Height: Type a number for the line's height
(in pixels).
3-D Shading: Select this to add depth to
the line by adding a bevel
shading.
Alignment: Specify where you want to place
the line (left, center, or
right).
Click Use as Default to use these settings as the default the
next time you insert a
horizontal line.
To edit the properties of a horizontal line manually, click
Advanced Edit. See the
section, Advanced
Property Editor, for details.
Tip: You can select "Show All Tags" from the View
menu to show all the HTML
elements in yellow boxes. Click any yellow box to select everything
within that HTML tag
or element. Double-click any yellow box to display the
Advanced Property
Editor dialog box for that HTML tag or
element.
To insert special characters such as accent marks, copyrights, or
currency symbols:
Click to place the insertion point where you want the special
character to appear.
Open het menu Invoegen en kies Characters and Symbols. You see
the Insert Character dialog box.
Select a category of characters.
If you choose Accent Uppercase or Accent Lowercase, then open
the Letter drop-down list and select the letter you wish to apply an
accent to. (Note: not all letters have accented forms.) Select Common
Symbols to insert special characters such as copyright symbols or
fractions.
From the Character drop-down list, select the character you want
to insert.
Click Insert.
You can continue typing in your document (or in a mail compose
window) while you keep this dialog box open, in case you want to use
it again.
Click Close when you are done inserting special characters.
If you understand how to work with HTML source code, you can insert
additional tags, style attributes, and JavaScript into your page. If
you are not sure how to work with HTML source code, it's best not to
change it. To work with HTML code, use one of these methods:
Place the insertion point where you want to insert the HTML
code, or select the text you want to edit, and then open the Insert
menu en kies HTML. In the Insert HTML dialog box, enter HTML tags
and text, and then click Insert.
Select an element such as a table, named anchor, image, link, or
horizontal line. Double-click the element to open the associated
properties dialog box for that item. Click Advanced Edit to open the
Advanced Property Editor. You can use the Advanced Property Editor to
add HTML attributes, JavaScript, and CSS to objects.
Open het menu Beeld, en kies HTML Source, or click the
<HTML> Source tab in the Edit Mode toolbar at the bottom of the
&brandShortName; window. (If you don't see the Edit Mode toolbar, open
het menu Beeld en kies Show/Hide; then make sure the Edit Mode
Toolbar is checked.)
Om HTML-attributen en Javascript-acties aan elementen zoals tabellen, afbeeldingen en horizontale lijnen toe te voegen, kunt u de
het dialoogvenster Geavanceerde eigenschappen bewerken gebruiken.
Let op: Als u niet precies weet hoe u HTML-attributen en de bijbehorende waarden toevoegt, wijzigt en verwijdert,
dan kunt u er beter voorzichtig mee omgaan.
Als het dialoogvenster Geavanceerde eigenschappen bewerken nog niet getoond wordt, volg dan deze stappen:
Kies in het menu Beeld voor HTML Tags.
Dubbelklik op het object dat u wilt aanpassen om zo het bijbehorende Eigenschappen-dialoogvenster te openen.
Klik op Geavanceerd bewerken om het dialoogvenster Geavanceerde eigenschappen bewerken te openen.
Dit venster heeft drie tabbladen. Elk tabblad toont de eigenschappen die op dat moment aan het geselecteerde element zijn toegekend.
HTML-atrributen: hier ziet u HTML-attributen van een element en kunt u deze ook aanpassen.
Opmaak: hier ziet u extra CSS-eigenschappen (cascading stylesheet)
die aan het <style>-attribute (in HTML) worden toegekend.
Voor meer informatie over het gebruik van stijlen via CSS in &brandShortName; kunt u
&brandShortName; Voorkeuren bekijken.
JavaScript-gebeurtenissen: Hier kunt u bepalen welke Javascript-acties bij een element gebruikt dienen te worden.
Om een eigenschap of attribuut in een van de lijsten aan te passen, selecteer u het attribuut dat u wilt aanpassen.
U kunt de naam en waarde van het attribuut aanpassen met de tekstvelden Eigenschap en Waarde onderaan het scherm.
Om een nieuw attribuut toe te voegen, typt u de naam in het tekstveld Eigenschap.
De nieuwe attribuut wordt automatisch aan de lijst toegevoegd als u in het veld Waarde klikt.
Om een attribuut te verwijderen, selecteert u het in de lijst en klikt u op de knop Attribuut verwijderen.
Let op: Vereiste attributen zijn gemarkeerd in de lijst met attributen.
Klik op OK om uw aanpassingen door te voeren in het dialoogvenster Geavanceerde eigenschappen bewerken.
Klik nogmaals op OK om het dialoogvenster Eigenschappen te verlaten.
&brandShortName; plaatst automatisch de benodigde aanhalingstekens om de tekst van de attributen.
Voordat u uw pagina op een webserver plaatst zodat anderen deze kunnen bekijken,
is het verstandig om eerst de HTML-code van de pagina te laten controleren om er zo zeker van te zijn dat het aan de
webstandaarden voldoet. Pagina's die uit gevalideerde HTML bestaan veroorzaken doorgaans geen problemen
wanneer ze met verschillende browsers bekeken worden. Slechts de pagina in een willekeurige browser bekijken
garandeert niet dat uw pagina er correct uit ziet wanneer deze met andere browser bekeken wordt.
&brandShortName; biedt een eenvoudige manier om te controleren of de pagina
aan de HTML-standaarden van het W3C (= World Wide Web Consortium) voldoet.
