raphic acket Versie 1.61b (C) door Ulf Saran, DH1DAE 1990-94 vertaling door H.W.Dankmeijer (PE1ECN) I n h o u d s o p g a v e ------------------------- 1...................................Algemene informatie 2...........................................Installatie 3..............................De aanvullende bestanden 4.....................................Toetsenopdrachten 5................................Uitvoering van het QSO 6...................Toepassing van de Mailbox-Utilities 7..........................................De GP-Editor 8...........................................De MH-lijst 9........................................De "QSO-Spion" 10........................................De Autorouter 11.................................... De Setup-funktie 12.........................................De DOS-Shell 13..................................Gebruik van de muis 14.............................Commandoregel-parameters 15...........................................Softscroll 16.........................Wat is de HOST-mode bij TNC2 17.................................Synchronisatiefouten 18...........................................Enige Tips ANNEX A....................................... Licentiebepalingen B....................................... Kontaktadressen C....................................... Programma-auteurs 1. Algemene informatie GP is een terminal programma dat de Host-Mode van WA8DED software resp. The Firmware gebruikt. Andere TNC software kan ook toegepast worden, zolang die de KISS-mode ondersteunt. In dat geval is dan het programma TFPCR van DL1MEN nodig. Een TNC is zelfs overbodig, wanneer men TFPCX van DG0FT en een bijbehorend modem bezit. GP onderscheidt zich van andere terminal programmas dat het een grafisch gebruikersplatform bezit en daardoor eenvoudig te bedienen is. Voor alle belangrijke functies zijn iconen beschikbaar, die met de muis kunnen worden aangeklikt. Is geen muis aangesloten dan la- ten zich die functies door hotkeys activeren. GP biedt maximaal 10 QSO kanalen, naar wens kunnen ook minder kanalen ingesteld worden. Voor Mail-box gebruik bestaat een nuttige functie, die een DieBox checklijst (de lijst, die bij de opdracht "(C)heck" verschijnt) in een speciale buffer opslaat. Hetzelfde is ook voor de opdracht "(L)ist" beschikbaar. Sinds de versie 1.20 worden ook andere BBS- systemen ondersteund. Daartoe is in GP nog een kleine editor in- gebouwd waarmee tekst, zoals bijv. het configuratie bestand, ver- anderd kan worden. Voor het gebruik van GP is een IBM-compatiebele computer met ten- minste 1MB geheugen, EGA resp. VGA-grafische kaart en DOS 2.0 of hogere versies nodig. GP loopt ook in een DOS-box onder OS/2. Met de standaard VGA-drijvers kan zowel in compleet beeld als ook in vensters gestart worden. Of de venstermode ook met SVGA- XGA- enz. drijvers werkt, kan ik helaas niet zeggen. De complete-beeld mode zal echter in ieder geval functionneren. Is in de gebruikte PC, EMS- of XMS geheugen geinstalleerd (in DOS onder OS/2 met "DOS-Settings" instelbaar), dan slaat GP de Scroll- back buffers in dat geheugen op en verbruikt dan nog maar 380k in het normale DOS geheugen. Voor OS/2 kan men beter de OS/2 versie van GP (GP/2) gebruiken. Het gaat hier om een 32bit toepassing voor de OS/2 presentation manager. 1.1 Het verschil tussen GP.EXE en GP286.EXE GP is in twee varianten gecompileerd, die voor verschillende pro- cessorsoorten geschikt zijn. GP.EXE loopt op alle processors van de 80x86-familie, dus ook op de 8088, 8086, 80286, enz... GP286.EXE ondersteunt de uitgebreide opdrachtenset van de 80286 en werkt dus NIET op de 8088 resp. 8086, echter alleen op de 80286 en zijn opvolgers. Wordt desondanks geprobeerd het programma op een 8088 of 8086 te laten lopen, dan zal de computer 'hangen'. (Tests hebben aangetoond dat GP286.EXE ook op XT's loopt die met een NEC V-20 processor zijn uitgerust. In verband met geheugenruimte werd bij GP.EXE de "QSO-Spion" niet ingebouwd maar is wel in GP286.EXE beschikbaar. 2. Installatie Voor het werken met GP wordt een harde schijf aanbevolen. De instal- latie van GP op de harde schijf is zeer eenvoudig. Men hoeft slechts het batchbestand INSTALL.BAT op te roepen. Dan wordt automatisch de gewenste GP directory gemaakt en alle noodzakelijke bestanden naar die directory gecopieerd. Daarna moet het bestand CONFIG.GP nog op persoonlijke parameters en de eigen roepnaam worden aangepast. Voor remote gebruik moet een aparte subdirectory aangemaakt worden. Op die directory hebben dan alle vreemde stations toegang. Het pad naar die subdirectory moet dan in het configuratiebestand overeenkomstig veranderd worden. Voor de opdracht "//RUN" moet een tweede subdirec- tory gemaakt worden. Bij deze opdracht gaat het om het oproepen van een extern programma waarvan de beeldscherminhoud aan de TNC wordt omgeleid en daardoor aan het tegenstation teruggezonden wordt. Dat externe programma moet in een andere directory staan als GP, anders wordt GP als extern programma opgeroepen, wat onherroepelijk tot problemen leidt. De opdrachten van het configuratiebestand wor- den in hoofdstuk 3.1 verklaard. 2.1 Installatie voorbeeld Voor het werken met GP zijn de volgende bestanden nodig: GP.EXE of GP286.EXE, BINDATA.GP (de gegevens voor het openingsven- ster) ICONS.GP (de gegevens voor de symbolen), CONFIG.GP (het con- figuratie bestand), ????????.GPT (DL.GPT) (de systeem- en remote teksten), ????????.GPH (DL.GPH) (de teksten voor de remote help). De overige bestanden zijn voor het functionneren niet direct nodig. Met de bestanden CTEXT.GPI en QRT.GPI kunnen een openingsgroet en afscheidstekst naar eigen wens worden samengesteld. In het bestand NAMES.GP worden de namen en paden van stations opgeslagen, die de //Name opdracht gebruikt hebben. Men kan ook handmatig stations toevoegen. Is een station in de lijst opgenomen, dan is het voldoen- de bij het connecten van dit station, alleen de roepnaam in te ge- ven. Het connect-pad haalt GP uit dit bestand. Voorbeeld: - GP moet op de harde schijf C: in de directory "C:\GP" geinstal- leerd worden. - Alle externe stuurfuncties moeten zich in de directory "C:\GP\ USER.GP" afspelen. - De externe programmas, die met //RUN opgeroepen kunnen worden, moeten zich in het bestand "C:\GP\EXTERNAL.GP" bevinden. - Het opslaan van teksten moet gebeuren in de directory "C:\GP\ SAVE.GP". - De originele diskette van GP bevindt zich in loopwerk A: C:\>cd a: A:\>install a: c:\gp (Het installatie programma wordt gestart en pakt zich automatisch uit in C:\GP. Daarna is men automatisch in directory C:\GP) C:\GP>md external.gp C:\GP>cd external.gp C:\GP\EXTERNAL.GP>a:#gpri (De GPRI bestanden worden uitgepakt) C:\GP\EXTERNAL.GP>cd.. C:\GP>md user.gp C:\GP>md save.gp C:\GP> Nu moet men in de CONFIG.GP nog enige waarden veranderen, en wel de padinstellingen voor de externe-aansturing en het opslaan van teksten. UserDir = C:\GP\USER.GP ExternalDir = C:\GP\EXTERNAL.GP SaveDir = C:\GP\SAVE.GP LogDir = C:\GP Verder moet nog de eigen roepnaam opgegeven worden: MyCall = NOCALL (bijv. MyCall = DH1DAE) Tot nu toe is als roepnaam NOCALL opgegeven. Men hoeft slechts NOCALL te vervangen door de eigen roepnaam. De gegevens voor de seriele poort zijn op 9600 baud en COM1 ingesteld. Wordt de TNC met een andere baudrate of aan een andere COM-poort aan- gesloten, moeten de betreffende parameters aangepast worden. (SerBaud en SerNr.). Wanneer GP aan de derde of vierde COM-poort wordt ge- bruikt dan moet bovendien het poort- en IRQ nummer van de desbetref- fende poort opgegeven worden, aangezien die niet genormaliseerd zijn. De gegevens hiervoor kan men uit de handleiding van de seriele kaart halen. Verder moet nog het bestand NAMES.GP worden aangemaakt en de roep- namen en connect-paden van bekende stations ingebracht worden. De syntax daarvoor vindt men in hoofdstuk 3.6 en in NAMES.GP op de originele diskette. 2.2 Werken met meerdere MYCALLs Wordt GP op een computer onder meerdere roepnamen gelijktijdig uitge- voerd, dan is er de mogelijkheid, voor iedere roepnaam eigen connect- info- en afscheidsteksten te installeren. De installatie is zeer een- voudig, men hoeft slechts voor iedere roepnaam een eigen subdirectory te maken en daar de desbetreffende bestanden onder te brengen. De namen van de iedere eventuele subdirectory komen overeen met iedere roepnaam. De volgende bestanden kunnen in een zogenoemde Mycall subdirectory geinstalleerd worden: CTEXT???.GPI Connect-Tekst(en) (zie 5.11) .GPC Persoonlijke Connect-Tekst voor .GPM Mail-bestand voor .GPI (bijv.INFO.GPI) Info-bestand, die door //Info gezonden wordt. QRT.GPI Afscheidstekst die bij //Quit voor het verbreken van de verbinding uitgezonden wordt. Ieder van bovengenoemde bestanden wordt eerst in de overeenkomstige Mycall directory gezocht. Zijn zij daar niet beschikbaar, dan wordt in de GP directory gezocht. Het is daarmee mogelijk, een deel van de tekst voor allen, of een deel van alle Mycalls gemeenschappelijk te laten gebruiken. 3. De aanvullende bestanden 3.1. Het configuratie bestand In het bestand "CONFIG.GP" zijn alle parameters opgeslagen, die voor het functionneren van GP nodig zijn. Deze zijn voor de eerste oproep van GP op de gewenste waarden in te stellen, speciaal de parameters voor de V24-seriele poort, de grafische drijver en de voor remote- bedrijf nodige padinstellingen. De syntax van de variabelen is steeds gelijk en hebben de vorm; variabele = waarde, bijv "Zoom = 2". In het configuratiebestand kunnen ook commentaren worden opgenomen, bijv. "Zoom = 2 ; Zoom op waarde 2 gezet". 3.1.1. De kleurinstellingen Het beeldscherm van GP is in verschillende vensters onderverdeeld. De kleuren van de afzonderlijke vensters kunnen individueel naar eigen wens worden ingesteld. De mogelijke beeldschermkleuren zijn als volgt: Black = Zwart Blue = Blauw Green = Groen Cyan = Cyaan Red = Rood Magenta = Magentarood Orange = Oranje LightGray = Lichtgrijs DarkGray = Donkergrijs LightBlue = Lichtblauw LightGreen = Lichtgroen LightCyan = Lichtcyaan LightRed = Lichtrood LightMagenta = Licht magentarood Yellow = Geel White = Wit Voor deze kleurinstellingen bestaan de volgende systeemvariabelen: MonitorBackGround : Achtergrondkleur van het monitorvenster MonitorForeGround : Tekstkleur van het monitorvenster, waarin de info-packets worden weergegeven. MonitorInversAttr : Tekstkleur van het monitorvenster, waarin de monitorheader wordt weergegeven. EditorBackGround : Achtergrondkleur van de editor. EditorForeGround : Tekstkleur van de editor. EditorInversAttr : Kleur van de cursors en EOL-markers in de editor. CheckBackGround : Achtergrondkleur van het BBS-menuvenster. CheckForeGround : Tekstkleur van het BBS-menuvenster. CheckInversAttr : Kleur van het keuzebalkje en de gemarkeerde be- standen. ListBackGround : Achtergrondkleur van het Diebox-List venster. ListForeGround : Tekstkleur van het Diebox-List venster. ListInversAttr : Kleur van het keuzebalkje en de gemarkeerde be- standen. ConnectBackGround : Achtergrondkleur van het connectvenster (kanaal 1 - 10) ConnectForeGround : Kleur van de ontvangen tekst in het connectven- ster. ConnectInversAttr : Kleur van de gezonden tekst in het connectven- ster. MenuBackGround : Achtergrondkleur van de bovenste menubalk. MenuForeGround : Tekstkleur van de bovenste menubalk. MenuInversAttr : Wordt op een kanaal tekst ontvangen wanneer ook een ander kanaal actief is, dus op het beeld- scherm getoond wordt, dan verandert de tekstkleur van dat kanaal en men wordt zo op de ontvangen, maar nog niet gelezen tekst, opmerkzaam gemaakt. StateBackGround : Achtergrondkleur van het statusvenster. StateForeGround : Tekstkleur van het statusvenster. InputBackGround : Achtergrondkleur van het inputvenster. InputForeGround : Tekstkleur van het inputvenster. MHBackGround : Achtergrondkleur van de MH-lijst. MHForeGround : Voorgrondkleur van de MH-lijst. MHInversAttr : Inversiekleur van de MH-lijst (Keuzebalk). SpyBackGround : Achtergrondkleur van de "QSO-spion". SpyForeGround : Voorgrondkleur van de "QSO-spion". SpyInversAttr : Inversiekleur van de "QSO-spion". 3.1.2 Instelling van de Scroll-back buffers. GP stelt voor alle kanalen tekstbuffers ter beschikking waarin de gegevens opgeslagen worden en waarin ook teruggebladerd kan worden, wanneer de gegevens uit het beeldscherm zijn gescrolled. De grootte van de tekstbuffers kunnen individueel worden ingesteld. De buffer- grootten worden daarbij in het aantal tekstregels tot 80 tekens aan- gegeven, dus om de werkelijke grootte van de buffer in bytes te ver- krijgen die in RAM verbruikt worden, moet men het aantal regels met 84 vermenigvuldigen, aangezien per regel 84 bytes nodig zijn (80 bytes voor de eigenlijke tekst en vier bytes voor de kleuraansturing). Het aantal regels kan tussen 40 en 780 varieren. 40 is het minimum aantal, omdat 40 regels op het beeldscherm weergegeven kunnen worden en 780 is het maximale aantal, omdat bij 80x86 processors slechts maximaal 64kB in een geheugensegment geadresseerd kunnen worden en 780 regels komen overeen met ongeveer 64kB. CheckBuffer : Buffer voor BBS-Menu-venster EditBuffer : Buffer voor de Editor TextBuffer : Buffer voor de monitor en de kanalen 1-10, hier moet niet e e n getal worden gegeven, maar zoveel getallen als er kanalen gedefinieerd werden ("Channels") even- als de grootte van de monitor. Deze getallen worden door een komma gescheiden in de volgorde; Monitor, Kanaal 1, Kanaal 2, .... aangegeven. InputBuffer : Buffer voor het opdrachtvenster van Kanaal 1-10 en de Monitor. De toepassing van de opdracht is gelijk aan de opdracht "Textbuffer", alleen mag het maximale aan- tal regels maar 199 bedragen. SpyBuffer : Buffer voor iedere "QSO-Spion" venster in regels. MHBuffer : Buffer voor de MH-lijst in regels. 