HOME

FAMILIE GROEN (Oosterpoort Buurt, Groningen) [1]

«waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen» (L. Wittgenstein)
Henk Werk, IJmuiden

Geboren na de Tweede Wereldoorlog in de Groninger Hereweg Buurt en vanaf begin jaren 50 wonend in het westen van het land zijn mijn persoonlijke herinneringen aan de aangrenzende Oosterpoort Buurt nogal vervaagd. Toen en later, tijdens schoolvakanties, heb ik echter heel wat voetafdrukken achter gelaten. De trein heeft mij vaak naar Groningen gebracht: het rijtje stations "Oogezand, Beilen, Hassen, Groningen" staat in mijn geheugen gegrift. Mijn eerste herinneringen gaan terug naar de fröbelschool op de kop van de Verlengde Lodewijkstraat. Matjesvlechten bij juffrouw Breedland. Ongetwijfeld zal ik onderweg talloze malen koetsier Hannes, pontificaal zittend op een melkbus voor café Wichers, gepasseerd zijn. Van de schoolvakanties herinner ik mij vooral de rit in de trolleybus naar mijn grootouders, opa en oma Spoor, wonend aan het spoor in de Verlengde Lodewijkstraat. Opa verdiende die naam in dubbele zin, hij werkte bij het spoor als wagenlichter en de laatste jaren voorafgaand aan zijn pensioen in 1949 als wagenmeester. Zoals zo veel vrouwen in die tijd had oma Spoor officieel geen beroep. Zij spekte de huishoudbeurs als sjabbes-goj. Als niet-Jood verrichte zij op sabbat allerlei hand- en spandiensten voor de joodse huishoudens in de Folkingestraat. Hoe anders is het zicht nu komende van de Oosterbrug. De veemarkt is opgedoekt en de Trompsingel is radicaal op de schop gegaan. Uit- en weer opstappend aan het eind van de Oosterstraat terug naar huis door de Frederikstraat en over de Meeuwerderweg en de Trompsingel. Een rondje dat ik vaak in de trolleybus heb gemaakt. Vaste prik terug naar huis was de laatste groet vanuit de trein naar opa en oma Spoor.

Anno 2008 en vele jaren later brengt mijn genealogische speurtocht mij weer terug naar de Meeuwerderweg. Naar mijn overgrootmoeder, de moeder van oma Spoor, Margrietha Groen, die als ongehuwd moeder 'de benen nam' en later met een voormalig KNIL-soldaat zou trouwen. Naar haar broer Andries, die als tiener in de gevangenis belandde, en hun jongste zus Harmina die tijdens de Tweede Wereldoorlog ongetwijfeld met wantrouwende blik werd aangekeken. Begrijpelijk want twee zoons en een schoondochter sloten zich aan bij de NSB in de naïeve veronderstelling dat met de Duitse bezetting betere economische tijden zouden aanbreken.

  Ongehuwde dienstbode Margrietha Groen was in 1891 in verwachting van een tweeling. De eerstgeborene Anna werd vernoemd naar stiefoma Anna Kolle, haar 2½ uur jongere zusje kwam levenloos ter wereld. Maar net drie maanden na de bevalling verlaat Margrietha Groningen en vertrekt naar Leeuwarden, waar zij op 5 januari 1892 als min in dienst treedt van het gezin van opperrabbijn Lion Wagenaar en Helene Wormser. De zorg voor haar pasgeboren dochter vertrouwt zij toe aan haar stiefmoeder Anna Kolle. Een vlucht uit schaamte? Lang bleef Margrietha niet in Leeuwarden, want op 1 november 1893 vertrekt zij naar Amsterdam. Na een korte hereniging met dochter Anna verlaat Margrietha voor de tweede keer Groningen, vertrekt naar Den Haag en keert opnieuw voor een korte periode terug. Wonend in Den Haag trouwt zij in Groningen in 1910 met weduwnaar, soldaat-ziekenverpleger en oud-KNIL-soldaat Johannes Wilhelmus Joosten. [2] Het verplegen van zieke militairen, aanvankelijk in het Militair Hospitaal te Vlissingen en van 1910 tot aan zijn pensioen in 1923 in het Militair Hospitaal te Den Haag, zal voor menigeen in schrille tegenstelling staan tot zijn "krijgsverrichtingen tegen Atjeh" in het Koninklijk Nederlandsch (Oost-)Indisch Leger. [3] Eerst als soldaat-infanterist van 1896 tot 1901 en de laatste vier jaar van het tweede zesjarige contract als ziekenoppasser bij de Geneeskundige Hospitaaldienst. Hoe hij die tegenstelling zelf heeft ervaren heb ik hem echter nooit kunnen vragen. Hij zal onder de inheemse bevolking ongetwijfeld slachtoffers hebben gemaakt. In ieder geval moet Johannes Wilhelmus Joosten een goed schutter zijn geweest gezien de schietprijzen die hij won in 1894 en 1897. De legerleiding waardeerde hem met een bronzen medaille plus een gratificatie van twaalf gulden (1898), de zilveren medaille (1904) en de gouden medaille bij zijn pensionering op 1 januari 1923. Lichamelijk kwam hij ongeschonden in Nederland terug. Geestelijk vermoedelijk niet want hij raakte aan de drank. Posttraumatische stressstoornis, al kende men die term destijds nog niet. Voor mijn grootouders reden zich aan te sluiten bij de vereniging voor geheelonthouders, in de volksmond meestal aangeduid als de 'blauwe knoop'. [4, 5] In 1932 uit Den Haag komend betrekken Margrietha en haar gepensioneerde echtgenoot het nog steeds bestaande huisje op nummer 53 aan de Meeuwerderweg om de rest van hun leven te rentenieren. Johannes Wilhelmus Joosten kocht het perceel, "een behuizinge met erf en mandelige [gemeenschappelijke] gang" 91 m² groot, van wisselloper Jan Gijsbert Steenhuis voor ƒ 6000,-. Overleed hij in 1945, haar heb ik nog wel gekend omdat ik aan de hand van opa Spoor wel eens een pannetje eten naar haar toe bracht. Nadat opoe Joosten in 1954 op 85-jarige leeftijd overleed, werd het huisje met een verlies van ƒ 800,- verkocht. De gemeenschappelijke gang met nummer 55 was op dat moment reeds dichtgemetseld en is dat nog steeds.
 
