NETWERK OPERATING SYSTEEM Gebruikers Handleiding Phil Karn, KA9Q en Gerard van der Grinten, PA0GRI Vertaald door H.W.Dankmeijer, PE1ECN Deze handleiding heeft betrekking op de versie 911229 van NOS 2.01 vrijgegeven voor algemeen gebruik door PA0GRI 1. Het NOS.EXE programma Het MS-DOS bestand NOS.EXE (hierna Nos genoemd) heeft Internet (TCP/IP), NET/ROM en AX.25 mogelijkheden. Omdat het een intern multitasking opera- ting systeem heeft, kan Nos tegelijkertijd als een client, een server en een packet switch voor alle drie protocollen functionneren. Dat betekent, terwijl een lokale gebruiker toegang heeft tot tegenstations, kan het sys- teem ook dezelfde diensten verlenen voor tegenstations, terwijl ook IP, NET/ROM, en AX.25 packets en frames kunnen worden geschakeld tussen een andere client en server nodes. Het toetsenbord en monitor worden door de lokale operator gebruikt om de functies van host zowel als gateway te besturen, waarvoor een aantal op- drachten beschikbaar zijn. 1. Starten nos [-b] [-s <#sockets>] [-d ] [-v] [] Wanneer Nos wordt uitgevoerd zonder toevoegingen, zal het proberen het be- stand autoexec.nos te openen dat in de stam directory van de gebruikte drive staat. Wanneer dit aanwezig is, wordt het gelezen en uitgevoerd alsof de inhoud als opdrachten op het toetsenbord worden getypt. Deze mogelijk- heid is nuttig voor het verbinden van communicatie interfaces, configureren van netwerk adressen en het starten van diverse diensten. Vier opdracht regel opties kunnen worden toegepast: 1. -b De -b optie geeft het gebruik van BIOS aan voor de output van de van de console; default is om direct naar de video display buffer te schrijven. Gebruik deze optie als U werkt onder een grafische omgeving en problemen hebt dat de output door de top van andere vensters heen "schijnt". 1.1.2. -s De -s optie geeft de grootte van de verbindingen opstelling aan die moet worden toegewezen in Nos. Dat beperkt het aantal netwerk verbindingen die er tegelijkertijd mogen zijn; default is 40 1.1.3. -d Met de -d optie kan de gebruiker een "stam" directory opgeven voor de con- figuratie en spool bestanden; default is de stam directory van het systeem. 1.1.4. -v Met de -v optie kan de gebruiker het uitvoeren van de opdrachten volgen tijdens het opstarten van Nos. Het laat de opdrachten van de autoexec.nos zien, voor zij worden uitgevoerd. Dat is een nuttige hulp als Nos stopt (ophangt) gedurende de initialisatie. Na alle opdracht regel opties kan de naam van een alternatief opstart be- stand worden gespecificeerd. Dat bestand wordt dan geopend en gelezen in plaats van de autoexec.nos. 1.2 DOS Omgeving variabelen. De volgende DOS omgeving variabelen kunnen worden gebruikt om speciale dingen in NOS te specificeren. 1.2.1. TZ De TZ variabele moet op de lokale tijdzone worden ingesteld. Default is UTC. Dit wordt gebruikt voor het tijdstempel in SMTP. 1.2.2. MAILER De MAILER geeft het programma aan dat moet worden opgestart wanneer de mailer opdracht wordt gegeven. Default is BM.EXE. 1.2.3. COMSPEC De COMSPEC specificeert welk opdrachtbestand moet worden gebruikt wanneer Nos wordt verlaten. Dit wordt normaal ingesteld door MS-DOS naar COMMAND. COM. Default is ook COMMAND.COM. 1.2.4. TMP De TMP variabele wordt gebruikt om een plaats voor tijdelijke bestanden te creeren. Zonder dat de TMP wordt ingesteld, worden de tijdelijke bestanden in de stam directory ondergebracht. Een voorbeeld is "set TMP=C:\tmp\". 1.2.5. USER De USER variabele wordt gebruikt bij ftp en Rlogin om de gebruikersnaam in te stellen voor de rlogin op het tegenstation. Wanneer USER niet is inge- steld, is de default guest. Misschien vindt U dit maar niets, maar zo is het leven. Met ftp wordt de gebruiker deze naam geadviseerd bij de gebrui- kersnaam aanduiding. Wanneer alleen een CR wordt gegeven wordt de voorge- stelde naam gebruikt, anders de opgegeven naam. 2. Console modes De console kan in twee modes zijn: command mode en converse mode. In de command mode wordt de >net aanduiding getoond en de opdrachten zoals beschreven in het Opdrachten hoofdstuk kunnen worden ingetypt. In de converse mode wordt de toetsenbord input verwerkt volgens de lopende sessie. Sessies zijn er in veel soorten: Telnet, Ttylink, Rlogin, FTP, AX.25, Finger, Command, NETROM, Ping, More, Dial, Dir, PPP PAP, Hopcheck en Tip. In een Telnet, Ttylink, AX.25, NETROM, Rlogin, of Tip sessie, wordt de toetsenbord input direct naar het tegenstation gezonden en de output van het tegenstation wordt op de monitor getoond. In een FTP sessie, wordt de toetsenbord input eerst onderzocht of het een bekende lokale opdracht is; wanneer correct, wordt het lokaal uitgevoerd. Wanneer niet, wordt het "doorgegeven" aan de FTP server van het tegenstation. (Zie het FTP sub- opdrachten hoofdstuk). In een Ping sessie kan de gebruiker het pad naar een tegenstation testen, in een More sessie kan een gebruiker een lokaal bestand bekijken. Een Hopcheck sessie wordt gebruikt om het pad te volgen dat door de packets wordt gevolgd om de opgegeven bestemming te bereiken. Een Finger sessie wordt gebruikt om bij het tegenstation te kijken naar de gebruikers (en wat zij aan het doen zijn bij sommige uitgebreide reacties van UNIX systemen). PPP PAP wordt gebruikt voor een link setup tussen twee systemen, zoals slip. Het toetsenbord heeft twee verschillende modes. In de uitgebreide mode is de input telkens per regel; de gebruiker kan de regel editing karakters ^U, ^R, ^B, ^W gebruiken en backspace om de regel te verwijderen, de regel weer te laten zien, de rest van de vorige regel weer te laten zien, het laatste woord te verwijderen, het laatste karakter te verwijderen. Het toetsen van enter of line feed geeft de complete regel door naar de toe- passing. In de basis mode wordt ieder karakter direct aan de toepassing doorgegeven zoals het is getypt. Het toetsenbord is altijd in de uitgebreide mode in de command mode. Eveneens in de AX.25 converse mode, FTP of NET/ROM sessie. In een Telnet of Ttylink sessie hangt het ervan af of het tegenstation de Telnet WILL ECHO optie heeft gegeven (en het lokale station heeft geaccep- teerd). (Zie de echo opdracht). Op de IBM-PC, kan de gebruiker teruggaan naar de command mode met F10 of de escape toets. Op andere systemen moet de gebruiker het escape karakter intoetsen, dat als default is contrl-] (hex 1d, ASCII GS). (Dit is anders dan het ASCII karakter met dezelfde naam). Het escape karakter kan worden veranderd (zie de escape opdracht). De F10 toets kan anders worden gedefi- nieerd met de toets opdracht, dus de gebruiker wordt nu gewaarschuwd om een escape mogelijkheid voor hemzelf open te laten. Het instellen van bei- de F10 en escape naar onbereikbare codes maakt dat het system niet meer de command mode kan verlaten en de gebruiker blijft in een sessie hangen. In de IBM-PC versie heeft iedere sessie (inclusief de command "sessie") zijn eigen scherm. Wanneer een nieuwe sessie wordt gecreerd, wordt het command scherm in het geheugen opgeslagen en het scherm wordt schoonge- maakt. Wanneer de command escape toets (meestal F10 of ^] wordt gedrukt, wordt het huidige sessie scherm opgeslagen en het command scherm is her- steld. Wanneer een sessie weer wordt hervat, wordt het scherm weer terug- gebracht, precies zoals het was voordat het werd opgeslagen. Nos Fp ver- wacht dat de driver NANSY.SYS is geladen om het scherm en terminal emulatie routines te ondersteunen. ANSY.SYS heeft veel problemen en moet NIET worden gebruikt. Versie 2.4 van NANSY.SYS (nan 2.4hyc.zip op download systemen) moet gebruikt worden voor de beste resultaten. Gebruikers van DeskView kunnen ook DVANSY.SYS gebrui- ken, aangezien gerapporteerd is dat tab uitbreiding in orde is onder DV. 3. Opdrachten Dit hoofdstuk beschrijft de opdrachten die in de command mode worden her- kend, of in het opstart bestand, zoals autoexec.nos. De opdrachten worden gegeven in de volgende notatie: opdracht opdracht letterlijke_parameter opdracht subopdracht opdracht [] opdracht a | b Veel opdrachten accepteren subopdrachten of parameters, die optioneel kun- nen zijn, indien gewenst. In het algemeen, als een vereiste subopdracht of parameter is weggelaten, zal een foutenmelding de beschikbare subopdrachten of vereiste parameters vermelden. (Een ? in plaats van een subopdracht zal ook de mededeling genereren. Dit is nuttig wanneer het opdrachtwoord alleen is als een geldige opdracht). Wanneer een opdracht een optionele waarde parameter neemt, zal het geven van de opdracht zonder de parameter in het algemeen de momentele waarde van de variabele geven.(Uitzonderingen op deze regel zijn vermeld in de individuele opdracht beschrijvingen). Twee of meer parameters, gescheiden door verticale balkjes (|) geven een keuze aan tussen de vermelde waarden. Optionele parameters worden getoond tussen vierkante [haakjes] en een parameter tussen < > moet worden vervan- gen door de werkelijke waarde of karakterreeks. Bijvoorbeeld, de notatie geeft een actuele host of gateway aan, die op twee manieren kan worden gespecificeerd: als een numeriek IP adres in decimale notatie met punten (bijv. 44.0.0.1.), of als een symbolische naam die in het bestand domain.txt staat. Alle opdrachten en subopdrachten kunnen worden afgekort. U moet alleen zo- veel van de opdrachtnaam typen om het van andere opdrachten te onderschei- den die met dezelfde serie letters beginnen. Parameters moeten echter vol- uit getypt worden. Bepaalde FTP opdrachten (bijv. put, get, dir, etc.) worden alleen in de converse mode herkent met de desbetreffende FTP sessie; zij worden niet herkent in de command mode. (Zie het FTP Subopdrachten hoofdstuk). 3.1. Intoetsen van CR (lege regel) wanneer in de command mode, zet U in de converse mode met de betreffende sessie. Wanneer er geen sessie is, blijft Nos in de command mode en geeft de net> aanduiding. 3.2. ! Een andere aanduiding voor de shell opdracht 3.3. # Opdrachten die beginnen met een hekje (#) worden genegeerd. Dit is hoofd- zakelijk nuttig voor opmerkingen in het autoexec.nos bestand. 3.4. abort [] Verlaat de afloop van een FTP get, put, of dir bewerking. Wanneer gegeven zonder toevoeging, wordt de recente sessie onderbroken. (Deze opdracht werkt alleen bij FTP sessies). Wanneer een bestand ontvangen wordt, zal abort eenvoudig de gegevens terugzetten; het volgende binnenkomende gege- vens packet zal een TCP RST (reset) genereren, die de server van het tegen- station zal vrijmaken. Wanneer een bestand verzonden wordt, zendt abort een end-of-file (EOF). In beide gevallen zal abort een deel van het bestand op de bestemmings-com- puter achterlaten, dat handmatig moet worden verwijderd wanneer niet ge- wenst. 3.5. arp Toon de Address Resolution Protocol tabel die de IP adressen aangeeft met hun subnet (link) adressen op subnetwerken, die kunnen uitzenden. Voor ieder IP adres wordt het subnet type (bijv. Ethernet, AX.25), subnet adres en de vervaltijd, getoond. Wanneer het linkadres op het moment niet bekend is, wordt het aantal IP datagrammen die op afwerking wachten, getoond. 3.5.1 arp add ether | ax25 | netrom | arcnet | | Voegt een opgave aan de tabel toe. Het is niet aan tijd gebonden, zoals een automatisch gecreerde opgave, maar moet worden verwijderd met de arp drop opdracht. 3.5.2 arp drop ether | ax25 | netrom | arcnet Verwijder een permanente opgave uit de ARP tabel. 3.5.3 arp flush Zet alle automatisch gecreerde opgaven in de ARP tabel; permanente opgaven worden niet beinvloed. 3.5.4 arp publish ether | ax25 | netrom | arcnet | Deze opdracht is gelijk aan de arp add opdracht, maar het systeem zal ook reageren op ieder ARP verzoek dat het op het netwerk ziet, dat het speci- fieke adres zoekt. (Gebruik deze feature zeer voorzichtig.) 3.6. autoroute Toon of stel de IP autorouting optie in. Wanneer ingesteld, worden alle AX.25 packets geanalyseerd en onthouden. 3.7. asystat Weergave statistieken van aangesloten asynchrone interfaces (8250 of 16650A), wanneer aanwezig. De weergave voor iedere poort bestaat uit drie regels. De eerste regel geeft de poortnaam en configuratie benamingen; die geven aan of de poort een 16550A chip is, het trigger karakter, wanneer aanwezig, of de CTS controle is ingeschakeld, of RLSD (carrier detect) regel controle is ingeschakeld en de snelheid in bits per seconde. (ontvangst van het trigger karakter laat de driver aan de bovenste software laag signaleren dat gegevens gereed zijn; het wordt automatisch ingesteld op het juiste frame en karakter voor SLIP, PPP en NRS regels.) De tweede regel van de status weergave laat de ontvanger (RX) gebeurtenis- telling zien: het totale aantal van ontvangst interrupts, ontvangen karak- ters, ontvanger overloop (verloren karakters), en de ontvanger "hoog water markering". De hoog water markering is het maximum aantal karakters ooit gelezen gedurende een enkele interrupt. Dit is nuttig voor het bekijken van de latente systeem marges en het laat zien hoe dicht de poorthardware tot overloop is gekomen als gevolg van het onvermogen van de CPU om op een ont- vanger interrupt op tijd te reageren. 8250 chips hebben geen FIFO, dus de hoog water markering kan niet hoger gaan dan 2, voor overloop optreedt. De 16650A chip heeft echter een 16-byte ontvang FIFO die de software pro- grammeert om de CPU te onderbreken wanneer de FIFO een 1/4 vol is. De hoog water markering moet typisch 4 of 5 zijn, wanneer een 16550A wordt gebruikt; hogere waarden geven aan dat de CPU tenminste 1 maal te langzaam was om op de ontvanger interrupt te reageren. Wanneer de 16550A wordt gebruikt, wordt de telling van de FIFO vervaltijd ook weergegeven op de RX status regel. Die worden automatisch gegenereerd door de 16550A, wanneer drie karakters voorbijgaan met meer dan 0, maar minder dan 4 karakters in de FIFO. Aangezien de karakters die een SLIP of NRS frame maken normaal met volle regel snelheid worden gezonden, zal deze telling meestal een lagere begrenzing zijn op het aantal frames die uit de poort worden ontvangen, aangezien slechts het laatste deel van een frame in het algemeen resulteert in een vervaltijd (en alleen dan wanneer het frame niet een veelvoud is van 4 bytes lang). Tenslotte, de software fifo loopt over en hoog water markering wordt ge- toond. Dit geeft aan of de parameter in de attach opdracht moet worden bijgesteld. (zie het Attach Opdrachten hoofdstuk). De derde regel laat de zend (TX) statistieken zien, inclusief een totaal telling van de zend interrupts, gezonden karakters, de lengte van het zend- bestand in bytes, het aantal status interrupts en het aantal van THRE ver- valtijden. De status interrupt telling zal 0 zijn, tenzij CTS flow controle of RSD regel controle is ingeschakeld. De THRE vervaltijd is een nood maatregel om verloren zendinterrupts terug te halen, wat schijnt te gebeuren, als er veel activiteit is (ideaal moet dit 0 zijn). 3.8. attach ... Configureert en verbindt een hardware interface met het systeem. De details zijn zeer afhankelijk van de interface en afhankelijk van configuratie markeringen in het bestand config.h, wanneer de software is samengesteld. Het kan zijn dat niet alle drivers die hierna worden genoemd, in Uw Nos versie aanwezig zijn. Gedetailleerde instructies voor iedere driver staan in de Attach opdrachten. Drivers zijn beschikbaar voor de volgende hardware typen: 3.8.1 attach 3c500 Gebruik dit niet meer. Gebruik in plaats hiervan de packet driver. Deze driver is incourant en niet meer ondersteunt. 3.8.2 attach asy Standaard PC asynchrone interface (com poort) die de National 8250 of 16450 or 16550A chip gebruikt of een vergelijkbare vervanger. 3.8.3 attach axip Een "wormhole" digipeater apparaat. 3.8.4 attach arcnet Een ARCnet driver via de PACKET driver. 3.8.5 attach drsi N6TTO driver voor de DRSI PCPA 8530 kaart. 3.8.6 attach eagle WA3CVG/NG6Q driver voor de Eagle Computer kaart (Zilog 8530). 3.8.7 attach hapn KE3Z driver voor de Hamilton Amateur Packet Netwerk print (Intel 8273). 3.8.8 attach hs Speciale "hoge snelheid" 8530 driver voor het WA4DSY 56kb/s modem. 3.8.9 attach kiss Hiermede kan een multiplexed tnc type gebruikt worden als tweede kanaal. Het wordt gebruikt om een tweede poort aan te sluiten op een reeds aange- sloten asy interface. Het zal de meeste van de parameters van zijn hoofd- poort kopieren. 3.8.10 attach netrom Dit is een pseudo interface voor NET/ROM activiteiten. 3.8.11 attach packet Driver voor gebruik met aparte software "packet drivers", volgens de FTP Software Inc., Software Packet Driver specificatie. 3.8.12 attach pc100 Driver voor de PACCOMM PC-100 kaart (Zilog 8530). 3.8.13 attach pi Dma gestuurde 8530 ssc kaart van VE3IFB 3.8.14 attach scc PE1CHL driver voor 8350-serie kaarten 3.8.15 attach slfp Seriele bus protocol packet driver Een eenvoudige manier om een overzicht van de vereiste parameters te krij- gen is een verkorte attach opdracht te geven (bijv. attach packet). Dit geeft een overzicht van het complete opdracht formaat. 3.9. attended Toon of stel het algemene "ik ben aanwezig" herkenningsteken in, in Nos. Dat herkenningsteken wordt gebruikt in het welkomst hoofd bij binnenkomende ttylink verbindingen. 3.10. ax25 Deze opdrachten zijn voor AX.25 interfaces. 3.10.1 ax25 bc interface [on | off] De bc opdracht toont, of schakelt de uitzendingen in/uit via de interface, wanneer on | off wordt opgegeven. 3.10.2 ax25 bc interval [] De bcinterval toont, of stelt de tijd in, in seconden, tussen bc uitzen- dingen. Bij weergave worden zowel de interval als aftelwaarden getoond. 3.10.3 ax25 bckick De bckick opdracht geeft een directe uitzendopdracht aan de interface , wanneer ingeschakeld door een ax25 bc on opdracht. 3.10.4 ax25 bctext ["uitzendtext"] De bctext opdracht toont, of stelt de tekst in van uit te zenden berichten, iedere bcinterval seconden. 3.10.5 ax25 blimit [] Toon of stel de AX.25 heruitzending "backoff" limiet in. Normaal wordt iedere opeenvolgende AX.25 heruitzending vertraagd met twee maal de waarde van het vorige interval; dit wordt de binaire exponentiele backoff ge- noemd. Wanneer de backoff de blimit bereikt zal het die ingestelde waarde vasthouden, die vooringesteld 30 is. Om de mogelijkheid van een opstopping op een kanaal te voorkomen, moet de blimit tenminste zo hoog worden inge- steld als het aantal stations die het kanaal delen. Dit is alleen toepas- baar bij werkelijke AX.25 verbindingen; UI frames zullen nooit door de AX.25 laag worden heruitgezonden. 3.10.6 ax25 dest Zie ax25 hearddest opdracht. Dit is een verkorte versie daarvan. 3.10.7 ax25 digipeat [on|off] Toon of stel het digipeater inschakel herkenningsteken in. Wanneer de axip interface wordt gebruikt MOET dit herkenningsteken aan zijn, anders zal de digipeater functie niet werken. 3.10.8 ax25 filter <0|1|2|3|> De filter opdrachten schakelen het loggen in de gehoord (heard) lijsten van bron en doel ax25-adressen, in of uit. Dit is een bit-functie waar de waarde 01 voor bron-stations is en 02 de waarde voor doel-stations. Wan- neer het bit uit is, is de logging ingeschakeld, en uitgeschakeld wanneer het bit aan is. 3.10.9 ax25 flush Zie de AX.25 "heard" lijst (zie ax25 heard) 3.10.10 ax25 heard [] Laat de AX.25 "gehoorde stations" lijst zien. Voor iedere interface die is geconfigureerd om AX.25 te gebruiken, zal een lijst worden getoond met alle ax25-adressen die via die interface gehoord zijn, samen met een telling van het aantal packets die gehoord zijn van ieder station en het interval, in uu:mm:ss formaat, sinds ieder station voor het laatst werd gehoord. Het lokale station komt altijd eerst in de lijst; de packet telling geeft het werkelijke aantal gezonden packets aan. Wanneer interface wordt opgegeven, zal alleen de gehoorde lijst voor die interface worden getoond. Logging van gehoorde stations wordt ingesteld met de ax25 filter opdracht. 3.10.11 ax25 hearddest [] Toon de bestemmingslijst, dus de geadresseerde stations. Naast de tijd van de laatste uitzending naar dat station, wordt ook de tijd gegeven toen het station antwoordde (wanneer gehoord). Dit geeft een goede referentie om te zien of een station bereikbaar is en antwoordt. 3.10.12 ax25 irtt [] Toon of stel de initiele waarde in van de afgevlakte rondreis tijd, te gebruiken wanneer een nieuwe AX.25 verbinding wordt gecreeerd. De waarde is in milliseconden. De werkelijke rondreis tijd moet worden ervaren wanneer de verbinding eenmaal is gemaakt. 3.10.13 ax25 kick Forceer een heruitzending op het gespecificeerde AX.25 controle blok. Het controle blok adres kan worden gevonden met de ax25 status opdracht. 3.10.14 ax25 maxframe [] Bepaalt het maximum aantal frames dat onbeantwoord zullen blijven op een bepaald moment, voor nieuwe AX.25 verbindingen. Dit aantal kan niet groter zijn dan 7. Zonder count zal het de momentele instelling geven. De maximum uitstaande frames telling zal alleen werken bij virtuele verbindingen. UI frames worden niet beinvloedt. 