3.1.3 Timerinstellingen GP heeft een screensave functie, die het beeldscherm donker maakt, wanneer binnen een bepaalde tijd geen toets gedrukt wordt. Die tijd kan in het configuratiebestand worden vastgelegd. De op- dracht daarvoor is "Screensave" en wordt in minuten aangegeven, dus de opdracht "Screensave = 5" zet de screensave tijd op 5 minuten. Verder kan men instellen hoe lang de Pop-up-vensters getoond moeten worden, dus bijv. connect meldingen enz. Hiervoor bestaat de op- dracht "PopUpTime", de tijd wordt hier in seconden aangegeven. De opdracht "PopUpTime = 5" laat de vensters 5 seconden lang staan. Ook de interne kloktijd van GP is instelbaar en wel met betrekking tot de systeemtijd van de computer. Dit gebeurt door middel van de opdracht "Time" en "Zone". De opdracht "Time" definieert de interne kloktijd van GP met betrekking tot de PC klok in minuten. De opdracht "Time = -60" laat de GP kloktijd dus 60 minuten achterlopen t.o.v. de PC klok. De opdracht "Zone" heeft invloed op de macro "%z", die in informatieteksten de gebruikte tijdzone aangeeft. Voor het automa- tische logboek heeft GP naast de systeemtijd ook nog de wereldtijd (UTC) nodig. Die kan met de opdracht "UTC" worden vastgelegd. Evenals bij de "Time" opdracht wordt het verschil t.o.v. de PC-klok in minuten aangegeven. De opdracht "UTC = -120" zet de interne kloktijd van GP t.o.v. de computersysteemtijd twee uur terug, wat overeenkomt met het verschil tussen UTC en MEST.(Europese zomertijd) De opdracht "ConnectBell" geeft aan hoeveel maal hij moet bellen, wanneer men door een ander station wordt geconnect. In dit geval wordt door GP een telefoon nagebootst en men hoort een drietonige bel. "ConnectBell = 5" bijv. laat 5 maal bellen. 3.1.4 Configuratie van de seriele poort. GP is in staat iedere willekeurige combinatie van Portadressen en IRQ nummers van seriele poorten te verwerken. De IRQ nummers kunnen ook AT specifieke waarden aannemen, dus ook waarden tussen 8 en 15. Gebruikt men de eerste of tweede seriele poort, dan zijn in het al- gemeen De Port- en IRQ nummers genormaliseerd en aan GP bekend. In dat geval hoeft alleen het nummer van de COM-poort opgegeven te worden. Alle waarden kunnen decimaal of hexadecimaal aangegeven wor- den (bijv. $3F8). Het aantal data- en stop- resp. pariteitsbits kun- nen niet veranderd worden. Zij zijn door GP op de volgende waarden ingesteld: 8 Databits, 1 Stopbit, geen Pariteitsbit. Voor de instelling van de COM-poort bestaan volgende opdrachten: SerNr : Nummer van de COM-poort. SerBaud : Baudrate van de seriele overdracht. SerPort : Portadres van de seriele poort. SerIRQ : IRQ nummer van de seriele poort 3.1.5 Padinstellingen Voor de remote-besturingsopdrachten //Dir,//Write,//Read en //DELete moet een pad opgegeven worden, waarop de opdrachten kunnen ingrij- pen. Alle vreemde stations hebben gelijke prioriteit d.w.z. zij mo- gen alle bestanden lezen die in die directory staan en naar wens nieuwe bestanden inbrengen. Op basis hiervan moet een speciale di- rectory aangemaakt worden. De opdracht voor de padinstelling is "UserDir". Een verder pad moet met de opdracht //RUN opgegeven worden, de directory bevat dan de externe programmas. Het pad naar de remote-programmas wordt met de opdracht "ExternalDir" ingesteld. Verder kan men een pad voor het opslaan van teksten aangeven. Dat is met de opdracht "SaveDir" mogelijk. De defaultwaarde is de di- rectory van GP. Om meer overzichtelijkheid bij het tegelijk opslaan van andere QSO's te verkrijgen, werd vanaf versie 1.50 de opdracht "SpyDir" ingevoerd. Het hier ingestelde pad wordt dan als standaardpad voor het opslaan van de inhoud van deze QSO's gebruikt. 3.1.6 TNC-Initialisering/De-Initialisering Bij de start en einde van GP kan de TNC naar eigen wens geinitiali- seerd worden. De syntax van de initialisering is steeds als volgt: TNCINI = Voor kunnen alle opdrachten van The Firmware software worden gebruikt. Er kunnen naar wens vele initialiseringsopdrachten in het configureringsbestand worden opgenomen. Wil men de TNC met de kloktijd van de computer laden, dan moet men de opdracht "TNCINI = DateTime" gebruiken. "DateTime" is in dit ge- val geen echte TNC opdracht, maar een gereserveerd sleutelwoord van GP. GP zet dit sleutelwoord om in de desbetreffende opdrachten voor het instellen van de TNC klok. Voor de de-initialisering van de TNC gelden dezelfde voorwaarden als voor de initialisering, met dit verschil, dat hier de opdracht TNCDEI vooraangezet moet worden: TNCDEI = Wil men tijdens het werken met GP de DOS-Shell oproepen, is het no- dig de Monitor van de TNC af te schakelen, daar GP gedurende de DOS- Shell niet verder met de TNC contact heeft, waardoor de buffers in de TNC kunnen overlopen. Voor dit geval bestaat de opdracht TNCDOS, waarmee bepaald wordt welke parameter van de TNC op welke waarden gezet worden, wanneer de DOS-Shell geactiveerd wordt. Na beeindiging van de Shell worden de TNCINI waarden opnieuw gemaakt. De syntax voor de opdracht is dezelfde als hiervoor: TNCDOS = 3.1.7 Printerinstellingen Wil men een QSO op de printer afdrukken, dan kan men de ontvangen en zelf gezonden tekst in verschillende lettertypen laten afdrukken, wanneer de printer hiertoe in staat is. Alle EPSON-compatiebele printers bieden hiertoe verschillende mogelijkheden. Er kunnen per attribuut maximaal 10 controletekens gebruikt worden. Die worden telkens door een komma gescheiden in decimale vorm opgegeven. De opdracht "DefaultPrint" legt het drukattribuut voor de ontvangen tekst vast, de opdracht "InversPrint" de attributen voor de gezon- den tekst. Syntax: DefaultPrint = Teken1,Teken2,....,Teken10 InversPrint = Teken1,Teken2,....,Teken10 De benodigde tekenreeks voor het gewenste drukattribuut kan men uit het handboek van de printer nemen. 3.1.8 Verdere instellingen Het aantal van de werkelijk gebruikte kanalen wordt met de opdracht "Channels" vastgelegd. Deze kan de waarde tussen 1 en 10 aannemen, er mogen echter niet meer kanalen opgegeven worden, als de TNC verwerken kan, daar het anders tot foutenmeldingen komt. Er is voor GP geen mogelijkheid het maxi- mum van het door de TNC beheerde kanalen vast te stellen. Daarom is het programma op een juiste opgave aangewezen. Het is raadzaam altijd het aantal kanalen in te stellen, die de TNC maximaal verwerken kan. Worden minder kanalen benut als de TNC beheert, kan dit eventueel tot problemen leiden, wanneer men op een kanaal geconnect wordt die door GP niet wordt afgevraagd. Syntax: Channels = <1..10> (bijv. Channels = 4) De MyCall-opdracht deelt het systeem de eigen roepnaam mee en initia- liseert de TNC overeenkomstig. Voor ieder kanaal kan een andere roep- naam ingesteld worden, een lege string wordt automatisch door de Mo- nitor-roepnaam, wat overeenkomt met de Digipeat-roepnaam, vervangen. De roepnamen worden door kommas gescheiden in de volgorde: Monitor, Kanaal 1-10, opgegeven. Syntax: MyCall = ,,, ... Voorbeeld: MyCall = DH1DAE,,DH1DAE-2,,DH1DAE-4 In dit geval wordt de Monitor-roepnaam op DH1DAE ingesteld, de ka- nalen 1 en 3 krijgen een lege string en daarmee ook de roepnaam DH1DAE, kanaal 2 wordt op DH1DAE-2 en kanaal 4 op DH1DAE-4 ingesteld. Met de Noname-opdracht laat zich instellen hoe stations, waarvan de naam nog niet in het namenbestand is opgeslagen, door het systeem aangesproken moeten worden (Makro %N in *.GPI- bestanden). Syntax: Noname = De opdracht "Prompt" definieert een systeemaanduiding, welke na een uitgevoerde externe opdracht aan het tegenstation gezonden wordt, indien het geactiveerd werd. De aanduiding laat zich ook gedurende bedrijf van GP in de Setup veranderen. Syntax: Prompt = In het monitorvenster laten zich naar wens tussen de apart getoonde packets een extra lege regel invoegen, wat het monitorvenster over- zichtelijker maakt. Syntax: InsertMonLine = De automatische logboekvoering laat zich naar wens uitschakelen, wat wordt gedaan met de opdracht "Log". Syntax: Log = Is het automatische logboek ingeschakeld, dat moet ook nog de fre- quentie opgegeven worden, waarop het packet-gebeuren plaats vindt. Dat kan een nauwkeurige frequentieopgave zijn of ook een bandopgave, zoals bijv. 430.625 of 70cm. De lengte van de frequentieopgave mag echter maximaal 7 letters/cijfers lang zijn. Syntax: QRG = Deze opdracht is echter alleen werkzaam, als men geen multi-Port- TNC gebruikt. Daarentegen moet men bij toepassing van een multi- Port-TNC de QRG-instellingen in het bestand NAMES.GP zetten. Nadere informatie in hoofdstuk 9. De backup-opdracht maakt het mogelijk dat GP bij beeindigen van het programma de tekstbuffers opslaat en bij een nieuwe start die buf- fers weer in het geheugen laadt. Zodoende gaan QSO gegevens niet verloren ook wanneer GP tijdens een QSO onderbroken wordt. Syntax: Backup = Ontvangen packets op de QSO-kanalen kunnen ook accoustisch worden aangegeven m.a.w. er is een accoustisch signaal, wanneer een packet ontvangen wordt. Dat gebeurt met de opdracht 'RXClick'. De mogelijke waarden hebben de volgende functies: 0 : geen signaal 1 : accoustisch signaal alleen, wanneer het packet op een ander als het juist actieve kanaal ontvangen wordt. 2 : Altijd een accoustisch signaal, ook wanneer het packet op het actieve kanaal wordt ontvangen. Syntax: RXClick = <0..2> De taal van de remote-meldingen kan op een defaultwaarde ingesteld worden. Er mogen alleen die talen gekozen worden waarvoor ook een overeenkomstig bestand *.GPT bestaat. Syntax: RemoteLanguage = Voorbeeld: RemoteLanguage = G (Engelse Remote-Tekst (G.GPT)) Wordt de opdracht weggelaten, dan wordt bij een connect de actieve systeemtaal als remotetaal over- genomen. Met de opdracht "Remote" kunnen opdrachten van buiten worden gede- finieerd die geconnecte stations mogen gebruiken. De voorinstelling is "Remote = *", d.w.z. alle mogelijke opdrachten zijn toegestaan. Wil men maar een deel van de opdrachten toestaan, dan moet men de aparte opdrachten, gescheiden door kommas, opvoeren. De afkortingen van de opdrachten zijn voldoende: Voorbeeld: Remote = VER,I,NE,N,# Hier worden alleen de opdrachten VERsion, Info, NEws, en de Chatmode toegestaan, alle andere opdrachten zijn geblokkeerd. Het tegenovergestelde van "Remote" is de opdracht "NoRemote". Hier kunnen de opdrachten van buiten gedefinieerd worden, die in geen ge- val mogen worden gebruikt. Verder is de toepassing gelijk aan die van "Remote". Vindt men het regelmatig navragen "Ja/Nee/Afbreken" van GP hinder- lijk, dan kan men deze met de opdracht "Questions = " uit- schakelen. "Questions = ON" schakelt de afvraging in, "Questions = OFF" schakelt het daarentegen uit. Wees voorzichtig met het uit- schakelen van de navragen! De opdracht "FastPoll" beinvloedt de afvraag-methode van het TNC door GP. "FastPoll = ON" brengt GP ertoe de TNC snelheidsoptimaal af te vragen. De interrupt-uitvoering van V24 wordt dan volledig uitgenut. Deze methode kan onder omstandgheden echter tot "Resync" -fouten leiden, m.a.w. verliezen van karakters bij V24-ontvangst. Dat is echter geheel afhankelijk van de gebruikte PC resp. de ge- installeerde drijver of andere geheugenresidente programmas, die tegelijk met GP geactiveerd zijn. Zijn er Resync problemen, dan moet men "FastPoll = OFF" zetten. De voorinstelling is "FastPoll = AUTO". Bij die instelling is de toepassing van de opvraag-methode ervan afhankelijk of een 16550A UART gebruikt wordt of niet. Bij toepassing van een 16550A wordt dan optimaal afgevraagd, bij toepassing van andere UART's werkt deze instelling als "FastPoll = OFF". "PopupEnableKeyboard" klinkt ingewikkeld, beslist echter allleen of de Popup-vensters met het toetsenbord resp. met de muis of uit- sluitend met hulp van de muis voor verstrijken van de "PopUpTime" gesloten kunnen worden. "PopUpEnableKeyboard" = ON" maakt het voor- tijdige sluiten van de vensters mogelijk met de - of toets. Andere toetsen worden genegeerd, zolang het PopUp-venster actief is. Het schrijven van tekst, zoals men in vorige versies van GP gewend was, is dan niet mogelijk. "PopUpEnableKeyboard = OFF" staat een afvraag van het toestenbord toe, wanneer een PopUp- venster actief is. Gedurende die tijd kan dan alvast tekst geschre- ven worden die dan na het sluiten van het venster in e e n keer in het eventuele voorschrijfvenster belandt. Het PopUp-venster kan in dat geval alleen nog met de muis voor het verstrijken van de "PopUpTime" gesloten worden. De opdracht "MultiPort" legt vast of een TNC in de standaard- of DRSI-mode gebruikt moet worden. Normaal herkent GP automatisch of een TNC de DRSI-mode ondersteunt of niet, maar het kan per TNC voor- komen, dat die automatische herkenning niet functionneert. Daarom moet men bij toepassing van multi-port TNC's zoals bijv. FALCon/TNC4 of TNC3 de opdracht "MultiPort = ON" toevoegen. Bij gebruik van TFPCX vanaf versie 2.0 kan men de opdracht "MultiPort =AUTO" (stan- daard-instelling) gebruiken. Wil men echter algemeen op de multiport capaciteiten vertrouwen, kan men de opdracht "MultiPort = OFF" ge- bruiken. 3.1.9 Beperkte configuratie In veel situaties kan het nuttig zijn, wanneer men GP variabel con- figureren kan. Daartoe biedt GP vanaf versie 1.50 de mogelijkheid, "IF"- voorwaarden in het configuratie bestand onder te brengen en deze met commando-regel-parameters te sturen. Deze manier is rela- tief eenvoudig en laat zich het beste aan de hand van een voorbeeld verklaren: Men heeft twee TNC's, waarbij een met 9600 baud op de V24 wordt ge- bruikt en de andere met 38400 baud. Nu kan men in CONFIG.GP volgende opdrachten aanbrengen: SerBaud = 38400 SerBaud = 9600 Roept men nu GP als volgt op; "gp 38400" resp. "gp286 38400", dan wordt de V24 met 38400 baud geinitialiseerd. Roept men GP echter zonder parameter "38400" op, dan wordt de V24 met 9600 baud geini- tialiseerd. Ook zijn volgende combinaties mogelijk: SerBaud = 38400 SerBaud = 19200 SerBaud = 9600 De voorwaarde is ook niet direct nodig. Er bestaat ook de logische ontkenning van een voorwaarde door het sleutelwoord "NOT". Voorbeeld: SerBaud = 38400 SerBaud = 9600 Hier initialiseert GP de poort met 9600 baud, wanneer men GP met de parameter "9600" oproept. In alle andere gevallen worden 38400 baud geinitialiseerd. Waarop men moet letten: - De sleutelregels "", "" en "" moeten al- leen in een regel staan en in de eerste kolom beginnen. - Een gecombineerd gebruik van meerder IF-voorwaarden is niet toe- gestaan. Er mag weer een nieuwe IF-voorwaarde gedefinieerd worden als de vorige met "" werd afgesloten. Gereserveerde sleutelwoorden: Tot nu toe stelde GP slecht e e n gereserveerd sleutelwoord ter be- schikking, namelijk "%TFPCX200". De toepassing van dit sleutelwoord onderscheidt zich niet van de toepassing van de commando-regel-para meter, alleen dat in dit geval de IF-voorwaarde daarvan afhangt, of TFPCX vanaf versie 2.0 geinstalleerd is of niet. Voorbeeld: TNCINI = @L 0:DB0FN De opdracht "@L 0:DB0FN" wordt alleen dan gebruikt, wanneer TFPCX 2.0 ff geinstalleerd is. Bij toepassing van vroegere TNC, TFPCR of oudere versies van TFPCX wordt deze opdracht genegeerd. 