Ivar, een Oudduitse Herder

Start
Erfelijke aandoeningen


skelet 

 


In het leven van een hond onderscheiden we een aantal fasen. Veel mensen maken niet alle levensfasen van hun hond mee, ook al krijgen ze deze als pup. Toch is het belangrijk dat u weet hoe uw oudduitse herder zich heeft ontwikkeld omdat het eventueel later gedrag kan verklaren. Hier kunt u lezen welke levensfasen we onderscheiden.

De geboorte

Als een pup geboren wordt, kan hij nog niet lopen en wordt hij in het begin samen met de andere pups uit het nest door zijn moeder opgevoed. Zijn ogen en oren zijn nog niet in staat om hun functie te vervullen, maar zijn reukvermogen is al volledig ontwikkeld. Daarom vindt hij ook instinctief de tepels van zijn moeder en zuigt zich daar aan vast. Gedurende de eerste drie weken krijgt hij via de moedermelk alles wat hij nodig heeft om te van leven.

De eerste weken

Vanaf de 3e levensweek gaan de zintuigen van de kleine pup functioneren. Zijn ogen en gehoorgangen gaan open, zodat hij op het eerste contact met zijn broertjes en zusjes kan reageren. Ongeveer vanaf de 21ste dag volgen de eerste loop- en blafpogingen. Binnen de beschermde omgeving van het nest doet  hij zijn eerste ervaringen op en hij leert de voorwaarden van het ingewikkelde sociale gedrag van zijn soortgenoten kennen. In de 4de week begint de belangrijke inprentingsfase. De zintuigen van de pup zijn nu volledig ontwikkeld zodat hij zijn omgeving precies kan gadeslaan. Hij besnuffelt en onderzoekt alles. Zijn leervermogen is in deze fase enorm. Later in zijn leven is zijn leervermogen een stuk beperkter. Daarom is het juist in deze fase belangrijk om heel intensief bezig te zijn met de pup, zodat deze zich ontwikkelt tot een sociaal dier dat gesteld is op contact met anderen. Een intensieve band met zijn broertjes en zusjes is voor de kleine hond minstens zo belangrijk. Vanaf de 4de week kunt u ook vaste voeding bijvoeren. Het beste is speciale puppyvoeding. Tussen de 8ste en 12de week van zijn leven bevindt de pup zich in de socialisatiefase en kan van "mensenroedel" veranderen. Het beste tijdstip om van de moeder, broertjes en zusjes gescheiden te worden is rond de 10de week. Als de pup in zijn nieuwe roedel komt, moet er ook een keuze gemaakt worden welke voedign het dier gaat krijgen. U kunt kiezen uit brokken,  vers (diepvries)vlees, of BARFEN. 

De eerste maanden

Ghandi (Guti) vom Eggentraum 


Als u uw pup rond de 10de week krijgt, kunt u het beste onmiddellijk met hem naar de dierenarts gaan. De dierenarts controleert de gezondheidstoestand van uw kleine hond en geeft adviezen over entingen en wormkuren. Bovendien heeft uw pup nu extra aandacht nodig om de nieuwe omgeving en het gemis van zijn broertjes en zusjes te kunnen verwerken. Prijs en loof hem vaak en spreek daarbij zijn naam uit. Toon hem waar de grenzen zijn met een duidelijk "nee" en begin met het zindelijk maken. De ontwikkeling tot de 16de week noemen de hondenonderzoekers de "fase van de rangorde". Nu heeft uw hond een "roedelleider" nodig. Dat geldt ook voor de voeding: u beslist wat en wanneer uw hond te eten krijgt en wat hij niet mag eten. Let er in deze gevoelige fase waarin hij snel groeit op dat voldaan wordt aan de speciale voedingsbehoefte van uw pup. Biedt uw pup zo veel mogelijk verschillende ervaringen (autorijden, bus, lift, restaurantbezoek, mensenmassa's) en contacten (kinderen, soortgenoten, andere dieren). Dan zal hij hier later als volwassen hond vertrouwd mee zijn en een aangename en stabiele vriend voor u zijn. Het volgen van een puppycursus kan u hierbij helpen.
 
De puberteit

De fase van de puberteit is meestal behoorlijk kort en duurt ongeveer een tot anderhalve maand. De puberteit kan zich uiten op uiteenlopende manieren. Meestal laat de hond een onbehouwen en ondeugend gedrag zien en leert hij niet graag iets nieuws. Soms vergeet hij weer wat hij heeft geleerd of doet hij alsof hij het niet weet. In deze fase is het heel belangrijk dat u toch consequent en vasthoudend blijft in de opvoeding. Ook hier kan een cursus spelend voor jonge honden een goede aanvulling zijn voor de opvoeding.

De volwassen hond

Een reu heeft de puberteit achter zich gelaten als hij voor de eerste keer zijn poot optilt; een teef als ze loops wordt. Dat kan tussen de 7de en 8ste maand beginnen, maar het kan ook wel tot een jaar duren. Het is niet goed om teven meteen bij de eerste loopsheid te laten dekken, omdat hun organen dan nog niet volledig ontwikkeld zijn. Afhankelijk van de grootte kunt u rond 16 tot 18 maanden omschakelen naar voeding voor volwassen honden.   Uw hond is nu volgroeid - tenminste wat zijn groei in de lengte betreft. Zijn eindgewicht bereikt hij echter pas later en ook de ontwikkeling van zijn karakter is nog niet volledig voltooid.