3.10.15 ax25 mycall [] Toon of stel het vooringestelde lokale AX.25 adres in. Het standaard formaat wordt gebruikt (bijv. KA9Q-0 of WB6RQN-5). Deze opdracht moet wor- den gegeven voordat de attach opdrachten worden gegeven die de AX.25 mode gebruiken. 3.10.16 ax25 paclen [] Beperkt de grootte van de I-velden bij nieuwe AX.25 uitzendingen. Wanneer grotere IP datagrammen of fragmenten worden verzonden, zullen zij worden gefragmenteerd op het AX.25 niveau, gezonden als een serie I frames en weer samengevoegd tot een compleet IP datagram of fragment, aan het andere eind van de link. Om enig effect op IP datagrammen te hebben, moet deze parameter gelijk of kleiner zijn dan de MTU van de desbetreffende inter- face. 3.10.17 ax25 pthresh [] Toon of stel de onderzoek (polling) drempel in die gebruikt wordt voor nieuwe AX.25 Versie 2 verbindingen. De drempel controleert heruitzending gedrag als volgt. Wanneer de oudste, onbevestigde, I-frame grootte minder is dan de drempel, zal het worden gezonden met het zoek (P) bit ingesteld, wanneer een vervaltijd gebeurt. Als de oudste onbevestigde I-frame grootte gelijk of groter is dan de drem- pel, dan wordt een RR (Receiver Ready) of RNR (Receiver Not Ready) frame gezonden, zoals vereist, met het P bit ingesteld als een vervaltijd op- treedt. De gedachte achter de drempel is dat de extra tijd die nodig is om een "klein" I-frame te zenden, in plaats van een controle frame wanneer het zoeken na een vervaltijd klein is, en aangezien er een goede kans is dat het I-frame toch moet worden gezonden (bijv. als het voordien verloren was geraakt), dan kunt U het ook als de poll zenden. Maar als het I-frame groot is, zendt dan een controle (RR/RNR) poll in plaats, om eerst te bepalen of heruitzending van het oudste onbevestigde I-frame nodig is; de verval- tijd zou kunnen zijn veroorzaakt door een verloren bevestiging. Dit is dui- delijk een compromis, dus experimenteer met de drempel instelling. De voor- instelling is 128 bytes, de helft van de paclen voorinstelling. 3.10.18 ax25 reset Verwijder het AX.25 verbinding controle blok op het gespecificeerde adres. 3.10.19 ax25 retry [] Beperkt het aantal opeenvolgende onsuccesvolle uitzendpogingen voor nieuwe AX.25 verbindingen. Wanneer deze limiet wordt overschreden, zal getracht worden de link opnieuw te maken. Als dit retry maal niet gelukt, dan wordt de verbinding verlaten en alle gegevens in de wachtrij worden verwijderd. 3.10.20 ax25 route Toon de AX.25 route tabel die de digipeaters aangeeft die gebruikt moeten worden om een een bepaald station te bereiken. 3.10.20.1 ax25 route add [digis ...] Voeg een opgave toe aan de AX.25 routing tabel. Een automatische route add wordt uitgevoerd als digipeaters worden gespecificeerd in een AX.25 connect opdracht, of als een verbinding wordt ontvangen van een tegenstation via digipeaters. Zulke automatische routing tabel opgaven zullen echter de lokaal gecreerde opgaven niet overschrijven. 3.10.20.2 ax25 route drop Haal een opgave voor doel uit de AX.25 routing tabel 3.10.20.3 ax25 route mode [vc | datagram | interface] Stelt de mode in naar vc | datagram | interface voor target. Interface is de voorinstelling voor die interface. Vc is een denkbeeldig circuit (ax25 verbonden mode) en datagram is niet-verbonden mode, (AX.25 UI frames). 3.10.21 ax25 status [] Zonder toevoeging, geeft dit een enkele regel samenvatting van ieder AX.25 controle blok. Als het adres van een speciaal controle blok is gespecifi- ceerd, wordt de inhoud van dat controle blok in detail getoond. Onthoud dat de zendrij eenheden frames zijn, terwijl de ontvangrij eenheden bytes zijn. 3.10.22 ax25 t3 [] Toon of stel de AX.25 ongebruikt "levend houden" timer in. Waarde is in milliseconden. 3.10.23 ax25 t4 [] Toon of stel de AX.25 link "ongebruikt" timer in. Waarde is in seconden. Wanneer geen uitwisseling van gegevens heeft plaatsgevonden gedurende die tijd, wordt de link gereset en gesloten. 3.10.24 ax25 timertype [ l | e | o ] Toon of stel het type timer in, gebruikt voor heruitzending of herstel: lineair, exponentieel, origineel. 3.10.25 ax25 version [1 | 2] Toon of stel de versie in van het AX.25 protocol in een poging om voor nieuwe verbindingen te gebruiken. De voorinstelling is 1 (de versie dat niet de poll/laatste bits gebruikt) 3.10.26 ax25 window [] Stelt het aantal onafgewerkte bytes in een AX.25 wachtrij in, waarboven I-frames zullen worden beantwoord met een RNR (Receiver Not Ready). Dit geldt momenteel alleen voor uitgestelde interactieve AX.25 sessies, aangezien binnenkomende I-frames die netwerk packets bevatten (IP, NET/ROM) altijd direct worden afgewerkt en niet in de ontvangst wachtrij worden gezet.Wanneer echter een AX.25 verbinding beide, interactieve en netwerk verkeer packets bevat, wordt een RNR gegenereerd, want door de achterstand van het interactieve verkeer zal ook het netwerk packet verkeer niet worden uitgezonden. 3.11 bbs Binnenkomen op de lokale bbs poort (hetzelfde als een telnet sessie met Uw eigen station) Opdrachten zijn: help ? area a [] bye b connect c c [[ du escape e [] finger f [] help h [] info jheard kill k [] list l [] mbusers m nodes n operator o ports p read r [] send s [f] ] [$bul_id] semd repl sr [] telnet t upload u verbose v what w (directory) expert x zap z sysop @ 3.12 bootp Dit is een bootp server/client, in Nos opgenomen. Het is opgepikt van de Universiteit van Michigan in Ann Arbor. Het is opgenommen in de bronnen van Nos, maar is niet gebruikt of getest door mij (PA0GRI). Het gebruik is wat vaag maar de discussies in de tcp-groep hebben mij ertoe aangezet dit toe te voegen voor mogelijk gebruik van opnieuw te gebruiken adressen. 3.12.1 bootp start Start de bootp server. 3.12.2 bootp stop Stopt de bootp server. 3.12.3. bootp dnss [] Toon of stel de lijst van domain namen servers in voor bootp. 3.12.4 bootp dyip [ | | off] Toon of stel het interface adres bereik in. Het bereik is tussen ipadr1 en ipadr2, beide in notatie met punten. 3.12.5 bootp host [ [bootbestand]] Toon of activeer een bootp proces. Hardware type is netrom, ether, mac- appletalk of ax25. Hardware adres is de interface naam. Ip adres moet in de notatie met punten zijn. 3.12.6 bootp rmhost Verwijder ipadres van de host tabel 3.12.7 bootp homedir [] | default] Toon of stel de directory in van de bootp bestanden. De default directory is bpfiles. 3.12.8 bootp defaultfiles [ | default] Toon of stel de naam in van het bootp bestand. Default is boot. 3.12.9. bootp logfile [ | default] [on | off] Start of stopt het loggen van bootp verzoeken naar bestandsnaam of de default bestandsnaam bootlog. 3.12.10 bootp logscreen [on | off] Schakelt het loggen van bootp naar het scherm in of uit. 3.13 Bootp Dit start de server voor bootp. 3.14 cd Verander de momentele werkdirectory en geef de nieuwe instelling weer. Zonder toevoeging geeft cd eenvoudig de huidige directory, zonder veran- dering. De pwd opdracht is een andere naam voor cd. 3.15 close [] Sluit de betreffende sessie; zonder toevoeging, sluit de momentele sessie. Bij een AX.25 sessie zal deze opdracht een disconnect initieren. Bij een FTP of Telnet sessie, zendt deze opdracht een FIN (dus initieert een af- sluiting) van de sessie's TCP verbinding. Dit is een alternatief voor het vragen aan de server van het tegenstation om een close te initieren (QUIT bij FTP, of de logout opdracht geschikt voor het systeem van het tegensta- tion, in het geval van Telnet). Wanneer zowel FTP als Telnet de binnenko- mende helft van een TCP verbinding ziet sluiten, antwoordt het automatisch met het sluiten van de uitgaande helft van de verbinding. Close is beleef- der dan de reset opdracht, in dat geval laat het de TCP van het tegensta- tion in een "half-open" situatie. 3.16 cls Maakt het scherm van de huidige sessie schoon (opdracht scherm) 3.17 comm De comm opdracht zendt een tekst-karakterreeks via de interface. Dit kan worden gebruikt om tekst rechtstreeks naar een tnc te zenden die nog in de TAPR opdracht mode is, tijdens opstarten van Nos. Voor het vasthouden van spaties, tabs, etc., zet de reeks tussen aanhalingstekens. (bijv. comm ax1 "start kiss"). 3.18 connect [ De bestandsnaam wordt uit het bestandsysteem verwijderd. 3.20 detach Ontkoppelen van een attached interface van het systeem. Alle IP route tabel opgaven, die op deze interface betrekking hebben, worden verwijderd, en verzendverwijzingen door een andere interface naar deze interface, worden verwijderd. 3.21 dialer [ [ [ []]]] Instellen van een automatische inbel sessie voor de interface. Wanneer de interface voor het interval in vrij is, zal de automatische inbeller de gaan "pingen". Wanneer er geen reactie is na pogingen, zal de automatische inbeller de speciale opdrachten uitvoeren die in het staan. Wanneer het interval in nul is, zal een voorgaand inbel opdracht proces worden verwijderd. Wanneer het aantal nul is, zal het worden uitgevoerd, zonder de te pingen. Het bestand kan iedere geldige naam hebben en moet in de configuratie stam directory staan. (zie het installatie hoofdstuk). De opdrachten in het be- stand worden beschreven in het Dialer Subopdrachten hoofdstuk. Opdrachten in het bestand zijn: 3.21.1 control 3.21.2 send [] Zendt een reeks naar de interface. Wanneer is opgegeven, is de tijd tussen de karakters in milliseconden. 3.21.3 speed Toon of stel de momentele interface snelheid in, in bps baud. 3.21.4 status 3.21.5 wait [ [snelheid>]] Wacht het aantal milliseconden. Wanneer de reeks is opgegeven, worden binnenkomende karakters van de interface met de reeks vergeleken. Wanneer een overeenkomst is gevonden en snelheid is de reeks snelheid, zijn de volgende getallen die van de interface worden gelezen, de nieuwe baudrate die wordt gebruikt. Dit werkt zoals de HAYES reactie CONNECT 9600. De wait opdracht zou kunnen zijn geweest, "wait 10000 CONNECT 9600". Dit wacht 10 seconden voor de CONNECT reactie van het modem. 3.22 dir [] Geeft een lijst van de inhoud van de opgegeven directory op de monitor. Wanneer geen toevoeging is gegeven, wordt de momentele directory getoond. Deze opdracht werkt door eerst de directory in een tijdelijk bestand te zetten en dan een more sessie te creeren om het op het scherm te zetten. Daarna wordt het tijdelijke bestand verwijderd. 3.23 disconnect [] Een andere naam voor de close opdracht (voor het gemak van AX.25 gebrui- kers). 3.24 domain De domain opdracht controleert en laat de werking zien van de naam naar internet adres indeling software. NOS heeft momenteel alleen een eenvoudige lokale bestandslezer server. Een echte server is nodig om de gemeenschap van dienst te zijn voor de groeiende behoeften. 3.24.1 domain addserver Voeg een domain server toe aan de lijst van namen servers. Wanneer deze opdracht wordt gegeven in het autoexec.nos bestand, moet de ip adres op- dracht worden gegeven, voordat deze opdracht wordt gebruikt. (Wanneer niet, zal Nos niet weten hoe het adres te verwerken en een antwoord zal nooit worden herkend, of erger: het systeem zal zich ophangen). 3.24.2 domain cache De volgende opdrachten werken op de domain cache. Dat zijn hulp gegevens (zie RFC 1033/1034) die in het geheugen staan. 3.24.2.1 domain cache clean [] Toon of stel de afgedankte of verlopen hulp gegevens in. Verlopen gegevens hebben hun vervaltijd waarde verlaagd naar nul. Normaal krijgen hulp gegevens een vaste vervaltijd waarde mee van 1800 seconden. Na deze tijd worden zij verondersteld "oud" te zijn en wanneer zij opnieuw worden ver- wezen, moet de domain namen verwerker opnieuw opgevraagd worden. Wanneer clean uit is (de default), zullen verlopen gegevens worden vastge- houden; als geen vervanger van een andere domain namen server kan worden verkregen, zullen deze gegevens verder worden gebruikt. Wanneer clean aan is, zullen verlopen gegevens van het bestand worden ver- wijderd wanneer nieuwe gegevens aan het bestand worden toegevoegd. 3.24.2.2 domain cache list Deze opdracht laat de momentele inhoud zien van de geheugen cache voor hulp gegevens. 3.24.2.3 domain cache size [] Toon of stel de nominale maximum grootte in van de lokale geheugen cache. Default is 20. (De cache kan tijdelijk groter zijn wanneer gewacht wordt om nieuwe gege- vens in het domain.txt bestand te schrijven). 3.24.2.4 domain cache wait [] Toon of stel het interval in seconden in voor het wachten van additionele activiteiten, alvorens het domain.txt bestand bij te werken. Default is 300 seconden (5 minuten). 3.24.3 domain dropserver Verwijder een domain namen server van de lijst van namen servers. U wordt gewaarschuwd wanneer U de laatste namen server verwijderd. 3.24.4 domain listservers Geeft een lijst van de momenteel geconfigureerde domain namen servers, met de statistieken van hoe veel vragen en antwoorden met iedere server zijn uitgewisseld, reactie tijden, enz. 3.24.5 domain maxwait [] Dit stelt de tijdwaarde in (1 tot 255 seconden) voor een vraag of domain naam server. Deze wordt niet ingesteld voor een reeds gedefinieerde server, maar zal worden gebruikt voor een nieuw gedefinieerde server. Ook wordt de waarde gebruikt voor opzoeken van domains. Namen servers kunnen moeilijk- heden hebben (afhankelijk van PC) in het vinden van gegevens in de data- base. De default is ingesteld op 30 seconden. 3.24.6 domain retry [] Het aantal pogingen (getal) beperkt het aantal van vragen die gezonden worden naar de domain namen servers, alvorens op te geven en U te infor- meren dat host xyzzy.ampr.org niet bestaat. De totale verloren tijd met een vraag is aantal pogingen * verlopen tijd * aantal van gedefinieerde servers. 3.24.7 domain suffix [ | none] Toon of stel de default domain naam suffix in die moet worden toegevoegd aan een hostnaam, wanneer het geen punten bevat. Bijvoorbeeld, wanneer de suffix is ingesteld op ampr.org en de gebruiker geeft op telnet ka9q, dan zal de server proberen ka9q.ampr.org te vinden. Wanneer de hostnaam die gezocht wordt een of meer punten bevat, wordt echter de suffix NIET toe- gepast wanneer het laatste deel van de naam minder dan 5 karakters is en alleen uit letters bestaat: bijv. telnet foo bar wordt NIET omgezet in foo bar.ampr.org., maar telnet foo.ka9qo wordt WEL omgezet in foo.ka9q. ampr.org. Opgelet, een punt (.) voor de suffix is vereist. Als de suffix geen karakterreeks is (zonder punt vooraf), wordt de momentele suffix ver- wijderd en vergeten. 3.24.8 domain trace [on | off] Toon of stel het herkenningsteken in die de verzoeken en antwoorden aan- geeft. Het volgen van berichten kan alleen worden gezien als een domain naam wordt gezocht en niet wordt gevonden in het lokale opslag bestand, domain.txt 3.24.9 domain translate [off | on] Toon of stel of stel het herkenningsteken in dat de vertaling controleert van het ip adres als punt notatie, in symbolische namen. Het vertaal proces maakt veel gebruik van het omgekeerd opzoeken van domain namen. Stel het herkenningsteken niet in tenzij U een goede en snelle verbinding hebt met een domain server of een snelle domain.txt behandeling en de domain.txt bevat alle IN-ADDR.ARPA. gegevens die U ooit zult nodig hebben. 3.24.10 domain verbose [off | on] Toon of stel het herkenningsteken in dat het terugkeren bestuurt van een complete naam (geldig) of alleen de eerste naam (punt afbakening)(ongeldig). Dit is alleen voor vertaling van IP adres naar naam. 3.24.11 domain xyzzy Dit is een toverwoord (wanneer compleet gespeld) om domain verzoeken moge- lijk maken naar externe servers, wanneer opdrachten van het opstartbestand worden gelezen. Dit moet alleen worden gebruikt door diegenen die een betrouwbare toegang naar een domain server hebben. 3.25 dristat Toont de statistieken voor alle geconfigureerde drsi kaarten. 3.26 dump ?? (in origineel niet compleet opgegeven, PE1ECN) 3.27 echo [accept | refuse] Toon of stel het herkenninsteken in die Telnet's reactie bestuurt op een WILL ECHO aanbod. Het Telnet presentatie protocol specificeert dat bij afwezigheid van een afgesproken overeenkomst of het tegendeel, geen van de partijen de gegevens weergeeft die van de ander worden ontvangen. In deze mode geeft een Telnet sessie de toetsenbord input lokaal weer, maar wordt niets verzonden, totdat de carriage return wordt gegeven. Lokale regel editing wordt ook uitge- voerd: backspace verwijdert het laatst getypte karakter, terwijl control-U de gehele regel verwijdert. Wanneer van toetsenbord tot toetsenbord wordt gecommuniceerd, wordt de standaard lokale echo mode gebruikt, zodat de instelling van deze parameter geen effect heeft. Veel timesharing systemen echter (bijv. UNIX), geven er de voorkeur aan hun eigen echoing te doen van ingetypte karakters. (Dat maakt dat onder meer scherm editors goed functionneren). Zulke sys- tem zenden een Telnet WILL ECHO verzoek, direct na ontvangst van een inko- mend Telnet connect verzoek. Wanneer echo acceptatie in werking is, zal een Telnet client automatisch een DO ECHO antwoord terugsturen. In deze mode is lokale echoing en editing uitgeschakeld en iedere toetsenbord aanslag wordt direct verzonden. (afhankelijk van de Nagle algoritme in TCP). Ter- wijl deze mode prima werkt via Ethernet, is het duidelijk inefficient en geeft problemen op langzame paden zoals packet radio kanalen. Specificeren van een echo weigering, zal er toe leiden dat een WILL ECHO wordt beant- woord met een DONT ECHO; de client Telnet sessie zal dan in de lokale echo mode blijven. Sessies die al in de verre echo mode zijn, worden niet bein- vloed. (Opm. Berkeley Unix heeft een bug, waardoor het een echo input zal blijven geven, ook als de client de WILL ECHO heeft geweigerd. Om aan dit probleem voorbij te gaan, geef de sty-echo opdracht naar de shell wanneer is ingelogd. 3.28 eol [unix | standard] Toon of stel Telnet's eind van de regel gedrag in, wanneer in de verre echo mode. In de standaard mode wordt iedere toetsaanslag ongewijzigd gezonden. In de unix mode, worden carriage returns omgezet in line feeds. Die op- dracht is niet nodig bij alle UNIX systemen; gebruik het alleen wanneer U merkt dat een bepaald systeem reageert op line feeds, maar niet op carriage returns. Alleen SunOs versie 3.2 schijnt dit gedrag te hebben, in latere versies is dit opgelost. 3.29 escape [] Toon of stel het momentele command-mode escape karakter, in hexadecimaal in. Op de PC is het default escape karakter ^]. De alternatieve escape toets is F10 tenzij F10 reeds is gedefineerd met fkey. 3.30 etherstat Toon 3-Com Ethernet controller statistieken (wanneer geconfigureerd). 3.31 exit Verlaat het nos programma en keer terug naar MS-DOS. 3.32 finger |@hostid> Geef een netwerk finger verzoek voor gebruikers van hostid. Dit creert een client sessie die kan worden onderbroken, hervat, gereset enz., zoals een Telnet client sessie. Wanneer alleen @hostid wordt gegeven, worden alle gebruikers van die host geidentificeerd. 3.33 fkey [ [>] Fkey toont of stelt waarden in voor de programmeerbare toetsen op het PC toetsenbord. Fkey alleen, toont alle programmeerbare toetsen en hun nummer. Fkey nummer geeft de momentele waarde van die toets. Fkey nummer reeks, wijst de reeks toe aan die toets. Control karakters kunnen worden gecreerd door ze te laten voorafgaan door een ^ karakter. Een CR is ^M. Om een ^ aan de reeks toe te voegen , zijn twee ^^ nodig. Sf1 is Shift functie toets 1. Cf1 is Control functie toets 1. Af1 is Alt functie toets 1. De meest rechtse kolom is het numerieke toetsenbord. Toets Nummer Toets Nummer Toets Nummer Toets Nummer Toets Nummer f1 59 sf1 84 cf1 94 af1 104 pgup 73 f2 60 sf2 85 cf2 95 af2 105 pgdn 81 f3 61 sf3 86 cf3 96 af3 106 home 71 f4 62 sf4 87 cf4 97 af4 107 end 79 f5 63 sf5 88 cf5 98 af5 108 arup 72 f6 64 sf6 89 cf6 99 af6 109 ardn 80 f7 65 sf7 90 cf7 100 af7 110 ar l 75 f8 66 sf8 91 cf8 101 af8 111 ar r 77 f9 67 sf9 92 cf9 102 af9 112 ins 82 f10 68 sf10 93 cf10 103 af10 113 del 83 De toewijzing van de toetsen is gedaan zodat het lijkt op een vt100 /ansi toetsenbord. Momenteel toegewezen karakterreeks waarden voor de volgende toetsen: Getal Reeks Toets 59 " 330P" /* F1 */ 60 " 330Q" /* F2 */ 61 " 330R" /* F3 */ 62 " 330S" /* F4 */ 71 " 10" /* home*/ 72 " 33[A" /* up arrow*/ 73 " 25" /* pgup */ 75 " 33[D" /* left arrow */ 77 " 33[C" /* right arrow */ 79 " 05" /* end */ 80 " 33[B" /* down arrow */ 81 " 12" /* pgdn */ 82 " 01" /* ins */ 83 " 177" /* del */ 3.34 ftp Open een FTP kanaal naar de gespecificeerde verre host en ga naar de con- verse mode op de nieuwe sessie. Antwoorden van de verre host worden direct op het scherm weergegeven. Zie het subopdrachten hoofdstuk voor beschrij- vingen van de beschikbare opdrachten in een FTP sessie. 3.35 ftype [ascii | binary | image | logical ] Deze opdracht toont of stelt de opstart bestandsmode in (binair of ascii) voor ftp overdrachten. Wanneer ftype binary of image wordt opgegeven, zal de volgende ftp sessie in de binaire soort worden gestart. Geen binaire opdracht is nodig als de sessie eenmaal is gestart. In het geval van "logical", moet de "woord" grootte ingesteld worden met grootte. 3.36 help Geef een kort overzicht van de meest belangrijke opdrachten. 