3.2. De bestanden *.GPI De bestandstoevoeging ".GPI" betekent "Graphic Packet Infofile". Be- standen met deze toevoeging bevatten informatietekst, die door an- dere stations bijv. door bepaalde remote-opdrachten gelezen kunnen worden. In alle bestanden die deze toevoeging bezitten, kunnen plaatsen voor macros ingebouwd worden. Er zijn in totaal 15 macros ter beschikking. De plaatsbezetters en het overeenkomstig macro zijn: %V : Versienummer van deze software, in dit geval "1.61b" %C : De roepnaam van het tegenstation %N : De naam van het tegenstation %Y : De eigen roepnaam %K : Het kanaalnummer waarop de tekst gezonden wordt %T : De actuele GP-kloktijd in formaat UU:MM:SS.bijv. "10:41:32" %D : De actuele datum, bijv. "25.03.1996" %B : Komt overeen met het bel-teken (07h) %I : Is het bestand "NEWS.GPI" beschikbaar, dan wordt een over- eenkomstige verwijzing op het bestaan van dat bestand uit- gegeven, anders niets. %Z : Geeft de tijdzone van de GP-klok. %_ : Voegt een "carriage return + linefeed" in. %% : Het procentteken %O : Leest een regel uit ORIGIN.GPI (keuze door toevalsgenerator) %? : Vraagt het ingelogde station zijn naam in te geven, indien deze nog niet in NAMES.GPI is ingebracht. %> : Schakelt de prompt in. (alleen aan te bevelen in CTEXT) Verder kan nog een formateringsopgave toegevoegd worden, die de to- tale lengte van de macros bepaald. Dat is nodig, daar de macros geen gedefinieerde lengte hebben, maar voor ieder geconnecte station in lengte kunnen varieren, bijv. het %N macro. De formatering wordt door het hekje, gevolgd door een tweecijferig getal, bepaald. Is de eigenlijke macrotekst korter als de formaatopgave, dan wordt de rest met spaties opgevuld. Voorbeeld: "%N#20" geeft de naam van het geconnecte station, de to- tale lengte van de macro is steeds 20 karakters. Belangrijk is een formaatopgave, wanneer men een tekst, die macros inhoudt wil inlijsten. Als voorbeeld voor de toepassing van macros kan men het bestand "CTEXT.GPI" erbij halen. 3.2.1 De bestand(en) "CTEXT???.GPI" Dat bestand bevat de algemene begroetingstekst, die uitgezonden wordt wanneer men door een ander station geconnect wordt. De standaard con- necttekst heet CTEXT.GPI, er kunnen echter ook alternatieve connect- teksten worden aangemaakt. Die kunnen dan naar wens tijdens het be- drijf van GP worden omgeschakeld. Meer hierover in hoofdstuk 5.11. 3.2.2 Het bestand "NEWS.GPI" Dit bestand dient om actuele nieuwtjes op te slaan. De tekst kan met de remote-opdracht "//NEws" gelezen worden. Het bestand kan ge- wist worden wanneer geen nieuws aanwezig is. 3.2.3 Het bestand ".GPI" Dit bestand wordt met de remote-opdracht "//Info" getoond. Hij bevat een korte informatie over het eigen station. Voor moet de eigen roepnaam ingegeven worden (bijv. DH1DAE.GPI). Er kunnen daar- mee informatie bestanden voor meer als e e n gebruiker aangemaakt worden, voor het geval meerdere OM's dit station onder hun eigen roepnaam gebruiken. 3.2.4 De bestanden "F1.GPI".."F12.GPI" In die bestanden kunnen tekst-macros opgeslagen worden, die bijzonder veel gebruikt worden. Deze teksten worden vanuit GP met Shift-F1..F12 opgeroepen. De bestandsnaam komt overeen met het functietoets-nummer, bijv. wordt het bestand "F5.GPI" met Shift-F5 opgeroepen. De macro- bestanden F11.GPI em F12.GPI kunnen alleen op computers gebruikt wor- den die een MF2-toetsenbord aangesloten hebben en waar de toetsen F11 en F12 aanwezig zijn. 3.2.5 Het bestand "QRT.GPI" Dit bestand wordt gezonden, wanneer de QSO-partner de remote-opdracht //Q geeft. Na het uitzenden van het bestand wordt de verbinding ver- broken. 3.2.6 Het bestand "RUN.GPI" Wordt door een QSO-partner de remote-opdracht "//RUN ?" opgeroepen, dan zendt GP de inhoud van dit bestand uit. Het bestand moet een kor- te beschrijving van alle externe programmas inhouden, die met //RUN opgeroepen kunnen worden. 3.2.7 Het bestand "ORIGIN.GPI" In dit bestand kan de gebruiker originele citaten enz. opslaan en met hulp van macro %O in CTEXT enz. onderbrengen. Voor ieder citaat is maar e e n regel beschikbaar, die maximaal 256 karakters lang mag zijn. 3.2.8 Aanwijzingen voor gebruik van de *.GPI-bestanden Aangezien de *.bestanden door ieder station gelezen kunnen worden, moet men op de volgende punten letten: - Geen Umlauts of IBM-grafische tekens in de tekst gebruiken. Die zien er weliswaar op een IBM mooi uit, maar wanneer het tegensta- tion een andere computer gebruikt, krijgt dat station op zijn beeldscherm willekeurige andere karakters te zien, wat er dan niet zo mooi uitziet. - Bij beschrijving van remote-karakters erop letten, dat de opdracht niet direct aan het begin van een regel begint, aangezien zij an- ders door het programma van het tegenstation fout worden gebruikt. 3.3 De bestanden ".GPC" In deze bestanden kunnen persoonlijke connect-teksten voor bepaalde roepnamen opgeslagen worden, m.a.w. OM A kan anders worden begroet als OM B. Wordt men door een OM geconnect en er bestaat voor zijn roepnaam een overeenkomstig *.GPC-bestand, dan wordt het bestand "CTEXT.GPI genegeerd en alleen het *.GPC-bestand gezonden. De per- soonlijke connectteksten kunnen evenals de *.GPI bestanden macros bevatten. 3.4 De bestanden ".GPM" Deze bestandstoevoeging betekent "Graphic Packet Mail". Met behulp van die bestanden heeft men de mogelijkheid, persoonlijke berichten aan een bepaalde roepnaam te richten. Wordt men door dit station ge- connect, dan wordt in plaats van de standaard begroetingstekst, dit bestand gezonden. In de *.GPM-bestanden kunnen dezelfde macros toege- past worden als in de *.GPI-bestanden. Door het tegenstation kan een mail-bestand met de remote-opdracht //KILL resp. //DEL (zonder opgave van een bestandnaam) gewist worden. Dat moet aan het eind van een Mail-bestand aangegeven worden. *.GPM-bestanden bezitten altijd een hogere prioriteit als *.GPC-bestanden 3.5 Het bestand "MHEARD.GP" GP maakt intern gebruik van een MH-lijst, waarin alle gehoorde roep- namen opgeslagen worden. De grootte van de MH-lijst kan in het con- figuratie-bestand met behulp van de opdracht "MHBuffer" ingesteld worden. De MH-lijst vervult twee functies: Ten eerste dient hij als menu voor de "QSO-spion" (zie hoofdstuk 9), ten tweede kan hij ook door geconnecte stations met de remote-opdracht //MHEARD opgeroepen worden. Na beeindiging van GP wordt de MH-lijst in het bestand MHEARD.GP opgeslagen. 3.6 Het bestand "NAMES.GP" In dit bestand worden de namen en de connect-paden van andere sta- tions opgeslagen. Bovendien wordt in dit bestand ook het QRG-beheer doorgevoerd. Geconnecte stations kunnen zich op de lijst zetten met de opdracht "//Name". Daar het zich bij de namenlijst om een gewone ASCII-tekst gaat, kan men de lijst ook zelf veranderen. Nadere infor- matie over de syntax van de padopgave vindt men in hoofdstuk 10. 3.7 De bestanden "*.GPB" De bestand-suffix ".GPB" betekent "Graphic Packet Backup" en betreft de bestanden die door GP worden aangemaakt, om programmagegevens bij het beeindigen van het programma op te slaan en bij starten weer in het geheugen te laden. Deze bestanden moeten niet gemanipuleerd wor- den! Door die bestanden is het mogelijk GP gedurende een QSO te be- eindigen en weer te starten, zonder eerder te moeten disconnecten. In het bestand CSTAT.GPB worden de QSO-gegevens; in het bestand BUFFERS.GPB de tekstbuffers opgeslagen. (BUFFERS.GPB alleen wanneer in CONFIG.GP de opdracht "Backup = ON" is gezet).In CSTAT.GPB worden verder enige setup-instellingen en QSO-parameters voor ieder kanaal opgeslagen. 3.8 Het bestand "BINDATA.GP" Dit bestand bevat de gegevens voor het begroetingsvenster. In de EGA-mode kan het begroetingsvenster wegens onvoldoende defi- nitie niet getoond worden. 3.9 Het bestand "ICONS.GP" In dit bestand zijn de beeldgegevens van de symbolen opgeslagen. Die worden naar behoefte van diskette/vaste schijf geladen, of men heeft in zijn PC EMS- of XMS geinstalleerd. In dat geval wordt het bestand bij de start compleet in dat geheugen geladen en staat daar aan GP ter beschikking, zonder dat verdere schijfactiviteiten moeten plaats vinden. Het bestand moet in dezelfde directory staan als GP. Ontbreekt dit bestand of werd dit ontoelaatbaar gemanipuleerd, dan kan GP niet gestart worden. De iconen kunnen met het programma GP- Paint van DL1ELY naar eigen wens aangepast worden. 3.10 De bestanden ".GPL" De bestandstoevoeging '.GPL" betekent "Graphic Packet Logfile" en be- treft de logboekbestanden die door de geintegreerde Logboek-manager aangemaakt worden. Voor iedere MYCALL wordt een eigen logboekbestand gemaakt, om zodoende een beter overzicht te houden. Voor verschil- lende SSID's worden echter geen nieuwe bestanden aangemaakt. Het for- maat van de logboekbestanden is compatiebel met Log-bestand van GP. 3.11 De bestanden "*.GPT" Deze bestanden bevatten de systeem- evenals de remote-teksten van GP Daardoor is het mogelijk, GP met verschillende talen te laten werken. Er kunnen tot 8 verschillende talen gelijktijdig beheerd worden. Uit snelheidsoverwegingen werden de teksten in een speciaal formaat opge- slagen. 3.12 De bestanden "*.GPH" In die bestanden worden teksten voor de remote-help opgeslagen. Die teksten worden gezonden wanneer een station de opdracht //Help op- roept. Daar het hier direct op hoge snelheid aankomt, werd voor dit bestand een ander formaat gekozen als voor de *.GPT-bestanden. Iedere tekst wordt door een "@" voorafgegaan, gevolgd door de eventuele opdracht en het aantal van significante letters, m.a.w. hoe ver de opdracht maximaal mag worden afgekort. Een uitzondering is de tekst voor de algemene help, m.a.w. wanneer na de opdracht //Help geen verdere parameters aangegeven werden. Die tekst wordt door "@@"ge- kenmerkt. 3.13 De bestanden ".GPW" Deze bestanden hebben alleen betekenis voor Sysops van TheNet-, Baycom-, Flexnet-, FALCon/DigiWare-Digipeaters en DieBox-mailboxen. In deze bestanden worden betreffende passwordstrings opgeslagen. Informatie hierover in 5.12. 4. Toetsenopdrachten 4.1 Toetsenopdrachten die voor alle kanalen gelden F1..F10 : Schakelt op kanaal 1..10 F11 resp. ALT-F1 : BBS-Menu F12 resp. ALT-F2 : DieBox-Listfunctie ALT-M : Schakelt op Monitorlkanaal ALT-E : Schakelt in de Editor ALT-O : DOS-Shell ALT-R : Softscroll voor eventuele kanaal aan/uit ALT-U : Setup ALT-X : Programma beeindigen ALT-Z : Zoom aan/uit (alleen VGA) ALT-F4 : Venster wissen ALT-F6 : Toont laatste link-status melding ALT-F7 : Toont laatste foutenmelding Ins> : Schakelt om tussen Invoegen- en Overschrij- ven-mode (alleen bij editor en kanaal 1-10) ALT-G : Schakelt de uur-gong uit/aan. (bij gebruik van de muis kan ook de dubbel-toon bij de klok aangeklikt worden). 4.2 Opdrachten die alleen voor kanaal 1..10 gelden ALT-B : Scrollbalkje aan/uit ALT-C : Verbinding herstellen ALT-D : Verbinding afbreken ALT-Y : Mycall inbrengen (alleeen waneer disconnected) ALT-S : QSO opslaan ALT-F : Bestand zenden (alleen wanneer connected) *) ALT-F8 : Schakelt splitscreen aan/uit ALT-F9 : Splitscreen-scheidingslijn naar boven schuiven ALT-F10 : Splitscreen-scheidingslijn naar beneden schuiven ALT-T : Connect-Tekst uitkiezen ALT-Q : Werkfrequentie ingeven ALT-N : Namen van juist geconnecte stations opslaan Shift-F1..F12 : Zend Teksmacro 1..12 (F1.GPI..F12.GPI) Ctrl-D : Schrijft de datum in de voorschrijfbuffer Ctrl-T : Neemt de uurtijd over in de voorschrijfbuffer Ctrl-Y : Regel in voorschrijfbuffer wissen (wordt tegelijk in de tussenbuffer gecopieerd en kan met Ctrl-P opnieuw geproduceerd worden) Ctrl-C : Regel in de tussenbuffer copieren (Copy) Ctrl-P : Tussenbuffer in regel copieren (Paste) Ctrl-O : Kiest met toevalsgenerator een regel uit het be- bestand "ORIGIN.GPI" en copieert die in de voor- schrijfbuffer. Ctrl-K of Ctrl- : Copieert een gekozen tekst uit het Rx-venster in in de Editor. Ctrl-RETURN : Zend een regel zonder CR aan het eind van de re- gel. Daardoor kunnen regels van elke lengte naar wens worden samengesteld. 4.3 Editoropdrachten ALT-L : Tekst laden *) ALT-S : Tekst opslaan Ctrl-Y : Regel wissen (Wordt tegelijk in de tussen- buffer gecopieerd en kan opnieuw weergegeven worden) Ctrl-C : Regel in tussenbuffer copieren (Copy) Ctrl-P : Tussenbuffer in regel copieren (Paste) Voor verder alle cursor-stuur-opdrachten zie onder 4.4 BBS-Menu- und Listmenu-opdrachten ALT-S : Checklijst sorteren (niet bij LIST) Cursortasten (z.o.): Keuzebalk op gewenste ingave zetten : Ingave markeren/demarkeren : Read-opdracht aan mailbox zenden : Check-Menu verlaten 4.5 Beeldscherm en Cursor-sturing CursorUp : Scrollt de tekstbuffer naar boven CursorDown : Scrollt de tekstbuffer naar beneden CursorRight : Beweegt de cursor naar rechts CursorLeft : Beweegt de cursor naar links PageUp : Een pagina naar boven scrollen PageDown : Een pagina naar onder scrollen Ctrl-PageUp : Springt naar tekstbegin Ctrl-PageDown : Springt naar teksteinde Ctrl-CursorRight : Zet corsor aan begin van rechter woord Ctrl-CursorLeft : Zet cursor aan begin van linker woord Home : Zet cursor in de eerste kolom **) End : Zet cursor aan het eind van de regel **) *) De functies "Tekst laden" en "Bestand zenden" verwachten de in- gave van een bestandsnaam. Duiken in deze namen zogenoemde wildcards op, dus * of ?, dan wordt een File-Select-Box geactiveerd en het be- stand kan uit een lijst gekozen worden. Wordt als bestandsnaam een subdirectory aangegeven, dan wordt automatisch de naam *.