Vlak om de hoek bij opoe Joosten, in de Polderstraat, woonde haar jongere broer Andries Groen. Hij verdiende zijn brood als stoker bij de gemeentelijke gasfabriek. Op 60-jarige leeftijd ging Andries met pensioen: "1 Augustus 1935 den dienst verlaten en in het genot gesteld van een verlofsjaarwedde. Uit te keren door de gemeente (was gasstoker bij het Gasbedrijf)". Opoe zal tegenover dochter Anna en beide kleinzoons niet erg scheutig met informatie zijn geweest omtrent het verleden van Andries. Nog geen veertien jaar oud kwam hij in 1888 voor de eerste keer in botsing met justitie. Wegens poging tot diefstal werd hij veroordeeld tot acht dagen gevangenis. De beide kleinzoons wisten van niets en hun moeder schijnt ooit "deugnait" in de mond genomen te hebben. Deugniet is een nogal verhullende term als je in twee jaar tijd zeven keer door de arrondissementsrechtbank te Groningen wordt veroordeeld. Daarnaast had Andries nog een aantal kleinere vergrijpen op zijn geweten, waarvoor hij door de kantonrechter werd gestraft: zonder vergunning afsteken van vuurwerk op de openbare straat (twee dagen), glijbaan maken op [een besneeuwde] straat (één dag), lopen langs of op een spoorweg (één dag) en straatschenderij (twee dagen). De laatste 'douw', na een eis van zes maanden, was een veroordeling tot één jaar gevangenisstraf wegens diefstal van geld en goederen. [6] Zijn twee maatjes in het kwaad kregen respectievelijk één jaar en zes maanden. Hoewel geen van de drie jongens al zestien was en ze dus eigenlijk onder het jeugdstrafrecht vielen, kende de arrondissementsrechter geen clementie, want ze hadden "het oordeel des onderscheids" en wisten dus drommels goed wat ze deden. Naar ik aanneem had opoe Joosten desondanks een goede band met haar broer, die getuige was bij haar huwelijk.
 
Een andere getuige bij het huwelijk van opoe Joosten was Tekke de Vries geweest. In 1905 trouwde hij met haar jongste zuster Harmina Groen. Harmina en Tekke zouden naderhand ook aan de Meeuwerderweg komen wonen. Tekke groeide op in de Oosterpoort, woonde op de Brink en jarenlang aan de oostzijde van het Winschoterdiep. Want vaarwater was de inkomstenbron van hem en vader Remmert, die allebei in het bevolkingsregister als koopman en scheepsjager [7] vermeld staan. Na een blauwe maandag te Noorddijk gewoond te hebben, verhuisde paardenhandelaar Tekke de Vries met zijn gezin in 1916 naar het nog steeds bestaande pand nummer 72 aan de Meeuwerderweg. Het lijkt een logische stap van scheepsjager naar handelaar in paarden. Want paarden trokken op het jaagpad naast het water de schuiten, kleine en eenvoudige voor de binnenwateren gebouwde vaartuigen, van de ene naar de andere bestemming. Hoewel er ook vaak menskracht aan te pas kwam. In plaats van een paard liep dan een man of vrouw 'in de zeel' (aangelijnd).

Omstreeks 1924 moet Tekke in het pand op Meeuwerderweg 72 een paardenslagerij begonnen zijn. Vanaf die tijd namelijk staat Tekke in het adresboek als slager genoemd. Hij leerde het vak van Topie (voor de burgerlijke stand Harm Thomas) Zielstra, waarvan hij het recept kreeg om paardenworst te maken. De kennismaking dateert uit de tijd dat Tekke nog scheepsjaagde. Topie had naast een paardenslagerij een rokerij en een paardenstal aan het Zuiderdiep, was keurmeester en slachtte zijn eigen paarden in het gemeentelijk slachthuis. Dat laatste was echter niet toegestaan. Tegen onderhandse betaling hielp Tekke de Vries hem uit de brand door Topie's paarden op zijn naam te (laten) zetten. Topie's dochter Gré beschrijft Tekke als een grote en grof gebouwde man met grote in klompen gestoken voeten. Als hij op bezoek kwam werd gezegd: "daar komen de oorlogsschepen aan".