3.37 hop Deze opdrachten worden gebruikt om de aansluitingen van het netwerk te testen. 3.37.1 hop check Start een hop check sessie naar de gespecificeerde host. Dit gebruikt een serie van UDP "proef" packets met toenemende IP TTL velden om de volgorde van gateways in het pad naar de gespecificeerde eindbestemming te bepalen. Deze functie is gevormd volgens de UNIX traceroute faciliteit. Het volgen van ICMP berichten moet worden uitgeschakeld, voordat deze op- dracht wordt uitgevoerd (zie de icmtp trace opdracht). 3.37.2 hop maxttl [] Toon of stel de maximum TTL waarde in die moet worden gebruikt in hop check sessies. Dit begrenst effectief het zoekbereik. 3.37.3 hop maxwait [] Toon of stel, in seconden, de tijd in die een hopcheck sessie moet wachten op reacties, bij iedere stap van het zoeken. Default is 5 seconden. 3.37.4 hop queries [] Toon of stel het aantal UDP peilingen in die zullen worden gezonden bij iedere stap van het zoekproces. Default is 3. 3.37.5 hop trace [] Toon of stel het merkteken in dat de weergave van additionele informatie bestuurt gedurende een hop check sessie. 3.38 hostname [] Toon of stel de naam van de lokale host in. Volgens afspraak moet dit het- zelfde zijn als de primaire domain naam van de host. Deze reeks wordt al- leen gebruikt in welkomst teksten van de verschillende netwerk servers. Dit stelt NIET het systeem IP adres in. Wanneer hetzelfde is als een (zie het attach opdrachten hoofdstuk), zal deze opdracht gaan zoeken naar een CNAME domain bron record die overeenkomt met het IP adres van de . 3.39 hs Geeft statistieken van de HS hoge snelheid HDLC driver (wanneer op actief is ingesteld). 3.40 icmp Deze opdrachten worden gebruikt voor de Internet Control Protocol Message service. 3.40.1 icmp echo [on | off] Toon of stel het herkenningsteken in voor het controleren van de asynchrone weergave van ICMP Echo Antwoord packets. Dat herkenningsteken moet aan zijn voor een enkele ping, om te kunnen werken. (zie de ping opdracht). 3.40.2 icmp status Geeft statistieken van het Internet Control Message Protocol (ICMP), in- clusief het aantal ICMP berichten van ieder type dat werd verzonden of ontvangen. 3.40.3 icmp trace [on | off] Toon of stel het herkenningsteken in dat de weergave van de ICMP fouten meldingen controleert. Die informatieve berichten worden gegenereerd door Internet routers, als reactie op problemen betreffende routing, protocol of opstoppingen. Die optie moet worden uitgeschakeld alvorens de hopcheck faciliteit te gebruiken, want het gaat af op ICMP tijdverstreken berichten en de asynchrone weergave van die berichten worden vermengd met de hop check opdracht output. 3.41 ifconfig Geef een lijst van interfaces, met een korte status voor iedere interface. 3.41.1 ifconfig [[[ param>] ] .... ] Wanneer alleen ifconfig wordt gegeven, zal een uitgebreide interface status worden getoond. Meerdere subopdrachten/parameters kunnen in een regel wor- den gezet. 3.41.2 ifconfig broadcast Stel het verzendadres in van interface naar addr. Addr kan een ax25 adres zijn of een ether addr, afhankelijk van het type interface, met 1'en in het host gedeelte van het adres. Dit is verwant aan de nettmask subop- dracht en ook de arp opdracht. 3.41.3 ifconfig description ["omschrijving"] Deze opdracht stelt de interface omschrijving in naar de gespecificeerde reeks. Als geen reeks is gegeven, wordt de momentele omschrijving verwij- derd. De omschrijving wordt getoond met de ifconfig iface opdracht (geen paramaters) en met de mailbox opdrachten. 3.41.4 ifconfig encapsulation Stelt de omzetting in voor iface naar slip / ax25 / ether / encap / ppp. 3.41.5 ifconfig forward Wanneer een forward is gedefinieerd, wordt alle output voor interface iface doorgezonden naar de interface gericht door iface-2. Om forward te verwijderen, zet op . 3.41.6 ifconfig ipaddress Stel het IP adres in op addr voor deze interface. Dit kan nodig zijn wan- neer een systeem functionneert als een gateway. Zoals een systeem met IP adres 44.137.1.8. toegang heeft tot Internet via zijn ethernet. Het Inter- net adres kan zijn 129.179.122.10. Een iconfig ec0 ipadres 129.179.12.10 stelt het juiste adres in voor die interface. Nu kan de routing naar dat systeem werken. (N.B. Het 44.x.x.x. adres is NIET met het Internet verbon- den). Zie ook de host naam en ip adres opdrachten. 3.41.7 ifconfig linkaddress Stel het hardware afhankelijke adres in voor deze interface. Voor AX.25 kan dit de roepnaam zijn, voor ethernet een nieuw ethernet adres. 3.41.8 ifconfig mtu Stel de maximum overdracht eenheid in voor param (bytes). Zie de instelling MTU, MSS en Venster hoofdstuk, voor meer informatie. 3.41.9 ifconfig netmask (adres> Stel het sub-net mask in voor deze interface. Het neemt de vorm aan van een IP adres met 1'en in de netwerk en subnetwerk delen van het adres, en nullen in het host gedeelte van het adres. Voorbeeld: ifconfig ec0 netmask 0xffffff00 voor klasse C netwerk (24 bits). Dit is verwant aan de zend subopdracht. Zie ook de route opdracht. 3.41.10 ifconfig rxbuf Stel de grootte van de ontvangstbuffer in. 3.42 info Geeft informatie over de Nos versie die momenteel loopt en zijn configu- ratie. De configuratie info is opgebouwd met omschrijvingen in config.h in de bron distributie. Op die manier geeft het automatisch de juiste configuratie informatie. 3.43 ip Deze opdrachten worden gebruikt voor de Internet Protocol Service. 3.43.1 ip access [/ [lowport[highport]] Toon of stel toegangscontrole in voor IP routing functies. Deze opdracht voert router toegang functies uit naar Nos Fp. Permit maakt het mogelijk dest-addr packets te zenden via ifname. Deny schakelt deze uit. Wanneer lowport niet opgegeven wordt, worden alle poorten verondersteld. Wanneer alleen lowport wordt opgegeven, wordt alleen die poort op toegangscontrole gecontroleerd. Wanneer lowport en highport opgegeven worden, dat is dat het bereik van de poorten toegestaan/geweigerd. Dest-addr kan het woord zijn voor alle mogelijke adressen. Lowport kan het woord none zijn voor alle poorten. De ip access delete moet overeenkomen met een voordien gedefi- nieerde toestemming of weigering om deze definitie monsters te verwijderen. ip access permit 44/8 ax0 ip access deny all ax0 1 1023 ip access permit all ax0 . Wanneer geen toegangslijst is gemaakt, kunnen alle interfaces deze typen hebben. Wanneer een toegangscontrole is gedefinieerd voor een interface, moet er een toestemming zijn gedefinieerd voor die interface, om verkeer toe te staan. Een gedeeltelijke weigering zonder een toestemming, is dus een complete weigering. 3.43.2 ip address [] Toon of stel het default lokale IP adres in. Deze opdracht moet worden gegeven v o o r een attach opdracht, wanneer het moet worden gebruikt als het default IP adres voor die interface. 3.43.3 ip rtimer [] Toon of stel de vervaltijd in voor het opnieuw samenstellen van het IP. Default is 30 seconden. De waarde is in seconden. 3.43.4 ip status Geeft Internet Protocol (IP) statistieken, zoals een totale packets telling en diverse soorten fouten tellers. 3.43.5 ipo ttl [] Toon of stel de default overlevingstijd waarde in, in ieder uitgaand data- gram. Dit beperkt het aantal schakelstappen dat het datagram mag maken. De bedoeling is om de overlevingstijd van het packet te beperken, wanneer het in een routing loop zou raken, dus maak de waarde iets groter dan het aantal stappen over het netwerk die de packets verwacht worden te maken. De default is ingesteld op verzameltijd volgens de officieel aanbevolen waarde voor het Internet. 3.44 isat [on | off] Toon of stel het AT herkennigsteken in. Normaal wordt dit herkenningsteken ingesteld wanneer een interface is verbonden met een interrupt van 8 of hoger. Dit is om te signaleren dat de tweede interrupt controller in een AT ook een antwoord van het interrupt signaal nodig heeft. Wanneer een AT type klok in gebruik is, zal deze opdracht in staat zijn de tijd in milli- seconden te meten, in plaats van de klok tikken (55 milliseconden per klok tik). Tijdens de I/O initialisatie is dit herkenningsteken ingesteld, als de monitor prom de standaard byte 0xfc heeft op adres f000:fffe. 3.45 kick [] Geef een "schop" tegen de betreffende sessie; wanneer geen toevoeging is gegeven, geef een schop tegen de momentele sessie. Het vervult dezelfde functie als de ax25 kick en tcp kick opdrachten, maar is gemakkelijker te typen. 3.46 lock [password <"wachtwoord-karakterreeks">] Blokkeert het toetsenbord of definieert een wachtwoord reeks. Wanneer wachtwoord wordt opgegeven, dan wordt <"wachtwoord-reeks"> opgeslagen als de deblokkeer-reeks. Wanneer geen parameters worden opgegeven, blijft het toetsenbord geblokkeerd wanneer een wachtwoord eerder was gespecificeerd. Wanneer het toetsenbord geblokkeerd is, is een wachtwoord vereist. Als het juiste wachtwoord wordt opgegeven, wordt het toetsenbord gedeblokkeerd. De instelling van het wachtwoord en het blokkeren kan alleen gedaan worden door het systeem toetsenbord of autoexec.nos. Het wachtwoord kan niet gezien worden. 3.47 log [stop | bestandsnaam] Toon de momentele log bestandsnaam of stel de bestandsnaam in voor logging server sessies. Wanneer stop is opgegeven, wordt logging beeindigd (de servers zelf worden niet beinvloed). Wanneer een bestandsnaam is opgegeven, zullen de server log gegevens aan het bestand worden toegevoegd. 3.48 lzw [] Lzw is de gegevens compressie mogelijkheid op sommige poorten. Deze groep opdrachten definieert of verandert hun definitie. Laat deze groep normaal op default staan. 3.48.1 lzw mode Toon of stel de compressie methode in, gebruikt voor gegevens compressie voor bepaalde poorten. Momenteel kan SMTP compressie gebruiken. 3.48.2 lzw bits Toon of stel het aantal bits in, gebruikt voor de gegevens compressie grootte. Hoe meer bits worden opgegeven, des te groter wordt de tabel ruimte die nodig is. Bereik is 9 tot 16. 3.49 mail Deze opdracht zal een shell escape opdracht starten. De gebruikte mailer wordt gedefinieerd met de DOS omgevings variabele MAILER, default is BM.EXE. 3.50 mbox [] Toont de status van het mailbox server systeem (wanneer geconfigureerd). 3.50.1 mbox attend [yes | no] Toont of stelt het aanwezigheids-herkenningsteken in. Dit wordt gebruikt om in de mail box aan te geven dat de stationsmanager bereid is op zijn sta- tion aanwezig te zijn (chat). 3.50.2 mbox expert Toont of stelt het niveau in dat van de mailbox gebruiker wordt verwacht. Wanneer ingesteld, krijgt hij/zij een verkorte aanduiding ( > ). Wanneer niet ingesteld, wordt een lange aanduiding gezonden met de eerste letter van iedere mailbox opdracht als aanduiding. De gebruiker kan dan de Xpert mode instellen om de korte aanduiding te krijgen. 3.50.3 mbox fwdinfo ["gezonden info"] Toont of stelt de mailbox info in die moet worden toegevoegd in de R:re- gel voor BBS bulletins. Een lege karakterreeks ("") als info maakt het info veld schoon. Voorbeeld: netrom fwdinfo "HNLNET BBS" ziet er uit in de R:regel als: '[HNLNET BBS]' 3.50.4 mbox haddress ["huisadres"] Toont of stelt het huisadres in dat in de R:regel moet worden toegevoegd, voor BBS bulletins. Een lege karakterreeks ("") maakt het veld schoon. Voorbeeld: netrom haddress "#CRV.OR.USA" zal in de R:regel laten zien : '@WG7J#CRV.OR.USA'. (wanneer ax mycall is WG7J). 3.50.5 mbox jumpstart Toont of stelt de mailbox jumpstart code in. Wanneer ingesteld en een "be- kende" node connects met de mailbox, hoeft geen extra regel te worden ge- zonden om de mailbox te activeren, maar de aanduiding wordt direct gezonden. Waarschuwing: Wanneer ingesteld, neemt het enige tijd om alle nodes te ho- ren en een AX.25 connect kan een verkeerde start hebben omdat er niet wordt gewacht voor een protocol niveau 3 controle. Speciaal RSPF in virtuele mode, kan serieuze problemen geven. 3.50.6 mbox kick Om de mailbox terug in activiteit te schoppen, na de retry vervaltijd. 3.50.7 mbox maxmsg Om het maximum aantal berichten te tonen of in te stellen per gebied, wan- neer een notitiebestand aan de gebruiker wordt getoond. Dit reserveert veel geheugen voor iedere mailbox sessie. 3.50.8 mbox motd ["mededeling reeks"] Toon of stel de mailbox welkomst mededeling voor de dag in 3.50.9 mbox nrid Toont of stelt het Netrom id herkenningsteken in. Wanneer ingesteld, wordt de node id op de aanduiding regel weergegeven. 3.50.10 mbox operator [] De operator opdracht toont of stelt een alternatief adres in voor de con- trole operator. Wanneer ingesteld en mbox attend is off, of wanneer de ge- bruiker naar de shell is gegaan en een mbox gebruiker vraagt een Operator opdracht, wordt de ttylink sessie gedirigireerd naar het opgegeven adres. Anders zal het als tevoren werken, dat de mbox gebruiker wordt geinfor- meerd met "Unattended" (niet aanwezig). Wanneer het systeem dat naar het adres verwijst, ook zijn attended heeft uitgeschakeld, dan zal een Unatten- ded ook beantwoord worden (maar gegenereerd door het verre station). Dit is een wat "zweverige" manier om een bemand systeem onbemand te hebben. 3.50.11 mbox password <"wachtwoord"> Stelt een wachtwoord karakterreeks reeks in die aan Sysops wordt aangeboden die de mailbox mode binnengaan (gebruiken de @ opdracht en hebben een mach- tiging om hun login naam/wachtwoord in ftpusers te zetten). Wanneer een wachtwoord wordt gedefinieerd (max. 30 karakters), dan krijgt hij/zij 5 cijfers te zien, alvorens toegang te verlenen. De 5 cijfers vertegenwoor- digen de 5 karakter lokaties in de gedefinieerde reeks, waarbij het eerste karakter een nul is. Meerdere regels van 5 karakters kunnen worden gezonden om "indringers" voor de gek te houden. Het eind van het zenden van het wachtwoord wordt aangegeven met een lege regel. Wanneer er een goed ant- woord komt, kan de sysop mode worden binnengegaan. De instelling van het wachtwoord kan alleen worden gedaan door het systeem toetsenbord of het autoexec.nos opstart bestand. Het wachtwoord kan niet worden gezien. 3.50.12 mbox qth ["qth info"] Voorbeeld: netrom qth "Driebruggen, NL" Toont of stelt de qth info in, in de R:regel voor BBS berichten. 3.50.13 mbox secure Toont of stelt de veiligheids optie in voor de mailbox gateway gebruikers. Wanneer ingesteld, worden gebruikers die via telnet in de bbs komen, niet toegestaan de gateway te gebruiken. Wanneer niet ingesteld, kan iedereen de gateway gebruiken. Ook is de mailbox zendopdracht uitgeschakeld, uit- gezonderd voor ax25 en netrom connects. 3.50.14 mbox smtptoo Toont of stelt het herkenningsteken in om SMTP hoofden aan de BBS berichten toe te voegen. Wanneer ingesteld, worden SMTP hoofden aan berichten toege- voegd. Wanneer niet ingesteld, niet toegevoegd. 3.50.15 mbox status Een andere naam voor het opgeven van mbox op de aanduidingregel. 3.50.16 mbox timer [] Toon de momentele interval en overgebleven tijd, of stel de mailbox verzend timer in. 3.50.17 mbox tiptimeout Toont of stelt de vervaltijd waarde in voor tip verbinding vervaltijd. Na tip-vervaltijd seconden of geen activiteit wordt de verbinding afgesloten. 3.50.18 mbox trace [yes | no] Toont of stelt de mailbox verzend spoor herkenningsteken code in. De trace is er minimaal, maar iedereen die werkt op mailbox/verzend code, heeft nu een gemeenschappelijk herkenningsteken Mtrace. 3.50.19 mbox utc Toont of stelt het tijdverschil in ten opzichte van ZULU (UTC,GMT). Posi- tieve en negatieve getallen worden ondersteund en een vol schrikkeljaar en maand berekeningen worden uitgevoerd. Dit wordt gebruikt voor de mailbox verzendingen, om een standaard tijd in R:regel te geven. 3.50.20 mbox zipcode zip Toont of stelt de info in voor het regio/area veld voor R:regel BBS hoofd regels. Dat veld is maximum 7 karakters lang. Voor de USA is de zip slechts 6 karakters lang. Nederland heeft 4 karakters en 2 cijfers. Iedere PPT wil kennelijk iets dat ze zelf hebben "uitgevonden". 3.51 memory Deze opdrachten worden gebruikt voor geheugen toewijzing. 3.51.1 memory debug [on | off] Toont of stelt de geheugen toewijzing debug herkenningsteken in. Wanneer ingesteld, wordt debug informatie geschreven naar het logbestand, die de meeste herkenningstekens en parameters bevat van de geheugen toewijzing routines. 3.51.2 memory efficient [yes |no] Toont of stelt de zoek algoritme in voor het buffer geheugen. Wanneer inge- steld, wordt het zoeken altijd gestart vanaf het begin van de vrije lijst. Dat is langzamer, maar beperkt de geheugen fragmentatie tot een minimum. Wanneer het zoeken wordt gestart aan het einde, is de snelheid groter, maar meer fragmentatie. Er wordt gezegd dat men deze opdracht als eerste regel in de autoexec.nos zou moeten zetten. In de laatste vrijgaven is efficient standaard op yes ingesteld. 3.51.3 memory freelist Toon de vrije lijst opslag allocator. Iedere opgave bestaat uit een start- adres in hex, en een grootte in decimale bytes. 3.51.4 memory ibufsize Toon of stel de grootte van de buffers in, in de interrupt buffer pool. De grootte moet ingesteld worden op het grootste type buffer, plus een hoofd grootte van 22. Bijvoorbeeld: Wanneer Uw ax25 de enige interface is en een packetlengte van 256 is gedefinieerd, moet de buffergrootte 256 + 10 * 6 + 22 zijn. De 10 * 6 is het ax25 hoofd (bron, bestemming en 8 digipeaters). 3.51.5 memory minheap [] Toont of stelt de minimum stapel grootte in die moet worden toegewezen, voordat naar DOS wordt gegaan. Dit verzekert een vrije stapel, zodat Nos kan blijven doorlopen zonder voor een tijd te weinig geheugen te hebben. 3.51.6 memory nibufs [] Toon of stel het aantal interrupt buffer pool buffers in. Wanneer het aan- tal buffers is ingesteld, worden de statistieken in het geheugen status scherm gereset voor het aantal interrupt buffer fouten. De minimum beschik- bare waarde is ingesteld op het gewenste aantal buffers. Een vuistregel voor het aantal buffers is de statistieken in de gaten te houden en een minimum van 2 vrije buffers te houden. Verhoog of verlaag dit, zoals gewenst. 3.51.7 memory sizes Toon een histogram van de toegewezen opslag grootten. Ieder histogram bin is een binaire grootheid (m.a.w. een factor van 2). 3.51.8 memory status Toon een verkort overzicht van de opslag toewijzing statistieken. De eerste regel laat het basis adres van de stapel zien, zijn totale grootte, de hoeveelheid beschikbaar stapel geheugen in bytes en als een percentage van de totale stapel grootte, en de hoeveelheid overgebleven geheugen (m.a.w. niet in de stapel gezet bij het opstarten) en dus beschikbaar voor shell opdrachten. De tweede regel laat het totale aantal toe te wijzen calls zien en vrije geheugen blokken, het verschil van de twee waarden (m.a.w. het aantal uit- staande toegewezen blokken), het aantal toewijzingsverzoeken die werden geweigerd als gevolg van te weinig geheugen, en het aantal vrij te maken calls() dat probeerde de uitval los te maken (m.a.w. door hetzelfde blok twee maal vrij te maken of een verminkt merkteken vrijmaken). De derde regel toont de uitval verzamel status. Uitval verzameling is een apart proces dat iedere seconde loopt. Wanneer het geheugen "laag" is, wor- den uitval routines opgeroepen in de "Rode alarm" mode, anders in de "Gele alarm" mode. De vierde regel laat het aantal vrij te maken calls zien die optraden met interrupts uit. In de normale situatie moeten deze waarden nul zijn. De vierde regel toont de statistieken van de speciale pool van buffers met een vaste grootte, gebruikt om aan geheugen verzoeken tijdens interrupt tijd te voldoen. De getoonde variabelen zijn het aantal buffers, momenteel in de pool, hun grootte en het aantal gemiste verzoeken, als gevolg van uitputting van de pool. De vijfde regel laat de momentele instelling van de interrupt buffer pool zien, zijn minimale waarde en het aantal buffers dat niet beschikbaar is. Die statistieken worden gereset, wanneer een geheugen nibufs op- dracht wordt gegeven. 3.51.9 memory thresh [] Toont of stelt de geheugen drempel waarde in, in bytes. Wanneer het geheu- gen beneden die waarde komt, worden geen nieuwe sessies gestart of geac- cepteerd. 3.52 mkdir Maak een sub-directory in de bestaande werk directory. 3.53 mode [vc | datagram] Controleert de default zend mode via de gespecificeerde AX.25 interface. In de datagram mode, worden IP packets ondergebracht in de AX.25 UI frames en verzonden zonder een ander link niveau mechanisme, zoals verbindingen of bevestigingen. In de vc (virtual circuit) mode, worden IP packets ondergebracht in AX.25 I frames en worden bevestigd op het link niveau, volgens het AX.25 proto- col. Link niveau verbindingen worden geopend wanneer nodig. In beide modes, wordt ARP gebruikt om IP om te zetten naar AX.25 adressen. De defaults kunnen worden teniet gedaan door de type-of-service (TOS) bits in de IP kop. Door het "betrouwbaarheidsbit" in te schakelen, worden I- frames gebruikt, terwijl door het inschakelen van "kleine vertraging" bit, de UI frames worden gebruikt. (Het effect van het inschakelen van beide bits is ongedefineerd en aan verandering onderworpen). In beide modes, wordt fragmentatie op IP niveau gedaan, als het datagram groter is dan de interface MTU. In de virtual circuit mode, echter, is het resulterende datagram (of fragmenten) verder gefragmenteerd op de AX.25 laag, als het (of zij) nog steeds groter zijn dan de AX.25 paclen parameter. In AX.25 fragmentatie, worden datagrams opgebroken in verschillende I frames en weer samengevoegd aan de ontvangstzijde, alvorens door te geven naar IP. Dit is te verkiezen boven IP fragmentatie, wanneer mogelijk, in verband met verminderde overhead (de IP kop wordt niet in ieder fragment herhaald) en verhoogde sterkte (een verloren fragment wordt direct opnieuw verzonden door de link laag). 