* gebruikt en de overeenkomstige lijst getoond. De keuzelijst begint steeds met eventueel beschikbare subdirectories, gevolgd door de eigenlijke be- standen. De subdirectories herkent men aan de backslash (\), die direct op de naam volgt. Door keuze van een subdirectory wordt naar het nieuwe pad gegaan en de inhoud van deze subdirectories getoond. Door het aanklikken van "..\" gaat men terug naar de vorige direc- tory. **) De Home- en End-toets zijn bij gebrek aan geschikte toetsen in de Monitor en kanaal 1-10 anders bezet. Bij die kanalen wordt door middel van deze toetsen het afgifte-venster met een lijn naar boven resp. naar beneden gescrolled. 4.6 Produceren van de ASCII-tekens 1-31 Normaal kan met ASCII-tekens 1-31 door de toetsencombinaties Ctrl- [A..Z] resp. door andere Ctrl-combinaties produceren. Enige Ctrl- functies zijn echter door GP bezet, bijv. Ctrl-D. In dat geval wordt dan niet het ASCII-teken, maar de datum in de ingavebuffer geschre- ven. Onder bepaalde omstandigheden heeft men juist een ASCII-teken nodig, wat door GP met een macro bezet is. In zo'n geval kan men het betreffende karakter met behulp van de ALT-toets en het cijfer- toetsenbordje produceren. Men moet dan de ALT-toets indrukken en in- gedrukt houden. Dan kan men met het cijfer-toetsenbordje het gewenste getal tussen 1 en 255 intypen en daarna de ALT-toets loslaten. 5. Uitvoering van het QSO 5.1 Algemene informatie GP geeft de mogelijkheid, tot 10 QSO's gelijktijdig te voeren. Daar- toe wordt per QSO steeds e e n kanaal ter beschikking gesteld. Naar die kanalen kan met de functietoetsen F1..F10 geschakeld worden. Voor ieder kanaal kan een eigen roepnaam ingesteld worden. Dat is met ALT-Y mogelijk. Wil men een verbinding met een ander station ma- ken, dan moet men eerst naar een vrij QSO kanaal schakelen en dan de de toetsencombinatie ALT-C drukken. Men wordt dan gevraagd de roep- naam van het doelstation op te geven. Is dat station in het namen- bestand opgenomen, dan is alleen de roepnaam zonder pad voldoende, anders moet men het gehele pad, gescheiden door een spatie achter de roepnaam opgeven. Wil men bijvoorbeeld DH1DAE via DB0NWS en DB0FN connecten en DH1DAE is nog niet in het namenbestand opgenomen, dan moet men op de vraag naar de roepnaam "dh1dae db0nws db0fn" in- geven (zie TNC-2 handleiding). Is DH1DAE wel in de lijst opgenomen dan is de opgave van "dh1dae" voldoende. Wil men een verbinding be- eindigen, dan eenvoudig de toetsencombinatie ALT-D gebruiken. Is men op meerdere kanalen tegelijk geconnect, dan wordt in de boven- ste menubalk getoond wanneer op een kanaal tekst wordt ontvangen en nog niet gelezen werd. In dat geval verschijnt de betreffende menustip in een andere kleur. Verder heeft men nog de mogelijkheid de ontvangst van packets met een accoustisch signaal te onder- steunen. (zie 3.1.8) Is men met een station verbonden, dan kan men eenvoudig gaan schrij- ven. De tekst wordt in het bovenste venster getoond en kan met de cursortoetsen gewijzigd worden. Voor het zenden van een tekstregel moet men drukken. Het ingave-venster heeft een automatische regelafbuiging, d.w.z. bij het bereiken van het einde van een regel wordt een woord, dat nog niet tot het eind is geschreven, automa- tisch op de volgende regel geschreven en de laatste regel wordt uit- gezonden. Op die manier kan het niet tot ongecontroleerde afgebro- ken woorden aan het eind van een regel komen. Een verder voordeel is dat men niet meer hoeft te drukken maar langere teksten eenvoudig intypen kan, zonder zich om het verzenden van de delen tekst te bekommeren. Alleen voor het afsluiten van de tekst moet men de -toets drukken, wanneer de laatste regel minder als 80 karakters bevat. De woord-wrapping is als defaultwaarde op 80 karakters per regel ingesteld. Deze waarde kan in de setup veran- derd worden. Dat is dan belangrijk, wanneer men zich bijv. in de conversie-mode van een digipeater bevindt. In dat geval wordt de roepnaam vooraan de gezonden regel van de afzender gezet en de leng- te van de regel verhoogt zich daardoor. Het is daarom beter bij con- versieronden de woord-wrapping op 65 karakters per regel te zetten. 5.2 Filetransfer (ALT-T) Deze functie zend een bestand van diskette/harde-schijf naar de QSO- partner, waarbij in dit geval de macros, zoals die bij de *.GPI-be- standen gebruikt worden, genegeerd worden. Er bestaan drie mogelijk- heden van bestandsoverdracht. 1. Tekst-bestand overdracht 2. Binair-bestand overdracht) 3. AutoBin overdracht ) 4. Overdracht van de editor inhoud. Bij de tekst-bestand overdracht wordt een bestand gewoon geheel se- quentieel gelezen en aan de QSO-partner gezonden. Daarbij worden echter bepaalde karakters, zoals bijv. LF of EOF niet overgebracht, m.a.w. de tekst wordt lichtelijk veranderd. Dit speelt bij tekst- bestanden overigens geen rol. Wil men echter bestanden overdragen, die niet veranderd mogen worden, dus het bestand dat bij de QSO partner wordt ontvangen en op disket- te of harde-schijf wordt opgeslagen, moet een getrouwe copie zijn van het eigen gezonden bestand, dus bijv. *.EXE-bestanden of GIF-plaatjes, etc., moet men het bestand als binaire-file overdragen. De AutoBin- overdracht is een uitbreiding van de binaire-file overdracht. Hier wordt een klein, eenvoudig protocol voor de overdracht gebruikt, waardoor eventuele fouten bij de overdracht vastgesteld kunnen wor- den. Voor de eigenlijke overdracht wordt allereerst de lengte van het bestand aan het terminal-progrmma van de QSO-partner gezonden, die met een bevestiging van deze informatie antwoord. Daarna begint de eigenlijke gegevens-overdracht. Na beeindiging van de overdracht wordt een proefsom, die gedurende de overdracht berekend werd, ge- toond en aan de QSO-partner gezonden, wiens terminal-programma even- eens zo te werk gaat en zo kan men beide proefsommen, de eigen en die van de QSO-partner, vergelijken. Hebben die verschillende waarden dan is tijdens de overdracht een fout opgetreden en het bestand dat door de QSO-partner werd ontvangen is onbruikbaar en moet gewist worden. Deze manier van overdracht is compatiebel aan Turbo Packet, TOP, SP, enz. Het werkt echter alleen dan, als de QSO-partner ook eenzelfde terminal programma gebruikt. Indien het tegenstation niet GP gebruikt en "7+ AutoSave" ingeschakeld heeft, moet altijd eerst het ontvangende station zijn programma op ontvangst zetten, waarna dan het zendende station de overdracht kan starten. Gaat men anders te werk, dan wordt de header aan het begin van de overdracht door het ontvangende station niet gedecodeerd en bevestigd, m.a.w. de overdracht kan niet plaats vinden. GP herkent echter de AutoBin- header bij ingeschakelde "7+ AutoSave" automatisch, zodat het ont- vangende station de AutoBin-ontvangst niet handmatig activeren moet. Het DieBox-systeem biedt sinds versie 1.9 de mogelijkheid, bestanden met behulp van de AutoBin-mode in het mailboxsysteem in te brengen en uit te lezen. Meer hierover in hoofdstuk 5.13. Het uitzenden van de editor-inhoud komt overeen met de overdracht van een tekstbestand, alleen wordt in plaats van een bestand de in- houd van de teksteditor gezonden. Een ander verschil is dat bij het zenden van de editor een macro-opvraag wordt uitgevoerd. Men moet er daarom op letten, dat het niet tot ongewenst gebruik van macros komt. Er mogen in de editor dus geen onbedoelde %-tekens voorkomen, of men moet die handmatig in een dubbel procentteken (%%) veranderen. Alle soorten bestandsoverdragingen kunnen te allen tijde worden af- gebroken, wanneer de desbetreffende functie opnieuw gekozen wordt. Wordt GP tijdens een bestandsoverdracht met ALT-X beeindigd, dan gaat die na een nieuwe start weer verder op de plaats waar deze werd onderbroken. Vanaf versie 1.50 wordt bij het zenden van een bestand een extra statusvenster met enige interessante gegevens ingevoegd. Zo wordt naast de bestandsnaam en de bestandsgrootte ook aangegeven, hoeveel bytes al gezonden werden en het procentuele aandeel van de totaal grootte van de file grafisch getoond. Daarnaast wordt nog de effec- tieve baudrate van de overdracht getoond, hoe lang de filetransfer al duurt (Elapsed time) en hoe lang het nog duren zal (Estimated time). Deze schattingsberekening kan overigens, afhankelijk van de verbindingskwaliteit, grote afwijkingen hebben. 5.3 QSO opslaan (ALT-S) Een bestaand QSO kan op verschillende manieren opgeslagen worden. Is het opslaan geactiveerd geworden, dan verandert de desbetreffende Menutekst en is voor het beeindigen van het opslaan te gebruiken. Gedurende het opslaan kan GP met ALT-X beeindigd worden. Bij de vol- gende nieuwe start gaat het opslaan verder door. Evenals bij filetransfer wordt ook bij het opslaan vanaf versie 1.50 een extra statusvenster getoond. Een schatting van de totale over- drachttijd kan hier echter alleen worden uitgevoerd, wanneer de to- tale grootte van het bestand vooruit bekend is. Dat is alleen bij AutoBin en 7+ Autosave het geval. Ook de grafiek is alleen bij die beide opslagmethoden beschikbaar. Hier volgt een beschrijving van de verschillende opslagmethoden: 5.3.1 Tekstbestand online Hier wordt de tekst op het moment dat hij wordt ontvangen en op het beeldscherm verschijnt, op diskette resp. op harde schijf geschre- ven. Dit gebeurt zolang tot het opslaan wordt beeindigd. Er wordt alleen de tekst opgeslagen die na het inschakelen van de opslagfunc- tie ontvangen wordt. Eigen gezonden tekst wordt eveneens opgeslagen. 5.3.2 Printer online Deze opslagmethode functionneert precies zoals "Diskette/Harde- schijf online", alleen wordt in dit geval een drukker aangesproken en de tekst, die zelf gezonden werd, met een ander druk-attribuut voorzien. m.a.w. de afdruk is bij ontvangen tekst anders als bij de gezonden tekst (als op het beeldscherm). De druk-attributen kunnen in het configuratie-bestand met de opdrachten "Defaultprint" en "Inversprint" ingesteld worden. Daar DOS de printer-poorten als bestandsnamen behandelt, kan ook in een bestand "geprint" worden. Dat gebeurt wanneer men in plaats van "LPT1".."LPT4" of "PRN" een bestandsnaam als doel aangeeft. Dat be- stand kan dan ieder moment vanuit DOS met "COPY PRN" afge- drukt worden. Opgelet: Wordt een bestand "afgedrukt", dan vervalt de navraag of een bestand met dezelfde naam reeds bestaat. In dat geval wordt dat bestand gewist en met de nieuwe inhoud overschreven. De navraag ver- valt omdat normaal een drukker aangesproken moet worden en deze be- stond reeds voordien. 5.3.3 Uitknipsel (fragment) opslaan Hier kan men een gewenst fragment uit de tekstbuffer opslaan. Dat is zinvol, wanneer men bijvoorbeeld uit een mailbox een interes- sante tekst gehaald heeft en voordien de Online-opslag niet inge- schakeld had. Men kan nu eerst na het lezen van het bericht beslis- sen of men werkelijk wil opslaan of niet. Er kan alleen tekst opge- slagen worden die zich nog in de tekstbuffer bevindt. Is de tekst- buffer klein gekozen, dan kan het voorkomen, dat een tekst alweer voor een deel is overschreven, waardoor dit deel van de tekst ver- loren is. Daarom moet men voor een kanaal een relatief grote tekst- buffer kiezen (bijv. 500 lijnen), waarop men zijn mailbox altijd connect. Grote GIF-beelden enz. voor zover die met 7plus in een tekstformaat gecodeerd werden, moeten voor alle zekerheid altijd on-line opgeslagen worden. (zie 5.3.5) Als doelbestand kan men of een bestand of een ander DOS-apparaat aangeven. Wordt het opslaan op een drukker gedaan, dan komt het druk beeld overeen met de functie in punt 5.3.2. Voor het drukken van een fragment moet men de desbetreffende printer-poort aangeven bijv. "LPT1". Kiest men als onderste grens de laatste regel, dan heeft men de mo- gelijkheid de verdere tekst in de opslagmode "Tekstbestand online" aan het bestand te koppelen. 5.3.4 AutoBin-Opslag Deze functie slaat een binair-bestand op met een overdrachtsproto- col dat compatiebel is aan Turbo Packet, SP en AHP (Automode). Meer hierover zie punt 5.2. Wil men een binair-bestand van een QSO- partner ontvangen, dan moet men eerst bij zichzelf de binairefile- opslag activeren, VOORDAT bij de QSO-partner de overdracht gestart wordt. Wil men een binair-bestand opslaan, dat met 7Plus enz. geco- deerd werd, dan kan dat bestand zonder problemen ook als normale tekst opgeslagen worden, dus met "Diskette/Hardeschijf online" (zie 5.3.1). Sinds versie 1.50 moet men de AutoBin-ontvangst niet meer met de hand starten maar kan dat door GP zelf laten doen. Vooropgesteld hiervoor is weliswaar dat men "7+ Autosave" heeft ingeschakeld en dat het tegenstation een uitgebreide AutoBin-header stuurt, waarin de naam van het bestand is opgenomen. Dat is bijv. bij SP vanaf versie 6.0 en bij DieBox-mailboxen vanaf versie 1.9a het geval. Opmerking: Gegevens die in DieBox-mailboxen in AutoBin-formaat opge- slagen werden, kan men aan ("BIN"), voorafgaand aan de titel, her- kennen. Gebruikt het tegenstation niet de uitgebreide AutoBin-hea- der, dan wordt het bestand onder de naam .xxx opgeslagen, waar- bij de roepnaam van het tegenstation is en xxx een getal tus- sen 000 en 999. Bestaat bijv. al het bestand "DB0SGL.000", dan wordt de volgende maal de naam "DB0SGL.001" gegenereerd. 