Met geleend geld van Topie Zielstra kocht Tekke de Vries in 1931 voor ƒ 8000,- een "winkel behuizing genummerd 72 met open plaats, staande en gelegen aan de Meeuwerderweg te Groningen" van een koopman in fruit uit zijn schoonfamilie. Voor dat bedrag mocht Tekke zich eveneens eigenaar noemen van 12 m² trottoir. Vader Tekke, 51 jaar oud, gaf het slagersmes op 18 mei 1933 over aan zijn 25-jarige zoon Roelof (Roelie) de Vries en zijn kersverse bruid Pieterdina (Dina) Schut. Vanuit zijn woonhuis aan het Winschoterdiep nam Tekke vermoedelijk zijn oude stiel van paardenhandelaar weer op. Op een handkar vervoerde Roelof vlees van de Meeuwerderweg naar het Zuiderdiep om het bij Topie te laten roken. De oude zakenrelatie bleef dus gehandhaafd. In de eerste wintermaand van 1936 kwam Tekke's naamgenoot ter wereld. De kleinzoon zou het enige kind blijven van Roelof en Pieterdina. Ook deze derde generatie ging later het slagersvak uitoefenen. Niet met uitbeen- en slagersmes maar als handelaar in vlees.

 

 
  Met het uitbreken van de Tweede Oorlog in 1940 brak een zwarte periode aan. Roelof, Pieterdina en Roelofs jongere en ongetrouwde broer Jan de Vries - als slagersbediende in dienst van Roelof - sloten zich in 1941 aan bij de Nationaalsocialistische Beweging (NSB) in de naïeve veronderstelling dat met de Duitse bezetting betere economische tijden zouden aanbreken. [8] Jan's bijkomend argument was dat hij niet in Duitsland te werk gesteld wilde worden "aangezien hij thuis niet gemist kon worden." Alle drie waren geen actief lid van de NSB. Jan was daarentegen een jaar lang wel actief in de 'Alarmdienst', een organisatie die na eventuele bombardementen puin zou ruimen. "Wij deden hiervoor oefeningen waaraan ik een keer of vijf meegedaan heb, wij verdienden hiermede ongeveer f 5,- per dag." De opmerking van mijn vader dat Jan in een zwart pak achter de toonbank in de slagerswinkel stond, duidt op lidmaatschap van de Nederlandse Landwacht, het door de NSB opgerichte beschermingskorps dat in 1943 politiebevoegdheden kreeg. Ondanks zijn verklaring nimmer een NSB-uniform gedragen te hebben, werd hij in Landwachteruniform aangetroffen op een groepsfoto. Lid van de Landwacht was Jan de Vries echter niet, althans de bewijzen daarvoor ontbreken. In 1943 zegden Roelof, als laatste van de drie in december, Pieterdina en Jan hun lidmaatschap op omdat zij zich niet konden verenigen met de praktijken van tewerkstelling in Duitsland, jodenvervolging en razzia's. Doorslaggevend voor Pieterdina was waarschijnlijk de krijgsgevangenschap van een zwager. Alle drie een 'licht' geval van 'landverrader' als je de vele ontlastende verklaringen leest die na de oorlog zijn afgelegd. Beschouwd als eerlijke en betrouwbare personen, pleegden geen verraad, dreigden niet met verraad en verstrekten zonder distributiebon vlees aan (zieke) mensen. [9] De meest opvallende verklaring kwam van C. Kommers, met zijn schip Brabbebank gelegen in de Oosterhaven "behelzende dat de Gebr. de Vries hem van vleesch hebben voorzien, waardoor hij naar zijn familie in Rotterdam levensmiddelen kon sturen, dat de Gebr. de Vries hem hebben geholpen onder te duiken en hem daarna de illegale bladen deden toekomen." Het schippersgezin zat ondergedoken aan de Nieuwe Ebbingestraat, in een pand - bestaande uit een slagerswinkel en twee woonhuizen - dat op 7 augustus 1942 door Roelof de Vries in eigendom was verkregen. Het pand werd na de oorlog tot 'vijandelijk vermogen' verklaard. [10] Nog tijdens de bevrijding van Groningen [11] werden de beide broers gearresteerd, Roelof op zondag 15 april 1945, Jan de volgende dag. Pieterdina werd twee maanden later opgepakt en vastgezet in Albino op de Kop van de Oosterpoort. [12] De straffen waren velerlei: gedurende tien jaar mochten zij niet politiek actief zijn, Pieterdina en Jan kregen ieder een boete van 100 gulden en Roelofs pand aan de Nieuwe Ebbingestraat werd verbeurdverklaard. Zij kregen bovendien een vrijheidsstraf opgelegd. Pieterdina Schut was tot 26 maart 1946 geïnterneerd in bewaringskamp Helpman te Groningen, de beide broers waren geïnterneerd in werkkamp 'De Slikken' te Westernieland. Jan de Vries kwam in augustus 1946 als eerste vrij, Roelof de Vries twee maanden later. Gedurende Roelofs internering beheerde zijn oudste broer Remmert de slagerij aan de Meeuwerderweg. [13]
Roelof de Vries & Pieterdina Schut [14]    
Terug uit het werkkamp pakte Roelof de draad energiek op. Als huurder - vader Tekke was nog steeds eigenaar - moderniseerde Roelof voor eigen rekening het perceel in 1947. Er werd een werkplaats bijgebouwd, terwijl de zolder werd omgebouwd tot twee slaapkamers. Driekwart jaar jaar later mocht Roelof zich eigenaar noemen tegen een koopsom die 3000 gulden lager lag dan de taxatiewaarde. Met behulp van broers Jan en Remmert - slager respectievelijk paardenhandelaar - bouwde hij in korte tijd in Groningen een filiaalbedrijf op met vier slagerijen, waaronder een filiaal tevens hoofdvestiging aan de Korreweg. Het assortiment werd uitgebreid met runder-, varkens- en lamssvlees ("R. de Vries, vleespaleizen"). Zoon Tekke kwam in 1954 in het bedrijf en "kon zo de expansie van zeer nabij meemaken" en "met de zeer gezonde basis die mijn ouders hadden opgebouwd kon ik met meerdere medewerkers het bedrijf uitbouwen tot 17 filialen wat de slagerijen betrof en wat de vleeshandel betrof met kantoren te Ierland en Argentinië". [15.] De winkel aan de Meeuwerderweg werd voortgezet als filiaal, eerst door oom Jan en later tot in de jaren zeventig door Simon van der Beek. Tekke was niet alleen verantwoordelijk voor de expansie maar ook voor de ondergang van de slagerijketen: "Doch helaas heb ik door persoonlijke fouten en een heel stijve kop het bedrijf niet in stand kunnen houden". Weinig fantasie is nodig het pand Meeuwerderweg 72 als voormalige winkel te herkennen. De zijgevel uit rode bakstenen laat nog minder aan de fantasie over. De tijd heeft de zwarte tekst "PAARDENSLAGERIJ" en "R. DE VRIES T. ZN." rondom een paardehoofd niet uit kunnen wissen.