3.54 more [ ....] Toon de gespecificeerde bestand(en) op het scherm. Om naar het volgende scherm te gaan, druk de spatie balk; om het scherm af te sluiten, druk de 'q' toets. Een CR gaat een regel verder. De more opdracht creert een sessie die kan worden onderbroken of hervat, zoals iedere andere sessie. 3.55 motd [<"bericht van de dag">] Toon het recente bericht of stel het welkomst bericht in met de gedefi- nieerde karakterreeks. 3.56 multitask [on | off] Toont of stelt het multitask herkenningsteken in. Wanneer ingesteld, zal Nos doorgaan met het afhandelen van de interrupts en normale werking, wan- neer op de achtergrond gezet door een shell escape opdracht. Sommige pro- grammas houden er niet van om waardevolle tijd te missen op deze manier en vreemde resultaten kunnen optreden. Het verwijderen van het herkennings- teken, stopt alle activiteit van Nos wanneer het op de achtergrond is gezet. 3.57 netrom 3.57.1 netrom acktimer [] Toont of stelt de ack delay timer in, is gelijk aan ax25 t2. 3.57.2 netrom alias Dit stelt de andere naam in voor dit station. Andere stations kunnen con- necten naar de ax25 roepnaam en naar de Netrom alias (wanneer ingesteld). De alias wordt uitgezonden via een Netrom uitzending. 3.57.3 netrom call Toont of stelt de roepnaam in die wordt gebruikt door de netrom interface. NB. Dit is verkorte opdracht voor de "ifconfig netrom linkaddress call" op- dracht. 3.57.5 netrom connect Start een verbinding naar node. 3.57.6 netrom choketime [] Toon of stel de tijd in om een zend "choke" te verbreken. Choke is de uit- drukking die netrom gebruikt voor flow controle condities. 3.57.7 netrom derate [on | off] Toon of stel het automatische herwaarderen in van de netrom routines bij een link onderbreking. 3.57.8 netrom interface Definieer een netrom interface. De waardering kan zijn tussen 1 en 255. Voor compatibiliteit met andere toepassingen, stel dit normaal in op 192. Een controle kan gedaan worden dat de interface van het type CL_AX25 is, wat betekent NETROM media capabel. Opm. De alias is op deze regel niet meer gespecificeerd. Gebruik de netrom alias opdracht. 3.57.9 netrom irtt [] Toon of stel de initiele gehele(round) trip tijd in. 3.57.10 netrom kick <& nrcb> Geef het controle blok een schop om de activiteit weer aan de gang te krijgen. 3.57.11 netrom load [] Wanneer compleet toegepast, zal het een opgeslagen netrom node lijst op- nieuw laden, om verder te gaan vanaf het punt waarop het werd verlaten toen de lijst opgeslagen werd. Alle gelezen opgaven worden in tijd aangepast, alsof de normale tijd verder ging. Wanneer het enige tijd nodig had (obsotimer * x), kan de lijst leeg zijn omdat zij allemaal buiten de ver- valtijd vielen. 3.57.12 netrom minquality [] Toon of stel de minimum waarde in voor het herkennen van een node opgave. Opgaven beneden deze waarde worden niet van waarde beschouwd voor gebruik. 3.57.13 netrom nodefilter Node filtering. 3.57.13.1 netrom nodefilter add Sta de nabuur toe om node updates te geven. 3.57.13.2 netrom nodefilter drop Weiger de nabuur om node updates te geven. 3.57.13.3 netrom nodefilter mode [none | accept | reject] Toon of stel het intiele filter schema in. None accepteert alles. Accept, accepteert alleen van nodes die zijn gedefinieerd in de netrom nodefilter add lijsten. Reject, geen accepaties van nodes gedefinieerd in de netrom nodefilter add lijsten. 3.57.14 netrom nodetimer [] Toon of stel het interval in wanneer onze node lijst wordt uitgezonden. 3.57.15 netrom obsotimer [] Toon of stel de tijd in voor het afnemen van de node waardering. 3.57.16 netrom promiscious [off | on] Staat nodes toe met een hogere waardering dan gedefinieerd met minquality. Wanneer on, worden alle nodes ontvangen, onafhankelijk van het nodefilter. 3.57.17 netrom qlimit [] Toon of stel de maximum wachtrij limiet in voor chat. Is gelijk aan ax25 venster. 3.57.18 netrom reset <&_nrcb> Verwijder het controle blok. U kunt het controle blok vinden met socket. 3.57.19 netrom retries [] Toon of stel het maximum aantal in van connect pogingen, disconnect of gegevens. 3.57.20 netrom route 3.57.20.1 netrom route add Voeg een netrom route toe. 3.57.20.2 netrom routedrop Verwijder een netrom route 3.57.20.3 netrom route info Geef de route aan die het zou nemen naar de eindbestemming. 3.57.21 netrom status Toon alle netrom verbindingen 3.57.22 netrom save [] Wanneer compleet toegepast, slaat de momentele netrom node lijst in ge- heugen op naar /netrom.sav of een andere opgegeven bestandsnaam. 3.57.23 netrom timertype [exponential | linear] Toont of stelt het backoff type in. 3.57.24 netrom ttl [] Toon of stel het maximum aantal stappen in dat een frame mag maken, voordat het terzijde wordt gelegd, wanneer het voordien niet de eindbestemming heeft bereikt. 3.57.25 netrom user [] Toon of stel de netrom gebruikersnaam in. Dit wordt gebruikt bij uitgaande connects. 3.57.26 netrom verbose [on | off] Toon of stel het uitgebreide herkenningsteken in. Wanneer on, worden alle nodes die ons bekend zijn gezonden, iedere keer als de nodetimer vervalt. Wanneer off, wordt alleen Uw stations node identificatie gezonden. 3.57.27 netrom window [] Toon of stel de grootte in van het schuif venster. Dit is het grootste zend en ontvangstscherm dat we kunnen gebruiken. 3.58 nntp Netwerk nieuws protocol heeft de volgende subopdrachten: 3.58.1 nntp addserver [] [] Voeg een nieuws server toe om iedere seconden interval nieuwe artikelen op te vragen, gespecificeerd door de nntp groepen opdracht. Het bereik kan een beperking in tijd zijn, zoals: nntp addserver 600 22:00 - 23:00, om alleen tussen 10 en 11 uur s'avonds op te vragen. Meerdere nntp add kunnen worden gebruikt om groepen aaneen te schakelen. (tot 512 bytes). De inter- val seconden kunnen op 0 gezet worden, zodat normaal de nntp client de ser- ver niet regelmatig opvraagt, maar een nntp kick nntpserver opdracht. 3.58.2 nntp directory Toon of stel de default directory in voor het wegschrijven van nieuws. Dit is niet de controle directory, maar een (alternatieve) directory voor het wegzetten van artikelen. 3.58.3 nntp dropserver 3.58.4 nntp groups [ ...] Toon of stel de momentele nieuwsgroepen in. 3.58.5 nntp kick Schop de client om in contact te komen met de genoemde server. 3.58.6. nntp listservers Geef een lijst van de momenteel gedefinieerde servers. 3.59 nntp quiet [yes | no] Toont of stel het herkenningsteken in dat de weergave bestuurt van nieuw ontvangen nntp nieuws berichten. Het smpt quiet herkenningsteken bestuurt de piep die volgt op het bericht; wanneer onbemand wordt niets getoond, ter voorkoming dat het scherm op -more- blijft hangen. 3.60 nntp trace Toont of stelt het huidige trace niveau in voor de nntp client. 0 is no tracing, 1 (default) geeft serieuze fouten, 2 is als 1 en korstondige fou- ten, 3 toont als 2 en de voortgang van de sessie, 4 toont als 3 en het werkelijk aantal ontvangen artikelen. 5 geeft fouten weer. 3.61 nrstat toont de netrom interface statistieken 3.62 param [ ...] Roep een apparaat gespecificeerde controle routine op. Op een KISS TNC interface zendt dit controle packets naar de TNC. Data bytes worden behan- deld als decimaal. Bijvoorbeeld, param ax0 1 255, zal de keyup timer (veld type = 1), op de KISS TNC, geconfigureerd als ax0, op 2.55 seconden zetten. Op een SLIP interface kan de param opdracht de baud rate lezen of in stellen (zonder toevoegingen). Op asy regels, kunnen DTR en RTS (en moeten misschien ook) worden ingesteld met param interface dtr 1 en param interface rts 1. De toepassing van deze opdracht voor de diverse interface drivers is incompleet en onderworpen aan wijzigingen. De momenteel gedefinieerde opdrachten zijn: 0 Data - Normale KISS gegevens 1 TxDelay - Stel de TX vertraging in voor de TNC 2 Persist - Stel de persistance vertraging in voor de TNC 3 Slottime - Stel de slot tijd vertraging in voor de TNC 4 TxTail - Stel de TX tail vertraging in voor de TNC 5 Fulldup - Stel vol duplex in voor de TNC 6 Hardware - Afhankelijk van de hardware 7 Txmute - 8 DTR - 0 = laag, 1 = hoog 9 RTS - 0 = laag, 1 = hoog 10 Speed - baud rate 11 Enddelay - 12 Group - 13 Idle - 14 Min - 15 Maxkey - 16 Wait - 17 Parity - 0 = none, 1 = even, 2 = oneven pariteit 129 Down - 130 Up - 254 Return2 - Sommige TNC's hebben dit nodig 255 Return - Reset een TNC van de KISS in de command mode 3.63 ping [ []]] Ping zendt ICMP Echo Verzoek packets naar de gespecificeerde host. Default bevat het gegevens veld alleen een kleine tijdmarkering om de gehele trip te helpen bepalen; wanneer de optionele lengte toevoeging wordt opgegeven, wordt het juiste aantal data bytes (bestaande uit hex 55) aan de ping packets toegevoegd. Wanneer milliseconden worden gespecificeerd, zullen de pings oneindig wor- den herhaald om de gespecificeerde milliseconden; anders wordt een enkele ping afgegeven. Antwoorden op een enkele ping verschijnen asynchroon op het command scherm, terwijl herhaalde pings een sessie creeren die kan worden onderbroken en weer hervat. Pinging gaat door tot de sessie handmatig wordt gereset. Het incflag herkenningsteken optie verhoogt voor iedere ping het IP doel adres van een herhaalde ping; het is een experimentele feature voor het zoeken van blokken van IP adressen voor actieve hosts. 3.64 pop De pop (post office protocol) client verschaft een automatische interface aan de pop server die geheel transparant voor de gebruiker is; alles wat de gebruiker moet doen is een paar parameters instellen en de client neemt het dan verder over, naast het registreren bij de server stationsmanager om de gebruikergegevens in te stellen (zie pop gebruikergegevens opdracht). Meer informatie over pop, lees rfc937. De volgende paragrafen beschrijven de pop opdrachten. 3.64.1 pop mailbox [] Toon de gedefinieerde naam of stelt de naam in naar naam voor POP post vragen aan de posthost. De server bewaart de post in de postbus naam, in /spool/mail/name.txt. Dit is een verplichte parameter. 3.64.2 pop mailhost [] Toon het huidige gedefinieerde host adres voor een pop server of stelt het IP adres in op het systeem ipadres voor POP verbindingen. Dit is een ver- plichte parameter. 3.64.3 pop kick Start nu een POP verbinding. (eenmalige verbinding) 3.64.4 pop timer [] Laat de momentele instelling zien en de overgebleven tijd tot het volgende server verzoek, of, wanneer seconden zijn opgegeven, definieert het inter- val dat een pop verbinding iedere wordt gestart om post van het server systeem op te halen. Wanneer de timer niet is ingesteld, wordt de client alleen gestart met een pop kick opdracht. 3.64.5 pop userdate Stelt de gebruiker gegevens in die worden gebruikt voor het geldig maken op het POP server systeem. en moeten met kleine letters worden gegeven. Wanneer pop userdate wordt opgegeven om de waarden te tonen, wordt de getoond. (als U werkelijk het wachtwoord wilt zien, kijk in de "ether"). Onthoud: de naam en het wachtwoord moeten ook worden gede- finieerd aan de server kant in het pop gebruikers bestand. 3.65 popmail popmail is een nieuwere toepassing van de pop client/server. Het kan zowel pop2 als pop3 type pop client/servers bedienen. Voor functionaliteit zie pop, maar de subopdrachten zijn anders. 3.65.1 popmail addserver [] [uu:mm-uu:mm] Voeg host toe als een pop server. Wanneer seconden zijn opgegeven, wordt een timer gestart die de host opvraagt met dat interval, voor post. Wan- neer niet gespecificeerd, zal geen verzoek aan de pop host worden gestart. U moet dit dan handmatig doen met een kick. Wanneer uu:mm-uu:mm is opgege- ven, dan worden alleen in dat tijdsbestek verzoeken aan de host gedaan, (toegestaan). Het protocol is POP2 of PO3, afhankelijk van de services van de mail host. Opm. POP2 is opgevolgd door POP3. Mailbox is de mailbox naam van de host waarvoor post moet worden opgehaald. Gebruikersnaam en wachtwoord zijn de geldige parameters van dit systeem voor de host. Wan- neer deze opdracht wordt gegeven, wordt de host naam opgezocht. Wanneer die niet bestaat, wordt een fouten melding gegeven. 3.65.2 popmail dropserver Laat de host weg van de lijst van pop servers die moeten worden gevraagd. Alle referenties naar de opgave worden van het huidige systeem verwijderd. 3.65.3 popmail kick Start een pop sessie met de host om post op te halen. Deze opdracht is nodig wanneer geen intervallen gespecificeerd zijn met de popmail add- server opdracht. 3.65.4 popmail list Vermeldt de momentele popmail server tabel. 3.65.5 popmail quiet Toont of stelt de vermelding van nieuw aangekomen post in via pop. 3.65.6 popmail trace Toont of stelt het trace niveau in van pop sessies. De huidige trace niveaus zijn: 0 - Geen tracing 1 - Serieuze fouten rapportage 2 - Kortstondige fouten rapportage 3 - Voortgang rapportage van de sessie. Tracing gaat alleen naar het log bestand. 3.66 ppp Die opdrachten worden gebruikt voor Punt tot Punt Protocol Interfaces. Deze toepassing van PPP is zo compleet mogelijk ontworpen. Daarom kan het aantal opties nogal afschrikwekkend zijn. Een typische PPP configuratie kan echter de volgende opdrachten hebben: attach asy 0x3f8 4 ppp pp0 4096 1500 9600 dial pp0 30 3 dialer.pp0 # ppp pp0 lcp local accm 0 ppp pp0 lcp local compress address on ppp pp0 lcp local compress protocol on ppp pp0 lcp local magic on ppp pp0 lcp open active # ppp pp0 ipcp local compress tcp 16 1 ppp pp0 ipcp open active # route add default pp0 3.66.1 ppp Toon de status van de PPP interface 3.66.2 ppp lcp ... Deze opdrachten worden gebruikt voor de LCP (Link Control Protocol) confi- guratie. 3.66.2.1 ppp lcp close Sluit de PPP interface. 3.66.2.2 ppp lcp local Deze opdracht bestuurt de configuratie van de locale kant van de link. Wanneer een optie is gespecificeerd, zullen de parameters worden gebruikt als de aanvangswaarden in de configuratie verzoeken. Wanneer niet gespeci- ficeerd, zal die optie niet worden gevraagd. Voor ieder van deze opties, zal de erkende parameter het tegenstation toe- staan om die optie in zijn antwoord op te nemen, zelfs wanneer de optie niet in het verzoek is opgenomen. Als default zijn alle opties toegestaan. 3.66.2.2.1 ppp lcp local accm [ | allow [on | off]] Toon of stel de Async Control Karakter Map in. Default is 0xffffffff. 3.66.2.2.2 ppp lcp local authenticate [ pap | none | allow [ on | off ]]] Toon of stel het waarmerk protocol in. Default is none. 3.66.2.2.3 ppp lcp local compress address/control [ on |_off | allow [_on | off]] Toon of stel de optie in om de adres en controle velden te comprimeren van het PPP HLDC-achtige hoofd. Dit is in het algemeen gewenst voor langzame asynchrone links, en ongewenst voor snelle of synchrone links. Default is off. 3.66.2.2.4 ppp lcp local compress protocol [on | off | allow [ on | off]] Toon of stel de optie in om het protocol veld te comprimeren van het PPP HLDC-achtige hoofd. Dit is in het algemeen gewenst voor langzame asynchrone links en niet gewenst voor snelle of synchrone links. 3.66.2.2.5 ppp lcp local magic [on | off | | allow [ on | off]] Toon of stel het initiele Magic Nummer in. Default is off (nul) 3.66.2.2.6 ppp lcp local mru [ | allow [on | off]] Toon of stel de Maximum Receive Unit in. Default is 1500. 3.66.2.2.7 ppp lcp local default Reset de opties naar hun default waarde. 3.66.2.3 ppp lcp open active | passive Wacht tot de fysieke laag naar boven komt. Wanneer actief, initieer het behandelen van de configuratie. Wanneer passief, wacht voor de configura- tie behandeling door het verre station. 3.66.2.4 ppp lcp remote Deze opdrachten besturen de configuratie aan de externe kant van de link. Die opties zijn gelijk aan die voor de lokale kant. Wanneer een optie is gespecificeerd, zullen de parameters worden gebruikt in antwoord op de configuratie verzoeken van het verre host. Wanneer niet gespecificeerd, zal die optie worden geaccepteerd, wanneer dit is toegestaan. Voor ieder van deze opties, zal de "toe-sta" parameter de verre host toe- staan deze optie te specificeren. Als default zijn alle opties toegestaan. 3.66.2.5 ppp lcp timeout Toon of stel het interval in om te wachten tussen configuratie en beeindi- gings pogingen. Default is 3 seconden. 3.66.2.6 ppp lcp try ... Die opdrachten worden voor verschillende tellers gebruikt. 3.66.2.6.1 ppp lcp try configure [] Toon of stel het aantal gezonden configuratie verzoeken in. Default is 10. 3.66.2.6.2 ppp lcp try failure [] Toon of stel het aantal niet goede configuratie verzoeken in, die van de verre host zijn toegestaan. Default is 5. 3.66.2.6.3 ppp lcp try terminate [] Toon of stel het aantal gezonden beeindigingsverzoeken in, om af te sluiten. Default is 2. 3.66.3 ppp ipcp ... Deze opdrachten worden gebruikt voor de IPCP (Internet Protocol Control Protocol) configuratie. De close, open, timeout en try subopdrachten zijn gelijk aan de LCP. (hierboven beschreven). 3.66.3.1 ppp ipcp local ... Deze opdrachten besturen de configuratie aan de lokale kant van de link. Wanneer een optie is gespecificeerd, zullen de parameters worden gebruikt, als de initiele waarden in de configuratie verzoeken. Wanneer niet gespe- cificeerd, zal die optie niet gevraagd worden. Voor ieder van deze opties, zal de toe-sta parameter de verre host toestaan die optie in zijn antwoord op te nemen, zelfs als de optie niet in het verzoek is opgenomen. Als default zijn alle opties toegestaan. 3.66.3.1.1 ppp ipcp local address [ ipcp local compress [tcp [] | none | allow [on | off]] Toon of stel het compressie protocol in. Default is none. De tcp specificeert het aantal "conversatie" poorten, tussen 1 en 255. (Dit kan beperkt worden tijdens compilatie tijd naar een kleiner ge- tal). Een goede keuze is in het bereik 4 tot 16. De tcp is 0 (comprimeer het poort nummer niet), of 1 (OK om het poort nummer te comprimeren). KA9Q kan gecomprimeerde poort nummers han- teren, dus de default is 1. 3.66.3.2 ppp ipcp remote ... Deze opdrachten besturen de configuratie aan de verre zijde van de link. Die opties zijn gelijk aan die voor de lokale kant. Wanneer een optie is gespecificeerd, zullen de parameters worden gebruikt in antwoord op de configuratie verzoeken van het tegenstation. Wanneer niet gespecificeerd, zal die optie worden geaccepteerd, als het is toegestaan. Voor ieder van deze opties, zal de "toesta" (allow) parameter het tegen- station toestaan om deze optie in zijn verzoek te specificeren. Als de- fault zijn alle opties toegestaan. 3.66.4 ppp pap ... Deze opdrachten worden gebruikt voor de PAP (Password Authentication Protocol) configuratie. De timeout en try opdrachten zijn gelijk aan het LCP, echter de beeindi- gingsteller wordt niet gebruikt. 3.66.4.1 ppp pap user [ []] Toon of stel de gebruikersnaam in (het wachtwoord mag ingesteld worden, maar wordt niet weergegeven). Wanneer de gebruikersnaam is gespecificeerd, maar geen wachtwoord, wordt in het ftpusers bestand naar het wachtwoord gezocht. Wanneer een gebruikersnaam/wachtwoord niet bekend is of afgewezen, zal een sessie op het scherm verschijnen om naar een nieuwe gebruikersnaam /wachtwoord te vragen. 3.66.5 ppp trace [] Toon of stel het herkenningsteken in dat het loggen van informatie be- stuurt, gedurende PPP link configuratie. De flag is 0 voor geen, 1 voor basis en 2 voor algemeen. Waarden groter dan 2 worden in het algemeen niet gecompileerd en worden beschreven in de desbetreffende bronbestanden, waar zij worden gedefineerd. 3.67 ps Toon alle lopende processen in het systeem. De velden zijn als volgt: PID - Proces ID (het adres van de proces beschrijver). SP - De momentele waarde van de proces stack pointer. stksize - De grootte van de stack die aan het proces is toegewezen. maxstk - Het ogenschijnlijke maximum stack gebruik van dit proces. Dit is gedaan op een wat heuristische manier, zodat de getallen moeten worden gezien als benadering. Wanneer dit getal het stksize getal bereikt of over- schrijdt, zal het systeem zeker vastlopen; Het nos.exe programma zou opnieuw moeten worden gecompileerd om het systeem een grotere toewijzing te geven wanneer het wordt gestart, event - De gebeurtenis, waarop deze taak wacht, wanneer het niet kan lopen. fl- Proces status flags. Er zijn er drie: I (Interrupts ingeschakeld), W (Wachten op een gebeurtenis) en S (Tijdelijk buiten werking). De I flag wordt ingesteld, wanneer een taak een pwait() call (wacht op gebeurtenis) heeft uitgevoerd, zonder eerst hardware interrupts uit te schakelen. Alleen taken die op hardware interrupt gebeurtenissen wachten, zullen deze flag afschakelen; dit is gedaan om kritische onderdelen en gemiste inter- rupts te voorkomen. De W flag geeft aan dat het proces wacht op een gebeur- tenis; de gebeurtenis kolom zal ingevuld zijn. Hoewel er meerdere proces- sen op een gegeven moment kunnen zijn die kunnen lopen (getoond in de ps lijst als die zonder de W flag en met niet ingevulde gebeurtenis velden), slechts e e n proces loopt ook werkelijk op ieder gegeven moment. 