5.3.5 Code-AutoSave Code-AutoSave is een nuttige functie voor het opslaan van 7Plus- en LCPlus-gecodeerde bestanden. Het opslaan van zo'n bestand wordt in dit geval namelijk door GP automatisch georganiseerd en men hoeft zich geen zorgen te maken over de juiste bestandsnamen enz. Herkent worden alle 7Plus- en LCPlus-bestanden, dus ook .ERR en .COR-bestan- den. Practisch is deze utility speciaal wanneer en programma of beeld in meerdere delen gedeeld werd. Daar GP automatisch de juiste naam voor het desbetreffende bestand kiest, hoeft men zich daarom niet te bekommeren, alleen moet men nog bijv. "r 10-20" ingeven en kan een een kop thee gaan drinken ...:-) Het functionneren van deze utility is relatief eenvoudig: Zodra een 7Plus-header herkend wordt en de opslag is niet ingeschakeld, dan activeert GP automatisch de Online-opslag en geeft dat door een in- fo venster aan. De volgende gegevens worden zolang opgeslagen tot het overeenkomstige einde-teken ontvangen wordt. Het op die manier ontstane bestand op diskette/harde schijf bevat dan alleen de infor- matieve gegevens, de overige tekst bijv. de mailbox-header worden niet opgeslagen. Geactiveerd resp.gedeactiveerd wordt deze functie in het setup-menu. Meer hierover in hoofdstuk 10. Sinds versie 1.50 werd het automatische opslaan ook uitgebreid met de AutoBin-mode., zie 5.3.4 Sinds versie 1.60 is het nu ook mogelijk de AutoSave-functie bij in- geschakelde tekst-opslag te gebruiken. 5.4 Tekst in de editor copieren Sinds versie 1.20 is er de mogelijkheid reeds ontvangen tekst uit een QSO-venster in de editor te copieren en daar verder te verwerken. Voor die functie is echter een muis nodig! Om een gewenst tekstdeel te copieren, moet men dit fragment eerst met de muis selecteren. Daartoe klikt men de beginregel van het gewenste blok aan en houdt de muistoets gedrukt. Dan beweegt men de muis met gedrukte muistoets naar boven of naar benedenn, tot alle tekstregels gemarkeerd zijn. Dan laat men de muistoets weer los en gebruikt de toetscombinatie Ctrl- of Ctrl-K. Bevindt zich nog een andere tekst in de editor, die nog niet opgeslagen werd, dan wordt de geselecteerde tekst niet in de editor gecopieerd, maar blijft echter geselecteerd. Een hernieuwde tekstselectie op hetzelfde kanaal wist de oude marke- ring. 5.5 Remote-bedrijf GP biedt een serie van Remote-opdrachten die de QSO-partner uitvoe- ren kan. Alle remote-opdrachten moeten door twee "slashes" (//) wor- den voorafgegaan, zodat GP die als remote-opdrachten interpreteert. Zo kunnen echter fouten voorkomen wanneer in de eerste kolom een woord toevallig met twee slashes begint. Dat kan speciaal bij mail- box gebruik gebeuren, wanneer enige OM's in hun bijdragen om welke reden dan ook remote-opdrachten gebruiken. Daarom is het raadzaam bij mailboxbedrijf de remotebesturing op het betreffende kanaal af te schakelen of die mailbox in het bestand NAMES.GP als soort "B>" op te geven. Voor "B>"-roepnamen blokkeert GP de remotebesturing automatisch. Voor de opdrachten die de bestandsmanipulatie/verwerking bedienen, moet in het configuratie-bestand een pad aangegeven worden. Alle ge- bruikers hebben gelijke prioriteit em mogen alle opdrachten gebrui- ken. Daarom moet als directory een andere als voor GP gekozen wor- den. De opdracht om het pad te wijzigen in de "CONFIG.GP" is "UserDir = ". Wordt GP op de harde schijf geinstalleerd, dan moet in ieder geval de padinstelling overeenkomstig worden veran- derd, daar anders de bestandsopdrachten niet kunnen worden gebruikt. Remote-opdrachten kunnen ook door de sysop zelf uitgevoerd worden, die dan aan de QSO-partner gezonden worden alsof de QSO-partner de opdrachten zelf had uitgevoerd. Dat gebeurt door drukken van de ESC- toets. Daarop verschijnt een ingave-venster en men hoeft alleen de remote-opdracht in te geven. Er moet op gelet worden, dat men de remote-opdracht moet beginnen met twee slashes (//), zodat dit als remote-opdracht wordt herkend. (bijv. "//h" zendt de helptekst aan het tegenstation) 5.6 Externe Programmas Met de remote-opdracht "//RUN " resp. eenvoudig "//pro- gramma>" kan een QSO-partner programmas starten, die niet tot de standaard opdrachtset van GP behoren. Voor GP vanaf versie 5.0 be- staan twee soorten programmas. Voor de ene kunnen de gebruikelijke remote-programmas gebruikt worden, voor de andere kunnen zogenoemde "GPRI-programmas gebruikt worden. "GPRI" is de afkorting van "Graphic Packet Renmote Interface" en is een volledig nieuwe soort van remote-programmas. In tegenstelling tot de gebruikelijke remote- programmas zijn GPRI-programmas in staat interactief met de gebrui- ker te communiceren. Daardoor zijn veel meer toepassingsmogelijkhe- den beschikbaar als bij de traditionele remote-programmas. Verder laat zich GP verder geheel normaal bedienen, wanneer een GPRI-pro- gramma loopt. Door de structuur van GPRI is een soort van "Multi- tasking" mogelijk, m.a.w. er kunnen meerdere GPRI-programmas ge- lijktijdig lopen, maar steeds maar e e n per kanaal. Nadere infor- matie over GPRI voor programmeerders zijn in het bestand GPRI.DOC te vinden, als voorbeeld voor GPRI-programmering kan men de Pascal- Sourcecodes van de meegeleverde GPRI-programmas erbij halen. Remote-programmas moeten in het algemeen in de directory geinstal- leerd worden, welke in de CONFIG.GP bij de opdracht "ExternalDir" is opgegeven. 5.7 Splitscreen Wil men tijdens een QSO tegelijk de Monitor bekijken, dan kan men met ALT-F8 het beeldscherm opdelen, waarbij in het bovenste deel verder het QSO en in het onderste deel de Monitor wordt weergegeven. Met de toetsen ALT-F9 kan de scheidingslijn tussen de beide vensters worden verschoven. Het splitscreen kan met de rechter muis-toets in- en uit geschakeld worden. De grootte van het venster kan veranderd worden, wanneer men de muis op het "verschuif-symbool" (Up/Down-pijl) op de scheidingslijn plaatst, de linker muistoets drukt en bij ge- drukte toets de muis naar boven of naar onderen beweegt. 5.8 Scroll-Lock De beeldschermweergave kan gestopt worden wanneer men de toets Scroll-Lock drukt. Dezelfde functie heeft ook de schakelaar "Scrlock" op de scheidingslijn tussen QSO- en Monitorbeeldscherm. Deze schake- laar kan met de muis in- en uitgeschakeld worden. Opgelet: De beeldschermweergave blijft gestopt zolang de Scroll-Lock mode actief is. (Scroll-Lock-led licht op, resp. ScrollLock-schake- laar "gedrukt"). Vergeet men de mode, door nogmaals drukken van de Scroll-Lock-toets, te deactiveren, dan kan de buffer van de TNC over- lopen en er ontstaan fouten. 5.9 TNC-Opdrachten Wil men de TNC-parameters veranderen, dan kan men dit doen, door de -toets te drukken. Dan verschijnt een ingavevenster, waar men de TNC-opdrachten ingeven kan. Door nogmaals drukken van de - toets wordt het venster weer gesloten, zonder een eventuele opdracht uit te voeren. Veranderde TNC-parameters die ook in het configuratie bestand met "TNCINI" geinitialiseerd worden, worden na een uitstapje in de DOS-Shell (ALT-O) weer met de waarden van het configuratie-be- stand overschreven. 5.10 Bijhouden van het logboek Naar wens wordt door GP automatisch een logboek bijgehouden. Dat is het geval wanneer in het configuratie-bestand de opdracht "Log = ON" is gezet. 5.11 Verschllende Connect-Tksten GP biedt de mogelijkheid verschillende connect-teksten te besturen. Men kan zo verschillende connect-teksten voorbereiden en deze dan bij voorkomende gelegenheden eenvoudig en snel omschakelen. De stan- daard connect-tekst heeft de DOS-bestandsnaam "CTEXT.GPI". Alterna- tieve teksten kunnen aangemaakt worden, wanneer de prefix van de be- standsnaam met drie letters wordt uitgebreid. Voorbeelden: "CTEXT_A.GPI", "CTEXT_01.GPI", "CTEXTABC.GPI... Bij gebruik van meerdere Mycall-directories kan het daarbij proble- men geven, wanneer alternatieve connect-teksten alleen voor e e n van verschillende Mycalls bestaan. Wordt de gekozen alternatieve CTEXT niet gevonden, dan wordt de standaard CTEXT gezonden. 5.12 Sysop-funkties Voor sysops van TheNet-, Baycom- en Flexnet- evenals FALCon/Digi- Ware- digipeaters en DieBox-paswoord-compatiebele mailboxen, biedt GP een automatische generering van het sysop-paswoord. Dat paswoord wordt in de voorschrijfbuffer geschreven, zodra het antwoord van digis op de opdracht "SY" resp. "PW" gekomen is. Er MOET in ieder geval minstens "SY" aan de digi gezonden worden, zodat GP het pas- woord genereren kan. Bij DieBox-mailboxen wordt het paswoord direct bij inloggen gegenereerd en kan altijd met Ctrl-B in het voorschrijf- venster gecopieerd worden. Voor iedere digi resp. iedere mailbox moet een eigen bestand aange- maakt worden, die de namen van de digis/de mailbox inhoudt en de suffix ".GPW" heeft. Heeft de roepnaam een SSID, dan moet ook die in het de bestandsnaam aangegeven worden, echter zonder koppelteken. Voorbeeld: Het bestand voor DB0IZ-9 moet "DB0IZ9.GPW" heten. De paswoord bestanden mogen alleen de eigenlijke paswoordstring be- vatten, resp. bij Flexnet een 5-cijferig decimaalgetal en bij DieBox 60 regels van ieder 27 karakters. Opdat de paswoord-functie ook functionneren kan, moet het eventuele station ook in het bestand NAMES.GP ingebracht zijn, waarop het aankomt op een juiste opgave van de soort. Verdere informatie in hoofdstuk 10. BayCom-nodes moeten als "N>" aangegeven worden, aangezien die het TheNet-paswoord proces gebruiken, FALCon/DigiWare als ">B", omdat hier het DieBox proces voor paswoord berekening benut wordt. In la- tere DigiWare-versies wordt het paswoord proces echter veranderd. Daarom werd in GP al het soort "W>" klaargemaakt, dat de toekomstige paswoord procedures al ondersteunt. (GP is zijn tijd alweer ver vooruit). De betreffende opdracht voor het inloggen als sysop mag pas gezonden worden, wanneer geen gegevens van de digi meer in de file staan, m.a.w. wanneer de digi de laatste prompt gezonden heeft. Anders herkent GP de paswoord opvraag van de digi niet en berekent ook geen paswoord. 5.13 Het DieBox-AutoBin Het DieBox-systeem geeft sinds versie 1.9 de mogelijkheid, binaire bestanden met behulp van de AutoBin-mode in het mailboxsysteem in te brengen resp. weer uit te lezen. De manier waarop dit gebeurd is niet de methode tot nu toe, om bestanden in te brengen resp. te le- zen. Men hoeft alleen de 7+ AutoSave-functie van GP in te schakelen en de leesopdracht aan de mailbox te zenden. De rest gaat dan, als bij het uitlezen van 7+ bestanden, automatisch. Men herkent binaire bestanden door "(BIN)" voorafgaand aan de titel. 6. Toepassing van de MailBox-Utilities De volgende utilities bij mailboxgebruik baseren zich op de functies van verschillende BBS-systemen, een lijst van alle beschikbare mel- dingen te laten uitgeven. Deze lijsten krijgt men bij het DieBox- systeem met (C)heck resp. (L)ist , bij andere BBS-systemen met verschillende L-opdrachten. Wanneer men met het mail-box gebeu- ren nog niet vertrouwd is, lees dan s.v.p. de helpinformatie van de mailbox (HELP). 6.1 Het BBS-Menu Mailboxen bieden de mogelijkheid een lijst te maken van alle nieuwe boekingen sinds de laatste log-in. Zo'n lijst heeft bij ieder mail- boxsysteem een bepaald formaat. GP is in staat de verschillende lijs- ten van verschillende bekende BBS-systemen te herkennen. Herkend worden: DieBox F6FBB (Versie 5.15, echter onder voorbehoud) DK5SG-BBS (DB0SAO) DB0IE Ontvangt GP zo'n lijst dan wordt deze in een speciale buffer opge- slagen. Deze buffer is met een kiesmenu gekoppeld, zodat men gemak- kelijk het gewenste deel kan uitkiezen om te lezen. Het gekozen lijst gedeelte wordt dan automatisch in een opdracht tot lezen van het be- stand omgezet en aan de mailbox gezonden. Daarna moet men nog op de tekst wachten. Nadat de verbinding met de mailbox is verbroken, wordt de lijst weer gewist. De lijst wordt echter alleen gewist, wanneer de verbinding door de gebruiker zelf verbroken werd, hetzij door een disconnect of de Quit-opdracht van de mailbox. Bij timeouts, link failures enz. blijft de lijst behouden en kan bij opnieuw connecten van de mailbox weer gebruikt worden. De her- nieuwde connect van de mailbox na een timeout moet echter op het- zelfde kanaal gebeuren! Daar maar e e n keuze-menu bestaat, kan men deze functie ook alleen dan toepassen, wanneer met ALLEEN MET E E N MAILBOX TEGELIJKERTIJD verbonden is, anders worden alle ontvangsten van verschillende mailboxen in e e n buffer geschreven wat absoluut tot fouten leidt. De toepassing van deze functie gaat als volgt: 1. Mailbox connecten 2. De betreffende Check-opdracht aan de mailbox zenden (infos over de mailbox-opdrachten s.v.p. lezen in de help-file van de mailbox). 3. Nadat de gehele lijst is aangekomen en de prompt van de mail- box verschijnt, met ALT-F1 de check-functie kiezen, het gewen- ste bericht met de cursor-toetsen uitkiezen en met de spatie- toets markeren. Wil men de berichten lezen, dan inge- ven. Daarna hoeft men alleen nog op de berichten te wachten. Wil men een bestand lezen, dan is het voldoende, de keuzebalk op de gewenste positie te zetten en te drukken. Indien gewenst kan de lijst ook naar rubrieken gesorteerd wor- den, daarmee wordt dan de lijst duidelijk overzichtelijker, daar men zich zo wie zo voor bepaalde rubrieken interesseert. Bevindt zich in de BBS nog een lijst en wordt weer een nieuwe lijst ontvangen, dan verschijnt de vraag "Oude lijst wissen, Ja,Neen,Afbreken". Kiest men "Ja" dan wordt de oude lijst ge- wist en door de nieuwe vervangen. "Neen" voegt de nieuwe aan de oude toe. "Afbreken" onderbreekt de functie, waardoor het zenden van Check- of Listopdrachten wordt verhinderd. 6.2 De DieBox-Listfunctie De Listfunctie heeft in principe dezelfde functie als de checkfunc- tie. Dit menu werkt echter alleen met DieBox-mailboxen. Aan de lijst kan maar e e n rubriek worden toegevoegd. Bij het listen van een an- dere rubriek wordt de vorige gewist. De toepassing van deze functie ziet er als volgt uit: 1. Mailbox connecten 2. Een gewenste rubriek markeren, bijv. "l ibm" (verdere info in de help-functie van de mailbox) 3. Nadat de gehele lijst is aangekomen en de prompt van de mail- box verschijnt, met ALT-F2 de List-functie kiezen, het gewen- ste bericht met de cursortoetsen uitkiezen en met de spatie- toets markeren. Wil men de berichten lezen dan moet men ingeven. Daarna hoeft men alleen nog op het bericht te wachten. Punt 3 kan naar wens herhaald worden. Wil men al- leen een bestand uitlezen, dan is het voldoende, de keuzebalk op de gewenste boeking te positioneren en te drukken. 