Genealogie Groen (verkort)

I. Roelof Groen, geboren Leeuwarden 10 januari 1840, overleden Groningen 24 september 1903, koopmansbediende, arbeider, voerman(sknecht). Trouwde (1) Groningen 5 december 1869 Hinderkien Coller, geboren Groningen 15 juni 1843, overleden Groningen 17 november 1885, dienstmeid, arbeidster. Dochter van Hindrik Coller, schrijnwerker, arbeider, zakkenverhuurder, en Margrietha Koning, dienstmeid, arbeidster, werkvrouw.
Bij huwelijk erkend en gewettigd (De Echtgenooten hebben voorts verklaard dat zij de kinderen uit de Echtgenoote in deze gemeente geboren het eerste den elfden October achttienhonderd zesenzestig genaamd Gerrit en het andere den vierentwintigsten April achttienhonderd negenenzestig genaamd Margrietha en blijkens de Acten bij overgelegde Uittreksel uit de Registers der acten van geborenen dezer gemeente in den Registers met gemelde namen ingeschreven voor hun stellige zoon en dochter erkennen.):
I.1 Gerrit Groen, geboren Groningen 11 oktober 1866, overleden Deventer 8 januari 1933, stoelmakersknecht, dagloner, arbeider, metaalbewerker. Trouwde Deventer 23 juli 1891 Gerritdina Kerkdijk, geboren Den Ham 3 juni 1867, overleden Deventer 19 september 1932. Dochter van Gerrit Kerkdijk en Alberdina Peters.
I.2 Margrietha Groen, volgt IIa.
Uit dit huwelijk:
I.3 Hendrik Groen, geboren Groningen 10 maart 1871, overleden Groningen 2 december 1926, sigarenmaker, arbeider, pakhuisknecht, stoker. Trouwde Groningen 4 oktober 1891 Fenna Snip, geboren Zuidhorn 31 maart 1867, overleden Groningen 28 november 1940. Dochter van Heere Snip en Jenke Hooman.
I.4 Jacoba Groen, geboren Groningen 16 februari 1873, overleden Deventer 11 december 1956. Trouwde Groningen 18 september 1898 Tjärko Stuut, geboren Winschoten 25 augustus 1872, overleden Deventer 24 april 1940, fabrieksarbeider, (nacht)telefonist. Zoon van Roelf Stuut en Grietje Koning.
I.5 Andries Groen, volgt IIb.
I.6 Catharina Groen, geboren Groningen 25 januari 1877, overleden Den Haag 18 april 1963. Trouwde Deventer 23 mei 1900 Gerhard Arends, geboren Voorst 18 april 1876, overleden De Lier 29 april 1945.
I.7 Harm Roelf Groen, geboren Groningen 8 april 1881, overleden Groningen 29 juni 1881.
I.8 Harmina Groen, volgt IIc.
Trouwde (2) Groningen 18 april 1886 Anna Kolle, geboren Groningen 16 april 1841, overleden Groningen 25 november 1931, weduwe van Jacob Jans, dienstmeid, kruidenierster. Dochter van Abel Alberts Kolle, schoenmaker(sknecht), en Trientje Everhard Rosevelt, werkvrouw.
Uit dit huwelijk: geen nakomelingen.
# # # # #
IIa. Margrietha Groen, geboren Groningen 24 april 1869, overleden Groningen 3 september 1954, begraven Groningen (Noorderbegraafplaats) 7 september 1954, dienstbode, min [16]. Trouwde Groningen 27 november 1910 Johannes Wilhelmus Joosten, geboren Arnhem 16 januari 1872, overleden Groningen 26 mei 1945, vrijwillig in dienst getreden als soldaat infanterist in het 5de en 8ste Regiment Infanterie; soldaat infanterist, ziekenoppasser en soldaat ziekenverpleger