&brandShortName; gebruikt de validatie-dienst van het W3C, die op haar beurt de HTML-code van de pagina controleert overeenkomstig
met de HTML 4.01-standaard. Deze dienst biedt ook informatie over hoe eventuele fouten zijn op te lossen.
Let op: Om deze mogelijkheid te kunnen gebruiken, moet u met het Internet verbonden zijn.
De HTML-code van uw pagina laten controleren:
Open het menu Extra en kies voor HTML controleren op geldigheid.
Als u bepaalde wijzigingen in de pagina nog niet hebt opgeslagen dan vraagt &brandShortName; of u deze wilt opslaan alvorens verder te gaan.
&brandShortName; opent een nieuw venster met daarin de resultaten voor uw pagina
nadat de Validatie-dienst van het W3C uw pagina gecontroleerd heeft.
Bij normaal gebruik hoeft u de bewerk-modus niet te wijzigen. Standaard staat deze op Normaal.
Maar als u direct in de HTML-broncode wilt werken dan kunt u een andere bewerk-modus kiezen.
Met &brandShortName; kunt u snel tussen vier bewerk-modi schakelen. In iedere bewerk-modus kunt u aan de pagina verder werken,
maar allemaal tonen ze de pagina op een ander niveau qua HTML-tags (en iconen).
Voordat u kiest voor een bepaalde bewerk-modus:
Open het menu Beeld en kies voor Tonen/Verbergen. Zorg ervoor dat er naast Bewerkingsmoduswerkbalk een vinkje staat.
De Bewerkingsmoduswerkbalk biedt vier tabbladen:
Normaal: hier ziet u hoe de pagina er online uit komt terwijl u deze aan het maken bent.
Kies hiervoor om tabelranden en gelabelde posities te tonen. Alle andere HTML-tags worden verborgen.
HTML-tags: hiermee toont u alle HTML-tags in gele iconen.
<HTML> Bron: hiermee kunt u de pagina als ongeformatteerde HTML-code bewerken.
Als u het document opslaat, keert u terug naar de bewerkingsmodus Normaal.
Voorbeeld: hiermee wordt de pagina exact getoond zoals het er in een browser-venster uit komt te zien, alleen werken
verwijzingen en JavaScript-functies hier nog niet.
Let op: JavaScript-functies, frames, koppelingen, Java,
ingebedde objecten en bewegende GIF-afbeeldingen zijn in geen enkele bewerkingsmodus actief.
Om deze te zien werken, klikt u op de knop Bladeren op de werkbalk om de pagina in een browser-venster te tonen.
Gebruik van de statusbalk voor het opmaken van webpagina's
&brandShortName; biedt een innovatieve manier voor het bewerken/toepassen van opmaakstijlen
en toepassen van opmaak op geselecteerde tekst via de statusbalk.
Dit werkt in alle modi, behalve in de <HTML> Bron-modus.
Op de statusbalk ziet u HTML-elementen vermeld. Door hierop met de rechtermuisknop te klikken,
krijgt u een contextmenu met diverse mogelijkheden. Deze mogelijkheden worden hieronder uitgelegd:
Selecteren Als u op "Selecteren" klikt, dan selecteert u de volledige tekst die door het HTML-element omsloten wordt.
Tag verwijderen Als u klikt oo "Tag verwijderen", dan wordt de tag en de bijbehorende tags verwijderd.
Change Tag Using this option, the user can
change the tag used for the text with the least effort. Clicking on
"Change Tag" makes the text for the corresponding tag to be editable
in the status bar. Type in the desired tag and press "Enter". The
default properties of the tag will be applied to the text in the web
page.
Inline StylesWhile in any of the Normal, HTML Tags, or Preview viewing modes the tags surrounding the current position of the cursor are shown in the
status bar of &brandShortName;'s window. Style properties of any of
the tags can be changed by choosing an option from the context
menu. To change inline style properties:
Right click on the tag you wish to edit.
Click on "Inline Styles"
Select the properties section you want to edit:
Text Properties
Border Properties
Background Properties
Box Properties
Aural Properties
Extract and create Generic Style
Secting any of the options except the last one will open the
corresponding tab section from CaScadeS CSS editor (more about
CaScadeS in Using
Style Sheets section). With the corresponding section open, the
user can define his/her own styles which will be saved according to
W3C CSS coding style.
The Extract and create Generic Style option
allows the user to extract the style information into an style rule
and save it in the external/internal style sheet.
Cascade Style Sheets(CSS) can be used to style an HTML document in
three ways:
Using inline styles.
Using internal style sheet.
Using external style sheets.
&brandShortName; has an inbuilt style sheet editor called
CaScadeS. CaScadeS can be used to produce either an
internal style sheet or an external one. As opposed to inline styles,
internal or external style sheets help to keep the content and style
information separate.
To style the html document you are editing, CaScadeS can be started
by clicking on Tools and choosing CSS Editor. CaScadeS allows two
modes of style sheet editing:
Beginner Mode: This mode allows to create
rules associated to class selectors or type element selectors.
Expert Mode: This mode allows to create rules
without any restriction.
In case there is no style sheet, a new style sheet will be
automatically created.
After creating one or more stylesheets for the html document, rules
can be created for each stylesheet individually. To use a particular
stylesheet for creating or modifying rules, highlight the stylesheet
in the left pane by clicking with left mouse button. The right pane
will show the detials of the stylesheet in the General Tab. To create
new rules:
Click on the Rule button in the left pane.