6.3 De "Find"-Funktie Zowel in het "BBS-menu" als ook in de "DieBox-Listfunctie", kan men ook bepaalde begrippen, bijv. roepnamen, laten zoeken. Daarvoor hoeft men slechts ALT-F te drukken of het betreffende icoon met de muis aan te klikken en dan het gewenste zoekbegrip in het venster te typen. Wordt dit zoekbegrip in een regel gevonden, dan zet GP de keuzebalk op die regel. Door opnieuw ALT-F in te geven en bevesti- ging van het zoekbegrip met , wordt het zoeken vanaf de cursorpositie voorgezet. Wordt echter een nieuw zoekbegrip opgegeven, dan begint GP het zoeken vanaf het begin van de lijst, onafhankelijk van de positie van de keuzebalk. 6.4 Problemen bij het herkennen van de lijsten Helaas duiken altijd weer problemen op met de juiste herkenning van Mail-lijsten. Meestal gebeurt dat wanneer de mail-box een nieuwe software versie heeft geinstalleerd. Bij de FBB-BBS is het mij echter opgevallen dat het formaat van de lijsten ook van de zojuist ingestelde taal afhankelijk is. Komt het bij het gebruik van lijsten tot problemen, schrijf mij dan s.v.p. een korte brief met een copie van de lijst, zodat ik GP hierop kan aanpassen. Bij de Baycom-Box kan men het formaat van de lijst aan de eigen wens aanpassen. De standaard-lijst is een Die-Box compatiebele lijst en wordt door GP probleemloos herkend. Eventueel functionneren ook nog andere formaat-instellingen. Die kan men het eenvoudigste experimen- teel bepalen. 6.5 Import van lijsten uit de editor In het setup-menu van het BBS-menu en de list-vensters bestaat sinds versie 1.60 een functie, waarmee men een checklijst uit de editor in het BBS-menu, resp. het list-venster, importeren kan. Daartoe laadt men bijv. een bestand die een betreffende checklijst bevat, in de editor en kiest dan in het BBS-menu resp. het list-venster de func- tie "Lijst uit editor invoegen" uit het setup-menu. De in de editor gevonden lijst wordt dan aan een eventueel al aanwezige boeking toe- voegd. Wil men de oude boeking wissen, dan moet men dit voor oproep van de functie handmatig doen met ALT-F4. De eveneens nieuwe functie voor het veranderen van het referentie- kanaal resp. de rubriek hoeft geen verdere uitleg. 7. De GP-Editor Bij deze editor gaat om een eenvoudig stukje gereedschap voor het verwerken van kleinere tekstbestanden, resp. het configuratie-be stand of infoteksten zoals "NEWS.GPI" of "CTEXT.GPI". De editor geeft geen speciaal bedieningscomfort, maar alle wesenlijke cursor- aansturingen zijn beschikbaar. Bovendien heeft de editor het voor- deel dat men GP niet hoeft te verlaten om een tekst te wijzigen. De grootte van het editorgeheugen kan in het configuratie-bestand naar wens worden ingesteld. Het geheugen wordt daarbij in regels van 80 tekens aangegeven. Het minimum is 40 regels, het maximum 780 regels (ca. 64KB). Er bestaan twee modi, waarin de editor wer- ken kan. In de invoegmode worden alle karakters die rechts van de cursor staan, naar rechts verschoven en het nieuwe karakter in de tekst gevoegd. In de overschrijfmode wordt het teken waarop de cur- sor staat, door het nieuwe vervangen. Optisch wordt de invoegmode door een "halve" cursor aangegeven, terwijl in de "overschrijfmode een "volle" cursor te zien is. De beide modi worden met de Insert- toets omgeschakeld. Bij gebruik van de GP-editor moet onderscheid gemaakt worden tussen "tekstregels" en "beeldschermregels". Een beeldschermregel kan maxi- maal 80 karakters lang worden en houdt tekens in die werkelijk op het beeldscherm te zien zijn. Een tekstregel kan uit meerdere beeld- schermregels bestaan en is datgene wat na het opslaan in een bestand in een regel beschikbaar is. De GP-editor kan tekstregels tot 255 karakters verwerken, die echter in meerdere beeldschermregels van maximaal 80 karakters worden opgedeeld. Wordt geprobeerd meer als 80 karakters in een beeldschermregel te schrijven (in de invoegmode), dan worden de toetseningaven genegeerd. Het eind van een tekstregel wordt met een ruitje gemarkeerd. Ontbreekt dit ruitje, dan wordt bij het opslaan de volgende beeldschermregel eraan toegevoegd, zonder een CR/LF tussen de beeldschermregels in te voegen. De lengte van en tekstregel kan in de setup met het menupunt "Woord-wrapping" ingesteld worden. Voor het laden van een tekst de toetsencombinatie ALT-L drukken en dan de bestandsnaam ingeven. Voor het opslaan van een tekst ALT-S drukken en bestandsnaam ingeven. Wil men een nieuw bestand dat nog niet op de diskette/vaste schijf bestaat, dan eenvoudig ALT-L drukken en de gewenste bestandsnaam in- geven en de vraag of het bestaand nieuw moet worden aangemaakt met "J" beantwoorden. 8. De MH-lijst (ALT-H) GP gebruikt een interne MH-lijst, waarin de laatstgehoorde 40 sta- tions staan. Die lijst wordt bij de remote-opdracht //MHeard aan het tegenstation gezonden. De MH-lijst krijgt zijn informatie uit het monitorkanaal en wordt alleen op de laatste stand gebracht, als de monitor is ingeschakeld (monitor mode moet niet "N" zijn). De MH- lijst geeft de mogelijkheid te onderzoeken of een gehoorde roepnaam al in het bestand NAMES.GP is opgevoerd. Om dit te testen moet men de balk op een roepnaam zetten en drukken. de keuze kan ook met de muis gebeuren, de werkingswijze is dezelfde als bij het BBS- menu. 9. De "QSO-Spion" Vanaf versie 1.50 heeft GP de mogelijkheid, aparte QSO's selectief mee te lezen. Daartoe kunnen de ontvangen gegevens in een eigen ven- ster worden getoond. Er kunnen gelijktijdig 10 QSO's "bespionneerd" worden, zolang men genoeg geheugenruimte heeft in de tekstbuffer van het "Spion"-venster. De grootte van de tekstbuffer kan in het configuratie-bestand worden ingesteld, met behulp van de opdracht "Spybuffer", het aantal vensters met "Maxspy". 9.1 QSO uitkiezen om mee te lezen Wil men een QSO meelezen dan moet men eerst naar de MH-lijst gaan. Daarna het "SPY"-icoon aanklikken of de toestencombinatie ALT-S drukken. In het statusvenster verschijnt de uitnodiging "Selekteer QSO". Nu kan men uit de MH-lijst het gewenste QSO kiezen, door de keuzebalk op de desbetreffende roepnamen te zetten en dan te drukken of eenvoudig de muis gebruiken. Dan komt de vraag of men het QSO op diskette resp. harde schijf wil opslaan. Beantwoordt men de vraag met "Ja", dan kan men in een volgend venster de de bestands- naam ingeven. GP biedt een standaardnaam aan. Wil men die gebruiken dan hoeft men alleen te drukken. Daarna springt GP in het venster waarin het QSO wordt getoond. Wil men een QSO meelezen, dan moet eerst naar de MH-lijst schakelen. Het verwijderen van de "QSO-spion" kan men weer door in het betref- fende venster ALT-K te drukken of het icoon "Kill Spy" aan te klik- ken. Men kan een QSO ook uit de MH-lijst verwijderen, als men daar ALT-K drukt of het icoon "Kill Spy" aanklikt en dan het QSO uitkiest. Is in de MH-lijst ook de andere richting van de gekozen QSO's ver- meld dan wordt die automatisch ook gemarkeerd en in het "Spion-ven- ster" worden de gegevens van beide richtingen getoond. (Met verschil- lende kleuren). Werd de andere richting bij activering van de "QSO- spion nog niet gehoord, dan kan men die achteraf voor meelezen uit- kiezen. GP herkent in dat geval automatisch, dat de andere helft van het QSO al wordt meegelezen en opent geen nieuw "Spion-venster, maar wijst de gekozen QSO-helft aan het reeds bestaande venster toe. 9.2 Het "Spion-venster" In dit venster worden ontvangen gegevens van het desbetreffende QSO getoond. Worden beide richtingen gehoord, dan herkent GP die auto- matisch en toont beide richtingen in hetzelfde venster met verschil- lende kleuren. Welke roepnaam in welke kleur wordt gegeven, hangt af in welke richting de MH-lijst gekozen werd. Voorbeeld: Men heeft in de MH-lijst het QSO "DB0SGL > DH1DAE gekozen, dan ver- verschijnen in het "Spion-venster" de gegevens van DB0SGL in de voorgrondkleur (SpyForeGround) en die van DH1DAE in de Inverskleur (SpyInversAttr.) In het statusvenster wordt ten eerste het QSO getoond welke in dit venster meegelezen wordt en ten tweede het nummer van het laatste ge- hoorde AX.25-packet. Bij het AX.25 protocol worden de packets genum- merd, zodat bij een eventuele overdrachtsfout precies het foutieve packet weer achterhaald kan worden. Deze nummering gebeurd met getal- len tussen 0 en 7. (Daarom kan de "Maxframe"-parameter in de TNC ook maar maximaal 7 zijn). Deze nummering heeft natuurlijk altijd betrek- king op maar een richting. 9.3 De automatische QSO-Spion Sinds versie 1.60 bestaat de mogelijkheid GP automatisch bepaalde QSO's te laten meeschrijven. Die QSO's worden dan automatisch in de Spy-directory opgeslagen. Voor ieder QSO wordt een nieuw bestand aangemaakt. De bestandsnaam wordt uit de roepnaam gegenereerd, met een suffix tussen ".000" en ".999" (bijv. "DH1DAE.000") Wordt een Info-frame van een station, dat automatisch mee-opgeslagen moet worden, ontvangen, dan wordt automatisch een nieuwe QSO-spion gestart, indien er nog een vrij is. Het QSO wordt dan zolang meeop- geslagen, tot een DISC-, DM- of UA-packet van het betreffende sta- tion resp. tegenstation wordt ontvangen. In dat geval wordt de QSO- spion weer gesloten en staat voor nieuwe QSO's weer ter beschikking. Welke QSO's automatisch mee-opgeslagen moeten worden, kan men met de Config-parameters "AutoSpy" en "NoAutoSpy" vastleggen. Met de para- meter "AutoSpy" legt men vast welke roepnamen automatisch moeten worden opgeslagen en met de parameter "NoAutoSpy" de roepnamen die in ieder geval niet opgeslagen moeten worden. Onder "NoAutoSpy" moet men in ieder geval de eigen roepnaam opgeven, daar het meelezen van de eigen QSO's niet veel zin heeft. Bij beide parameters kunnen tot 10 opgaven gedefinieerd worden, die echter door een komma gescheiden moeten worden. Daarom hoeft het niet direct om roepnamen te gaan, maar kan ook een gewenste passage uit een Monitor-header zijn. Mijn pogingen bij de ontwikkeling van deze functie hebben aangetoond, dat het zinvol is, de zoek-kriteria bijv. aan de sleutelwoorden "fm" en "to" te koppelen. Op hoofd- kleine letters moet absoluut gelet worden, evenals de plaats van het Spatie-teken! ---------------------------------------------------------------------- Opgelet: Er worden zowel normale QSO's als ook UI-Packets (m.a.w. ba- ken of bijv Flexnet-Searchs) mee-opgeslagen. Bij UI-packets zijn echter geen disconnect-packets, zodat een QSO-spion geopend maar niet weer automatisch gesloten wordt. Met moet daarom bij de parameter "NoAutoSpy" het criterium "ctl UI" aangeven. Voorbeelden: Alle QSO's van DB0SGL en DB0FN moeten mee-opgeslagen worden, echter geen QSO's die ergens met DH1DAE van doen hebben: AutoSpy = fm DB0SGL,fm DB0FN NoAutoSpy = DH1DAE Er moeten alle QSO's opgeslagen worden die met willekeurige DB0 sta- tions gevoerd worden. Geen QSO's van DH1DAE, noch bakens of UI- packets (bijv. Flexnet-Search) moeten meegeschreven worden. AutoSpy = fm DB0 NoAutoSpy = DH1DAE,ctl UI Er moeten QSO's van DB0SGL en van DB0FN meegeschreven worden, echter alleen QSO's van DB0FN(-0), maar geen QSO's van DB0FN-1, DB0FN-2 .. DB0FN-15: AutoSpy = DB0FN ,DB0SGL ^ Deze spatie is belangrijk, daardoor reageert GP al- leen op frames van DB0FN(-0) Het is raadzaam, bij toepassing van de automatische QSO-spion, de Spy-directory regelmatig te verlaten, daar men anders gemakkelijk het overzicht verliezen kan. Verder kan ik het gebruik aanraden, want het heeft mij al enige keren het lezen van mail uit de mail- box bespaard. Overigens: 7+bestanden laten zich probleemloos met behulp van 7PLUS extraheren. Wie niet weet hoe dat gaat, moet maar eens de handlei- ding van 7+ bestuderen. Het programma biedt enige interessante func- ties. 9.4 Eventuele problemen De "QSO-spion" kan alleen foutloos werken, wanneer men de betref- fende stations (in de meeste gevallen de digipeater) storingsvrij kan horen en ieder packet foutloos gedecodeerd worden kan. Kan men de digi niet meer correct ontvangen (DCD licht op, maar het packet wordt niet in het Monitor-venster aangegeven of men heeft dikwijls "Reject frames"), dan kan het voorkomen dat in het "Spion-venster" enkele packets ontbreken of in de foutieve volgorde worden getoond. Die fouten zijn weliswaar ergerlijk, maar helaas niet te voorkomen. 10. De Autorouter De Autorouter van GP helpt om bekende stations te connecten, zonder dat het complete pad ingegeven moet worden, of zich handmatig door de digipeater door te connecten. Voorwaarde is echter dat het pad van het betreffende station bekend is en in het bestand NAMES.GP is ingebracht. De lijsten hebben de volgende syntax: SOORT>ROEPNAAM NAAM; PAD of SOORT>IDENT:ROEPNAAM NAAM; PAD Bij toepassinhg van IDENTs is het in ieder geval belangrijk, Ident EN roepnaam op te geven, daar GP alleen met de roepnamen werkt. Daardoor kan ieder station een willekeurige Ident toegewezen krij- gen, dus ook bijv. Flexnet-digipeaters. Dat is echter alleen moge- lijk als GP naar buiten toe steeds met de roepnaam van het station werkt, maar niet met de Indent. De Ident wordt door GP alleen in- tern gebruikt. Belangrijk is ook de juiste opgave van de soort, want daardoor her- kent GP welke acties uitgevoerd moeten worden en welke niet. Zo kan de Check- en List-functie alleen bij mailboxen gebruikt worden, ter- wijl een tekst met behulp van een remote-opdracht "// " alleen aan kanalen gezonden kan worden die met een TERM (Terminal- Station) verbonden zijn. Verder worden de statusmeldingen aan het eind van een AutoBin- of 7plus-opslag alleen aan T>-stations gezon- den. Bij andere stations wordt de tekst alleen op het beeldscherm getoond. De naam van het station mag spaties hebben en kan theoretisch wil- lekeurig lang zijn, in het programma worden overigens alleen de eerste letters van de naam weergegeven. Er moet op gelet worden dat de roepnaam en de soort in hoofdletters geschreven wordt, zoals in de onderstaande voorbeelden. Is het betreffende station direct of zonder digipeater bereikbaar, dan wordt het pad eenvoudig weggelaten anders geeft het pad een lijst van alle noodzakelijke digipeaters. Een digipeateropgave heeft de volgende syntax: SOORT>ROEPNAAM of SOORT>INDENT of SOORT>IDENT:ROEPNAAM Belangrijk: De laatste opgave moet in iedere geval ALTIJD de syntax SOORT>ROEPNAAM hebben en mag geen Ident inhouden! De soort kan de volgende letters aannemen: B: Mailbox (bijv. D>DB0SGL) D: L2-Digipeater (bijv. D>DB0ID) F: Flexnet-Digipeater (bijv. F>DB0FN) N: NetRom-Digipeater (bijv. N>DB0EAM) !: Als N, maar dat hier de opdracht "C!" gebruikt wordt T: Terminal-Station (bijv. T>DH1DAE) Wordt een terminal-station als digipeater gebruikt, dan genereert GP automatisch een overeenkomstige remote-opdracht, dus "//C ...". An de hand van deze soorten-aanduiding, herkent GP op welke manier de verschillende stations geconnect moeten worden. Een pad ziet er bijv. als volgt uit: T>DH1DAE Ulf; D>DB0NWS D>DB0FN T>DH1DAE In dit geval zendt GP aan de TNC de opdracht "C DH1DAE DB0NWS DB0FN". Is in de padlijst nog een N>- of F>-Digi aanwezig, bijv.: T>DH1DAE Ulf; N>DB0HSK F>DB0DOZ D>DB0FN T>DH1DAE dan ziet de connect-reeks er iets anders uit. Nu wordt eerst de Digipeater DB0HSK geconnect, dan de opdracht "C DB0DOZ" en vervol- gens de opdracht "C DH1DAE DB0FN" uitgezonden. Het volgende voorbeeld demonstreert de toepassing van de soort "!": T>DF3VI Patrick; D>DB0FN-9 !