Een belangrijke stap in de evolutie van onze voorouders vond ongeveer 600.000 jaar geleden plaats. Aan de fossielen van Afrikaanse hominiden uit deze periode is overduidelijk te zien dat zij zich hadden afgesplitst van Homo erectus. Deze hominiden (door sommige onderzoekers aangeduid als Homo heidelbergensis en door andere als Homo rhodesiensis) hadden een hersenvolume van ongeveer 1200 kubieke centimeter, slechts 200 kubieke centimeter minder dan het hersenvolume van moderne mensen.
Lange tijd gebruikte men in de paleoantropologie ook termen als archaïsche Homo sapiens of pré-Neanderthalers. Hiermee werd een groep hominiden beschreven die vóór de komst van de moderne mens en de Neanderthalers over de hele ‘oude' wereld leefden.

De nakomelingen van deze hominiden met hun grote hersenen schijnen zich opnieuw vanuit Afrika te hebben verbreid, waarbij sommigen zelfs helemaal naar China trokken en anderen in noordelijke richting, naar Europa. Deze vroege Europeanen hebben enkele van de oudste bewijzen nagelaten waaruit blijkt dat zij uitstekende jagers waren. Op het eiland Jersey zijn aan de voet van rotskliffen fossielen van neushoorns en andere grote zoogdieren gevonden, en alles wijst erop dat zij daar zijn geslacht. Waarschijnlijk werden ze gedood door hominiden die de dieren over de rand van de afgrond joegen en vervolgens van dichtbij afmaakten. Andere bewijzen voor jachtactiviteiten leveren de werktuigen die de hominiden maakten. Duitse archeologen die opgravingen verrichtten in de resten van een voormalig meer, ontdekten houten speren van 400.000 jaar oud. Ze waren aan beide uiteinden aangepunt als werpspies en hadden een lengte van 1,80 tot 2,70 meter. Niet ver van de plaats waar zij de speren vonden ontdekten de archeologen de in stukken gehakte beenderen van wilde paarden. Mogelijk dreef Homo heidelbergensis deze paarden het meer in om ze vervolgens met zijn speer te doden.
300.000 jaar oude schedel uit Zambia van
Homo heidelbergensis
Deze vorm van jagen suggereert dat deze hominiden een veel nauwere samenwerking hadden ontwikkeld dan hun voorgangers. Misschien deelden zij hun kennis over bet gebied waarin ze leefden en de dieren waar ze op jaagden. Deze hominiden hadden ook het stadium van de vuistbijl die hun voorouders meer dan een miljoen jaar lang hadden gebruikt, achter zich gelaten. Al 300.000 jaar geleden ontwikkelde Homo heidelbergensis een nieuwe techniek om stenen werktuigen te vervaardigen. Deze zogeheten Levallois-werktuigen werden gemaakt door stukken van stenen of te hakken, net zolang totdat ze een brede vlakke vorm hadden. Vervolgens gaf de maker een harde klap op de bovenkant van de steen en houwde er zo een grote afslag af.
![]() |
![]() |
|---|
Ondanks de grote vaardigheid die nodig was voor het maken van deze nieuwe afslagen, begon Homo heidelbergensis ze in grote hoeveelheden te produceren. Ze gebruikten Levallois-werktuigen om vlees en plantaardig voedsel te snijden en misschien ook als speerpunt. Ondanks hun nieuwe werktuigen en hun bedrevenheid in de jacht zijn er echter ook allerlei tekenen waaruit blijkt dat Homo heidelbergensis mentaal nog wezenlijk van ons verschilde. Er zijn geen bewijzen dat ze hun doden begroeven. En paleoantropologen hebben nog nooit een schildering gevonden die door hen is gemaakt of een figuurtje dat zij hebben gesneden.

Hoewel Europa voor een ondernemende hominide volop voedsel te bieden had, werd het ook gekenmerkt door vernietigende klimaatschommelingen. Tijdens de opeenvolgende ijstijden schoof een dik pak landijs op tot ver naar het zuiden, tot in Engeland en Denemarken, en veranderde het grootste deel van het land dat niet door ijs was bedekt in een koude woestijn. Op het hoogtepunt van de ijstijden konden de hominiden alleen rond de Middellandse Zee overleven. Gedurende de warme intervallen trokken zij achter het wild aan naar noordelijk Europa. In de loop van de tijd veranderde onder invloed van de natuurlijke selectie de lichaamsbouw van deze Europese hominiden als reactie op het harde klimaat. Hun benen werden korter en dikker, hun borstkas breder, hun lichaam meer gespierd. Ongeveer 300.000 jaar geleden leken ze in niets meer op de veel slankere hominiden in Afrika. Uiteindelijk ontwikkelden deze Europese hominiden zich 130.000 jaar geleden tot een nieuwe soort, de Neanderthalers (link maken) ofwel Homo neanderthalensis.
Nadat er meer van deze fossielen bekend werden zag men dat deze hominiden zowel trekjes hadden van Homo erectus, van de moderne mens, maar ook van de Neanderthalers. De vraag is dan ook: Is Homo heidelbergensis een regionale tussenvorm, of evolueerde heidelbergensis alleen in Afrika tot de moderne Homo sapiens, waarbij het gaandeweg de andere populaties verving?
Homo heidelbergensis is dus een belangrijke en opmerkelijke soort. Heidelbergensis leefde van 800.000 tot 150.000 geleden.