Right pane shows options as to what kind of rule to
create. Choose one of:
named style (enter class name below)
style applied to all elements of type (enter type
below)
style applied to all elements matching the following
selector
Fill in the name of the rule.
Click on Create Style Rule button.
Rules can be defined using the styling tabs (Text, Background,
Border, Box and Aural) in the right pane. To see all the definitions
of a style rule, highlight the rule in the left pane and click on
"General" tab in the right pane. The "General" tab shows all
definitions currently applied to the rule.
Tabellen zijn makkelijk voor het organiseren van tekst, afbeeldingen en andere gegeens in opgemaakte rijen en kolommen.
Om een tabel in te voegen:
Klik op de plaats waar u wilt dat de tabel zal verschijnen.
Klik de Tabel-knop aan op de
on
opmaak werkbalk. Het tabel invoegen-dialoogvenster zal verschijnen.
Typ het aantal rijen en kolommen dat u wilt in.
(Niet verplicht) Vul een grootte in voor de tabelbreedte en selecteer of de percentage van het venster of het aantal pixels in.
Vul een rand-breedte in (in pixels); vul 0 is als u geen rand wilt hebben.
Opmerking: &brandShortName; gebruikt een rood gestreepte lijn om tabellen zonder rand aan te geven;
the gestreepte lijn zal verdwijnen als de pagina binnenin de browser bekeken wordt.
Klik op 'advanced edit' om meere tabel attributen te bewerken door de Advanced
Property Editor tonen.
Klik op OK om uw instellingen te bevestigen en uw nieuwe tabel te bekijken.
Dit onderdeel beschrijft hoe eigenschappen gewijzigd moeten worden die een hele tabel beslaan, maar ook verschillende rijen, kilommen of individuele cellen binnenin een tabel. Als u momenteel de Tabeleigenschappen niet aan het bekijken bent volgt u deze stappen:
Selecteer de tabel of klik er ergens binnenin.
Klik de Tabel knop
aan op de werkbalk,
of open het Tabel-menu and kies voor Tabeleigenschappen. Het tabeleigenschappen-venster
bevat 2 tabbladen: Tabel en cellen.
Klik op het tabel tabblad op deze eigenschappen te bewerken:
Size: Gebruik dit om het aantal rijen en kolommen
te specificeren. Vul de breedte van de tabel in
en kies dan "% van venster" of "beeldpunten." Als je
breedte aangeeft als een percentage zal de tabelbreedte
veranderen als de breedte van het &brandShortName; venster of het browservenster
veranderd wordt.
Borders and Spacing: Use this to specify,
in pixels, the border line width,
the space between cells, and the cell padding (the space
between the contents of the
cell and its border).
Note: &brandShortName; uses a dotted
outline to display tables with a zero border;
the dotted line disappears when the page is viewed
in a browser.
Table Alignment: Use this to align the
table within the page. Choose an
option from the drop-down list.
Caption: Choose the caption placement from
the drop-down list.
Background Color: Use this to choose a
color for the table background, or
leave it as transparent.
To apply additional attributes or JavaScript events, click
Advanced Edit to display
the Advanced
Property Editor.
Click Apply to preview your changes without closing the dialog
box, or click OK to
confirm them.
To view, change, or add properties for one or more cells:
Select the row, column, or cell, then open the Table menu and
choose Table Properties.
The Table Properties dialog box appears.
Click the Cells tab to edit the following properties:
Selection: Choose Cell, Row, or Column from
the drop-down list. Click
Previous or Next to move through rows, columns, or
cells.
Size: Type a number for Height and Width,
and then choose "% of table"
or "pixels."
Content Alignment: Select a vertical and
horizontal alignment type for
the text or data inside each cell.
Cell Style: Select Header from the
drop-down list for column or row
headers (which centers and bolds the text in the cell);
otherwise choose Normal.
Text Wrap: Select "Don't wrap" from the
drop-down list to keep text from
wrapping to the next line unless you insert a paragraph
break. Otherwise, choose
Wrap.
Background Color: Select a color for the
cell background or leave it as
transparent.
Note: To apply additional attributes or
JavaScript events, click Advanced
Edit to display the
Advanced Property
Editor
Click Apply to preview your changes without closing the dialog
box, or click OK to
confirm them.
Tip: To change the text color or background color
of one or more selected cells or the entire table, select the cells or
click anywhere in the table and then click the text color or
background color icon in the Format toolbar.
Tip: To change the color of cells to the color
last used, select the cell, then press Shift and click on the
background color picker. This is useful when you want to use one color
for individual cells.
&brandShortName; allows you to quickly add or delete one or more
cells, columns, or rows in a table. In addition, you can set options
that allow you to maintain the original rectangular structure or
layout of the table while you perform editing tasks.
To add a cell, row, or column to your table:
Click inside the table where you want to add a cell (or
cells).
Open the Table menu and then choose Insert.
Choose one of the cell groupings. (You can also insert a new table
within a table cell.)
To delete a cell, row, or column:
Click a row, column, or cell to place the insertion
point. Or, select neighboring cells to delete more than one row at a
time. To select neighboring cells, drag over the cells you want to
select. To select individual cells in a table, hold down the Ctrl key
(Windows, Linux or Unix) or the Command key (Mac OS) and click on the
cells you want to select.
Open the Table menu and choose Delete.
Choose the item you want to delete.
To join (or merge) a cell with the cell on its right:
Click inside the cell on the left, open the Table menu, and
choose Join with Cell to the Right.