in het Koninklijk Nederlandsch (Oost-)Indisch Leger (KNIL), arbeider, geëmployeerde 3e klasse ziekenoppasser Militair Hospitaal te Vlissingen, (korporaal) hospitaalbediende Militair Hospitaal te Den Haag, weduwnaar van Margaretha Schmidt (geboren IJmuiden gemeente Velsen 9 november 1887 - overleden Duisburg-Rurhort 26 apri 1910), eerder gescheiden van Johanna Kaat (geboren Bunnik 18 juni 1881 - overleden Heerlen 30 januari 1938). Zoon van Gerardus Joosten, schipper, sjouwer, arbeider, zeilmaker, en Lena Tonia van Wouw, visvrouw.
Bij huwelijk erkend en gewettigd:
Anna Joosten, geboren Groningen (Academisch Ziekenhuis) 18 oktober 1891, overleden Groningen 21 september 1973, gecremeeerd te Groningen. Trouwde Groningen 2 maart 1916 Hindrik Werk, geboren Groningen 14 oktober 1887, overleden Groningen 6 juli 1961, gecremeerd Dieren 10 juli. Smidsleerling en loopknecht. (Waarnemend) voorslager, wagenlichter, bankwerker en wagenmeester gedurende 40 jaar dienstverband bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS) respectievelijk Nederlandsche Spoorwegen (NS). Zoon van Hendrik Werk en Frouke Bremer.
Uit dit huwelijk: geen nakomelingen.
# # # # #
IIb. Andries Groen, geboren Groningen 19 februari 1875, overleden Groningen 6 mei 1957, arbeider, stucadoor, stoker gasfabriek gemeente Groningen. Trouwde Groningen 12 mei 1901 Breggien Terpstra, geboren Groningen 8 oktober 1877, overleden Groningen 13 december 1952. Dochter van Fredrik Terpstra, weversknecht, arbeider, metselaar, opperman, timmerman, werkman, en Froukje Zwart, dienstmeid.
Uit dit huwelijk: geen nakomelingen.
# # # # #
IIc. Harmina Groen, geboren Groningen 6 januari 1883, overleden Groningen 5 december 1967. Trouwde Groningen 19 maart 1905 Tekke de Vries, geboren Groningen 3 april 1882, overleden Groningen 23 juli 1953, begraven te Haren, koopman, scheepsjager, paardenhandelaar, paardenslager. Zoon van Remmert de Vries, koopman, scheepsjager, paardenhandelaar, paardenslager, en Trijntje van der Beek.
Uit dit huwelijk:
IIc.1 Remmert de Vries, geboren Groningen 23 september 1905, overleden Leeuwarden (paardenmarkt) 10 mei 1968, paardenhandelaar. Nooit getrouwd.
IIc.2 Roelof de Vries, geboren Groningen 9 juli 1907, overleden Groningen (Academisch Ziekenhuis) 1 augustus 1989, (paarden)slager, vleeshouwer. Trouwde Groningen 18 mei 1933 Pieterdina Schut, geboren Muntendam 21 november 1907, overleden Groningen (verpleeghuis 't Blauwbörgje) 22 maart 1981, winkeljuffrouw, dienstbode. Dochter van Jan Schut en Katrina Bos. Uit dit huwelijk zoon Tekke de Vries.
IIc.3 Jan de Vries, geboren Groningen 26 augustus 1910, overleden Groningen (Academisch Ziekenhuis) 12 juni 1979, bakkersknecht, slager in loondienst, slager filiaalhouder. Trouwde Groningen 5 november 1951 Antje Post. Dochter van Heine Hendrik Willem Post en Berendina Jonkman. Uit dit huwelijk een zoon en een dochter.
IIc.4 Anno de Vries, geboren Groningen 29 maart 1913, overleden Amsterdam 11 juni 2003, apothekersassistent. Nooit getrouwd.
 
