|







| |
Sidonius aan zijne hoogwaardige
excellentie, monseigneur Mamertus
-
>Het
gerucht gaat dat de Goten het Romeinse grondgebied zijn binnengedrongen:
altijd zijn wij arme Arverners voor deze invasie de deur. Wij leveren namelijk
hierdoor speciale brandstof voor de haat van onze vijanden, dat zij, voor het
feit dat ze hun grens nog niet van de oceaan tot de Rhône langs de bedding van de
Loire hebben kunnen leggen, het enige obstakel met Christus' hulp slechts door
onze versperring tegenkomen. De omliggende gebieden in hun volle omvang evenwel
zijn reeds lang door de niet aflatende druk van hun dreigende koninkrijk
opgeslokt.
-
>Maar wij
hebben er geen vertrouwen in, dat het verbrande oppervlak van onze muren of de
verrotte palissade of de borstweringen, versleten door de wachters, een steun
zullen zijn voor onze zo drieste en zo gevaarlijke moed. Wij worden slechts
gerustgesteld door de hulp van de op uw initiatief ingevoerde Biddagen; door
daarmee aan te vangen en die te vieren is de bevolking van Clermont haar
inwijding begonnen, weliswaar niet even succesvol, maar in ieder geval niet minder
gevoelvol. Hierdoor slaat zij nog niet op de vlucht voor de
verschrikkingen die haar omgeven.
-
>Immers het
ontsnapt niet aan onze waarneming, dat in de begintijd van de invoering van
deze gebedsdagen de stad die u door de hemel is toevertrouwd, ontvolkte door
de verschrikking van allerlei soort tekenen. Want nu eens trilden de gevels
van openbare gebouwen door veelvuldige aardbevingen, dan weer bedolven
herhaaldelijk uitbrekende branden ingestorte daken onder
een dikke heuvel van as, dan weer richtten herten brutaalweg met angstwekkende
tamheid hun leger wonderlijk genoeg op het marktplein in. U hebt toen temidden
daarvan, terwijl de kracht van de stad werd ondermijnd door het vertrek van
leiders en bevolking, prompt uw toevlucht gezocht tot het nieuwe voorbeeld van
de oude Ninevieten, opdat uw wanhoop niet nog een belediging zou zijn
voor de goddelijke vermaning.
-
>En inderdaad
was u de laatste die het vertrouwen in God kon verliezen zonder te zondigen,
na uw ervaring met zijn wonderdaden. Want toen bij een bepaalde gelegenheid de
stad was begonnen te branden, was uw geloof nog vuriger dan die gloed: toen
voor de ogen van het angstige volk louter door de barrière van uw lichaam het
vuur achterwaarts werd gedreven en kronkelde in wijkende wendingen,
was het een ontzagwekkend, nieuw, ongehoord wonder, dat de vlam uit eerbied
zich terug te trekken wist, die van nature bewustzijn mist.
-
>Aan de mannen
van onze stand dus allereerst - de weinigen die er zijn - gebiedt u vasten,
verbiedt u zonden, boetedoening zegt u aan, vergiffenis belooft u. U legt aan
iedereen uit dat noch straf noch vergeving ver zijn. U zet uiteen dat de
dreiging van de aangezegde verwoesting kan worden afgewend door veelvuldig
gebed. U drukt hen op het hart dat het voortduren van de razende brand beter
met het water van ogen dan van rivieren kan worden gedoofd. U drukt hen op het
hart dat de dreigende schok van aardbevingen kan worden gestuit door de
standvastigheid van het geloof.
-
>Het
eenvoudige volk dat onmiddellijk deze raad opvolgde, was ook voor zijn
meerderen een aansporing, die, hoewel ze zich niet hadden ontzien te vluchten,
zich ook niet schaamden terug te komen. Verzoend door deze gehoorzaamheid
maakte God, die de harten onderzoekt, dat uw gebed u tot heil, de anderen tot
navolging, beiden tot toeverlaat was. Uiteindelijk waren daar voortaan de
verliezen geen ramp en de tekenen geen schrik. De bevolking hier, in de
wetenschap dat dat alles uw volk van Vienne eerst was overkomen en later niet
meer was voorgekomen, omhelst het spoor van uw zo heilige onderricht, dringend
vragend, dat de zaligheid van uw geweten hun gebeden schraagt, wie u uw
voorbeeld overdraagt.
-
>En omdat
alleen u sinds de heugenis van onze voorvaderen of liever de belijder
Ambrosius, die twee martelaren vond, in het westelijke deel van de wereld de
volledige overbrenging van de martelaar Ferreolus vergund is met daarbij het
hoofd van onze Julianus, dat de bebloede hand van de beul hiervandaan eens aan
de woeste vervolger terugbracht, is het niet oneerlijk, dat wij als vergoeding
vragen, dat voor ons daarvandaan een deel van onze bescherming komt, omdat
voor u hiervandaan een deel van onze beschermheilige kwam. Wees zo goed aan
mij te denken, monseigneur.
|