To join (or merge) adjacent cells:
Select adjacent cells by dragging over them.
Open the Table menu, and choose Join Selected Cells.
To split a joined cell back into two or more cells:
Click inside the joined cell, open the Table menu, and then
choose Split Cell. &brandShortName; puts the entire contents of the
joined cell into the first of the two cells.
Refer to Selecting Table
Elements for information on how to select non-adjacent cells,
rows, and columns.
Changing
the Default Table Editing Behavior
By default, when you delete one or more cells, &brandShortName;
preserves the table's structure by adding cells at the end of a row,
wherever needed. This allows you to delete one or more cells but still
maintain the table's original rectangular layout, or
structure. Otherwise, deleting cells can result in a table with empty
spaces, or whose outline appears irregular due to an uneven number of
cells.
To change the default table editing behavior, begin from the
&brandShortName; window:
Open the Edit menu (Mozilla menu on Mac OS X), choose
Preferences, and then choose &brandShortName;.
Under Table Editing, set the following preference:
Make sure that "Maintain table layout when inserting or
deleting cells" is checked to ensure that you don't get an irregularly
shaped table.
You can use one of two ways to quickly select a table, cell, or
group of cells:
Click in the table, open the Table menu, choose Select, and
then choose an item from the submenu. For example, to select a table,
click anywhere inside the table, open the Table menu, choose Select,
and then choose Table.
Or, you can use the mouse as a selection tool:
To select a group of adjacent
cells: click in a cell, and then drag to select the cells you
want. Drag the mouse left or right to select a row; up or down to
select a column.
To select non-adjacent cells: press Ctrl (Windows, Linux or Unix)
or Command (Mac OS) and then click inside a cell. Keep pressing Ctrl
(Windows, Linux or Unix) or Command (Mac OS) as you click to select
additional cells.
To extend a selection to include adjacent cells: click inside a
cell and then drag over additional cells to extend the selection.
To select one or more adjacent columns or rows: drag up or down to
select the first column or row, and then drag left or right to select
additional adjacent columns or rows. Press Shift and drag to the right
to select an entire row. Press Shift and drag up or down to select an
entire column.
Open the Table menu, choose Select, and then choose Table.
To copy or move the table: Use the Edit menu's cut, copy, and
paste options.
To delete the table: Open the Table menu again, choose Delete, and
then choose Table.
Converting Text into a
Table
To convert text into a table:
Select the text that you want to convert into a table. Keep
in mind that &brandShortName; creates a new table row for each
paragraph in the selection.
Open the Table menu and choose Create Table from Selection. You
see the Convert to Table dialog box.
Choose the character &brandShortName; uses to separate the
selection into columns, or specify a different character to use. If
you choose Space as the separator for columns, choose whether or not
you want &brandShortName; to ignore multiple space and treat them as
one space.
Leave "Delete separator character" checked to have
&brandShortName; remove the separator character when it converts the
text into a table. If you don't want &brandShortName; to delete the
separator character, uncheck this option.
Click OK.
Note: Text formatting is removed when the selected
text is converted to a table.
U kunt GIF, JPEG, BMP, and PNG (Portable Network Graphics)
afbeeldingen in uw webpagina's invoegen. U kunt ze ook gebruiken om koppelingen te m aken. Als u een afbeelding invoegt slaat
&brandShortName; een verwijzing naar de afbeelding in uw pagina op.
Opmerking: Als u van plan bent om pagina's op het intenret te publiceren,
is het niet goed om BMP-afbeeldingen in uw pagina's te gebruiken.
Tip: Het is het beste om eerst de pagina waar u afbeeldingen invoegt eerst op te slaan
voordatu afbeeldingen invoegt. Dit stelt in &brandShortName; in staat automatisch relatieve verwijzingen te
gebruiken naar afbeeldingen als u ze invoegt.
Om een afbeelding in te voegen:
Klik om de cursor te plaatsen op de plek waar u de afbeelding wilt laten verschijnen.
Klik de afbeelding knop op op de werkbalk aan of open het invoegen-menu en kies voor Afbeelding.
U ziet nu het Afbeelding invoegen dialoogvenster.
Typ de locatie en bestandnaam van de afbeelding of klik op Bestand kiezen om te zoeken
naar een afbeelding opgeslagen op uw harde schijf of netwerk.
Typ een korte beschrijving voor uw afbeelding is als een alternatieve tekst die zal
verschijnen in tekstbrowser (en ook andere browsers) als een afbeelding aan het laden is
of wanneer het laden van de afbeelding uitgeschakeld is.
U kunt er ook voor kiezen om geen alternatieve tekst in te voegen.
Klik de andere tabbladen is als dat nodig is, zodat u de de instellingen (voor bijvoorbeeld uitlijning)
in het Afbeeldingen bewerken dialoogvenster kunt wijzigen.
Tip: Sleep een afbeelding naar het document om het snel in te voegen.
Tip: Om een witregel achter alle afbeeldingen wilt invoegen in een alinea kiest u 'Break Below Images' uit het invoegen-menu.
Als een afbeelding eenmaal is ingevoegd in uw pagina kunt u zijn eigenschappen bewerken en
zijn uiterlijk in de pagina aanpassen, zoals de hoogte, breedte, witruimte en uitlijning.