3.68 pwd [] Een andere naam voor de cd opdracht. 3.69 rarp Dit gebruikt het omgekeerde adres opzoek protocol. 3.69.1 rarp query Dit start een omgekeerd opzoek verzoek via interface, om het IP adres te vinden voor een roepnaam. Het telt 10 seconden af, alvorens op te geven voor een antwoord. 3.70 record [off | ] Voeg aan de bestandnaam alle gegevens toe die gedurende de lopende sessie zijn ontvangen. Gegevens die tijdens de sessie zijn gezonden worden ook in het bestand geschreven, uitgezonderd voor Telnet sessies in de remote echo mode. De opdracht echo off stopt het opslaan en sluit het bestand. 3.71 remote [-p ] [-k ] [-a ] exit | reset | kick Zendt een UDP packet naar de gespecificeerde host, dat de opdracht geeft het Nos programma te verlaten, de processor te resetten, of een heruitzen- ding te forceren bij TCP verbindingen. Om deze opdracht te accepteren, moet bij het verre station de remote server lopen en het poortnummer dat in de opdracht is gespecificeerd, moet overeenkomen met het poortnummer dat werd gegeven toen de server van het verre station werd gestart. Wanneer de poortnummers niet overeenkomen, of wanneer de server op het doelsysteem niet loopt, wordt de packet opdracht genegeerd. Zelfs als de opdracht wordt geaccepteerd, is er geen bevestiging. De kick opdracht forceert een heruitzending timeout op alle TCP verbindin- gen die de verre node kan hebben met de lokale node. Wanneer de -a optie is gebruikt, worden in plaats daarvan, verbindingen naar de gespecificeerde host geschopt. Geen sleutel is nodig voor de kick subopdracht. De exit en reset subopdrachten zijn hoofdzakelijk nuttig voor het herstar- ten van het Nos programma op een ver onbemand systeem, nadat het configura- tie bestand is bijgewerkt. Het verre systeem zou het Nos programma automa- tisch moeten oproepen na booten, bij voorkeur in een oneindige loop. Bijvoorbeeld, onder MS-DOS zou in de autoexec.bat op de boot schijf het volgende moeten staan : :loop nos goto :loop 3.71.1 remote -s De exit en reset opdrachten van remote hebben een wachtwoord nodig. Het wachtwoord wordt ingesteld op een bepaald systeem met de -s optie en het is gespecificeerd in een opdracht naar het verre systeem met de -k optie. Wanneer geen wachtwoord is ingesteld met de -s optie, dan zijn de exit en reset opdrachten uitgeschakeld. Remote is een experimentele feature in NOS; het wordt nog niet ondersteund door enige andere TCP/IP toepassing. 3.72 rename Verander de oude bestandsnaam in nieuwe bestandsnaam 3.73 reset [] Reset de gespecificeerde sessie; als geen toevoeging is opgegeven, reset dan de momentele sessie. Deze opdracht moet voorzichting gebruikt worden, aangezien het het tegenstation niet betrouwbaar informeert dat de verbin- ding niet langer bestaat. (In TCP zal een reset (RST) automatisch worden gegenereerd, wanneer het verre TCP iets zendt nadat een lokale reset is gedaan. IN AX.25 heeft het DM bericht dezelfde functie. Beiden worden ge- bruikt om een hangende, half-open verbinding, kwijt te raken, nadat een ver systeem is vastgelopen). 3.74 rip Die opdrachten worden gebruikt voor RIP service. 3.74.1 rip accept Verwijder de gespecificeerde gateway van de RIP filter tabel, zodat toe- komstige uitzendingen van die gateway, geaccepteerd kunnen worden. 3.74.2 rip add [] Voeg een opgave toe aan de RIP uitzendtabel. De IP routing tabel zal naar hostid worden gezonden, iedere seconden interval. Wanneer herkenningsteken is opgegeven als 1, dat zal "split horizon" verwerking voor deze bestem- ming worden uitgevoerd. Dat betekent, iedere IP routing tabel opgave die naar de interface verwijst, die zal worden gebruikt om deze update te ver- zenden, zal worden verwijderd van de update. Wanneer split horizon verwer- king niet is gespecificeerd, dan zullen alle routing tabel opgaven, uitge- zonderd diegenen die gemerkt zijn als "private", worden gezonden in iedere update. (Private opgaven worden nooit in RIP packets verzonden). Triggered updates worden altijd uitgevoerd. Dat betekent, iedere wijziging in de routing tabel waardoor een voordien bereikbare bestemming nu onbe- reikbaar is geworden, zal een update triggeren dat de bestemming aankondigt met metric 15, dat gedefinieerd is als "oneindig". Om RIP packets op een goede manier naar een adres te zenden, moet er een juiste IP routing zijn en ARP tabel opgaven, die de uitzending eerst naar de juiste interface sturen en dan het juiste link level adres in het link- level bestemmings veld zet. Wanneer een standaard uitzend adres conventie wordt gebruikt (bijv, 128.96.0.0 of 128.96.255.255), dan is er kans dat U al de noodzakelijke IP routing tabel opgave hebt, maar ongewone subnet of cluster geadresseerde netwerken, hebben speciale aandacht nodig. Een arp add opdracht is echter nodig om dit adres naar het juiste link level uitzend adres te vertalen. Bijvoorbeeld: arp add 128.96.0.0 ethernet ff:ff:ff:ff:ff:ff voor een Ethernet netwerk (ip-adres is slechts een voorbeeld!!!) en arp add 44.255.255.255 ax25 qst-0 voor een ax.25 Packet radio kanaal. (Wanneer meerdere AX.25 interfaces. maak een uniek adres voor iedere interface). 3.74.3 rip drop Verwijder een opgave van de RIP uitzend tabel. 3.74.4 rip merge [on | off] Dit herkenningsteken bestuurt een experimentele feature voor het bevestigen van overtollige opgaven in de IP route tabel. Wanneer rip merge is inge- schakeld, wordt de tabel afgetast na de verwerking van iedere RIP update. Een opgave wordt als overtollig beschouwd, als de route naar het doel(en) die het bestrijkt, dezelfde is als door een minder "specifieke" opgave, die al in de tabel staat. Dat betekent, de doel adressen, gespecificeerd door de betreffende opgave, moeten ook overeenkomen met de doel adressen van de minder specifieke opgaven en de twee opgaven moeten dezelfde inter- face en gateway velden hebben. Bijvoorbeeld, wanneer de route tabel bevat: Dest Len Interface Gateway Metric P Timer Use 1.2.3.4 32 ethernet0 128.96.1.2 1 0 0 0 1.2.3 24 ethernet0 128.96.1.2 1 0 0 0 dan zal de eerste opgave worden verwijderd als overtollig, aangezien packets, gezonden naar 1.2.3.4, nog via de correcte route door de tweede opgave zullen worden gezonden. De relatieve metrics van de opgaven worden genegeerd. 3.74.5 rip refuse Weigert om RIP updates te accepteren van de gespecificeerde gateway, door de gateway aan de RIP filter tabel toe te voegen. Het kan later worden ver- wijderd door de rip accept opdracht. 3.74.6 rip request Zendt een RIP Request packet naar de gespecificeerde gateway, zodat deze antwoordt met een RIP Response packet die zijn route tabel bevat. 3.74.7 rip status Toon de RIP status, inclusief het aantal van gezonden en ontvangen packets, het aantal requests en responses, het aantal onbekende RIP packet typen, en het aantal geweigerde RIP updates van hosts in de filter tabel. Een lijst van adressen en intervallen waarnaar periodische RIP updates zijn ge- zonden, wordt ook getoond, tesamen met de inhoud van de filter tabel. 3.74.8 rip trace [0 | 1 | 2 ] Deze variabele bestuurt het tracen van inkomende en uitgaande RIP packets. Ingesteld op 0, schakelt alle RIP tracing uit. Een waarde van 1 toont wij- zigingen in de route tabel, terwijl packets die geen wijzigingen veroor- zaken, geen output geven. Wordt de variabele op 2 ingesteld, dan geeft dit maximum output, inclusief tracen van RIP packets die geen wijziging in de route tabel veroorzaken. 3.74.9 rip ttl Toont of stelt de levensduur timer in naar seconden. Normaal is de verval- tijd 240 seconden. Dit is niet de ttl in een rip uitzending (16 = oneindig) Stel de timer in voor het starten van rip. Verander deze timer alleen in samenwerking met de nodes in Uw omgeving. Default is 240 seconden. 3.75 rlogin host Stelt een rlogin sessie in via poort 511 naar een *NIX compatiebel station. Default terminal is en ansi (als gedefinieerd met de fkeys) compatiebele terminal. Default naam is guest. (Opnieuw definieren met USER= omgevings- variabele 3.76 rmdir Verwijder een directory van de momentele werk directory. 3.77 route Zonder toevoegingen, geeft het de IP routing tabel. 3.77.1 route add [/bits] | default [] De opdracht voegt een opgave toe aan de routing tabel. Het vereist tenmin- ste twee specificaties meer, de hostid van de doel bestemming en de naam van de interface waarnaar de packets moeten worden gezonden. Wanneer de bestemming niet lokaal is, moet de gateway's hostid worden gespecificeerd. (Wanneer de interface een point-to-point link is, dan kan de hostid worden genegeerd, zelfs als het doel niet lokaal is, want dit veld wordt alleen gebruikt om het gateway's link level adres te bepalen, wanneer aanwezig. Wanneer de bestemming direct bereikbaar is, is de hostid van de gateway ook niet nodig, aangezien het bestemmingsadres wordt gebruikt om het interface link adres te bepalen). Wanneer RSPF wordt gebruikt en het systeem is een schakel/router naar meerdere routes, kan het sleutelwoord direct worden gebruikt, in plaats van een hostid, om de metric hoger in te stellen dan de default van 1. Op deze manier kunnen routes die door andere rspf sta- tions worden bekend gemaakt, goedkoper zijn en gekozen worden. Wanneer direct is opgegeven maar niet metric, wordt een nieuwe algoritme gebruikt om de metric in te stellen, afhankelijk van het aantal subnet mask bits. De optionele /bits suffix na de hostid, geeft aan hoeveel voorafgaande bits in de hostid moeten worden beschouwd van betekenis te zijn in de routing vergelijkingen. Wanneer niet gespecificeerd, worden 32 bits (volledige betekenis) verondersteld. Met deze optie, kan een enkele opgave in de route tabel verwijzen naar vele hosts die alle een gemeenschappelijke bit reeks prefix in hun IP adressen hebben. Bijvoorbeeld: ARPA Class A, B en C net- werken zouden suffixen van respectievelijk /8, /16 en /24 gebruiken; de opdracht: route add 44/8 s10 44.64.0.2 zorgt ervoor dat alle IP adressen, beginnende met "44" in de eerste 8 bits, naar 44.64.0.2 worden gedirigeerd; de resterende 24 bits doen er verder niet toe. Wanneer een te routen IP adres overeenkomt met meer dan 1 opgave in de routing tabel, wordt de opgave met de grootste bits parameter (dus de beste overeenkomst) gebruikt. Hierdoor kunnen individuele hostes of host blokken de uitzondering zijn op een meer algemene regel voor en groter blok van hosts. De speciale bestemmings default wordt gebruikt om datagrammen naar adres- sen te dirigeren die niet overeenkomen met enige andere opgave in de rou- ting tabel; het komt overeen met specificeren van een /bits suffix of een /0 naar iedere bestemming hostid. Men dient voorzichtig te zijn met default opgaven, aangezien twee nodes met default opgaven die naar elkaar verwijzen, packets heen en weer zullen zenden naar onbekende adressen in een lus, totdat de levensduur (TTL) is verlopen. (Routing lussen voor speciale adres- sen kunnen ook worden gecreerd, maar dit zal minder per ongeluk gebeuren). Er zijn twee ingebouwde interfaces: loopback en encap. Loopback is voor alleen voor interne toepassingen. De encap is een IP interface die gebruikt wordt om een compleet IP datagram in een IP datagram om te zetten, zodat het "meerijdt". Het wordt dikwijls gebruikt om ampr.org datagrams (net44) over het Internet te brengen. NB. Het Internet is compleet verbonden en ampr.org is (tenminste) zeer open. Op deze manier kunnen twee sites net44 datagrams uitwisselen. Enige extra opmerkingen: Een Internet gateway heeft 2 IP adressen, 1 op ampr.org en 1 op het Internet. U moet er voor zorgen dat de interface die met het Internet is verbonden, de iconfig ipaddr correct heeft ingesteld. Opm: Dit werkte voordien alleen als gateway voor andere stations. Er was wat giswerk nodig in het kiezen van een IP adres wanneer encap lokaal is gebruikt. (Meestal is dit altijd verkeerd met een factor 2,7 volgens Murphy). De code gebruikt nu het lokale IP adres als bron wanneer de route start bij het lokale station. Als dit niet is wat U wilt, kunt U dit ver- werpen, door het IP adres van de pseudo encap interface in te stellen naar wat U wilt. Enige extra notities betreffende encap: I heb 3 systemen op een ethernet met netwerk 129.179.122.128/25. In mijn kantoor heb ik een ander net ge- koppeld aan het Internet. De adressen daar zijn in het bereik 129.179.122. 0/25. Nu heb ik een radio link met 44.137.0.2 en 44.137.1.2. naar de res- pectievelijke sites. Op het 44.137.0.2 heb ik route add 44.0.0.0/8 encap 44.137.1.1999. Op het volgende systeem op mijn lokale ethernet heb ik 44. 137.0.1 / 129.179.122.129. Om van dat systeem zeg 44.62.0.1 te krijgen, heb ik een encap toegevoegd aan mijn lokale gateway met route add 44.0.0.0/ 8 encap 129.179.122.130. Een route add default ec0 129.179.122.130 geeft mij toegang tot het Internet. Anders zal het het adres voor de gebruiken interface opzoeken om 129.179.122.130 te bereiken en zal 129.179.122.129 gebruiken. Nu zal 44.62.0.1 NOOIT weten waar het vandaan kwam. Dus het toevoegen van encap aan het tweede systeem, lost het probleem op. Hier zijn enige voorbeelden van de route opdracht: # Route datagrams naar IP adres 44.0..0.3 naar SLIP regel #40 # Geen gateway is nodig want SLIP is point-to-point route add 44.0.0.3 s10 # Route alle default verkeer naar de gateway op het lokale Ethernet # met IP adres 44.0.0.1 route add default ec0 44.0.0.1 # Het lokale Ethernet heeft een ARPA Class-C adres toewijzing; # route alle IP adressen daarnaar, beginnende met 192.4.8 route add 192.4.8/24 ec0 # Het station met IP adres 44.0.0.10 is op het lokale AX.25 kanaal route add 44.0.0.10 ax0 # Een link naar 192.4.8.12 waar het subnet 44.64.0.0 beschikbaar is. Het internet weet niet waar wij zijn, maar wij gebruiken het met wat het weet: route add 44.64.0.0/16 encap 192.4.8.12 4 3.77.2 route addprivate [/bits] | default [gateway hostid []] Deze opdracht is gelijk aan route add, uitgezonderd dat het ook de nieuwe opgave als prive markeert; het zal nooit opgenomen worden in uitgaande RIP updates. 3.77.3 route drop route drop verwijderd een opgave uit de tabel. Wanneer een packet aankomt voor een verwijderd adres en een default route is actief, zal het worden gebruikt. 3.78 rspf RSPF is het Radio Shortest First Protocol. Ieder station luistert naar RRH (Router to Router Hello) berichten. Wanneer zo'n RSPF bericht is ont- vangen, zal Nos uitzoeken of de link twee-richtingen is door het andere station te pingen. Het protocol is beschreven in de RSPF 2.1 specificatie. 3.78.1 rspf interface is de vereiste interface die rspf moet gebruiken. Quality is van 1 tot 127. Horizon is tussen 1 en 255. Eind nodes zouden de quality moeten instellen op 1. Directe nodes stellen de quality normaal in op 8. De normaal gebruikte waarde voor horizon is 32. 3.78.2 rspf mode [vc | datagram | none] Zonder toevoegingen, geeft de voorkeur mode voor RSPF. Modes zijn VC (Vir- tual Circuit) en Datagram. None resets de voorkeur mode. 3.78.3 rspf rrhtimer [seconden] Zonder toevoeging, toont het de rrh timer waarde. 3.78.4 rspf suspecttimer [seconden] Zonder toevoeging, toont de suspect timer waarde. 3.78.5 rspf timer [seconden] Zonder toevoeging toont de update timer waarde. Om RSPF te activeren, doe het volgende: Stel het zendadres in voor de bestemmings-interface., bijvoorbeeld ax0. ifconfig ax0 broadcast 44.255.255.255 Dit creert automatisch een routing opgave voor 44.255.255.255 in de route tabel. Wanneer RSPF op meer dan 1 interface moet worden gebruikt, moeten die interfaces ieder een verschillend zendadres hebben. Anders zullen de route opgaven worden overschreven door de volgende definitie. Configureer ax0 als een RSPF interface met horizon 32 en een quality van 1 (sprongen). Dit is typisch voor een eind node. Vervang de 1 door een 8 voor een directe node. rspf interface ax0 1 32 Stel het interval tussen RRH berichten in rspf rrhtimer 900 Definieer hoe lang het zal nemen voordat een ongebruikte link verwacht wordt slecht te zijn. rspf suspecttimer 2000 Stel het interval in tussen route updates. rspf timer 900 3.79 sccstat Toon de gedefinieerde PE1CHL scc driver statistieken. 3.80 session [[] [flowmode [on | off]]] Zonder toevoegingen, toont de lijst van lopende sessies, inclusief het sessie nummer, het verre TCP of AX.25 adres en het adres van het TCP of AX.25 controle blok. Een ster (*) is geplaatst naast de momentele sessie. Het opgeven van een sessienummer als toevoeging aan de sessie opdracht, zet U in de converse mode van die betreffende sessie. In een Telnet sessie: het intoetsen van een lege regel, zet U in de converse mode met server in- geschakeld, de gebruiker wordt geinformeerd over een binnenkomend verzoek en een sessie nummer wordt automatisch toegewezen. De gebruiker kan dan de sessie kiezen en normaal converseren met de verre gebruiker, alsof de sessie lokaal was geinitieerd. De flowmode toevoegen toont of schakelt de instelling van *more* in/uit voor die sessie. Dat is handig bijvoor- beeld bij lange directory lijsten die van een ftp sessie komen. Het "uit- stappen" (escape) naar de command mode v o o r de dir opdracht te geven en het opgeven van "session # flowmode on" geeft telkens 1 pagina om te bekijken. U kunt te allen tijden weer terug gaan en de flowmode uitschake- len. NB. Een ftp sessie heeft nu zijn eigen flow opdracht ingebouwd. Zie FTP opdrachten, later in deze handleiding. 3.81 shell Stelt Nos tijdelijk buiten werking en voert een sub-shell uit. ("command processor" onder MS-DOS). Wanneer de sub-shell wordt verlaten (onder MS- DOS, toets exit opdracht), gaat Nos weer verder. NB: zie de COMSPEC om- geving variabele. Alle activiteit op de achtergrond (FTP servers, enz.) is ook buiten werking gesteld, wanneer de sub-shell wordt uitgevoerd. Dit zal mislukken, tenzij er genoeg ongebruikt geheugen is voor de sub- shell en de opdracht die de gebruiker zal proberen op te geven. Wanneer in de shell, verbindt Mailbox Operator en inkomende ttylink verbindingen worden geweigerd. Een Onbemand Systeem bericht wordt gezonden naar de "connector" van die socket. 3.82 kick#socket Dit is een verkorte opdracht voor de diverse kick opdrachten. Deze zoekt de socket voor het juiste type en schopt de transport laag. 3.83 smtp Deze opdrachten worden gebruikt voor de Simple Message Transport Protocol service. (dat is, post). 3.83.1 smtp batch [yes | no] Wanneer ingesteld, zal het de opdrachten in e e n frame onderbrengen. Wan- neer off, wordt alleen 1 opdracht gezonden en op antwoord gewacht. Sommige oude flodderige smtp servers kunnen niet meer dan 1 opdracht tegelijk be- handelen. Nos kan meerdere behandelen. Wanneer niet gehinderd door een oude smtp server, zal het instellen van de batch de bandbreedte beperken. 3.83.2 smtp gateway [] Toont of stelt de host in die moet worden gebruikt als een "slim" post relais. Alle post die naar een host wordt gezonden die niet in de host tabel staat, zal in plaats daarvan naar de gateway worden worden gezonden voor verzending. 3.83.3 smtp kick Loop door de uitgaande post map en probeer uitstaande post af te leveren. Met deze opdracht kan de gebruiker het post systeem handmatig een "schop" geven. Normaal wordt deze opdracht periodiek door een timer gestart, wan- neer Nos loopt. 3.83.4 smtp kill [] Breek de opdracht af en verwijder het bericht. 3.83.5 smtp list Laat een lijst zien van de lopende taken. Een "L" betekent locked en in bewerking. Het is verstandig om in de autoexec.bat een opdracht "del /spool/mqueue/*.lck" op te nemen. 3.83.6. smtp maxclients [] Toont of stelt het maximum aantal in van tegeljk uitgaande SMTP sessies die zijn toegestaan. Default is 10, verlaag dit als netwerk opstopping een probleem is. 3.83.7 smtp mode [queue | route] Stelt de smtp aflever mode in. Wanneer queue, blijven alle berichten in /spool/mqueue voor externe verzending en behandeling. Wanneer route, worden berichten behandeld als voor lokaal, toegevoegd aan een mailbox of wanneer voor ver, worden zij verzonden. 3.83.8 smtp mxlookup [yes | no] Toont of stelt het herkenningsteken in voor in of uitschakelen van MX record lookups. Dit kan worden ingeschakeld wanneer een domain server in de directe omgeving is (bereikbaar). Het moet worden uitgeschakeld (default), wanneer geen domain server onder bereik is om te voldoen aan het MX verzoek. MX record behandeling is zeer beperkt in NOS. Wanneer een antwoord van een domain server binnenkomt, wordt het naar de bestemming ge- bracht. 