Anna Joosten is als Anna Groen in 1891 geboren in het Academisch Ziekenhuis te Groningen, destijds gelegen op de Munnekeholm. Aangifte van haar geboorte deed controleur Willem Lagro. Het ziekenhuis had geen al te beste reputatie. Circa twee jaar voor de geboorte van Anna doen in 1889 verpleegsters hun intrede in het Academisch Ziekenhuis. Zij komen in de plaats van de oppassers en de oppasseressen, ook wel knechten en meiden genoemd, die zoals de nachtwakers of 'slapers' een slechte naam hadden opgebouwd door dronkenschap en corruptie. Willem Lagro merkte over hen op: "Meestal toch sliepen de patiënten des nachts en de stilte alsdan zal de bediende wel eens de oogen sluiten." [Bron: Ach lieve tijd; Tien eeuwen Groningen, de Groningers en hun armen en zieken, blz. 98.]
Johannes Wilhelmus Joosten is niet de natuurlijke vader van Anna. Anna die vernoemd is naar haar stiefoma Anna Kolle is vermoedelijk een nazaat van de ongehuwd gebleven arts Samuel van Houten (Groningen 1870- Groningen 1955, geneesheer Koninklijk Instituut voor Doofstommen te Groningen). Zijn achternaam en zijn beroep zijn echter de enige 'bewijzen'. Het bevolkingsregister van Groningen (periode 1890-1900, boek 23, folio 19) vermeldt naast moeder en vier inwonende kinderen, waaronder de twintigjarige Samuel, twee inwonende dienstmeiden aan het Damsterdiep zuidzijde 30 buiten de voormalige Steentilpoort. Op dit woon- tevens zakenadres leidde Samuels vader Hindrik van Houten onder de firmanaam D. van Houten een houtzaagmolen, een schaverij en een houthandel. Na zijn overlijden in 1883 nam de weduwe Alida Cornelia Christina ten Bruggen Cate samen met haar zwager Jakob van Houten de leiding over. In het bevolkingsregister werden twee dienstmeiden en twee dienstboden ingeschreven (periode 1880-1890, boek 23, folio 19). Zowel vóór als na 1890 ontbreekt echter de naam Margrietha Groen.

Ook in het naamregister van dienstboden (1849-1924) komt de naam van Margrietha Groen niet voor. Werkgevers konden tegen een vergoeding van ƒ 1,50 per jaar een dienstbode huren van de op 21 juli 1847 opgerichte vereniging voor dienstboden (een voorloper zou je kunnen zeggen van de huidige niet meer weg te denken uitzendbureaus). Het doel was: Belangstelling in en de welstand van de dienstbare stand te bevorderen. Dit trachtte men te bereiken door de hoofden der gezinnen aan te bevelen hun dienstboden als leden van het gezin te behandelen en beloningen toe te kennen aan dienstboden [van leden], die zich hadden onderscheiden. De vereniging is omstreeks 1950 geliquideerd. (Bron: RHC Groninger Archieven, Toegangnummer: 1487, Inventarisnummer: 5) Of Margrietha Groen als dienstbode in dienst was bij de familie Van Houten heb ik dus niet kunnen achterhalen. In ieder geval was zij niet inwonend. Ook een nazaat van Derk van Houten - Samuel, zijn broers Gerrit en Jan, en zussen Sientje en Alida bleven allen vrijgezel - kon dit geheim niet oplossen.


Noten

[1] Tekstgedeelten zijn eerder gepubliceerd in:

Henk Werk, Kopen op de lat was heel gewoon, buurtkrant De Oosterpoorter, oktober 1997, jaargang 8 nr. 8, blz. 15 en 17; november 1997, jaargang 8 nr.9, blz. 17.