>DB0II !>ON5PL !>ON5ZS F>LX0PAC D>DB0HOM GP genereert nu de volgende connect-reeks: "C DB0II DB0FN" "C! ON5PL" "C! ON5ZS" "C! LX0PAC" "C DF3VI DB0HOM" Idents kunnen bij voorbeeld als volgt worden toegepast: F>SIEGEN:DB0FN Digi Siegen T>ULF:DH1DAE Ulf; D>SIEGEN T>DH1DAE Nu kan men in plaats van "DH1DAE ook "ULF" ingeven, en GP genereert dan de connect-opdracht: "C DH1DAE DB0FN". 10.1 Alternatieve padopgave In de padlijst hoeft niet het complete pad opgegeven te worden, maar het kan ook op een ander, al bekend pad, worden "aangebouwd". Voorbeeld: F>DB0FN Digi Siegen F>DB0WST Netknooppunt West; F>DB0FN F>DB0WST F>DB0ME Digi Solingen; F>DB0WST F>DB0ME B>DB0SGL Mailbox Siegen; F>DB0FN B>DB0SGL B>DB0IZ Mailbox Solingen; F>DB0ME B>DB0IZ Het complete pad naar DB0IZ bijv. wordt nu uit het pad naar DB0ME en naar DB0WST samengesteld. Er ontstaat bij het connecten dan automa- tisch het volgende pad: F>DB0FN F>DB0WST F>DB0ME B>DB0IZ De toepassing van de alternatieve padopgave heeft twee voordelen. 1. Men hoeft minder in te typen 2. De padlijst wordt variabeler, in het geval een digipeater uitvalt of een nieuwe link erbij komt, hoeft maar e e n padopgave ver- anderd te worden 10.2 Autorouting via SP-Gateways Moet in een pad een link via een SP-Gateway voorkomen, waarbij ach- ter de roepnaam ook nog een Portnummer moet worden opgegeven, dan kan dit door een truc bereikt worden, en wel door een "Dummy-Digi". Voorbeeld: DL9ZZZ is een SP-Gateway die met Port0 op 70cm en met Port1 op 2m QRV is. OM A is op 2m QRV en wil DB0XYZ op 70cm connecten. De be- treffende connect-opdracht moet dus zijn : "//CD DB0XYZ 0". Het pad in NAMES.GP moet er dan als volgt uitzien: N>DB0XYZ Testdigi; T>DL9ZZZ D>0 N>DB0XYZ GP connect eerst DL9ZZZ en zendt dan de opdracht "//C DB0XYZ 0".\ (Heeft DL9ZZZ zijn gateway als node geconfigureerd, dan kan men in plaats van "T>DL9ZZZ ook "N>DL9ZZZ" opgeven). Deze truc kan niet alleen bij SP-gateways toegepast worden, maar bijv. ook bij Baycom-nodes, wanneer daar een Portnummer moet worden opgegeven. 10.3 Enkele opmerkingen bij de autorouter Zoals men zeker al gemerkt heeft, benut de autorouter de overeen- komstige connect-meldingen van de digipeater, om de werkelijke eind- knooppunten vast te stellen. Berichtentechnisch gezien is deze ma- nier van autorouting weliswaar tamelijk zinloos, maar is bij het huidige Packet-Radio-Net met zijn NetRom-knooppunten niet anders mo- gelijk. De beste routing wordt in ieder geval door Flexnet-Digipea- ters overgenomen en men moet daarom zoveel mogelijk dit routing-sys- teem gebruiken. Bij Flexnet-Digipeaters kan aangegeven worden welke digipeaters over de Flexnet-Autorouting bereikt kunnen worden. De opdracht waarmee zo'n lijst kan worden opgeroepen is "D". 10.4 De QRG-besturing (alleen voor Multiport-TNCs) Sinds versie 1.50 is GP in staat meerdere HF-Ports (niet TNC's) te besturen. Meerdere HF-Ports hebben bijv. de BayCom USCC-kaart in verbinding met TFPCX vanaf versie 2.00 of moderne TNC's zoals FALC- on of TNC3. Opdat GP herkennen kan op welke HF-Port een connect moet plaats vinden resp. op welke Port een QSO loopt, moet men GP meedelen, op welke HF-Port, welke Digipeater te vinden is en op wel- ke frequentie. Daarom is de opdracht PORTx opgevoerd, waarbij "x" een getal tussen 0 en 8 is. De syntax voor de opdracht is: PORTx = , Voorbeeld: Ik gebruik DB0FN als Digi. Deze werkt op de frequentie 430.625 MHz en de transceiver is op Port 0 aangesloten. Dan is de opgave als volgt: PORT0 = DB0FN,430.625 Belangrijk: Er kunnen aan een HF-Port meerdere QRG's toegewezen zijn maar niet omgekeerd. GP neemt automatisch altijd de eers- te PORT-opgave die bij de gekozen QRG hoort. Moeten des- ondanks meerdere HF-Ports aan een QRG worden toegewezen, dan moet men die QRG-opgaven verschillend vorm geven, bijv. door gebruik van een ",", in plaats van "." als scheiding tussen MHz en KHz-opgave. Maar omdat in het logboek niet de exacte frequentie, maar alleen de band moet worden opgegeven, blijven er nog andere mogelijk- heden voor onderscheiding. Werkt een Digi met twee verschillende SSID's op e e n QRG, bijv. als de Digi een ingang met 1200 Bps en een met 9600 Bps heeft, dan moet men ook de Port-opgave overeenkomstig aanpassen. Voorbeeld: DB0FN zendt op een QRG 430.625 met 1200 en ook met 9600 Bps. Aan Port 0 is een 1200 Bps- en aan Port 3 een 9600 Bps-modem aange- sloten. Wil men met beide baudrates QRV zijn, dan moet de volgende opgave in NAMES.GP geintergreerd worden: PORT0 = DB0FN,430.625 PORT3 = DB0FN-9,430,625 De komma i.p.v. een punt heeft een bedoeling zie verder. Wil men nu een verbinding op de 9k6-Port starten, dan moet men de QRG "430,625" opgeven, wil men echter over de 1k2-Port werken, dan moet men de QRG "430.625" opgeven. Dit voorbeeld zal in de praktijk echter zelden voorkomen, want wie wil op een 1k2-Port QSO's maken wanneer dit ook met 9k6 kan!. Bij gebruik van een Multiport-TNC is minstens een PORT-opgave abso- luut nodig. Anders eindigt een connect-poging in een foutenmelding over een niet bekende QRG. Een Port-opgave is niet nodig, wanneer men geen Multiport-YNC gebruikt. 10.5 QRG-afhankelijke autoconnecten Heeft men meerdere Digipeater binnen bereik en wisselt daarom dik- wijls van Digi-opstap in het net, dan moet men minstens ook enige padopgaven in NAMES.GP veranderen en op de eventuele digipeater aan- passen. Opdat men dit niet handmatig hoeft te doen, kan men vanaf versie 1.50 QRG-afhankelijke IF-voorwaarden in NAMES.GP inbouwen. De werkingswijze is daarbij principieel gelijk aan de IF-voorwaarden in de CONFIG.SYS, alleen is hier de QRG-opgave bepalend. De toepas- sing is zeer eenvoudig en laat zich het beste met een voorbeeld ver- klaren: Ik ben in staat, zowel via DB0FN als via DB0NWS te werken. Dan kan het bestand NAMES.GP er bijv. als volgt uitzien. PORT0 = DB0FN,430.625 PORT1 = DB0NWS,433.775 B>DB0SGL Mailbox Siegen; D>DB0FN B>DB0SGL F>DB0ME FALCon-Digi Solingen; D>DB0FN F>DB0ME B>DB0SGL Mailbox Siegen; D>DB0NWS B>DB0SGL F>DB0ME FALCon-Digi Solingen; D>DB0NWS F>DB0ME T>DG9EP Walter; F>DB0ME T>DG9EP B>DB0IZ Mailbox Solingen; F>DB0ME B>DB0IZ . . . Wanneer men via DB0FN werkt, ziet het pad naar bijv. DG9EP er als volgt uit: D>DB0FN F>DB0ME T>DG9EP Werkt men daarentegen via DB0NWS, dan verandert het pad automatisch in: D>DB0NWS F>DB0ME T>DG9EP Wanneer men, zoals in het voorbeeld, hierachische padenopgaven ge- bruikt, hoeft men niet alle padopgaven van een IF-voorwaarde afhan- kelijk te maken, maar alleen de delen die door de wisseling van digipeater veranderen. In het bovengenoemde voorbeeld is bijv. het pad vanaf DB0ME steeds gelijk, daarom hoeft alleen het pad naar DB0ME veranderd te worden, maar niet de paden die van DB0ME verder gaan. 10.6 Het Macro %DIGI% Dit Macro is alleen bij multiport-bedrijf interessant. GP vervangt dit Macro bij het produceren van het pad door de digipeater-roepnaam welke de juist actieve Port is toegewezen. Daardoor wordt het samen- stellen van de padlijst vereenvoudigd, wanneer men de autorouter van de digipeater gebruikt. Voorbeeld: PORT0 = DB0FN,430.625 PORT1 = DB0NWS,433.775 B>DB0SGL Mailbox Siegen; D>%DIGI% B>DB0SGL F>DB0ME FALCon-Digi Solingen; D>%DIGI% F>DB0ME T>DG9EP Walter; F>DB0ME T>DG9EP B>DB0IZ Mailbox Solingen; F>DB0ME B>DB0IZ Dit voorbeeld komt overeen, wat de werking betreft, met die uit hoofdstuk 10.5. Door het inzetten van dit Macro kunnen in dit voor- beeld de IF-aanwijzingen worden weggelaten. 10.7 Roepnamen, tijdens een connect, in de lijst opvoeren (ALT-N) Wil men een juist geconnect station in NAMES.GP overnemen, dan kan men die via editing in het bestand bereiken. Het gaat echter ook een- voudiger, als men de toetsen ALT-N drukt en dan de soort en de roep- naam van het station opgeeft. GP slaat dan het station op aan het eind van NAMES.GP. Op die manier kunnen zeer gemakkelijk hierarchi- sche paden samengesteld worden, doordat men eenvoudig van digipeater naar digipeater verder-connect en telken de functie ALT-N uitvoert. Deze methode is overigens alleen raadzaam bij TheNet-compatiebele digipeaters, daar de autorouting van de Flexnet-compatiebele digi- peaters in de regel beter funtionneert en flexibeler is als de pad- lijst van een terimalprogramma... 11. Setup-functie (ALT-U) GP heeft de mogelijkheid, tijdens bedrijf, enige programmaparameters te wijzigen. Dat zijn bijv. de kleurinstellingen of ook de active- ring resp. deactivering van de remote-controle voor een QSO kanaal enz. De aparte menupunten kunnen met de cursortoetsen en , of door dubbele klik van de linker muistoets, gekozen worden. Na het beeindigen van GP met ALT-X worden alle instellingen van dit menu in het bestand CSTAT.GPB opgeslagen en bij de volgende start van GP weer op deze waarden ingesteld. Voor ieder kanaal bestaat een eigen setup-menu. Deze menus zijn bij de mailbox-utilities, de editor, de MH-lijst en de Monitor niet zo uitgebreid als bij de QSO-kanalen. 11.1 Wijziging van de kleuren Nadat een overeenkomstig menu voor wijziging van de kleuren te heb- ben gekozen, de keuzebalk op een van de drie attributen brengen en met de cursor-links of cursor-rechts een kleur uitkiezen. De betref- fende kleur wordt in een klein venster weergegeven. Zijn de kleuren naar eigen wens aangepast, dan menupunt "Gebruik deze kleuren" kie- zen en drukken. De kleurkeuze kan met te allen tijde worden afgebroken, de nieuwe kleuren worden dan niet overgenomen. Wil men de nieuwe kleurinstellingen bij de volgende start van GP weer gebruiken, dat moet men de instellingen in het bestand "CONFIG. GP" overeenkomstig veranderen. 11.2 De Remote-control-prompt Dit menupunt legt de remote-prompt vast, die na uitvoering van een remote-opdracht aan het tegenstation wordt gezonden. De prompt wordt alleen dan gezonden, wanneer deze met de remote-opdracht //PRompt ON geactiveerd werd. De prompt kan alle macros bevatten, die ook in de *.GPI-bestanden gebruikt worden. Die instelling geldt in het geheel voor alle QSO kanalen. 11.3 Remote-besturing activeren/deactiveren Het menupunt "Remote control" toont de actuele toestand van de re- mote-besturing. Voor in- of uitschakelen van de remote-besturing kan men eenvoudig dit punt aanklikken, resp. drukken. Deze in- stelling geldt alleen voor het reeds aangegeven kanaal. 11.4 Tekstbuffer-Backup Dit menupunt is voor het uitschakelen van de backup-functie, die de actuele beeldscherminhoud van de scroll-back-buffer bij het verlaten van GP op diskette/harde schijf opslaat en bij een nieuwe start weer opnieuw aanmaakt. In tegenstelling tot de andere menu-instellingen wordt deze waarde niet opgeslagen, maar bij een nieuwe start van GP wordt de instelling van de backup-opdrachten uit het bestand CONFIG. GP overgenomen. 11.5 Echo Dit menupunt schakelt de locale echo in of uit. In de stand ON wordt de gezonden tekst op het beeldscherm getoond. Staat de waarde op OFF, dan wordt de tekstweergave bij zenden onderdrukt en alleen de ontvan- gen tekst wordt getoond. Die instelling geldt alleen voor het aange- geven kanaal. 11.6 RX-Click Onder "RX-Click" wordt verstaan een acoustisch signaal, die op ont- vangen tekst opmerkzaam maakt. Deze parameter kan drie waarden aannemen: 0: Het acoustische signaal is uitgeschakeld. 1: Wordt op een ander, als het momenteel getoonde kanaal, tekst ontvangen, klinkt een acoustisch signaal. Wordt daarentegen op het juist actieve kanaal tekst ontvangen, klinkt geen signaal. 2: Er klinkt altijd een signaal wanneer tekst wordt ontvangen, onafhankelijk welk kanaal wordt getoond. Deze instelling geldt in het geheel voor alle kanalen. 11.7 Regelombuiging Deze parameter bepaalt het maximale aantal karakters per regel. Bij CONVERS-ronden bijv. moet men deze altijd op de waarde 65 instel- len, anders zijn het 80 karakters/regel. Deze instelling geldt al- leen voor het ingestelde kanaal. 11.8 Packetlengte Legt vast hoeveel tekens een AX.25-packet maximaal mag bevatten. Heeft men bijv. een relatief slechte verbinding met een digipeater, dan moet deze waarde niet te groot zijn, omdat de kans op fouten- vrije overdracht bij korte packets groter is als bij lange packets. Te klein moet men deze waarde ook niet kiezen, daar anders zeer veel packets nodig zijn om een bericht over te zenden. De instelling geldt in het geheel voor alle QSO-kanalen. 11.9 Softscroll Schakelt de Softscroll-functie in- resp. uit. Nadere informatie over softscrolling vindt men in hoofdstuk 14. De instelling geldt voor het getoonde kanaal. 11.10 Code-AutoSave Schakelt de Autosave-functie voor 7Plus- en LCPlus-bestanden in- resp. uit. Deze instelling geldt voor ieder QSO-kanaal. Nadere in- formatie onder 5.3.5. 