3.83.9 smtp quiet [yes | no] Schakelt het bericht in of uit dat nieuwe post op dit systeem is aangekomen. 3.83.10 smtp timer [] Toont of stelt het interval in tussen het aftasten van de uitgaande post. Bijvoorbeeld, smtp timer 600 zal het systeem de uitgaande post checken, iedere 10 minuten en trachten het af te leveren als het iets vindt. Het instellen van een factor 0 schakelt het aftasten geheel uit, dit is de default! Deze waarde is aanbevolen voor stand alone IP gateways die nooit post afhandelen, aangezien het slijtage van de floppy disk drive beperkt. 3.83.11 smtp trace [] Toont of stelt een trace herkenningsteken in, in de SMTP client, zodat U de SMTP conversaties kunt volgen als het post aflevert. Nul (de default) schakelt tracing uit. 3.84. socket [[] [flowmode [yes | no]]] Zonder toevoegingen, toont alle actieve sockets met hun index en type, het adres van het bijbehorende protocol controle blok en de eigenaar proces ID en naam. Wanneer de index naar een actieve socket wordt opgegeven, wordt de status weergave voor het desbetreffende protocol opgeroepen. Bijvoor- beeld, als de socket refereert aan een TCP verbinding, dan zal de weergave gegeven worden door de tcp status opdracht met het protocol controle blok adres. Wanneer gewenst kan flow mode in een sessie worden ingesteld of verwijderd. Dit kan handig zijn wanneer een grote directory wordt weerge- geven bij ftp. Uit een sessie gaan, juist voor het opgeven van dir en het instellen van de flowmode en naar die sessie terugkeren, geeft een iedere keer een vol scherm met -more- bewerking. 3.85 source Lees de volgende opdrachten van bestandsnaam tot EOF (End Of Line). Ga dan verder met het lezen met opdrachten uit de voorgaande reeks. Dit kan worden gebruikt om routing opgaven in een apart bestand te houden, die op een be- paalde plaats in de autoexec.nos gelezen kunnen worden. 3.86 start ax25 | convers | discard | echo | finger | tfp | lpd | netrom | nntp | pop | pop2 | pop3 | remote | rip | smtp | telnet | tip | ttylink Start de gespecificeerde Internet server, waardoor verre verbinding ver- zoeken worden toegestaan. 3.87 status Geeft laad informatie betreffende Nos. Wanneer gestart, hoe lang het loopt, open bestanden enz.. 3.88 stop ax25 | convers | discard | echo | finger | ftp | lpd | netrom | nntp | pop | pop2 | pop3 | remote | rip | smtp | telnet | tip | ttylink Stopt de gespecificeerde Internet server, alle verdere connect verzoeken worden afgewezen. Bestaande verbindingen kunnen normaal worden afgehandeld. 3.89 tail Dit doet een -more- op de laatste groep regels van bestand bestandsnaam. 3.90 tcp Deze opdrachten worden gebruikt voor het Transmission Control Protocol. 3.90.1 tcp irtt [] Toon of stel de geschatte initiele complete triptijd in, in milliseconden, om te worden gebruikt voor nieuwe TCP verbindingen, totdat gemeten kan worden en aangepast aan de werkelijke waarde. Default is 5000 milliseconden (5 seconden). Verhogen van deze waarde, wanneer gewerkt wordt via langzame kanalen, zal de agitatie van heruitzendingen vermijden, die anders zouden ontstaan wanneer afgevlakte schatting zich op de juiste waarde instelt. Deze opdracht moet worden gegeven voordat servers worden gestart, om effect te hebben op inkomende verbindingen. TCP houdt ook de gemeten triptijd bij en gemidddelde afwijkingen (MDEV) voor de lopende en huidige bestemmingen. Wanneer een nieuwe TCP verbinding is geopend, kijkt het systeem eerst in deze cache. Wanneer de bestemming wordt gevonden, worden de IRTT en MDEV waarden uit de cache gebruikt. Wanneer niet, wordt de bovengenoemde default waarde gebruikt, samen met een MDEV van 0. Deze feature is volledig automatisch en het kan de werking aanmerkelijk verbeteren, wanneer een serie van verbindingen naar een be- paalde bestemming worden geopend en gesloten. (bijv. een serie van FTP be- stands verzendingen of directories). 3.90.2 tcp kick Wanneer er onbevestigde gegevens in de zendrij van de gespecificeerde TCB zijn, zal deze opdracht een directe heruitzending forceren. 3.90.3 tcp mss [] Toon of stel de TCP Maximum Segment Grootte in bytes in, die zullen worden gezonden op alle uitgaande TCP connect verzoeken (SYN segmenten). Dit laat het andere eind weten wat de grootte is van het grootste segment dat het mag zenden. Wijzigen van MSS beinvloedt alleen toekomstige verbindingen; bestaande verbindingen worden niet beinvloed. 3.90.4 tcp reset Verwijdert het TCP controle blok op het gespecificeerde adres. 3.90.5 tcp rtt Vervangt de automatisch berekende totale trip tijd (rtt) in de gespecifi- ceerde TCB, met de rtt in milliseconden. Deze opdracht is nuttig om het terugvinden van een serie verloren gegane packets te versnellen, aangezien het een handmatige omleiding geeft om de normale backoff heruitzending timing systemen heen. 3.90.6 tcp status [] Zonder toevoeging, toont het verschillende TCP-niveau statistieken , plus een samenvatting van alle TCP verbindingen, inclusief TCB adres, zend- en ontvang wachtrij grootten, lokale en remote sockets en verbinding status. Wanneer tcb addr is gespecificeerd, wordt een meer gedetailleerd overzicht van de gespecificeerde TCB gegenereerd, inclusief zend en onvangst volgorde nummers en timer informatie. 3.90.7 tcp syndate [yes | no] Toon of stel het tcp syn + date herkenningsteken in. Sommige tcp systemen kunnen syn + data tesamen niet verwerken. 3.90.8 tcp timertype [linear | exponential] Toont de momentele instelling of stelt de timer backoff algoritme in. 3.90.9 tcp trace [yes |no] Toon of schakel het tcp trace herkenningsteken in of uit. 3.90.10 tcp window [] Toont of stelt de default ontvangst venster grootte in bytes in, die wordt gebruikt door TCP, wanneer nieuwe verbindingen worden gemaakt. Bestaande verbindingen worden niet beinvloed. 3.91 telnet [] Start een Telnet sessie naar de specificeerde host en gaat naar de conver- se mode. Wanneer is opgegeven, wordt dat nummer gebruikt. Default poort is 23. 3.92 test Start een interne test voor een overflow probleem dat kan optreden in de klok functie van sommige AT coputers. 3.93 third-party [yes | no] Dit is een instelling voor sommige landen waar het stations niet is toege- staan om post van derden af te handelen. 3.94 ttylink [] Creert een Telnet sessie naar de gespecificeerde host en gaat naar de con- verse mode. Wanneer is opgegeven, wordt dat nummer gebruikt. Default poort is 87. Dit gebruikt een split screen interface voor gemakkelijke con- versatie. 3.95 tip Creert een tip sessie dat naar de gespecificeerde interface verbindt in de "dumb terminal" mode. De interface moet al aangesloten zijn met de attach command. Alle packet verkeer (IP datagams, enz.) dat naar de interface ge- dirigeerd wordt, terwijl de sessie bestaat, zal worden genegeerd. Om een tip sessie te sluiten, gebruik de reset opdracht. Het zal dan gaan naar normale slip, nrs of kiss mode. Deze feature is hoofdzakelijk bedoeld voor het handmatig maken van SLIP verbindingen. Op het moment, kunnen alleen de ingebouwde "com" poorten voor deze opdracht worden gebruikt. 3.96 trace [ [off | []]] Bestuurt packet tracing door de interface drivers. Specifieke bits maken het tracen van de diverse interfaces mogelijk en de hoeveelheid geprodu- ceerde informatie. Trace output naar het scherm wordt alleen gezonden naar het commandscherm, als in een sessie tracing naar het scherm is opgeschort. (Vanaf versie 2.01) Tracing wordt bestuurd op een per-interface basis, zon- der toevoegingen geeft tracing een lijst van alle gedefinieerde interfaces en hun tracing status. Output kan worden beperkt tot een enkele interface, door deze te specificeren, en het besturings herkenningsteken kan worden gewijzigd door deze ook te specificeren. De herkenningstekens worden gege- ven als een hexadecimmal getal dat als volgt wordt geinterpreteerd: O - Tracing inschakelen van output packets wanneer 1, uitschakelen als 0. I - Tracing inschakelen van input packets wanneer 1, uitschakelen als 0. T - Bestuurt soort van tracing: 0 - Protocol hoofden worden gecodeerd, maar gegevens worden niet ge- toond. 1 - Protocol hoofden worden gecodeerd en gegevens (maar niet de hoof- den zelf) worden getoond als ASCII karakters, 64 karakters/regel. Niet af te drukken karakters worden weergegeven als punten. 2 - Protocol hoofden worden gecodeerd en het gehele packet (hoofden EN gegevens) worden ook weergegeven in hexadecimaal en ASCII, 16 ka- rakters per regel. 3 - Uitzend filter herkenningsteken. Wanneer ingesteld, zullen alleen packets worden getraced die specifiek naar deze node zijn geadres- seerd, uitzend packets zullen niet worden weergegeven. Wanneer tracefile niet gespecificeerd is, zal tracing naar de console gaan. 3.97 udp status Toon de status van alle UDP ontvangst wachtrijen. 3.98 verbose [0 | 1 | 2 | 3] Toon of stel het niveau in van de berichten output in het overdragen van bestanden. Verbose 0 geeft de minste output en verbose 3 de meeste, als volgt: 0 - Geeft alleen fouten meldingen. 1 - Geeft fouten meldingen plus een 1 regel samenvatting na iedere over- dracht; de naam van het bestand, zijn grootte en de overdracht tijd en snelheid. 2 - Geeft fouten en berichten overzicht plus de berichten voortgang ge- genereerd door de verre FTP server. (Deze instelling is de default). 3 - Geeft alle berichten. Een "hekje" (#), wordt getoond voor iedere 1000 gezonden of ontvangen bytes. Wanneer een opdracht naar de verre server wordt gezonden, omdat het lokaal niet is herkend, wordt de reactie altijd getoond, onafhankelijk van de in- stelling van verbose. Dit is nodig voor opdrachten zoals pwd (toon de werk- directory), die anders geen bericht zouden geven, als verbose op 0 of 1 was ingesteld. 3.99 upload [] Opent bestandsnaam en zendt het via de lopende sessie, alsof het op de ter- minal werd getypt. 3.100 watch Toont de momentele software stopwatch waarden, met minimum en maximum uitlezingen voor ieder van beiden. Door deze mogelijkheid kan een program- meur de uitvoeringstijd meten van kritische delen van de code, met een oplossing van een microseconde. Deze opdracht wordt alleen ondersteund op de IBM PC en de betekenis van iedere stopwatch waarde hangt af van waar de oproepen voor test doeleinden zijn ingebracht; de distributie copie van NOS heeft meestal geen stopwatch faciliteiten. 3.101 watchdog [on | off] Schakelt de watchdog timer in of uit. Wanneer interne activiteiten ophouden voor 300 seconden en de watchdog is ingeschakeld, zal een systeem reset worden uitgevoerd. Zie de remote opdracht voor het opstellen van de auto- exec.bat. 3.102 ? Hetzelfde als de help opdracht. 4. Attach opdrachten Dit hoofdstuk geeft details aan van de attach opdrachten voor de diverse hardware interface drivers. Niet alle drivers zullen zijn geconfigurerd in iedere Nos; een lijst van de beschikbare typen kan worden verkregen met de opdracht: attach ?. Enige parameters worden geaccepteerd door verschillende drivers. Zij zijn: 4.0.1 Voor asynchrone apparaten (bijv. COM poorten werkende in SLIP of NRS mode), specificeerd deze parameter de grootte van de ontvanger's ring buffer. Het moet groot genoeg zijn om inkomende gegevens vast te houden op volle snel- heid voor de langste tijd dat het systeem bezet kan zijn in MS-DOS of de BIOS een langzame I/O bewerking doet (bijv. naar een floppy disk). Een kilobyte is meestal meer dan genoeg. Voor synchrone apparaten (bijv. de ssc, hs, pc100, hapn en drsi interfaces, werkende in HDLC mode), geeft de bufsize het grootste packet aan dat op deze interface mag worden ontvangen. Dit moet worden ingesteld door onder- ling overleg van de stations die van het kanaal gebruik maken. Voor stan- daard AX.25 met een maximum I-frame gegevens grootte van 256 bytes, moet een waarde van 325 een voldoende veiligheidsmarge geven. Op hogere snelheid kanalen (bijv. 56kb/s) geven grotere waarden (vijv. 2k bytes) een veel be- tere werking en kunnen gehele Ethernet packets worden verwerkt zonder frag- mentatie. 4.0.2 Het basis adres van de interface's controle registers. Dit kan worden ge- specificeerd in hex als 0xnnn of decimaal. (nnn is het decimale getal). De interface's hardware interrupt (IRQ) vector, in decimaal. Wanneer een vector wordt gevolgd door het karakter 'c', dan wordt de vector aan een interrupt ketting toegevoegd. Om deze manier kunnen meerdere apparaten gebruik maken van dezelfde interrupt vector (hardware aanpassingen kunnen nodig zijn). Een voorbeeld is het gebruik van een 4-poort comm kaart, die van dezelfde vector gebruik maken. De eerste attach opdracht heeft een gewone vector en volgende heeft de c toegevoegd. De poort met de hoogste snelheid moet het laatst worden gedefinieerd (aangezien het het eerste door de ketting wordt bediend). Specificeer de c NIET in het eerste attach opgave in die groep, aangezien onvoorspelbare resultaten zullen optreden. attach asy 0x3f8 4 ax25 ax25 2048 256 1200 attach asy 0x3f0 4c ax25 ax25 2048 256 9600 4.0.4 De naam (een willekeurige karakter reeks) die aan deze interface gegeven wordt. Het wordt gebruikt om aan de interface te refereren in ifconfig en route opdrachten en in trace output. 4.0.5 De Maximum Transmissie Eenheid grootte, in bytes. Datagrams, groter dan deze limiet, zullen worden gefragmenteerd op het IP niveau in kleinere stukken. Voor AX.25 UI frames, beperkt dit de grootte van het informatie veld. Voor AX.25 I frames is de ax25 paclen parameter echter ook van belang. Als het datagram of het fragment, groter is dan paclen, wordt het ook ge- fragmenteerd op het ax25 niveau (in tegenstelling tot IP niveau), voor uit- zending.(zie de paclen ax25 opdracht voor meerdere informatie). 4.0.6 De snelheid in bits per seconde (bijv. 2400). 4.1 attach 3c500 arpa [] Sluit een 3Com 3C501 Ethernet interface aan. qlen is de maximum toelaat- bare zendwachtrij lengte. Wanneer de ip addr parameter niet wordt opgege- ven, zal de waarde van een vorige ip addr opdracht worden gebruikt. Het gebruik van deze driver is niet aanbevolen; gebruik in plaats de packet driver interface met de te laden 3C501 packet driver. 4.2 attach asy ax25 | nrs | ppp | slip | raw | [] Sluit een standaard PC "com poort" aan (asynchrone seriele poort), die de National 8250 of 16650A chip gebruikt. Standaard waarden op de IBM PC en clones voor ioaddr en vector zijn 0x3f8 en 4 voor COM1 en 0x2f8 en 3 voor COM2. Wanneer de poort een 16550A chip gebruikt, zal die automatisch wor- den gedetecteerd en de FIFO ingeschakeld. 4.2.1 ax25 Gelijk aan slip, maar een AX.25 hoofd en een KISS TNC controle hoofd worden vooraan het datagram toegevoegd, voor de SLIP codering. Zowel UI (zonder verbinding) of I (verbinding georienteerd) AX.25 frames kunnen worden ge- bruikt; zie de mode opdracht voor details. 4.2.2 nrs Gebruik de NET/ROM asynchrone frame techniek voor communicatie met een lo- kale NET/ROM TNC. 4.2.3 ppp Point-To-Point Protocol. Zet datagrammen om in een soort HDLC frame. Dit is een nieuwe Internet standaard voor point-to-point communicatie, com- patiebel met de CCITT standaarden. 4.2.4 slip Seriele Lijn Internet Protocol. Zet IPO datagrammen direct om in SLIP frames zonder een link hoofd. Dit is voor het werken op point-to-point lijnen en is compatiebel met 4.2BSD UNIX SLIP. 4.2.5 raw Onbewerkte seriele lijn zonder protocol, speciaal voor lpd server. 4.2.6 De optionele herkenningstekens zijn een reeks van de karakters "vf": v schakelt Van Jacobson TCP/IP Hoofd Compressie in en geldt alleen voor SLIP. f schakelt de fifo in voor 16550A compatiebele chips, zonder problemen van de "ontwerp bug". Helaas krijgen deze goede chips hun fifo niet ingescha- keld. Door het specificeren van f op de attach regel kan de fifo worden gebruikt. (onvoorspelbare resultaten kunnen optreden, wanneer gespecifi- ceerd bij een niet 16550 type chip). 4.3 attach axip Dit creert een RFC1226 compatiebele AX.25 frame omzetter, voor uitzending van AX.25 frames over het Internet. Iface zal de naam van het interface zijn, ip addr het adres van het verre systeem en callsign de AX.25 roep- naam waar dit station naar luistert om frames te digipeaten. Iedere aange- sloten axip interface moet een verschillende roepnaam hebben om naar te luisteren en dat moet ook verschillend zijn van andere roepnamen die dit station gebruikt. 4.4 attach drsi ax25 N6TTO driver voor de Digital Radio Systems PCPA 8530 kaart. Aangezien er 2 kanalen op de kaart zijn, worden 2 interfaces aangesloten. Zij worden genoemd met een 'a' en een 'b' toevoeging. Bufsize is de ontvanger buffer grootte in bytes; het moet groter zijn dan het grootste frame dat wordt ontvangen. ch a speed en ch b speed zijn de snelheden, in bits/sec, voor de A en B kanalen respectievelijk. 4.5 attach eagle ax25 WA3CVG/NG6Q driver voor de Eagle Computer kaart (Zilog 8530). 4.6 attach hapn ax25 csma | full KE3Z driver voor de Hamilton Amateur Packet Netwerk adapter (Intel 8273). De csma | full parameter, specificeert of de poort moet werken in CSMA mode (Carrier Sense Mutiple Access) of in full duplex. 4.7 attach ax25 Sluit een DRSI PCPA of Eagle Computer interface kaart aan, die een speci- ale hoge snelheid 8530 gebruikt. Deze driver gebruikt "busy-wait" loops om ieder byte te zenden en te ontvangen, in plaats van interrupts, zodat hoge snelheid modems, (zoals het WA4DSY 56kb/s modem) op langzame systemen kunnen worden gebruikt. Dit heeft het "neveneffect" dat het systeem "be- vriest", wanneer de modem zender of ontvanger actief is. Deze driver kan alleen in de CSMA mode werken en het is aanbevolen dat geen andere inter- faces die kleine interrupts nodig hebben, op dezelfde machine worden aan- gesloten. De keyup vertragingsparameter specificeert de zender keyup vertraging in byte tijd intervallen. De p waarde specificeert de zender persistence waarde in het bereik 1-255; De overeenkomstige slot time ligt vast op een hardware klok tik, ongeveer 55 msec. op de PC. Zoals met andere 8530 drivers, verbindt deze driver twee interfaces, e e n voor ieder 8530 kanaal. 4.8 attach packet Driver voor gebruik met aparte "packet drivers", volgens de FTP Software Inc, Software Packet Drivers specificatie. De driver moet al geinstalleerd zijn voordat de attach opdracht wordt gegeven. Packet drivers in de Inter- net, ARCNET, SLIP, SLFP, en KISS/AX25 klassen worden ondersteund. intvec is de software interrupt vector, gebruikt voor communicatie naar de packet driver en txqlen is het maximum aantal packets dat is toegestaan in de zend wachtrij. 4.9 attach pc100 ax25 Driver voor de PACCOMM PC-100 (Zilog 8530) kaart. Alleen AX.25 is onder- steund. 4.10 attach scc init [p | r] [] [] PE1CHL driver om een interface kaart van de familie SCC (8530) te inti- tialiseren, voor het werkelijk te attachen. De parameters zijn als volgt: 4.10.1 Het aantal te ondersteunen SCC chips. 4.10.2 Het basis adres van de eerste SCC chip (hex). 4.10.3 De spatie tussen de SCC chip basis adressen. 4.10.4 De offset van een chip's basis adres naar zijn kanaal A controle register. 4.10.5 De offset van een chip's basis adres naar zijn kanaal B controle register. 4.10.6 De offset van ieder kanaal zijn controle register naar zijn gegevens regis- ter. 4.10.7 Het adres van de INTACK/Lees Vector poort. Wanneer geen, specificeer 0, om van RR3A/RR2B te lezen. 4.10.8 De CPU interrupt vector voor alle aangesloten SCC's. 4.10.9 De klok frequentie (PCLK/RTxC) van alle SCC'c in Hertz. Prefix met 'p' voor PCLK, 'r' voor RTxC klok (voor baudrate generator). 4.10.10 Optioneel hardware type. De volgende waarden zijn momenteel ondersteund: 1 - Eagle kaart, 2 - PACCOMM PC-100, 4 - PRIMUS-PC kaart (DG9BL), 8 - DRSI PCPA kaart. 4.10.11 Optionele extra parameter. Op het moment wordt dit alleen gebruikt met de PC-100 en de PRIMUS-PC kaarten, om de modem mode in te stellen. De waarde 0x22 wordt gebruikt met de PC-100 en 0x2 wordt gebruikt met de PRIMUS-PC kaart. De attach scc...unit opdracht moet worden gegeven voordat de interfaces daadwerkelijk zijn verbonden met de volgende opdracht. 4.11 attach scc slip | kiss | nrs | ax25 [] Sluit een geinitialiseerde scc poort aan het systeem aan. De parameters zijn als volgt: 4.11.1 Het SCC kanaal nummer om aan te sluiten, 0 of 1 voor de eerste chip's A of B poort, 2 of 3 voor de tweede chip's A of B poort., enz. 4.11.2 slip | kiss | nrs | ax25 De werk mode van de interface. Slip, kiss en nrs werken besturen de hard- ware poort in asynchrone mode; slip is de Internet standaard seriele lijn IP mode, kiss genereert SLIP frames die KISS TNC opdrachten bevatten en AX.25 packets en nrs gebruiken NET/ROM lokale link framing afspraken voor NET/ROM packets. Kiezen van ax25 zet de interface in de synchrone HDLC mode die geschikt is voor directe verbinding naar een half duplex radio modem. 4.11.3 De interface snelheid in bits per seconde (bijv. 1200). Prefix met 'd', wanneer een externe deler beschikbaar is om de TX klok te genereren. Wan- neer de klok bron PCLK is, kan dit een /32 deler zijn tussen TRxC en RTxC. Wanneer de klok RTxC is, moet de TX snelheid geleverd worden bij TRxC. Dit is alleen nodig voor vol duplex werking. Wanneer deze toevoeging als 'ext' wordt opgegeven, zijn de zend en ontvangklokken extern en de interne baud rate generator (BRG) en digitale fase lock loop (DPLL) worden niet gebruikt. 