[2] Nationaal Archief, Den Haag, Toegangnummer 2.13.09, Inventarisnummer 1453, Stamboek militair personeel Militair Hospitaal 's-Gravenhage. Ingeschreven onder nummer 147.
[3] Atjeh-oorlog (1873-1903): Langdurige en bloedige guerrillaoorlog tussen het onafhankelijke sultanaat Atjeh, gelegen op de noordpunt van het eiland Sumatra, en Nederland. Van belang wegens strategische ligging aan de straat van Malakka en zijn rijkdom aan peper, tabak en aardolie. De oorlog kostte ongeveer 100.000 mensen, waaronder 30.000 Nederlanders, het leven.
[4] Officieel geheten 'Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van alcolholhoudende dranken', een bonte verzameling van socialisten, christenen, artsen, onderwijzers en spoorwegambtenaren. Onder hun druk kwam in 1889 de eerste Drankenwet tot stand. Geheelonthouders gaven hun overtuiging aan door een blauwe knoop op hun jas te naaien.
[5] Hindrik Werk (opa Spoor) was in 1909 een van de drie oprichters van 'Spoorweg Onthouders Vereniging' SOV 'Het Veilig Spoor'. Opa speelde corhoorn [althoorn: hoorn in toonaard Es], zijn medeoprichters A. Venema en R. de Wilde bugel respectievelijk klarinet. In 1967 gefuseerd met arbeidersmuziekvereniging 'Door het Volk - Voor het Volk' tot Harmonie '67. In 1968 sloot de katholieke muziekvereniging St. Jozef zich hierbij aan.
[6] RHC Groninger Archieven, Toegangnummer 883, Inventarisnummer 45, Minuten van vonnissen en strafrechterlijke zaken, 1838-1939. Rolboek, 1891, rolnummer 104. Benadeelden waren broodbakker Jacob van der Veen aan het Schuitendiep, die een geldbakje met 22 gulden kleingeld miste, en Abraham Izaak van Dam in de Ruiterstraat, handelaar in vellen en huiden, uit wiens woning drie witte konijnenvellen, een zwarte kat en een wrakke[mikkige] bunzing waren ontvreemd.
[7] Tekke (IIc) en vader Remmert de Vries werd 10 juli 1903 vergunning verleend tot uitoefening van het scheepsjagersbedrijf. RHC Groninger Archieven, Toegangnummer 1776, Inventarisnummer 6481, Provinciaal Bestuur Groningen, Griffie Gedeputeerde Staten, Lijst vergunningen scheepsjagersbedrijf, Volgnr 1 - 3443, 1903-1948.
[8] Nationaal Archief, Den Haag, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging CABR, het Nederlands Beheers Instituut NBI, Stichting Toezicht Politieke Delinquenten STPD. In 2000 zijn de dossiers van 250.000 'foute Nederlanders', waaronder die van Roelof en Jan de Vries en Pieterdina Schut, door het Ministerie van Justitie overgedragen aan het Nationaal Archief. Inzage in de dossiers dient schriftelijk te worden aangevraagd. Meesturen kopie Persoonskaart of Persoonslijst, waaruit blijkt dat de betreffende persoon is overleden.
[9] "In de buurt werden 2.000 handtekeningen ingezameld voor de vrijlating van mijn moeder [Pieterdina Schut] hetgeen na negen maand gebeurde." Aldus zoon Tekke de Vries. [15]
[10] Roelof de Vries kocht op 7 augustus 1942 het perceel aan de Nieuwe Ebbingestraat met de huisnummers 106, 106a en 106b voor ƒ 25.000,- van het Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerende Goederen (A.N.B.O.). Deze instantie beheerde in beslag genomen 'jodenwoningen' en de inboedels uit ontruimende woningen die door afgevoerde Joden waren achtergelaten. De gemeente draaide op voor de kosten van ontruiming en de bewaring, opslag en bewaking van de inboedels. Op 1 oktober 1943 waren de kosten voor de gemeente Groningen opgelopen tot ruim 9300 gulden. Uit een rapport van de politie bleek op 5 augustus 1943 753 woningen te zijn ontruimd. Afgaande op het adresboek (editie 1943) werden de door Roelof de Vries gekochte panden in 1943 niet meer bewoond.
 
Na de Tweede Wereldoorlog diende woningbureau Contact op 22 augutus 1945 het volgende verzoek in bij het Militair Gezag:
"Namens den Heer S. Muller, wonende Place Constatin Meunier 14 BRUSSEL, verzoeken wij U beleefd rechtherstel te mogen ontvangen van zijn navolgende onroerende goederen gelegen in de Gem. Groningen:
1/ Gr.[ote] Kromme Elleboog 2 (dit pand is geheel verwoest).
2/ Boteringesingel 2 / 2a.
3/ Nieuwe Ebbingestraat 106 / 106a / 106b.
4/ Heymanslaan 38 / 38a / 40 hoek Reigerstraat 19.
5/ Reigerstraat 17 / 17a.
Wij zijn belast met de administratie van deze percelen [en met toestemming van het Militair Commissariaat belast met de inning van de huur] volgens machtiging van den Heer MULLER volgens bijgaande afschrift. Wij hebben inmiddels Den heer MULLER geschreven een zelfde verzoek tot verkrijging van rechtherstel aan U te richten."
De panden Nieuwe Ebbingestraat 106, 106a en 106b werden in 1931 door Salomon Muller, rentenier te Brussel, gekocht van Fijbe Vogelzang, koopman te Groningen. Met verrekening van de financiële lusten en lasten over de periode 1942-1949 werd het onroerend goed in tegenwoordigheid van Wilhelm Leendert Kooper, hoofd van het Bureau Bijzondere Beheren te Den Haag, door Roelof de Vries op 13 juni 1949 overgedragen aan Salomon Muller, koopman te Brussel.