Als u momenteel niet de Afbeeldingseigenschappen aan het bekijken bent volgt u de volgende stappen:
Om de afbeeldingen van de geselecteerde afbeelding te bewerken:
Dubbelklik op de afbeelding of selecteer het en klik op de Afbeeldingsknop
op
de werkbalk om de Afbeeldingseigenschappen te tonen.
Klik op het Locatie-tabblad om deze eigenschappen te bewerken:
Afbeeldingslocatie: Vul de bestandnaam en de
locatie van de afbeelding in. Klik op Bestand kiezen om een
afbeelding op uw harde schijf of network te zoeken.
URL is relatief ten opzichte van paginalocatie:
Als deze optie is aangevinkt zal &brandShortName; de URL converteren
zodat deze relatief is ten opzichte van de paginalocatie. Dit is vooral
handig als u van plan bent om om uw pagina's op een webserver te
publiceren, zodat anderen ze kunnen bekijken
Het gebruik van relatieve URL stelt u staat om al uw gekoppelde
bestanden op dezelfde plaats bij elkaar te houden relatief van
elkaar, afhankelijk van hun locatie op de harde schijf van de webserver.
Het uitvinken van deze optie zorgt ervoor dat &brandShortName; de
URL's converteert naar een volledige (absolute) URL. Meestal worden
absolute URL's gebruikt om koppelingen naar afbeeldingen op andere
webserver aan te brengen (niet lokaal op uw harde schijf opgeslagen).
Als u onopgeslagen veranderingen hebt doorgevoerd moet u eerst de pagina opslaan
voordat u dit keuzeveld aanvinkt. (Dit selectieveld is niet beschikbaar als u de
Afbeeldingseigenschappen vanuit een opstellen-venster opent.)
Alternatieve Tekst: Vul een tekst in die getoond zal
worden in plaats van de orignele afbeelding; bijvoorbeeld een kop of een
korte beschrijving van de afbeelding. Het is een goede oefening om
alternatieve tekst op te geven voor lezers die tekstbrowsers gebruiken of
het laden van afbeeldingen uit hebben staan.
Gebruik geen alternatieve tekst: Kies deze optie
als de afbeelding geen alternatieve tekst nodig heeft of u het wilt
bijvoegen.
Selecteer het afbeeldingen-tabblad op de volgende eigenschappen te bewerken:
Ware grootte: Selecteer deze optie om alle
veranderen dieu gemaakt hebt voor de afmetingen en keer terug
naar de originele grootte.
Aangepaste grootte: Selecteer deze optie en specifieer
de nieuwe hoogte en breedte, in beeldpunten of als percentage. Deze instelling
verandert de originele afbeelding niet, alleen de afbeelding die in uw pagina
is ingevoegd.
Behouden: Als u de afbeeldingsafmetingen
veranderd is het een goed idee om dit te selecteren zodat
de afbeeldingsverhoudingen gelijk blijven (zodat het niet
verwrongen verschijnt).
Als u deze optie kiest dan hoeft u alleen de breedte of de
hoogte te veranderen, maar niet beide.
Selecteer het vormgevint-tabblad om deze eigenschappen te bewerken
Tussenruimtes: Specify the amount of space
surrounding the image; between the
image and adjoining text. You can also put a solid black
border around the image
and specify its width in pixels. Specify zero for no
border.
Align Text to Image: If you've placed your
image next to any text, select
an alignment icon to indicate how you want text positioned
relative to the image.
Image Map: Click Remove to remove any image
map settings.
Selecteer het koppeling-tabblad om deze eigenschappen te bewerken:
Voer een locatie in: Als u een koppeling voor deze
afbeelding wilt aanmaken vult uhier de URL in van de lokale of
afgelegen locatie in of selecteer u een gelabelde positie of kop vanuit
het selectieveld. Klik Bestand kiezen aan om een bestand op uw harde schijf
of netwerk te selecteren.
URL is relatief ten opzichte van paginalocatie:
Als deze optie is aangevinkt zal &brandShortName; de URL converteren
zodat deze relatief is ten opzichte van de paginalocatie. Dit is vooral
handig als u van plan bent om om uw pagina's op een webserver te
publiceren, zodat anderen ze kunnen bekijken
Het gebruik van relatieve URL stelt u staat om al uw gekoppelde
bestanden op dezelfde plaats bij elkaar te houden relatief van
elkaar, afhankelijk van hun locatie op de harde schijf van de webserver.
Het uitvinken van deze optie zorgt ervoor dat &brandShortName; de
URL's converteert naar een volledige (absolute) URL. Meestal worden
absolute URL's gebruikt om koppelingen naar afbeeldingen op andere
webserver aan te brengen (niet lokaal op uw harde schijf opgeslagen).
Als u onopgeslagen veranderingen hebt doorgevoerd moet u eerst de pagina opslaan
voordat u dit keuzeveld aanvinkt. (Dit selectieveld is niet beschikbaar als u de
Afbeeldingseigenschappen vanuit een opstellen-venster opent.)
Rand om gekoppelde afbeelding weergeven: Als deze optie
is aangevinkt wordt de linkmarkeringskleur om de afbeelding getoond.
Om verder attributen of JavaScript-gebeurtenissen toe te passen klikt u Geavanceerd bewerken
aan om Gevanceerde eigenschappenbewerker op te starten.
