Zuid-Oost Azië in 2003 (7).
(Laos)

Een communistisch land dat het Boedhisme aanmoedigt, ook een van de ongerijmdheden in ZO Azië; monniken in de vroege ochtend hun dagelijks portie rijst bij elkaar bedelend


Kamperen op het schoolveld.

Verwonderd kijken de mensen ons na als we door de dorpjes fietsen. Ons Sabai dee wordt verbaasd beantwoordt, hier is men geen toeristen gewend. De onverharde weg slingert tussen de bergen, begroeid met veel oerwoud, waar we urenlang doorfietsen zonder een mens te zien. Tot we een toeter achter ons horen. De ijscoman! Likkend aan een kokosijsje blijven we een poosje praten tot hij weer verder gaat op zijn brommertje de dorpen langs. Twee keer halen we hem nog in, heeft blijkbaar nog heel wat klanten gehad onderweg! De dorpen vinden we er ook verrassend netjes en goed verzorgd uitzien, zou de nabijheid van Thailand hier wat meer welvaart brengen?

Een slagboom op de weg; controle van de paspoorten, toen we aan boord gingen moesten we ons ook laten registreren. Toch lijkt alles wel vredig onderweg en de mensen zijn erg aardig. Om een uur of vier wordt ons in een dorp beduid, dat we maar beter niet verder kunnen gaan, voor donker halen we toch geen andere plaats meer. Ze fietsen zelf ook en kunnen de tijden dus wel inschatten, we besluiten om er de tent maar op te zetten. Voor het schooltje is een groot grasveld. De kinderen komen uiteraard kijken, een paar moedige jongelui vragen verlegen of ze even op onze fietsen een rondje mogen rijden. 's Avonds komen nog enkele volwassenen kijken en informeren al even beleefd of we gegeten hebben. Het heeft zich rondgesproken dat we ballonnen uitdelen en een kindje dat nog niets gehad heeft en zelf niet durft te vragen, komt met zijn vader. We hebben een heerlijk stille nacht, zelfs de honden blaffen hier niet.

De een z'n pech de ander's geluk: motorpech voor ijscoman leverde ons een ijsje zo maar in het warme niks.


De volgende ochtend komen we door het districtshoofdplaatsje, waar een guesthouse zou moeten zijn. We kunnen er weer eens noodlesoep eten en op de markt wat inkopen doen. Bij een kraampje zitten twee vrouwtjes in klederdracht te eten, als ze zich omdraaien en ons zien, zijn zij net zo ge´nteresseerd in ons als wij in hen, we zijn dus wederzijds exotisch. Xanjabuli is een grote plaats met een staatshotel dat er 4 jaar nadat het gebouwd is al in slaagt er onderkomen uit te zien, losse kranen, verschimmelde deuren, maar met erg vriendelijk en behulpzaam personeel. Nergens is een restaurant te bekennen en wordt het weer "take-away" in plastic zakjes op de markt, wat veel Laotianen trouwens ook doen. De stroomvoorziening is van 18 tot 23 uur, waarna de hele stad zich in volslagen duisternis hult.
Een lange afdaling voert ons weer aan de oever van de Mekong, die hier nog niet veel smaller geworden is. De veerboot ligt gelukkig aan onze kant, maar er staat maar een auto op, die ons een half uur geleden gepasserd is. De drie inzittenden zijn uitgestapt en staan te wachten, drie mannen in zwarte kostuums, hun auto is een dure Suv. De veerboot vertrekt pas als hij vol is weten we uit onze gids, maar de drie mafia-achtig uitziende figuren duurt dat te lang en beginnen te onderhandelen en met bossen geld te zwaaien. Even later vertrekken we, en komt de veerman toch ook nog even bij ons langs voor een kaartje...