Wie waren de bewoners op het moment dat de panden door de Duitse bezetter in beslag werden genomen respectievelijk werden ontruimd? Het woonhuis met huisnummer 106a werd sinds 1939 bewoond door Hendrik Bernard Kleve, geboren te Zwolle op 22 januari 1914, privéleraar talen en Nederlands Hervormd. Hij leefde gescheiden van Elziena Huizinga en hun zoon Victor Alexis. Samen met zijn moeder Sieuke Douma en zuster Jacoba deelde Jan Gosses Jilderda sinds 1932 een huishouden in het woonhuis met huisnummer 106b. Jan Gosses, geboren te Ee (Oostdongeradeel) op 20 januari 1884, was gepensioneerd hoofdcommies en werkzaam geweest op de secretarie in het provinciehuis aan het Martinikerkhof. Alle drie waren niet gebonden aan een kerkgenootschap. Hij overleed te Groningen op 3 december 1950. Beide huishoudens moesten op zoek naar andere woonruimte. Veel slechter liep het af met de ongehuwde joodse slager Philip van Gelder, geboren te Groningen op 6 december 1906 uit Leijzer van Gelder en Rachel Frank. Hij exploiteerde sinds 1932 een slagerswinkel aan de Nieuwe Ebbingestraat 106. Zijn zaak werd verzegeld, een vleeszaag, vier ijzeren gewichten en een werkbank werden in beslag genomen. Philip van Gelder werd tijdens de grote razzia begin oktober 1942 opgepakt en overgebracht naar kamp Westerbork waar hij enige tijd in het ziekenhuis verbleef. Op 16 februari 1943 werd Philip van Gelder op transport gesteld naar Auschwitz. Ruim twee maanden later overleed hij op 30 april 1943, volgens de overlijdensakte in de omgeving van Oswiecim, de Poolse naam voor Auschwitz. [Bronnen: [8]; RHC Groninger Archieven: Bevolkingsregister gemeente Groningen, adresboeken Groningen; GenLias; Herinneringscentrum kamp Westerbork; Kadaster Groningen: kadastrale inschrijvingen; Johan van Gelder, De Papieren Oorlog, Geldersboek, Groningen 1997.]

[11] Vrijdag 13 april 1945 's middags half vier trok de Third Troop van het B-Squadron van de Fort Garry Horse (onderdeel van de Second Canadian Infantry Division) vanuit het zuiden Groningen als eerste binnen. Maandag 16 april werden de laatste Duitsers bij de Noorderhogebrug verdreven. De Duitsers pasten de tactiek van de 'verschroeide aarde' toe waardoor een groot deel van de binnenstad onherstelbaar werd verwoest. Wonder boven wonder bleven stadhuis, Martinitoren en Martinikerk gespaard.
[12] Albino aan het Winschoterdiep fungeerde als voorlopige interneringskamp voor politiek verdachte personen. NV Albino-Maatschappij (1940-1946) was een grootverwerker, -verpakker en -handel in koloniale, grutters- en overige kruidenierswaren, die voor de Tweede Oorlog enkele honderden winkels in het noorden had. Verspreid over de stad Groningen werden NSB'ers onder andere ook vastgezet in scholen aan de Kapteynslaan en Parkweg, in het verenigingsgebouw van de 'Grönneger Sproak', in café-restaurant Huize 'De Beurs' aan het A-kerkhof en in de Korenbeurs aan de Vismarkt. Alleen al in de provincie Groningen waren eind mei 1945 bijna 15.000 personen aangehouden en in bewaring gesteld. Op 14 november 1949 verbleven in het Huis van Bewaring en de Strafgevangenis nog achttien politieke gevangenen, waarvan nog acht op hun proces wachtten.
[13] Door de arrestatie van Roelof en Jan de Vries was de slagerij aan de Meeuwerderweg onbeheerd. Het pand werd ten onrechte bestempeld als rijkseigendom omdat de rechterlijke macht Roelof de Vries als eigenaar beschouwde. Raadsman van de broers S. Boersma verzocht daarom aan de Commissie voor Advies inzake Rechtherstel en Beheer op 29 mei 1945 een bewindvoerder aan te stellen: "De slagery is momenteel onbeheerd en het is gewenscht, dat daarin wordt geplaatst een bewindvoerder/beheerder. Zou het mogelijke zyn, daarin als zoodani[g] te plaatsen den vader der gearresteerde broeders, den heer Tekke de Vries, die vanouds deze slagery heeft bezeten en als eigenaar van het huis tevens belanghebbende is. Ook kent hy daardoor het bedryf in alle opzichten. De vader is geen lid der N.S.B., of aanverwante bewegingen. Tevens is hy in het bezit eener politieke betrouwbaarheidsverklaring." Een antwoord op dit verzoek heb ik niet in de dossiers [8] aangetroffen. "[..] mijn oom Remmert de oudste broer van mijn vader stelde na de bevrijding de zaak veilig, het pand was overigens van mijn grootouders." Aldus neef respectievelijk kleinzoon Tekke de Vries. [15] Remmert noch Anno, de jongste van de vier broers, zijn lid geweest van de NSB.
[14] Trouwfoto Roelof de Vries en Pieterdina Schut beschikbaar gesteld door Mw. Gré Zielstra, dochter van paardenslager Harm Thomas (alias Topie) Zielstra aan het Zuiderdiep.
[15] Tekke de Vries, brief, Brugge 22 oktober 1999.
[16] Van Dale: min, vrouw die een kind van een andere vrouw zoogt.

Heeft U vragen? Mist U informatie of heeft U tips? Deponeer ze in mijn elektronische brievenbus.

Nieuwe pagina: 29 januari 2008. Voor het laatst bijgewerkt 22 april 2009.

Copyright © Henk Werk Overname van afbeeldingen en gehele of gedeeltelijke overname van artikelen is alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.