4.12 Attach voorbeelden Hier zijn enige voorbeelden van de attach opdracht: # Verbindt een 3Com Ethernet controller die het standaard 3Com adres ge- # bruikt en vector (zoals het uit de doos komt) om ARPA-standaard omzet- # ting te gebruiken. # De ontvang wachtrij is beperkt tot 5 packets en uitgaande packets groter # dan 1500 bytes zullen worden gefragmenteerd. attach 3c500 0x300 3 arpa ec0 5 1500 # Verbindt de PC async. kaart, normaal bekend als "com1" (de eerste control- # ler, om te werken in point-to-point slip mode op 9600 baud, genoemd "s10". # Een 1024 byte ontvangst ringbuffer is toegewezen. Uitgaande packets # groter dan 256 bytes worden gefragmenteerd. attach asy 0x3f8 4 slip s10 1024 256 9600 # Verbindt de secundaire PC async. kaart ("com2") om in de AX.25 mode te # werken met een MTU van 576 bytes op 9600 baud met een KISS TNC, genoemd # "ax0". attach asy 0x2f8 3 ax25 ax0 1024 576 9600 # Verbindt een axip wormhole attach axip ai0 256 129.179.122.10 pa0gri-11 # aan de andere kant van de wormhole attach axip ai0 256.129.179.122.130 pa0gri-12 # Veronderstel nu dat 129.179.122.10 een AX.25 interface heeft met roep- # naam pa0gri-10 en 129.179.122.130 een interface met roepnaam pa0gri-8 # Een AX.25 frame zoals: # pe1chl->pa0gri-11->pa0gr1-8->pe1dna [gegevens] # ontvangen door pa0gri-11, verandert de wijziging door digipeating met # roepnaam vanwaar het origineel afkomstig was, en brengt het onder in een # IP frame type 93 en verscheept het naar 129.179.122.130 # pe1chl->pa0gr1-10*->pa0gri-12*->pe1dna [gegevens] # Aangekomen op 129.179.122.130 wordt naar de volgende digi gezocht en ge- # vonden. # Het frame wordt gewijzigd in: # pe1chl->pa0gri-10*->pa0gri-12*->pe1dna [gegevens] # zodat op de weg terug het frame de "juiste" interface zal vinden. # Verbindt de packet driver, geladen op interrupt 0x7e # De packet driver is voor Ethernet interface attach packet 0x7e ethernet 8 1500 5. FTP subopdrachten Tijdens de converse mode met een FTP server, zal alles wat wordt getypt eerst worden onderzocht, om te kijken of het een lokaal bekende opdracht is. Wanneer niet, wordt de regel intact doorgegeven aan de server op af- stand op het controle kanaal. Wanneer het een van de volgende opdrachten is, wordt het echter lokaal uitgevoerd. (Dit betreft meestal andere op- drachten die naar de server op afstand worden gezonden op het controle ka- naal). 5.1 dir (bestand) | []] Zonder toevoegingen, zal dir verzoeken de gehele huidige directory van de server op afstand, te zenden naar de terminal. Wanneer een toevoeging wordt opgegeven, wordt deze samen met de LIST opdracht doorgegeven; dit kan een bepaald bestand of subdirectory zijn die van betekenis is voor het verre bestandsysteem. Wanneer twee toevoegingen worden opgegeven, is de tweede bedoeld als het lokale bestand waarin de directory opgave moet worden op- geslagen (in plaats van naar de monitor te zenden). De PORT opdracht wordt gebruikt voordat de LIST opdracht wordt gezonden. 5.2 flow [off | on] Toont of stelt de -more- bewerking in voor de lopende ftp sessie. Wanneer ingesteld op on, wordt een -more- aanduiding weergegeven na ieder scherm vol met gegevens. U kunt hetzelfde doen met een sessie# flow. Dit is een lokale toevoeging van de standaard ftp opdrachten. 5.3 get [] Vraagt de server op afstand om een bestand te zenden, gespecificeerd in de eerste toevoeging (bestand op afstand), De tweede toevoeging, wanneer opgegeven, zal de naam zijn van het bestand op de lokale machine; anders zal het dezelfde naam hebben als op de verre machine. De PORT en RETR op- drachten worden op het controle kanaal gezonden. 5.4 hash Een synoniem voor de verbose 3 opdracht. 5.5 ls [ | []] ls is gelijk aan de dir opdracht, uitgezonderd dat de "NLST" opdracht naar de server wordt gezonden, in plaats van de "LIST" opdracht. Dit resulteert in een verkorte directory listing, bijv. een die alleen de bestandsnamen zelf toont, zonder verdere informatie. 5.6 mget [ ...] Haal een verzameling bestanden op van de server. Bestandsnamen mogen wild- cards karakters hebben; zij zullen worden vertaald en uitgebreid in een lijst van bestanden door het verre systeem, met gebruik van de NLST op- dracht. De bestanden zullen dezelfde namen hebben als zij hadden op de server. 5.7 mkdir Maakt een directory op de verre machine. 5.8 mput [ ...] Zendt een verzameling bestanden naar de server. Bestandsnamen mogen wild- card karakters hebben; zij zullen lokaal worden uitgebreid in een lijst van bestanden die moeten worden gezonden. De bestanden zullen dezelfde namen hebben op de server als op het lokale systeem 5.9 put [] Vraagt de server op afstand om gegevens te accepteren en een bestand te maken, genoemd in de eerste toevoeging (lokaal bestand). De tweede toe- voeging, wanneer opgegeven, zal de naam van het bestand zijn op de verre machine; anders zal het de naam hebben als op de lokale machine. De PORT en STOR opdrachten worden op het controle kanaal gezonden. 5.10 rmdir Verwijder een directory op de verre machine. 5.11 type [a | i | l ] Vertelt de lokale client en server op afstand het bestandstype dat moet worden gezonden. De default (die kan worden gewijzigd met de ftype op- dracht), is 'a', hetgeen betekent ASCII (dus een tekst bestand). Type 'i' betekent image, dus binair. In de ASCII mode, worden bestanden verzonden als varierende tekst regel lengten in ASCII, gescheiden door cr/lf reeksen; in de IMAGE mode, worden bestanden precies zo gezonden als zij in het be- standsysteem staan. ASCII mode moet worden gebruikt wanneer tekst wordt gezonden tussen verschillende systemen (bijv. UNIX en MS-DOS) in verband met de verschillen tussen eind-van-de regel en/of eind-van-bestand afspra- ken. Wanneer tekst bestanden worden gezonden tussen machines van hetzelfde type, zullen beide modes werken, maar de IMAGE mode is meestal sneller. Wanneer binaire bestanden moeten worden uitgewisseld (.exes, .zips, enz.) moet natuurlijk de IMAGE mode worden gebruikt. Type 'l' (logische byte grootte) wordt gebruikt wanneer binaire bestanden met verre servers moeten worden uitgewisseld, die vreemde woord grootten hebben (bijv. DECSYSTEM-10s en 20s). Lokaal werkt het precies hetzelfde als IMAGE, uitgezonderd dat het het verre systeem informeert hoe groot de bit grootte is. Bitgrootte is typisch 8. De type opdracht stelt de lokale overdracht mode in en gene- reert de TYPE opdracht op het controle kanaal. 5.12 verbose [0 | 1 | 2 | 3] Toont of stelt het niveau in van de berichten output in bestanden over- dracht. Verbose 0 geeft de minste output en verbose 3 de meeste, als volgt: 0 Geeft alleen fouten meldingen 1 Geeft fouten meldingen plus een enkele regel samenvatting na iedere overdacht van de naam van het bestand, zijn grootte en de overdracht tijd en snelheid. 2 Geeft fouten en samenvatting berichten, plus de voortgang berichten, gegenereerd door de verre FTP server. (Dit is de default instelling). 3 Geeft alle berichten. Bovendien wordt een hekje (#) gezet voor iedere 1000 gezonden of ontvangen bytes. Wanneer een opdracht naar de verre server wordt gezonden, omdat het lokaal niet herkend is, zal het antwoord altijd worden getoond, onafhankelijk van de instelling van verbose. Dit is nodig voor opdrachten zoals pwd (toon de werkdirectory), waardoor anders geen enkel bericht zou worden gegeven, wan- neer verbose op 0 of 1 was ingesteld. 6. Opbel subopdrachten Iedere opbelopdracht zou een apart opbelbestand moeten hebben. Het bestand staat in de configuratie directory, zoals gespecificeerd in het installatie hoofdstuk (zie hoofdstuk 1). Een typisch opbel bestand kan zijn: # Stel de snelheid in en zet DTR in om er zeker van te zijn dat het # modem in de command mode is. control down wait 3000 speed 2400 control up wait 3000 # Bel en wacht op verbinding send "atdt555-1212\r" wait 45000 "CONNECT" speed wait 2000 # PAD specifieke initialisatie send "\r" wait 15000 "Terminal =" send "ppp\r" wait 10000 "\r\n" 6.0.1 control down | up Bestuurt asy interface. De down optie maakt DTR en RTS laag. De up optie schakelt DTR en RTS in. 6.0.2 send "reeks" Deze inbel opdracht zal een specifieke reeks naar de interface schrijven. De aanhalingstekens voor en na de reeks zijn vereist en de reeks mag geen control karakters bevatten. De standaard C string escape reeks worden her- kend (\0 moet niet worden gebruikt). 6.0.3 speed [ 9600 | 4800 | 2400 | 1200 | 300 ] Deze bel opdracht zal de snelheid van de interface instellen naar een van de beschikbare snelheden. Wanneer de snelheid niet aanwezig is, zal de snelheid worden weergegeven in het sessie inbel venster. 6.0.4 wait [ "test reeks" ] [ snelheid ] Wanneer alleen de tijd wordt gespecificeerd, zal het inbellen wachten ge- durende het aantal milliseconden. Anders zal de inbeller blijven lezen, tot de testreeks is gevonden op de interface. Wanneer de reeks niet wordt gevonden binnen de gewenste tijd, zal de autoinbeller worden gereset. De aanhalingstekens zijn vereist en de reeks mag geen control karakters bevat- ten. De standaard C string escape reeks worden herkend (\0 moet niet worden gebruikt). Tenslotte, als de snelheid is gespecificeerd, zal de inbeller doorgaan met het lezen van karakters tot een niet digit wordt gedetecteerd. De reeks wordt omgezet in een geheel getal en gebruikt om de interface snelheid in te stellen. Als de voorafgaande niet-digit niet wordt gedetecteerd binnen de gewenste tijd, of als de gehele waarde een ongeldige snelheid is, wordt de autoinbeller gereset. 7. Installatie Nos gebruikt volgende bestanden en directory structuur: ~/alias ~/autoexec.nos ~/dialer ~/domain.txt ~/ftpusers ~/net.rc ~/netrom.sav ~/popusers ~/finger/ ~/etc/printcap ~/etc/lpdperms ~/etc/log ~/spool/areas ~/spool/mail.log ~/spool/net.log ~/spool/forward.bbs ~/spool/history ~/spool/rewrite ~/spool/help ~/spool/mail ~/spool/mqueue ~/spool/news ~/spool/news/active ~/spool/news/pointer ~/spool/news/info ~/spool/news/help ~/spool/news/history ~/spool/news/forward ~/spool/news/poll ~/spool/rqueue/ ~/spool/singatur/ ~/spool/lpd/ De ~ voor alle bestanden is een directory offset zoals de -d optie in de Nos opdracht regel. Iedere naam kan worden gekozen en heeft geen default. (alleen /) Als bijvoorbeeld -d/net wordt opgegeven, verschuift de struc- tuur naar /net/.... De autoexec.nos, dialer, domain.txt, net.rc, popusers en ftpusers configuratie bestanden zijn hier ondergebracht. Het netrom.sav bestand zal hier worden gecreerd. De "/spool" directory en zijn subdirectories worden gebruikt door de BBS, SMTP en NNTP diensten. De gebieden forward.bbs, history, mail.log en re- write configuratie bestanden zijn hier ondergebracht. De /spool/news direc- tory kan vele subdirectories hebben en iedere subdirectory kan subdirec- tories hebben. Nieuwsgroepen zijn opgesplit in hierarchische directory structuren. Een nieuws artikel in nieuwsgroep rec.amateur.radio.packet zal terecht komen in spool/news/rec/amateur/radio/packet.txt. 7.1 Het /ftpusers bestand Aangezien MS-DOS een enkele gebruiker operating systeem is, geeft het geen toegangscontrole; alle bestanden kunnen worden gelezen, geschreven of ver- wijderd door de lokale gebruiker. Het is meestal ongewenst om zo'n open toe- gang te geven aan een systeem met verre netwerk gebruikers. Net heeft daar- zijn eigen toegangscontrole mechanismen. Het bestand ftpusers controleert FTP en mailbox toegang van gebruikers op afstand. De FTP default is geen toegang; wanneer dit bestand niet bestaat, zal de FTP server onbruikbaar zijn. Een verre gebruiker moet eerst "inloggen" op het systeem met USER en PASS opdrachten, een geldige naam en wachtwoord geven die in ftpusers staan, voor hij bestanden kan uitwisselen. Iedere opgave in ftpusers bestaat uit een enkele regel van het formaat: gebruikersnaam wachtwoord /pad toestemmingen ip adres Gebruikersnaam is de gebruiker's login naam. Wachtwoord is het vereiste wachtwoord. Dit is in gewone tekst; het is daar- om geen goed idee om algemene leestoestemming te geven naar de stam-direc- tory. Een wachtwoord met '*' (een enkele ster) betekent dat ieder wacht- woord geaccepteerd wordt. /pad is de toegestane prefix voor toegankelijke bestanden. Voor een be- stand of directory actie, moeten de momentele directory en de gebruiker ge- specificeerde bestandsnaam samengevoegd worden om een complete padnaam te vormen. (bijv. een complete padnaam, beginnende bij de stam, met "./" en "../" referenties, overtollige /'s, herkend en verwijderd. Het resultaat MOET beginnen met de toegestane pad prefix; wanneer niet, wordt de actie afgewezen. Dit veld moet altijd beginnen met een "/", dus bij de root di- rectory. Meerdere directories kunnen worden gespecificeerd, door ze te scheiden met een ";" (punt komma) karakter en geen spaties ervoor of er- achter. Toestemmingen is een decimaal getal dat toestemming geeft om te lezen, ma- ken en schrijf-acties. Wanneer het laagste bit (0X1) is ingesteld, is het de gebruiker toegestaan om een bestand te lezen tot de padnaam prefix be- perking. Wanneer het volgende bit (0x2) is ingesteld, is het de gebruiker toegestaan om een nieuw bestand aan te maken, wanneer het niet een bestaand bestand overschrijft. Wanneer de derde bit (0x4) wordt ingesteld, is het de gebruiker toegestaan om een bestand te schrijven, zelfs wanneer het een bestaand bestand overschrijft en bovendien mag hij bestanden verwijderen. Toestemmingen kunnen worden gecombineerd door bits samen te voegen, bij- voorbeeld, 0x3 (= 0x2 + 0x1) betekent dat de gebruiker toestemming heeft om te lezen en bestanden te maken, maar niet te overschrijven/verwijderen. Extra toestemming bits, gebruikt door de mailbox en PPP zijn: 1 Lees bestanden 2 Maak nieuwe bestanden 4 Overschrijf en verwijder bestaande bestanden 8 AX.25 gateway toegestaan 16 Telnet gateway toegestaan 32 NET/ROM gateway toegestaan 64 Sysop toegang op afstand toegestaan (Gevaarlijk) 128 Deze gebruiker is toegang tot BBS verboden (illegale gebruiker) 256 Speciaal bit voor PPP verbinding 512 Speciaal bit voor nakijken van ID/Wachtwoord 1024 Zend opdrachten niet toegestaan (uitgezonderd sysop) 2048 Lees opdrachten niet toegestaan 4096 Post van derden niet toegestaan 8192 Dit station is een bekende BBS ip adres wordt alleen gebruikt voor PPP en is het IP adres van het verbon- den systeem. Een gebruikersnaam of univperm heeft speciale betekenis in het mechanisme van geldig verklaring . Wanneer univperm in ftpusers staat als een geldige gebruiker, dan zal iedere onbekende gebruiker (niet in ftpusers) in univ- perm worden ingedeeld en zijn toestemming bits en bestandspad krijgen. Wan- neer univperm niet in ftpusers staat, worden onbekende gebruikers niet toe- gestaan en geldig verklaart. Bijvoorbeeld, veronderstel ftpusers op machine pc.ka9q.ampr.org bevat de regel: friendly test /testdir 7 Een sessie die dit account gebruikt zou er als volgt uitzien: net> ftp pc.ka9q.ampr.org Resolving pc.ka9q.ampr.org... Trying 128.96.160.1... FTP session 1 connected to pc.ka9q.ampr.org 220 pc.ka9q.ampr.org FTP version 900418 ready at Mon May 7 16:27:18 1990 Enter user name: friendly 331 Enter PASS command Password: test (wordt niet weergegeven) 230 Logged in ftp> De gebruiker heeft nu lezen, schrijven, overschrijven en verwijder privi- leges voor ieder bestand onder /testdir; hij heeft geen toegang tot andere bestanden. Hier zijn nog enige voorbeelden opgaven in ftpusers: karn foobar / 7 # Gebruiker "karn" met wachtwoord "foobar" mag lezen, # schrijven, overschrijven en verwijderen, ieder bestand # op het systeem. guest bletch /g/bogus;/public 3 # User "guest" met wachtwoord "bletch" mag ieder bestand # lezen onder /g/bogus en zijn subdirectories, # en /public en zijn subdirectories. # en mag een nieuw bestand aanmaken, zolang het niet een # bestaand bestand overschrijft. Hij mag NIET bestanden # verwijderen. anonymous * /public 1 # Gebruiker "anonymous" (ieder wachtwoord) mag bestanden # lezen onder /public en zijn subdirectories; hij mag # geen bestanden aanmaken, overschrijven of verwijderen. Deze laatste opgave is de standaard afspraak voor opslagplaats van publie- ke bestanden; speciaal de gebruikersnaam "anonymous" is een gevestigde ARPA afspraak. 7.2 Het /popusers bestand Hier worden de gebruikersnaam / wachtwoord combinaties gedefinieerd voor de POP gebruikers. Het heeft een eenvoudige afspraak: gebruiker:wachtwoord: Voor iedere pop gebruiker moet zo'n regel worden toegevoegd. De gebruiker en wachtwoord velden moeten overeen komen met de pop gebruikersgegevens van de gebruiker op afstand. Gebruiker en wachtwoord moeten worden afgeslo- ten door een dubbele punt. 7.3 Het net.rc bestand Het net.rc bestand is een snel login bestand voor bekende ftp stations. Iedere regel begint met de naam van het ftp station, gevolgd door de ge- bruiker en wachtwoord opgave die naar de server wordt gezonden voor geldig verklaring. De naam, gebruiker en wachtwoord zijn gescheiden door een spa- tie. Niet een tab of meer dan 1 spatie karakters. Hier volgt een voorbeeld nt.rc bestand: ucsd.edu anonymous gvdg@gvdgpc.cdh.cdc.com ka9q.ampr.org guest pa0gri 7.4 Het /domain.txt bestand Nos vertaalt domain namen (zoals, "pc.ka9q.ampr.org") naar IP adressen (zoals, 128.96.160.3) door gebruik van een Internet Domain Naam omzetter en een lokaal "cache" bestand, domain.txt. Wanneer de gebruiker een domain naam opgeeft, wordt de lokale cache doorgezocht voor de gewenste opgave. Wanneer aanwezig, wordt het gebruikt, wanneer niet, en als de domain namen server(s) geconfigureerd zijn, wordt een verzoek over het netwerk gezonden naar de momentele server. Wanneer de server antwoordt, wordt dat antwoord toegevoegd aan het domain.txt bestand voor toekomstig gebruik. Wanneer de server niet reageert, worden andere servers op de lijst geprobeerd totdat er een reageert, of totdat de retry limiet is bereikt (zie de domain retry opdracht). Wanneer domain.txt de gewenste opgave niet bevat en er is zijn geen geconfigureerde domain namen servers, zal het verzoek direct mislukken. Wanneer een domain namen server beschikbaar is, en als alle referenties naar host-id's in het autoexec.nos bestand in IP adres formaat zijn, dan is het mogelijk te starten met een geheel leeg domain.txt bestand en het door Nos te laten opbouwen. U zult echter Uw eigen opgaven aan de doamin.txt willen toevoegen, omdat U er de voorkeur aan geeft om symbolische domain namen in het autoexec.nos bestand te gebruiken, of U heeft geen toegang tot een domain server en U moet opgaven creeren voor alle hosts die U wilt be- reiken. Iedere opgave neemt een regel in beslag en de velden zijn gescheiden door tabs. Bijvoorbeeld: pc.ka9q.ampr.org. IN A 128.96.160.3 IN is de klasse van de opgave. Het betekent Internet en wordt teruggevon- den in alle opgaven. A is het type van de opgave en het betekent dat dit een adres opgave is. Domain naam pc.ka9q.ampr.org heeft daarom Internet adres 128.96.160.3. Een andere mogelijke opgave is de CNAME (Canonical Name) opgave. Bijvoorbeeld: ka9q.ampr.org. IN CNAME pc.ka9q.ampr.org. Dit betekent dat domain naam "ka9q.ampr.org" een andere naam is voor het systeem met de primaire domain naam "pc.ka9q.ampr.org." Wanneer een domain naam die een CNAME opgave heeft, aan Nos wordt gegeven, zal het systeem automatisch de referentie naar de primaire domain naam volgen en het IP adres hiervan gebruiken. Opgaven die automatisch door Nos worden toegevoegd, zullen een extra veld hebben tussen de domain naam en het klasse (IN) veld. Bijvoorbeeld: pc.ka9q.ampr.org. 3600 IN A 128.96.160.3 Dit is de levensduur, in seconden, van de opgave die van de server is ont- vangen. Clients (zoals Nos) die deze opgaven opslaan, worden geacht deze te verwijderen na de levensduur periode, om te voorkomen dat de informatie van de gegevens niet meer up to date zijn. Deze toepassing van Nos zal de TTL doen afnemen tot nul, maar zal de gege- vens niet verwijderen, tenzij het "clean" herkenningsteken is ingeschakeld (zie de domain cache clean opdracht). Wanneer een verre server niet be- schikbaar is, zal de oude opgave worden gebruikt. Wanneer de TTL waarde niet aanwezig is (zoals in de voorbeelden hierboven), zullen de gegevens nooit verlopen en moeten handmatig worden verwijderd. Aangezien de domain.txt een gewoon tekst bestand is, kan de gebruiker ge- makkelijk gegevens veranderen, verwijderen en toevoegen. Additionele records, zoals NS (namen server) en SOA (start of authority) kunnen in de domain.txt terecht komen van de server op afstand. Die worden momenteel niet door Nos gebruikt, maar worden vastgehouden voor toekomstige ontwikkelingen (zoals het onderbrengen van een domain namen server in Nos zelf). 7.5 Het /alias bestand SMTP server ALIAS bestand. Dit is voor omzetten van een bepaald doel adres in een enkele of meerdere mailing lijst opgaven. Formaat: mail_list_name call_1@host_1 [call_2@host_2] ......