De oudere hond

Wanneer een hond oud wordt, is van ras tot ras en zelfs individueel van hond tot hond verschillend. Het verouderingsproces zet langzaam en bijna onmerkbaar in. Uw hond beweegt zich minder, zijn spijsvertering wordt langzamer, hij wordt wellicht wat dikker. Daarom is het rond 8 jaar (bij grote honden wat eerder)  belangrijk om zijn voeding te veranderen naar seniorenvoedsel. U kunt hem nu beter twee tot drie keer per dag kleinere porties aan bieden. Zo wordt zijn spijsvertering ontlast en de opname van de voedingsstoffen wordt gelijkmatig gehouden. Misschien heeft uw hond ook een speciaal dieet nodig: dit kunt u bij de dierenarts verkrijgen. Meestal treden verouderingsverschijnselen tussen het achtste en tiende levensjaar op. Kop en snuit  kunnen grijs worden, zijn gezichtsvermogen en zijn gehoor worden minder. Omdat zijn reukvermogen normaal gesproken slechts weinig achteruit gaat, beperkt hem dat niet al te veel. Het plezier aan spelen zal uw oudduitse herder ook wanneer hij ouder wordt niet verliezen - ook niet als zijn uithoudingsvermogen minder wordt. Het kan zijn dat uw hond op een bepaald moment niet meer helemaal zindelijk is. Hij zal dat zelf erg vervelend vinden, dus mopperen heeft geen zin en zal hoogstens averechts werken.

Zwemmen is een gezonde lichaamsbeweging. Het belast de gewrichten niet en het sterkt de spieren.

 

HARTSLAG, ADEMHALING EN TEMPERATUUR VAN EEN GEZONDE HOND

De hartslag van pups en heel jonge honden varieert tussen 110 en 120 slagen per minuut. Volwassen honden hebben een hartslag tussen 90 en 100 slagen, terwijl de oudere hond 70 a 80 slagen per minuut heeft. Uitgangspunt hierbij is de hond in rust. Vanzelfsprekend neemt de hartslag toe tijdens inspanning. Tel gedurende minimaal 15 seconden de hartslag en vermenigvuldig dit met 4. Beter is een volle minuut te tellen, maar bij sommige honden is dit moeilijk, vanwege de beweeglijkheid. U kunt de hartslag tellen met wijs- en middelvinger, die u op de grote slagader legt aan de binnenkant van de achterpoot, hoog op het been, bijna op de plaats waar het been overgaat in de romp. Dit is echter vrij moeilijk. Het eenvoudigst is de hand op de linkerborst van de hond te leggen. U kunt echter via deze methode niet de "kracht" voelen, waarmee het bloed wordt rondgepompt. Kunt u bij een ziek dier de hartslag slecht voelen via de dijbeen slagader, dan is dit meestal een slecht teken. Een belangrijke wetenswaardigheid is het feit dat de hartslag bij de hond onregelmatig is! Hierover hoeft u zich dus niet ongerust te maken. Een zieke hond heeft meestal een snellere hartslag.
Net zoals bij de hartslag varieert de ademhalingsfrequentie (aantal ademhalingen per minuut) naar gelang de leeftijd van de hond. Jonge honden zullen 18 tot 20 keer per minuut ademhalen, volwassen honden 16 tot 18 keer en oudere honden 14 tot 16 keer per minuut. Natuurlijk zal de hond sneller gaan ademen bij inspanning. Normaal zal de hond door zijn neus ademen. Bij opwinding, warmte en inspanning zal de hond gaan hijgen en door de bek ademen. Hijgen in rust is meestal een teken dat de hond zich niet lekker voelt. Wanneer u wilt tellen hoe vaak de hond ademt telt u alleen de inademing, of de uitademing en niet allebei!
De normale temperatuur van de hond varieert tussen de 38o C en 39o C. U dient de temperatuur van de hond altijd rectaal, dat wil zeggen via de anus op te nemen. Wanneer u een kwikthermometer gebruikt dient u de hond erg goed vast te houden en het liefste met hulp van iemand anders. Wanneer de thermometer breekt is immers de kans groot dat het kwik in aanraking komt met de hond! Zorg dat de kwikthermometer op 36o C is afgeslagen. Pak de staart vast en trek deze iets omhoog. Steek dan voorzichtig het uiteinde van de thermometer in de anus en houdt de thermometer gedurende 3 minuten in de anus. Gebruikt u een digitale thermometer, dan zal de thermometer meestal zelf een signaal geven wanneer de waarde afgelezen kan worden. Ons advies is eigenlijk een digitale thermometer aan te schaffen speciaal voor de hond en deze bij de huisapotheek te bewaren. Een digitale thermometer is sneller af te lezen en brengt minder risico's met zich mee. De prijzen zijn tegenwoordig erg laag, vanaf  7 Euro heeft u al een thermometer. De temperatuur is waardevolle informatie wanneer de hond ziek is. Heeft de hond koorts, meet dan enkele malen per dag.

 

Om uw hond gezond te houden moet deze ook regelmatig geënt worden.

 

 

 

 

 

 

 

 
Deze webpagina kwam o.a tot stand door Riet Hogerwerf, Liny Mutsaers, René Kreuzen, Ciska van Schaik, Louise Riquelme Anouk Lakeman Piet van Deutekom, John Gerrits, Typovar en natuurlijk...Ivar!

Heeft u een foto van uw oudduitse herder? Of een leuk verhaal? Stuur een Email

Misschien wordt het geplaatst!