11.11 Bakenmenu Dit menupunt is alleen in het Monitorvenster te vinden. Het stuurt het uitzenden van een radiobaken. Er kan vastgelegd worden welke bakentekst uitgezonden moet worden. Verder kan men kiezen aan welk doeladres het baken moet worden gezonden. Een baken kan ook over di- gipeater gezonden worden. Deze moet men dan overeenkomstig in de doeladressen aangeven. Over het menupunt "Periode (Minuten)" hoeft niets gezegd te worden.... Voorbeeld: Als bakentekst werd "DH1DAE/p in Siegen" ingesteld en als doeladres "ALL" aangegeven. Wanneer de periode op 5 minuten ingesteld werd, zendt GP alle 5 minuten het volgende: fm DH1DAE to ALL ctl UI^ pid F0 DH1DAE/p in Siegen Werd als doeladres "ALL DB0FN" aangegeven, dan verschijnt het vol- gende: fm DH1DAE to ALL via DB0FN ctl UI^ pid F0 DH1DAE/p in Siegen fm DH1DAE to ALL via DB0FN* ctl UI^ pid F0 DH1DAE/p in Siegen Het eerste packet werd door de eigen TNC uitgezonden en het tweede door de digipeater, daarom ook de ster achter de digi-roepnaam. (De echo van de digipeater kan dikwijls ontbreken, speciaal bij een druk QSO bedrijf. Bij een relatief lege digi moet echter bij practisch ieder bakenpacket via de digipeater een echo te zien zijn. Komt er maar zelden een echo, dan kan men de digi niet correct horen. Dat ligt dan weer aan een te korte TXDelay of aan andere AF- of HF-problemen, bijv. slechte antenne, te veel of te weinig zwaai enz. Het ligt echter NIET aan andere verondersteld foutief ingestel- de parameters zoals P-persistance enz.) Belangrijk: ----------- Om de digi-QRG niet onnodig te belasten, moet een Radiobaken alleen in speciale gevallen ingeschakeld worden, bijv. wanneer men portabel in PR QRV is. In de regel heeft men het bakens overigens niet nodig. 11.12 De scheidingsbalk tussen QSO en Monitorvenster. Voor enige functies, die dikwijls gebruikt zouden kunnen worden, bestaan in het Setup-menu nog "schakelaars", die met behulp van de muis in- of uitgeschakeld kunnen worden. De symbolen van de schake- laars zijn zelfverklarend. Hier een korte verklaring: "QRG: xxxxxxx" : Frequentie die in het logboek wordt aange- geven. "CT: xxxxxxxx" : Keuze van de connect-tekst (zie 5.11) "[->" : Umlautomzetting aan/uit "Echo" : Echo aan/uit (zie 10.5) / : Softscroll aan/uit : Beep (Ctrl-G) aan/uit "7+" : Code-Autosave aan/uit (zie 5.3.5) "Remote" : Remote-control aan/uit "BIN-RX" : AutoBin-opslag activeren/afbreken "BIN-TX" : AutoBin-zenden activeren/afbreken "ScrLock" : Stopt de TNC-opvraag op het huidige kanaal In tegenstelling tot vroegere GP-versies, waar deze schakelaar op alle kanalen uit- werking had, werkt het nu alleen op het huidige kanaal. Men moet niet vergeten de functie weer uit te schakelen. Wordt een kanaal op deze wijze vastgehouden, dan wordt de roepnaam in de menulijst cursief weerge- geven. 12. DOS-Shell Door het oproepen van deze functie heeft men de mogelijkheid, DOS- opdrachten uit te voeren, zonder GP te moet beeindigen. Wil men naar GP terugkeren, dan moet men de DOS-opdracht "EXIT"+ ingeven. In het configuratiebestand CONFIG.GP moet de opdracht "TNCDOS= M N" opgegeven worden, daar anders het gevaar bestaat dat de TNC met mo- nitorgegevens, die niet worden afgevraagd, volloopt. Aan de andere kant geeft het ontvangstverliezen in de "QSO-spion", wanneer men de Monitor met "M N" uitschakelt... 13. Gebruik van de muis Is een muis aan de PC aangesloten en de muisdrijver geladen, dan wordt deze automatisch door GP herkend en kan men alle iconen en menufuncties met de muis uitkiezen. De bediening is zeer eenvoudig. Om een icoon of menufunctie te kiezen, eenvoudig met de muis het object aanwijzen, de linker muistoets drukken en weer loslaten. Heeft men per ongeluk een functie gekozen die men niet hebben wilde, dan kan met ingedrukte muistoets de muis weer op een positie buiten het icoon, resp. menuvenster gezet worden en dan de muistoets los- laten. In het Check- en List-menu werkt de muis precies zoals hier- boven omschreven, heeft men per ongeluk de linker muistoets inge- drukt, dan kan men de muis met ingedrukte toets op de scrollbalk zetten en dan pas loslaten. In deze menus heeft naast de linker toets ook de rechter muistoets een functie en wel komt het drukken van de rechter muistoets overeen met het drukken van de spatietoets, waarmee men meerdere alineas kan markeren om te lezen. Het beste is de muisfuncties eenvoudig uit te proberen, de bediening is bij alle kanalen en menuvensters gelijk en zeer eenvoudig te leren. 13.1 De Scrollbalk Bij alle tekstvensters is aan de rechter beeldschermzijde een scroll- balk te zien, die de actuele beeldscherminhoud in relatie tot de totale Scrol-Back-buffer aangeeft. Met behulp van deze balk kan men het beeldscherm regel- of paginagewijze naar boven of beneden scrol- len. Voor het regelgewijze scrollen hoeft men alleen de beide pijlen aan te klikken, wil men echter een geheel beeldschermpagina scrollen, moet men het cyaan-kleurige gebied boven- en onder de positiebalk aanklikken. Om een gewenste beeldscherminhoud naar voren te halen, kan men ook de positiebalk aanklikken en met ingedrukte muistoets op de gewenste positie schuiven. Doordat de scrollbalk de tekstposities 79 en 80 afdekt, kan men hem ook naar wens uitschakelen. Dat is met de toetsencombinatie ALT-B of door aanklikken van de schakelaar "B" onder de scrollbalk moge- lijk. 14. Commandoregel-parameters Aan GP kunnen op afroep Commandoregel-parameters ter beschikking worden gesteld die de afloop van het programma beeinvloeden. De oproep gebeurt dan als volgt: "gp ..." resp. "gp286 ..." 14.1 De parameters "/e" und "/v" Deze parameters schakelen GP in de EGA- resp. VGA-mode, zonder re- kening te houden met de in het bestand CONFIG.SP opgegeven instel- ling. "gp /e" resp. "gp286 /e" schakelt GP in de EGA-Mode (640x350). "gp /v" resp. "gp286 /v" schakelt GP in de VGA-Mode (640x480) 14.2 De Parameter "/h" Deze parameter laat GP starten, zonder Hostmode-initialisering. De TNC moet dan al in de Host-mode zijn, daar het anders een Resync- fout geeft met daarna een programmastop. Voor het normale gebruik van GP heeft men deze parameter niet nodig, daar GP ook alleen al herkent of de TNC in de Host-mode is of niet. 14.3 De parameters "/NOXMS" und "/NOEMS" GP herkent automatisch of XMS of EMS geinstalleerd is en slaat de ontvangstbuffer en andere gegevens automatisch in die geheugenbe- reiken op, om plaats te besparen in het normale DOS-geheugen. Wan- neer het problemen geeft met EMS of XMS, kan men GP opdragen een bepaald uitbreidingsgeheugen niet te gebruiken, ook wanneer dat ge- heugen in de PC is geinstalleerd. Problemen kunnen bijv. bij gebruik van XMS (HIMEM.SYS) optreden, wanneer TFPCX geinstalleerd is. Op langzame computers kan het bij iedere actie van GP op XMS tot ont- vangstproblemen bij TFPCX komen en het PR-bedrijf wordt aanzienlijk verzwaard. In dat geval moet men afzien van het gebruik van XMS, door GP met de parameter /NOXMS op te roepen. De parameter /NOEMS verhin- dert het gebruik van het EMS-geheugen. 14.4 De parameters "/XTKBD" en "/ATKBD" Deze parameters zijn bedoeld voor het geval dat de automatische her- kenning van het toetsenbord niet functionneert. Om de functietoetsen F11 en F12 te kunnen gebruiken, moet GP speciale DOS-functies ge- bruiken, die op XT-computers niet bestaan en dan een probleem geven. Normaal herkent GP weliswaar automatisch het toetsenbord, maar het kan onder bepaalde omstandigheden toch tot problemen komen, daar die PC's op bepaalde punten niet zo compatiebel zijn!. Geeft het dus pro- blemen met het toetsenbord, m.a.w. er verschijnen in het voorschrijf- venster steeds willekeurige karakters, zonder dat men een toets heeft ingedrukt, dan moet men GP met de parameter "/XTKBD" oproepen. Heeft men een toetsenbord met F11/F12, maar GP reageert niet op deze toetsen, dan moet men de parameter "/ATKBD" proberen. 14.5 De parameter "/3MOUSE" GP ondersteunt normaal alleen de linker en de rechter muistoetsen. Heeft men een 3toetsen-muis, dan komt de middelste toets overeen met ALT-Z. Voor dit doel moet men echter GP meedelen dat men een 3toet- sen-muis aangesloten heeft. Dat gebeurt met de parameter "/3MOUSE". 14.6 De parameter "/NOFIFO" Vanaf versie 1.50 ondersteunt GP de UART 16550A, die een interne 16 Byte grote gegevens-buffer (FIFO) bezit. Daardoor zijn hogere overdragingssnelheden zonder verlies van karakters mogelijk, daar minder interrupts moeten worden opgewekt. Zelfs op een 286 zijn zo baudrates tot 115200 Baud mogelijk, natuurlijk uitgaande van een overeenkomstige TNC (FALCon of TNC3). GP herkent automatisch of een 16550A geinstalleerd is of dat het bij de gebruikte UART om een vergelijkbaar type gaat. Met de para- meter "/NOFIFO" kan men die automatische herkenning uitschakelen en GP activeert de FIFO niet (Moet de FIFO al voor de start van GP in- geschakeld zijn, dan gebruikt GP hem in ieder geval). 14.7 De parameter "/CHECK" Met deze parameter wordt GP ertoe gebracht, zichzelf op mogelijke manipulaties te onderzoeken. Worden manipulaties vastgesteld, dan wordt GP met een overeenkomstige verwijzing beeindigd. Men moet in zo'n geval de computer op mogelijke virussen onderzoeken. Daartoe moet men de computer uitschakelen en na enige seconden wachttijd weer inschakelen, waarbij nu van een goede diskette geboot moet wor- den waarop zich ook een virusscanner bevindt. Dan kan men de harde schijf op virussen testen en die met een CLEAN-programma verwijderen. Daarom in ieder geval ALTIJD een virusvrije DOS-boot-diskette aanma- ken en de schrijfbeveiliging aan te brengen, want virussen duiken altijd op wanneer dit het minste wordt verwacht. 14.8 De parameter "/KISSOFF" Daardoor wordt de TNC opgedragen, een eventueel ingeschakelde KISS- mode bij de start van GP, uit te schakelen. 15. Softscroll Een bijzonderheid van GP is de mogelijkheid de tekst-scrolling tussen "normaal" scrollen en "softscroll" om te schakelen. Softscroll bete- kent dat het gehele tekstbeeldscherm niet met e e n tekstregel, m.a.w. 8 resp. 16 grafische regels in e e n keer, maar 4 resp. 8 maal met telkens twee grafische regels naar boven wordt gescrolled. Daardoor ontstaat een minder springerig roleffect, die het meelezen van tekst, ook tijdens scrollen, mogelijk maakt. De softscrolling heeft echter een nadeel: het is langzaam en wel proportioneel met de grootte van de te scrollende beeldinhoud. Dit inleveren van de snelheid komt door de enorme aantallen gegevens, die bij een beeldscherm van 80x40 karakters (bij hoofdletters 80x20) in elk geval 102400 bytes be- draagt. Dat aantal geheugenplaatsen moet bij softscrolling 4 maal per regel verschoven worden, m.a.w. een softscroll van een regel moet bij kleine letters 409600 bytes, bij hoofdletters zelfs 819200 bytes verschuiven. Bij zulke aantallen gegevens helpt dan alleen nog de rekensnelheid van de computer, een 386'er is dan niet slecht. Desondanks komt het voor dat GP bij intensief Monitorverkeer het niet meer kan bijhouden en de TNC langzaam volloopt. Het is daarom aan te bevelen de softscroll alleen in combinatie met splitscreen te gebruiken, daar in dat geval de aparte vensters kleiner zijn en daardoor ook het aantal te scrollende gegevens afneemt. Helaas geeft het bij vele VGA-kaarten problemen, wanneer softscroll geactiveerd wordt, aangezien die hardwarematig geprogrammeerd werd en een 100% compatibiliteit met de VGA-standaard eist. Helaas is dat niet het geval met alle VGA-kaarten, speciaal Super-VGA-kaarten geven dikwijls problemen. Wanneer storingen optreden en de beeld- scherminhoud wordt gewist, dan kan men dit ook weer terugdraaien, door kort naar de DOS-Shell te gaan en met "EXIT" weer naar GP te- rugkeert. Terwijl het beeldscherm weer wordt opgebouwd moet men dan ALT-U intoetsen, om direct in het setup-menu te komen en de soft- scroll weer af te zetten. 16. Wat is de de HOST bij TNC2 U hebt zich wel eens afgevraagd, wanneer steeds weer van "Host-mode" wordt gesproken in verbinding met bepaalde terminalprogrammas. Wel, de Host-mode is een manier van functionneren van de TNC-2, waarbij het gegevensverkeer tussen computer en TNC op een speciale manier wordt afgewikkeld. Bij die manier van werken functionneert het ter- minalprogramma als "HOST" (gastheer) en de TNC als "Slave" (slaaf), wat inhoudt dat de TNC geen gegevens aan het terminalprogramma zendt, voordat deze daarvoor de opdracht heeft gegeven. Op die ma- nier wordt verzekerd dat de gegevens altijd op het juiste terminal aankomen. In de praktijk zendt het terminalprogramma altijd om beur- ten aan alle TNC-kanalen een afvraag, of het betreffende kanaal ge- gevens heeft of niet. Is dat het geval dan zendt de TNC de gegevens naar het terminalprogramma. Door die methode duurt het iets langer, voordat de ontvangen gegevens van een kanaal op het beeldscherm wor- den weergegeven, daar GP niet zelf herkennen kan op welk kanaal juist gegevens werden ontvangen en dus alle kanalen steeds moet af- vragen. Verder heeft GP ook nog andere dingen te doen, bijv. de tekstuitgave opzichzelf, die ook tijd in beslag neemt. Wanneer tij- dens de voortdurende gegevensuitwisseling een fout optreedt, wordt deze door GP direct herkend en geprobeerd de TNC weer in een gede- finieerde toestand te brengen. De gebruiker krijgt dit in een ven- ster te zien (synchronisatiefout). Helaas kan zo'n fout niet gecor- rigeerd worden, m.a.w. er kunnen belangrijke gegevens verloren gaan. De HOST-mode mag niet worden verwisseld met het AX.25-protocol. De TNC is een soort tussengeheugen die gegevens van de transceiver met het AX.25-protocol ontvangt, in een ander formaat omzet en tijdelijk opslaat, tot het terminalprogramma die gegevens opvraagt. Omgekeerd worden door de PC gegevens aan de TNC gezonden die eveneens tijde- lijk worden opgeslagen en in het AX.25-formaat worden omgezet. Op dingen zoals bijv. het aantal retries tot een gegevenspacket bij het tegenstation foutenvrij werd ontvangen, heeft het terminalpro- gramma geen invloed. Het kan alleen de TNC daarop afvragen en de door de TNC geleverde linkinformatie tonen, meer niet. De HOST-mode werd speciaal voor "intelligente" terminalprogrammas met multiconnect mogelijkheden gecreerd en is voor de "normale" ter- minalprogrammas ongeschikt. Helaas heeft niet iedere TNC-software deze HOST-mode ingevoerd, De TAPR-software bijv. heeft die mode niet. Alleen de WA8DEWD-software en The Firmware (NORD>