# comments pa0gri gvdg@fridley.cdh.cdc.com kelvin glemm@g1emm.ampr.org # bob gb3xp@gb3xp.ampr.org ian g3rra@g3rra.ampr.org jim g1wkk@g1wkk.ampr.org john g5ds%gb3kp@gb3xp.ampr.org ted gb3kp%gb3kp@gb3xp.ampr.org ron g6vug@g6vug.ampr.org tim g4uqe@g4uqe.ampr.org gareth g6kvk%gb7spv@gb3xp.ampr.org bolton gb7tcp%gb7crg@gb3xp.ampr.org julian g7efe%gb7cfb@gb3xp.ampr.org # wereld g3rra@g3rra.ampr.org gb3xp@gb3xp.ampr.org g1plt@g1plt.ampr.org g1wkk@g1wkk.ampr.org g8kwi@g8kwi.ampr.org g6kvk%gb7spv@gb3xp.ampr.org g1ttg@g1ttg.ampr.org g6vug@g6vug.ampr.org g6kqz@g6kqz.ampr.org g4uqe@g4uqe.ampr.org g8ogr@g8ogr.ampr.org g4xwv@g4xwv.ampr.org # lokalen g3rra@g3rra.ampr.org g1wwk@g1wwk.ampr.org g8kwi@g8kwi.ampr.org g4bio@g4bio.ampr.org g1plt@g1plt.ampr.org g4uqe@g4uqe.ampr.org g6kqz@g6kqz.ampr.org g4tnu@g4tnu.ampr.org g6xqb@g6xqb.ampr.org Het is soms wenselijk om de alias gegevens in het volgende formaat te heb- ben: gebied gebied bestemming1 bestemming2 Aangezien het alias bestand maar een keer gescanned wordt, leidt dit niet tot een oneindige herhaling. 7.6 Het /spool/areas bestand Dit bestand is een hoofdbestand dat wordt getoond aan een mailbox gebrui- ker. Het moet alle publieke postbussen tonen die te lezen zijn. Hier is een voorbeeld: -------------- Public -- Mail -- Areas ----------------- General -- Alle oude geschoonde praatjes Tcpip -- Algemene TCP/IP berichten. Nos enz. Bugs -- Waar bugs te rapporteren in KA9Q-NOS Updates -- Info - Nos versie Updates door G1EMM ------------------------------------------------------------------ 7.7 Het/spool/forward.bbs bestand De postbus leest een verzendings bestand, spool/forwarding.bbs. Hier is een voorbeeld bestand: wb0ttw 0006 ax25 ax0 wb0ttw wb0ttw w0tn mspbul all ----- wb0gdb netrom #msparh ..c msparh all ----- Het eerste woord op de eerste regel in een verzendopgave is de naam van de BBS waar naartoe te zenden. Dit moet dezelfde soort naam zijn die in de mbox status opdracht staat. Het tweede woord is optioneel. Het specificeert een uren bereik wanneer het verzenden kan plaats vinden. 0006 betekent dat er alleen verzending plaats vindt naar dit station tussen middernacht en 06:00 uur. De tweede regel geeft aan hoe de verbinding moet worden uitgevoerd. Het moet beginnen met het protocol (ax25, connect, tcp, telnet of netrom) en gevolgd door alle parameters die nodig zijn, wanneer Nos een verbinding moet maken. Direct na de tweede regel kunnen er regels zijn die beginnen met een punt. Wat na de punt komt zal naar de verre BBS worden gezonden, zodra de verbin- ding is gemaakt. Dan volgen de namen van een aantal berichten gebieden, prive of publiek. Dan moeten er een aantal "-" tekens komen om de ene verzending van de andere te scheiden. Sluit ook het bestand af met een laatste regel van streepjes ("-"). 7.8 Het /spool/rewrite bestand Leest het rewrite bestand voor regels waar het eerste woord een normale uitdrukking is en het tweede woord zijn regels voor het herschrijven. Een optioneel derde veld dat alleen de letter "r" bevat, wanneer aanwezig, geeft Nos de opdracht het rewrite bestand opnieuw te starten, met gebruik van het nieuwe bestemmingsadres. Het speciale karakter '$', gevolgd door een getal verwijst naar de reeks die overeenkomt met een '*' karakter. De '*' karakters zijn genummerd van 1 tot 9. Bijvoorbeeld: de regel "*@*.* $2@$1.ampr.org" zou het adres "foo@bar.xxx" herschrijven in "bar@foo.ampr.org. # *@g1emm.ampr.org $1 *@g1emm.ampr. $1 *@g1emm $1 # *!*!*!*!*!*!* $7%$6@$5@$4@$3@$2@$1 *!*!*!*!*!* $6%$5@$4@$3@$2@$1 *!*!*!*!* $5%$4@$3@$2@$1 *!*!*!* $4%$3@$2@$1 *!*!* $3%@$2@$1 *!* $2@$1 !* $1 r # # The End 8. Instellen van Bufsize, Paclen, Maxframe, MTU, MSS en Window Voor veel Nos gebruikers zijn deze parameters wat verwarrend en zij weten niet hoe die precies moeten worden ingesteld. Dit hoofdstuk zal eerst deze parameters opnieuw bespreken en dan bekijken hoe hiervoor waarden te kiezen. Speciale aandacht is gegeven om problemen te voorkomen die kunnen voorkomen, wanneer gecommuniceerd wordt met andere toepassingen dan Nos of AX.25. 8.1 Hardware Parameters 8.1.1 Bufsize Deze parameter is vereist door de meeste van Nos's ingebouwde HDLC drivers (o.a. voor de DRSI PCPA en de Paccomm PC-100). Het specificeert de grootte van de buffer die wordt toegewezen voor iedere ontvanger poort. HDLC frames groter dan deze buffer kunnen niet worden ontvangen. Er is geen default bufsize; het moet worden gespecificeerd in de attach opdracht voor de interface. 8.2 AX.25 Parameters 8.2.1 Paclen Paclen beperkt de de grootte van het gegevensveld in een AX.25 frame. Deze waarde is zonder het AX.25 protocol hoofd. (bron, bestemming en digipeater adressen). Aangezien de niet-connected AX.25 mode (datagram), UI frames gebruikt, heeft deze parameter geen effect in de niet-connected mode. De default waarde van paclen is 256 bytes. 8.2.2 Maxframe Deze parameter bestuurt de aantal I-frames dat Nos mag zenden via een AX.25 verbinding, voordat het moet stoppen en wachten op bevestiging. Aangezien het AX.25/LAPB volgorde getal veld 3 bits groot is, kan dit getal nooit groter dan 7 zijn. Aangezien de niet-connected (datagram) AX.25 mode, UI frames gebruikt die geen volgorde getallen hebben, is deze parameter niet van toepassing in de niet-connected mode. De default waarde van maxframe in Nos is 1 frame. 8.3 IP en TCP Parameters 8.3.1 MTU De MTU (Maximum Transmission Unit) is een interface parameter die de groot- te van het grootste IP datagram beperkt, dat het mag afhandelen. IP data- grammen gezonden via een interface die groter zijn dan zijn MTU, worden in twee of meer fragmenten gesplitst. Ieder fragment heeft zijn eigen IP hoofd en wordt door het netwerk behandeld alsof het een apart datagram is, maar wanneer het op de bestemming aankomt, wordt het op de IP laag vastgehouden, totdat alle andere fragmenten zijn aangekomen, die tot het originele data- gram behoren. De minimum acceptabele interface MTU is 28 bytes: 20 bytes voor het IP (fragment) hoofd, plus 8 bytes gegevens. Er is geen default MTU in Nos, het moet speciaal voor iedere interface wor- den gespecifiveerd in de attach opdracht. 8.3.2 MSS MSS (Maximum Segment Size) is een TCP niveau parameter die de hoeveelheid gegevens beperkt, dat de verre TCP in een enkel TCP packet zal zenden. MSS waarden worden uitgewisseld in de SYN (connect request) packets die een TCP verbinding openen. In de Nos toepassing van TCP, is de MSS gebruikt door TCP, verder verlaagd om fragmentatie op de lokale IP interface te voorkomen. Dus, de lokale TCP vraagt IP voor de MTU van de interface die zal worden gebruikt om de bestemming te bereiken. Het trekt dan 40 af van de MTU waarde voor de TCP en IP hoofden. Als het resultaat minder is dan de ontvangen MSS van de verre TCP, wordt die in plaats daarvan gebruikt. De default waarde van MSS is 512 bytes. 8.3.3 Window Dit is een TCP-niveau parameter die controleert hoeveel gegevens de lokale TCP wil toestaan aan de verre TCP om te zenden, voordat het moet stoppen en wachten op een bevestiging. De werkelijke venster waarde, gebruikt door TCP, wanneer beslist wordt hoeveel meer gegevens te zenden, wordt genoemd als het effectieve venster. Dit is de kleinste van de twee waarden: het venster aangegeven door de verre TCP minus de onbevestigde gegevens onder- weg, en het ophoop venster, een automatisch berekende tijd variabele schat- ting van hoeveel gegevens het netwerk kan afhandelen. De default waarde van Window is 2048 bytes. 8.4 Discussie 8.4.1 IP Fragmentatie versus AX.25 Segmentatie IP-niveau fragmentatie maakt het dikwijls mogelijk om twee ongelijke net- werken te verbinden, maar het is het beste dit te vermijden, wanneer moge- lijk. E e n reden is, dat wanneer een enkel IP fragment is verloren, alle andere fragmenten, behorende tot datzelfde datagram ook effectief verloren zijn en het gehele datagram moet bij de bron opnieuw worden verzonden. Zelfs zonder verlies, vragen fragmenten de toewijzing van een tijdelijk buffer geheugen op de bestemming, en het is nooit gemakkelijk te beslissen hoe lang gewacht moet worden voor ontbrekende fragmenten, alvorens op te geven en de fragmenten terzijde te leggen, die al zijn ontvangen. Een timer controller voor het samenstellen, controleert dit proces. In Nos wordt het (op)nieuw geinitialiseerd door de ip rtimer parameter, default is 30 secon- den, wanneer voortgang is gemaakt in het samenstellen van een datagram. (dus wanneer een nieuw fragment is ontvangen). Het is niet nodig dat alle fragmenten die tot een datagram behoren, met een afzonderlijk timeout in- terval aankomen, alleen dat het interval tussen fragmenten minder is dan de timeout. De meeste IP subnetwerken hebben MTU's van 576 bytes of meer, dus deze ver- binden met netwerken die kleinere waarden hebben, kan resulteren in behoor- lijke fragmentatie. Om deze reden worden uitvoerders die werken met links of subnetwerken die meestal kleine packet grootten limieten hebben, aange- moedigd om transparante fragmentatie te gebruiken, dat is, systemen te be- denken om grote IP datagrammen op te breken in een volgorde van link of subnet frames die direct worden samengevoegd tot het origineel aan de an- dere zijde van de link of subnet, zonder gebruik van IP-niveau fragmenta- tie. Zo'n systeem is aanwezig in de AX.25 Versie 2.1. Het kan een groot IP of NET/ROM datagram opdelen in een serie paclen-grootte AX.25 segmenten (niet te verwarren met TCP segmenten), e e n per AX.25 I-frame voor uit- zending en ze opnieuw samenstellen tot een enkel datagram aan de andere kant van de link, v o o r het door te geven naar de IP of NET/ROM module. Helaas is de segmentatie procedure een nieuwe feature in AX.25 en wordt nog niet veel toegepast; in feite is NOS de enige bekende toepassing. Dit geeft problemen tussen Nos en niet-Nos nodes, in het bijzonder, standaard NET/ ROM nodes die gebruikt worden voor IP datagrams. Dit probleem wordt verder besproken in het hoofdstuk over de MTU. 8.4.2 Instellen van paclen en bufsize Hoe meer gegevens in een AX.25 I frame gezet worden, des te kleiner zijn de AX.25 hoofden in verhouding tot de totale frame grootte. M.a.w. door het vergroten van paclen, verlaagt U de AX.25 protocol overhead. Grote data packets verminderen de overhead voor inschakelen van een zender en dat kan een belangrijke factor zijn met hoge snelheid modems. Aan de andere kant, zijn grote frames gevoeliger voor ruis en storingen. Iedere link heeft een optimale waarde van paclen die het beste door experimenteren kan worden ge- vonden. Iets anders om te onthouden, wanneer paclen wordt ingesteld, is dat de AX.25 versie 2.0 specificatie, beperkt is tot 256 bytes. Hoewel Nos veel grotere waarden kan verwerken, kunnen sommige AX.25 toepassingen (inclu- sief digipeaters) dit niet en dat kan problemen geven. Zelfs kan Nos pro- blemen hebben met bepaalde KISS TNC's, in verband met vaste buffers groot- ten. De originele KISS TNC code voor de TNC-2 door K3MC kan frames afhan- delen die alleen in grootte beperkt worden door de RAM in de TNC, maar som- mige andere KISS TNC's kunnen dit niet. De Nos's ingebouwde HDLC drivers (SCC, PC-100, DRSI, enz.) wijzen ontvang- buffers toe in overeenstemming met de maximum verwachte frame grootte, dus is het belangrijk dat deze worden geconfigureerd met de juiste bufsize. Om dit te doen, moet U de grootte weten van het grootst mogelijke frame dat kan worden ontvangen. De paclen parameter bestuurt alleen de grootte van het gegevens veld in een I-frame en niet de totale grootte van het frame, zoals het de lucht in gaat. De AX.25 specificatie staat 8 digipea- ters toe, dus het grootst mogelijke frame is (paclen + 72) bytes. U moet dus de bufsize tenminste even groot maken. Een andere belangrijke overweging is dat de meer recente versies van NOS interrupt reactie verbeteren door een speciale groep buffers in stand te houden, voor gebruik door de ontvang subroutines. Die buffers hebben een vaste grootte van 2048 bytes, en kunnen alleen worden gewijzigd door de config.h te editen en NOS weer te compileren. Dit beperkt bufsize; wanneer in feite geprobeerd wordt een grotere waarde in te stellen, kunnen de dri- vers helemaal niet meer werken. Deze situatie kan worden opgespoord door de geheugen status opdracht te laten lopen en te zoeken naar een niet-nul telling van Ibuffail gebeurtenissen, alhoewel deze gebeurtenissen ook kun- nen optreden gedurende normale werking. Een van tekortkomingen van AX.25 is dat er geen manier is voor een station om te laten weten wat de grootte van de packets is die het wil ontvangen. Dat vereist dat de stations een kanaal delen om een maximum packet grootte van te voren af te spreken. TCP is anders zullen we zien. 8.4.3 Instellen van Maxframe Voor de beste prestatie op een half-duplex radio kanaal, moet maxframe al- tijd op 1 ingesteld worden. De redenen worden uitgelegd in het document Link Level Protocols, herzien door Brian LLoyd en Phil Karn, dat in de ARRL 5th Computer Networking Conference in 1986, is verschenen. 8.4.4 Instellen van MTU TCP/IP hoofd overhead overwegingen, gelijk aan die van de AX.25 laag voor het instellen van paclen, zijn van toepassing voor het kiezen van een MTU. Bepaalde subnet typen, ondersteund door Nos, hebben goed vastgestelde MTU's die altijd gebruikt moeten worden, tenzij U weet wat U doet: 1500 bytes voor Ethernet en 508 bytes voor ARCNET. De MTU voor PPP wordt automatisch tot stand gebracht, de default is 1500. Andere subnet typen, inclusief SLIP en AX.25, zijn niet goed gestandaardiseerd. SLIP heeft geen officiele MTU, maar de meest algemene toepassing (voor BSD UNIX) gebruikt een MTU van 1006 bytes. Hoewel Nos geen vaste limiet voor de grootte van een ontvangen SLIP frame heeft, is dit niet waar voor andere systemen. Problemen kunnen op- treden als grotere MTU's in Nos worden gebruikt. Het kiezen van een MTU voor een AX.25 interface is meer complex. Wanneer het interface werkt in de datagram (UI-frame) mode, is de paclen parameter niet van toepassing. De MTU wordt effectief de paclen van de link. Zoals al eerder vermeld, worden grote packets die gezonden worden op AX.25 ver- bindingen, automatisch gefragmenteerd in I-frames, niet groter dan paclen. Helaas, ook al eerder vermeld, is Nos de enige tot nu toe bekende toepas- sing van de nieuwe AX.25 segmentatie procedure. Dit is prima, zolang alle NET/ROM nodes op een pad, Nos hebben lopen, maar aangezien de hoofd reden waarom Nos NET/ROM ondersteunt is om gebruik van de bestaande NET/ROM net- werken toe te staan, is dit onwaarschijnlijk. Dus is het meestal belangrijk om AX.25 segmentatie te voorkomen, wanneer IP over NET/ROM loopt. De manier om dit te doen is er zeker van te zijn dat de packets die groter zijn dan paclen, nooit aan AX.25 worden gegeven. Een NET/ROM transport hoofd is 5 bytes lang en een NET/ROM netwerk hoofd neemt 15 bytes, dus 20 bytes moeten worden toegevoegd aan de grootte van een IP datagram, wanneer de grootte van het AX.25 I-frame gegevens veld wordt bepaald. Wanneer paclen 256 is, blijven 236 bytes over voor het IP datagram. Dit is de default MTU van de netrom pseudo-interface, dus zolang lang als paclen tenminste 256 bytes is, kan AX.25 segmentatie niet gebeu- ren. Maar wanneer kleinere waarden van paclen worden gebruikt, moet de netrom MTU ook worden verlaagd met de ifconfig opdracht. Aan de andere kant, als U IP direct boven op AX.25 hebt lopen, zijn er kan- sen dat alle nodes Nos gebruiken en AX.25 segmentatie ondersteunen. In dat geval is er geen reden om niet een grotere MTU te gebruiken en laat AX.25 zijn gang gaan. Wanneer U een MTU kiest in de grootte orde van 1000- 1500 bytes, kunt U veelal IP-niveau fragmentatie voorkomen en TCP/IP- niveau hoofd overhead bij bestanden overdracht, tot een zeer laag niveau verlagen. U bent dan nog steeds vrij om een paclen waarde te kiezen die geschikt is voor de link. 8.4.5 Instellen van MSS De instelling van deze TCP-niveau parameter is wat minder kritisch dat de reeds besproken IP en AX.25 niveau parameters, hoofdzakelijk omdat het automatisch wordt verlaagd, overeenkomstig de MTU van de lokale interface, wanneer een verbinding wordt gemaakt. Hoewel dit, strikt gezien, een schen- ding van het protocol is (TCP wordt niet geacht enige kennis te hebben van de werking van de lagere lagen), werkt deze techniek goed in de praktijk. Het kan echter voor de gek gehouden worden; bijvoorbeeld, wanneer een rou- ting wijziging optreedt nadat de verbinding is geopend en de nieuwe lokale interface heeft een kleinere MTU dan de vorige, kan IP fragmenatie in het lokale systeem optreden. Het enige nadeel van het instellen van een grote MSS is dat het misschien niet te voorkomen fragmentatie veroorzaakt op een ander punt in het netwerk pad, wanneer er een "flessenhals" subnet is met een MTU kleiner dan dat van de lokale interface. (Helaas is er momenteel geen manier om dit te weten, wanneer dit het geval is. Er wordt continu gewerkt in de Internet Enginee- ring Task Force aan een "MTU Discovery" procedure, om het grootste datagram te bepalen, dat mag worden gezonden over een pad, zonder fragmentatie, maar het is nog niet compleet). Omdat de MSS die U specificeert naar het verre systeem wordt gezonden en niet alle andere TCP's doen al de MSS-verlagings procedure, kan dit het verre systeem onnodig IP fragmenten laten genereren. Aan de andere kant, kan een te kleine MSS resulteren in een behoorlijk ver- lies van de uitvoering, speciaal wanneer gewerkt wordt via snelle LAN's en netwerken die grotere packets kunnen verwerken. Dus de beste waarde voor MSS is mogelijk 40 minder dan de grootste MTU op Uw systeem, met de 40-byte ruimte voor TCP en IP hoofden. Bijvoorbeeld, wanneer U een SLIP interface hebt met een 1006 byte MTU en een Ethernet interface met een 1500 byte MTU, stel MMS in op 1460 bytes. Hiermee kan Uw systeem maximaal grote Ethernet packets ontvangen, wanneer het pad naar Uw systeem geen flessenhals subnets heeft met kleinere MTU's. 8.4.6. Instellen van Window Een schuivend venster protocol, zoals TCP kan niet meer dan e e n venster vol gegevens per round trip time interval overbrengen. Dus deze TCP-niveau parameter bestuurt het vermogen van de verre TCP om een lange "buis" vol te houden. Dat betekent, wanneer gewerkt wordt over een pad met veel spron- gen, zal een groot venster al die sprongen bezig houden, wanneer U gegevens ontvangt. Een te groot venster, aan de andere kant, kan het netwerk verstop- pen, als het niet alle gegevens kan bufferen. Gelukkig zijn nieuwe algorit- men voor dynamische besturing van de effectieve TCP stroom controle venster ontwikkeld, gedurende de laatste jaren en worden nu overal toegepast. Zij zijn in Nos aanwezig en U kunt ze in actie zien met de tcp status of socket opdrachten. Kijk naar de cwind (ophoping venster) waarde. In de meeste gevallen is het veilig om het TCP venster in te stellen op een klein geheel veelvoud van de MSS (bijv. 4 maal), of groter wanneer no- dig om volledig een hoge bandbreedte*vertraging product pad te gebruiken. Een ding om te houden is, bekend maken van een bepaald TCP venster waarde, geeft aan dat het systeem veel buffer ruimte ter beschikking heeft voor in- komende gegevens. Nos wijst die ruimte niet werkelijk van te voren aan; het houdt het in een algemene pot en kan deze best "overboeken", gebruik makende van het feit dat veel TCP verbindingen vrij zijn voor lange perio- den en gokt erop dat de meeste toepassingen de inkomende gegevens van een actieve verbinding zullen lezen zodra het aankomt, daarbij snel het buffer geheugen vrijmaken. Het is echter mogelijk om Nos "out of memory" te laten lopen, als buitengewone TCP venster waarden worden bekend gemaakt, of de toepassingen zullen onbepaald "in slaap vallen", (zoals opgeschorte Telnet sessies), of een hoop gegevens komen niet in de goede volgorde aan. Het is verstandig om de hoeveelheid beschikbare geheugen ruimte in de gaten te houden en de TCP venster grootte te verlagen (of het aantal gelijktijdige verbindingen te beperken) wanneer het te weinig wordt. Afhankelijk van de kanaal toegang methode en link niveau protocol, het ge- bruik van een venster instelling die groter is dan MSS, kan een stijging van het aantal kanaal botsingen geven. In het bijzonder, botsingen tussen gegevens packets en terugkerende bevestigingen gedurende een groot be- stands overdracht, kunnen veel voorkomen. Hoewel dit, strict gesproken, niet de fout van TCP is, is het mogelijk om op TCP niveau om het probleem heen te komen, door het venster te verkleinen, zodat het protocol werkt in stop-en-wacht mode. Dit wordt gedaan door de venster grootte gelijk te ma- ken aan de MSS. 8.5 Samenvatting In de meeste gevallen zullen de default waarden die door Nos worden ver- strekt voor ieder van deze parameters, goed werken en een redelijke pres- tatie leveren. Alleen in speciale omstandigheden, zoals het werken over een zeer slechte link of experimenteren met hoge snelheid modems, zal het nodig zijn om ze te wijzigen. Einde.