Dateringsmethodes

Inleiding
Er zijn verschillende dateringstechnieken. Over het algemeen kun je de dateringstechnieken onderverdelen in relatieve - en absolute dateringen.

Relatieve dateringen
Relatieve dateringen in hun eenvoudigste vorm houden in dat vastgesteld kan worden of het ene exemplaar jonger of ouder is dan het andere exemplaar. Een relatieve dateringstechniek is stratigrafie. Stratigrafie is een onderdeel van de geologie dat zich bezighoudt met de identificatie, benoeming en datering van gestratificeerde gesteenten, gesteenten die in lagen ('strata') voorkomen.
Over het algemeen kun je stellen dat jongere afzettingsgesteenten boven op de oudere liggen, dus dichter bij het oppervlak. Logische conclusie zou dan zijn dat het jonge gesteente dus van recentere datum is. Helaas is dit niet altijd het geval. Door aardbevingen, breuklijnen, vorming van gebergten en vulkanische uitbarstingen worden de gesteentelagen gesleten, gebogen, opgetild en zelfs omgedraaid, waardoor fossielen dieper of hoger komen te liggen.
Niettemin hebben paleontologen de fossielen die typerend zijn voor elke laag in kaart weten te brengen. Hiervoor kozen zij vooral veel voorkomende en snel veranderende microfossielen, zoals stuifmeelkorrels in landafzettingen en hele kleine foraminiferen in zee-afzettingen. Dit werk heeft een aantal fossiel-volgorden opgeleverd, waardoor nieuw ontdekte fossielen relatief zijn te dateren aan de hand van andere fossielen uit dezelfde laag of het soort gesteente waarin ze liggen ingebed.

Absolute dateringen
Absolute datering is gebaseerd op radioactiviteit. Bij de vorming van gesteenten worden chemische stoffen opgenomen, waarvan enkele van nature radioactief zijn. De gesteenten kunnen in de loop van de tijd in een totaal ander element veranderen. Dit wordt radioactief verval genoemd. Hierbij is de oorspronkelijke stof de 'ouder' en de nieuwe de 'dochter'. Het verval is regelmatig en heeft voor elke ouderstof een karakteristiek patroon. Gewoonlijk wordt de 'halfwaardetijd' gemeten, de tijd die nodig is om de helft van het aantal ouder-atomen in dochters uiteen te laten vallen. Op basis van de relatieve hoeveelheden ouder- en dochterstof kan men berekenen hoe lang zij samen ingekapseld zijn geweest en dus ook wanneer het gesteente werd gevormd.

Kalium-argon datering (K-Ar)
Kalium-Argon datering wordt gebruikt om lagen vulkanisch gesteente te dateren. Dit radioactieve deel vervalt langzaam, in een vast tempo, tot de stabiele isotoop Argon. In een vulkanisch monster zal de hoeveelheid Argon dus met de tijd toenemen. Men kan de leeftijd van het gesteente berekenen door de hoeveelheid Kalium en Argon te vergelijken. De halveringstijd van Kalium is 1250 miljoen jaar. De Argon in het vulkanische gesteente komt van twee bronnen, de atmosfeer en van het verval van Kalium. Argon maakt ongeveer 0.9 procent van de atmosfeer uit. Als men de hoeveelheid Argon in een monster dus corrigeert voor de hoeveelheid Argon die in de atmosfeer voorkomt, kan men door het vaste tempo van het verval, nagaan hoe oud het monster is. Kalium kan slechts op vulkanisch gesteente gebruikt worden en wordt vooral aangetroffen in Oost Afrika, waar afzettingen met vroege hominiden voorkomen.

Koolstofdatering (C-14 methode)
Koolstof-14 datering (C-14) Kort na de tweede Wereldoorlog werd een bijzonder nauwkeurige natuurkundige methode voor de ouderdomsbepaling ontdekt. De methode staat sindsdien bekend als de C-14 methode. De C staat voor koolstof en de 14 staat voor radioactief. Door het radioactief verval wordt het percentage C-14 in het organisme steeds minder (zodra het organisme sterft houdt de opname van C-14 op). Een vaste regel voor radioactieve stoffen is dat de vervalkans voor elk atoom van een bepaalde radioactieve stof steeds hetzelfde is. Dit betekent bijvoorbeeld dat het altijd even lang duurt totdat de helft van de radioactieve atomen vervallen is. Deze karakteristieke tijd wordt de halveringstijd genoemd. Voor C-14 is de halveringstijd 5730 jaar.


sluit window Naar homepage