Voor een html dat verschillende onderdelen heeft, bijv. een artikel met secties
en subsecties en koppen voor iedere alinea en subalinea, wordt het moeilijk om te navigeren als alle tekst in
een enkel bestand staat. Om makkelijke navigaties voor verschillende onderdelen in te schakelen kan de inhoudsopgave
makkelijk met Nvu gemaakt worden. Om een inhoudsopgave te maken:
Gebruik html tags voor de koppen (h1, h2, h3, h4, h5, en h6) om de verschillende alineaniveaus te labelen
in het document. Sla het document daarna op.
Klik op "Invoegen", "Table of Contents" en kies voor "Invoegen". Het TOC
venster zal verschijnen.
Selecteer de kopniveuas die gebruikt worden voor verschillende alinea's en subalinea's in het document.
Klik op "OK" om de inhoudsopgave te laten maken.
De inhoudsopgave die standaard gegenereerd wordt toont alle items zoals ze genummerd zijn
en ze zijn gelabelde verwijzingen to bestaande onderdelen. Het uitvinken van het "Number all
entries in table of contents" selectievakje resulteert in checkbox results in bulleted section
entries. And checking "Make the table of contents read only" results
in sections being simple text without anchors.
In het geval dat het document veranderd om meer onderdelen of subonderdelen toe te voegen
na het maken van de inhoudsopgave, zal het niet de nieuwe onderdelen of subonderdelen
bevatten. Om de nieuw toegevoede onderdelen en subonderdelen toe te voegen, klikt u de 'Invoegen',
daarna op 'Inhoudsopgave' en kiest u voor 'Bijwerken'. De inhoudsopgave zal bijgewerkt worden
zodat ook de nieuwe items getoond worden.
Om de inhoudsopgave helemaal te verwijderen, klikt u op 'Invoegen', daarna op 'Inhoudsopgave'
en kiest u voor 'Verwijderen'. De inhoudsopgave zal verwijderd worden en de HTML-code automatisch
opgeschoont van alle code die is toegevoegd toen de inhoudsopgave gemaakt is.
Gebruik het pagina-eigenschappen venster om eigenschappen in te vullen
zoals de titel, auteur en een beschrijving van het document waar u momenteel
aan het werken bent. Deze informatie is handig als u deze pagina op een website
wilt gebruiken, omdat zoekmachines deze informatie gebruiken om uw pagina te
indexeren. U kunt deze informatie bekijken vanuit het browservenster door de pagina te openen
en het Extra-menu te openen en voor Pagina-Info te kiezen (Firefox). In de Mozilla Suite
zijn de eigenschappen te bereiken via het Beeld-menu.
Open het Opmaak-menu en kies voor Paginatitel en eigenschappen.
Bewerk een van de volgende eigenschappen:
Titel: Typ de tekst die u
wilt laten verschijnen als venstertitel als iemand de pagina in een browser
bekijkt. Dit is ook hoe zoekmachines webpagina's vinden, dus kies een
een titel die goed beschrijft waar de pagina over gaat.
Auteur: Typ de naam van de persoon die het document gemaakt
heeft. Deze informatie is handig voor lezers die documenten op naam zoeken in zoekmachines
Tip: Als u een Auteurnaam in
&brandShortName;'s voorkeuren opgeeft, dan
hoeft u het niet iedere keer in te vullen als u een nieuwe pagina aanmaakt.
Beschrijving: Vul een korte beschrijving in van de documentinhoud.
U kunt de achtergrondkleur veranderen of een achtergrondafbeelding opgeven voor de pagina waar u momenteel mee
aan het werk bent. Deze keuzes hebben effect op de manier waarop tekst en koppelingen in verschijnt aan mensen
die de pagina in een browser bekijken.
Om de kleuren en achtergrond van de huidige pagina in te stellen, begint u uit &brandShortName;'s venster:
Open het Opmaak-menu en kies voor Paginakleuren en achtergrond.
Bewerk een van de volgende eigenschappen:
Standaard kleuren van
lezer: Selecteer dit als u wilt dat uw pagina de kleurinstellingen
voor teksten en koppelingen gebruikt van de browser van de bezoeker.
Aangepaste kleuren gebruiken: Selecteer dit als u wilt de kleuren
en koppelingen wilt specificeren. Selecteer voor ieder element een kleur uit de keuzelijst.
Een voorbeeld voor iedere type link verschijnt in het rechterpaneel.
Achtergrondafbeelding: Selecteer dit als u wilt dat de achtergrond van
pagina een afbeelding is. Typ de naam van de afbeelding of klik op Bestand kiezen om
de afbeelding te vinden op uw harde schijf of netwerk.
Opmerking: Achtergrondafbeeldingen zijn getegeld en overschrijven de
achtergrondkleuren opties.
URL is relatief ten opzichte van paginalocatie:
Als deze optie is aangevinkt zal &brandShortName; de URL converteren
zodat deze relatief is ten opzichte van de paginalocatie. Dit is vooral
handig als u van plan bent om om uw pagina's op een webserver te
publiceren, zodat anderen ze kunnen bekijken
Het gebruik van relatieve URL stelt u staat om al uw gekoppelde
bestanden op dezelfde plaats bij elkaar te houden relatief van
elkaar, afhankelijk van hun locatie op de harde schijf van de webserver.
Het uitvinken van deze optie zorgt ervoor dat &brandShortName; de
URL's converteert naar een volledige (absolute) URL. Meestal worden
absolute URL's gebruikt om koppelingen naar afbeeldingen op andere
webserver aan te brengen (niet lokaal op uw harde schijf opgeslagen).
Als u onopgeslagen veranderingen hebt doorgevoerd moet u eerst de pagina opslaan
voordat u dit keuzeveld aanvinkt.
