De cello

   

De cello is een van de grootste strijkinstrumenten uit de vioolfamilie. Tot deze familie behoren de viool, de altviool, de cello en de contrabas. De cello wordt bespeeld met een strijkstok, en leunt op een pin.

De naam cello is een afkorting van het woord violoncello. Het woord violoncello is ontstaan uit: violino (viool) → violone (grote viool) → violoncello (kleine grote viool).

De klank van de cello is warm, met heel lage tonen, maar ook heel hoge.

De geschiedenis van de cello gaat heel erg ver terug. Al in de 16de eeuw worden er instrumenten die erg lijken op de cello afgebeeld bijvoorbeeld in kerken. In de 17de eeuw wordt voor de eerste maal ook het woord violoncello gebruikt. Pas aan het einde van de 17de eeuw wordt de eerste solomuziek gecomponeerd (Ricercares van de Italiaan Domenico Gabrielli). Eerst werd de cello namelijk alleen gebruikt om andere instrumenten te begeleiden. Na de ricercares van Gabrielli gaan steeds meer componisten muziek voor de cello schrijven, en in de 18de eeuw maakt de eerst nog simpele techniek een hele ontwikkeling door. De duimpositie ontstaat (waardoor steeds hogere noten gespeeld kunnen worden), moeilijkere streeksoorten, er komt een ander soort stok, en in later tijd krijgt de cello ook een pin, etc. etc. Deze ontwikkeling gaat eigenlijk nog steeds door. Zo ontwikkelde de Franse celliste Frances Marie Uitti in de 20ste eeuw een manier om met twee stokken tegelijkertijd de cello te bespelen.

   

Onbekende cellist, schilderij door Jan Miense Molenaer

Schilderij van de cellist Luigi Boocherini Afbeelding van de cellist Bernhard Romberg Schilderij van de celliste Guilhermina Suggia

 

In vroeger tijden had de cello snaren gemaakt van schapendarm. Dit is op schilderijen uit die tijd ook goed te zien. Die snaren zien er wat gelig uit. Na WO II werden stalen snaren de meest gebruikte snaren. Barokcellisten spelen echter nog steeds op darmsnaren. Darmsnaren zijn een natuurproduct, en daardoor zeer gevoelig voor de weersomstandigheden en zelfs temperatuurschommelingen in een kamer. Als het ergens heel erg droog is, drogen darmsnaren uit, worden korter en klinken niet meer zo mooi. Door vocht rekken de snaren juist uit, en moet je dus bijstemmen. Stalen snaren zijn veel minder gevoelig voor wisselingen in temperatuur en vocht.

Je hebt vast wel eens gezien dat cellisten tijdens het spelen met hun linker hand heen en weer zitten te bewegen. Dit heet vibrato. Tegenwoordig is het heel gewoon om uitgebreid vibrato te gebruiken. In de Barok echter werd vibrato als een versiering gezien, iets wat je toevoegde op speciale punten in de muziek, en werd dus niet constant gebruikt.

Tegenwoordig heeft de cello 4 snaren (gestemd ADGC). In de 17de en de 18de eeuw bestonden er instrumenten met 5 en soms ook wel 6 snaren. Deze snaren waren ook niet altijd zo gestemd als we tegenwoordig gewend zijn.

   
Enkele beroemde cellisten:

Pablo Casals

Jacqueline du Pré

Anner Bijlsma

   
   
Als je meer wilt lezen over de cello, zijn de volgende boeken een goed uitgangspunt:
Elisabeth Cowling: The cello  
Winfried Pape en Wolfgang Boettcher: Das Violoncello  
Henk Lambooij en Michael Feves: A Cellist's Companion: A Comprehensive Catalogue of Cello Literature