Opmerking: Om verdere attributen of JavaScriptgebeurtenissen toe te
passen, klik dan Geavanceerd bewerken aan om de Geavanceerde eigenschappen bewerker te openen.
To create a link within the same page, for example a link that the
reader can use to
jump from one section to another, you must create an anchor
(target location),
and then create a link that points to the anchor. Anchors are also
called
named anchors.
Click to place the insertion point at the beginning of a line
where you want to
create an anchor, or select some text.
Open the Insert menu and choose Named Anchor. You see the Named
Anchor Properties
dialog box.
Type a unique name for the anchor in the Anchor Name field (up
to 30 characters).
If you include spaces, they will be converted to underscores ( _
). If you selected
some text in step 1, this box already contains a name.
Click OK. An anchor icon appears in your document to mark the
anchor's location:
To create the link on which readers can click to jump to the
anchor:
Select the text or image that you want to link to the
anchor.
Click the Link button or open the Insert menu and choose
Link. You see the Link
Properties dialog box.
If you're creating a link to an HTML file on your computer,
click Choose File
to locate it.
If you're creating a link to a named anchor (target), select
it from the list of
the anchors currently available in the page.
If you're creating a link to a level heading (for example,
Heading 1 - Heading 6),
select it from the list of headings currently available in
the page.
Click OK.
Note: To test the link you just created, open the
File menu and choose Browse Page,
then click the link.
Tip: If you did not first create named anchors,
you can use the Link dialog box to
create links to headings that already occur in the page.
You can create links from your page to local pages on your own
computer or on your workplace's network, or to remote pages on the
Internet.
Tip: It's best to first save or publish your page
before you create links to other pages. This allows &brandShortName;
to automatically use relative references for links once you create
them.
To create a link to another
page:
Click to place the insertion point where you want to create a
link, or select the text
or image that you want to link to the anchor.
Click the Link button. You see the Link Properties dialog
box.
Define your link:
Link text: If you've already selected an
image file or text before clicking
the Link button, the selected text or file will be entered
here. Otherwise, you must
enter the text that you want to use as the link.
Link Location: Type the local path and
filename or remote URL of the page
you want to link to. If you're not sure of the path and
filename for a local file,
click Choose File to look for it on your hard disk or
network. For remote URLs, you
can copy the URL from the browser location
field. Alternatively, you can select a
named anchor or a heading in the current page that you
want to link to.
URL is relative to page location: If
checked, &brandShortName; converts the URL to
be relative to the page's location. This is especially
useful if you plan to publish
your pages to a web server so that others can view
them. Using relative URLs allows
you to keep all your linked files in the same place
relative to each other,
regardless of their location on your hard disk or a
web server.
Deselecting this option causes &brandShortName; to
convert the URL to a full (absolute)
URL. You typically use absolute URLs when linking to
pages on other web servers
(not stored locally on your hard disk).
If you have unsaved changes, you must first save the page
in order to enable this
checkbox.
To apply additional attributes or JavaScript events, click
Advanced Edit to display the
Advanced Property
Editor.
Click OK.
To test the link you just created, click the Browse button and
then click the link to make sure it works as expected.
Tip: You can copy a link quickly by clicking and
dragging the link from another window and then dropping it onto your
page. For example, you can click and drag a link from a web page,
bookmark, or Mail window and drop it onto your page. You can also
right-click (Control+click on Mac OS) a link on a web page and choose
Copy Link Location from the menu. Then you can paste the link location
into the Link Location field in the Link Properties dialog box.
While creating links on your web page to other people's web pages, &brandShortName; provides the feature of including XFN (XHTML Friends Network) information. The XFN is a simple way to represent human relationships using hyperlinks. To add XFN information:
Right click on the link in which you want to add the XFN information.
Select "Link Properties".
In the "Link Properties" dialog window, click on "More Properties".
Select the corresponding entries under "Friendship" section to be added as XFN information.
Click on "OK".
Click on "Save" to save changes/addition in document.
Note: Some XFN properties are radio-button type i.e. pick at most one, others are check boxes i.e. pick as many.
You can make images, such as JPEG, GIF, or PNG files, behave like
links in your pages. When the reader clicks a linked image, the
browser window displays the page that the image is linked to.
Select an image on your page.
Click the Link button on the toolbar, or open the Insert menu and
choose Link.
Tip: Drag and drop a linked image from the
Navigator window into a &brandShortName; window to copy both the image
and the link.
Note: To remove the blue border on images used as
links, open the Link Properties dialog box, click the Link tab, and
uncheck "Show border around linked image".
This section describes the settings in the &brandShortName;
preferences panel. If you are not currently viewing the panel, follow
these steps:
Open the Edit menu (Mozilla menu on Mac OS X) and choose
Preferences.
Double-click the &brandShortName; category to expand the
list.
For information on &brandShortName;'s publishing settings, see Publishing Settings.
&brandShortName; Preferences
&brandShortName; preferences allow you to specify settings for
saving files and for table editing. These settings apply to every
document you create.
If you are not already viewing the &brandShortName; preferences,
follow these steps:
Open the Edit menu (Mozilla menu on Mac OS X) and choose
Preferences.
Click the &brandShortName; category.
Maximum number of pages listed: Specify the
maximum number of pages that are listed under Recent Pages in the File
menu.
Retain original source formatting: This option
preserves line breaks and the page's original formatting for the HTML
source code. Select this if you want to preserve white space (extra
lines, tabs, etc.) that makes the HTML source code more readable. This
preference does not affect how your pages appear in a browser
window.
Reformat HTML source: This option reformats the
HTML source code to make it more readable, by inserting line breaks
and indentation. This preference does not affect how your pages appear
in a browser window.
Save images and other associated files when saving
pages: If checked, all images, JavaScript (JS), Cascading
Style Sheet (CSS), and other associated files are saved in the same
location as the document when the document is saved for the first time
or when the document is saved to a new location. If unchecked, only
the HTML file is saved.
For example, when editing a remote page,
this setting ensures that all related files associated with the remote
page will be saved locally when you save the page to your hard
disk.
Always show Publish dialog when publishing pages:
If checked, &brandShortName; always displays the Publish Page dialog
box when you click the Publish button or choose Publish from the File
menu. If not checked, &brandShortName; only displays the Publish Page
dialog box if it needs more information in order to publish the
page.
Maintain table layout when inserting or deleting
cells: Select this if you want &brandShortName; to always
preserve the table's layout (that is, keep it in a rectangular shape)
by adding cells where needed. If you deselect this option, when you
delete one or more cells, &brandShortName; removes the cell border as
well, which can result in a table with empty spaces, or an outline
that appears irregular due to an uneven number of cells.
Use CSS styles instead of HTML
elements and attributes: Enables the use of Cascading Style
Sheet (CSS) formatting in your &brandShortName; documents. With this
preference enabled, &brandShortName; generates HTML 4.01 formatting
with CSS inline styles for elements.
If this preference is not enabled, &brandShortName; generates HTML
4.01 formatting, but does not use CSS styles.
Compared to HTML, HTML with CSS formatting is more portable, more
maintainable, and more compatible when viewed with different
browsers. If you enable this preference and then edit a document
created without CSS, &brandShortName; replaces the edited elements
with CSS styles.
If you enable CSS styles, you can choose a text highlight color for
selected text using the text highlight color button on the Format
toolbar. You can also choose a color background for any element on the
page. (These features are not available if this preference is not
enabled.)
Always open a document in a new tab: Select this
if you want to open documents in new tabs when using the Site
Manager. If unchecked, double clicking on filenames in the Site
Manager will open the files in new windows.
New page preferences allow you to specify settings for colors and
background images that apply to every document you create.
If you are not already viewing the New Page Settings, follow these
steps:
Open the Edit menu (Mozilla menu on Mac OS X) and choose
Preferences.
Double-click the &brandShortName; category and click New Page
Settings.
Author: Enter your name. This will add your
name to the HTML source code for each new page you create.
Reader's default colors: Select this if you
always want your pages to use the color settings from the viewer's
browser for text and link elements.
Use custom colors: Select this if you always want
to specify the colors that are applied to text and link elements. Then
for each element, select a color by clicking the color button next to
each element.
Background image: Type the location and name of
an image file, or click Choose File to locate the image file on your
hard disk or network.
Note: Background images are tiled and override
background color.
To change the author name for an individual page: Open the Format
menu and choose Page Title and Properties.
To change the page colors and background image for an individual
page: Open the Format menu and choose Page Colors and
Background.
Internationalization: Language: Choose the
language in which the html documentsupposed to be written in.
For example if the document is written in
Canadian French, selecting "French/Canada[fr-ca]" will indicate the
browser that the document is written in Canadian French. And the html
source will contain <html lang="fr-ca"> as an indicator
of document language.
Internationalization: Writing Direction: Choose
the direction of writing text depending on the language you are using
in your document. This solves the problems of users creating html
pages in languages with right-to-left direction, for example, Arabic,
Urdu, etc.
To change the Language specification for an individual page: Open
the Format menu and choose Page Title and Properties, and change
language in the Internationalization section.
To change the Writing Direction of an individual page: Open the
Format menu and choose Page Title and Properties, and change language
in the Internationalization section.
This section describes how to use the Proxies preferences panel. If
you're not already viewing it, follow these steps:
Open the Edit menu (&brandShortName; menu on Mac OS X) and
choose Preferences.
Under the Advanced category, click Proxies. (If no
subcategories are visible, double-click Advanced to expand the
list.)
The Proxies preferences panel allows you to set up &brandShortName;
to use a proxy:
Before you start: Ask your network administrator
if you have a proxy configuration file or for the names and port
numbers of the proxy.
Direct connection to the Internet: Choose this
if you don't want to use a proxy.
Manual proxy configuration: Choose this if you
don't have a proxy location (URL).
HTTP Proxy, SSL Proxy,
FTP Proxy, Gopher Proxy: Type the name or numeric IP
address of the proxy server. Type the port in the Ports field.
SOCKS Host: Type the name or numeric IP
address of
the proxy server. Type the port in the Ports field.
SOCKS v4, SOCKS v5: When entering a
SOCK Host, select "SOCKS v4" or "SOCKS v5,"
depending on what version of SOCKS is used for the proxy.
No Proxy for: Type the domains and/or IP
address that you do not want to use a proxy for. Separate each entry
with a comma. (Example: .yourcompany.com, .yourcompany.co.nz, 192.168.1.0/24)
Automatic proxy configuration URL: Choose this
if you have a proxy configuration file or URL, then type the
configuration
URL.
The option "Return in a paragraph always creates new paragraph"
defines the behaviour of the return key. Choosing it creates a new
paragraph if you hit the "Return" key while typing in a
paragraph. Without this option <br> tags are added for carriage
returns.