Boek 7, brief 1


Start
Text and translation
Bibliography
Links
Centres
Planning
Personal
Miscellaneous

Sidonius aan zijne hoogwaardige excellentie, monseigneur Mamertus

  1. >Het gerucht gaat dat de Goten het Romeinse grondgebied zijn binnengedrongen: altijd zijn wij arme Arverners voor deze invasie de deur. Wij leveren namelijk hierdoor speciale brandstof voor de haat van onze vijanden, dat zij, voor het feit dat ze hun grens nog niet van de oceaan tot de Rhône langs de bedding van de Loire hebben kunnen leggen, het enige obstakel met Christus' hulp slechts door onze versperring tegenkomen. De omliggende gebieden in hun volle omvang evenwel zijn reeds lang door de niet aflatende druk van hun dreigende koninkrijk opgeslokt.

  2. >Maar wij hebben er geen vertrouwen in, dat het verbrande oppervlak van onze muren of de verrotte palissade of de borstweringen, versleten door de wachters, een steun zullen zijn voor onze zo drieste en zo gevaarlijke moed. Wij worden slechts gerustgesteld door de hulp van de op uw initiatief ingevoerde Biddagen; door daarmee aan te vangen en die te vieren is de bevolking van Clermont haar inwijding begonnen, weliswaar niet even succesvol, maar in ieder geval niet minder gevoelvol. Hierdoor slaat zij nog niet op de vlucht voor de verschrikkingen die haar omgeven.

  3. >Immers het ontsnapt niet aan onze waarneming, dat in de begintijd van de invoering van deze gebedsdagen de stad die u door de hemel is toevertrouwd, ontvolkte door de verschrikking van allerlei soort tekenen. Want nu eens trilden de gevels van openbare gebouwen door veelvuldige aardbevingen, dan weer bedolven herhaaldelijk uitbrekende branden ingestorte daken onder een dikke heuvel van as, dan weer richtten herten brutaalweg met angstwekkende tamheid hun leger wonderlijk genoeg op het marktplein in. U hebt toen temidden daarvan, terwijl de kracht van de stad werd ondermijnd door het vertrek van leiders en bevolking, prompt uw toevlucht gezocht tot het nieuwe voorbeeld van de oude Ninevieten, opdat uw wanhoop niet nog een belediging zou zijn voor de goddelijke vermaning.

  4. >En inderdaad was u de laatste die het vertrouwen in God kon verliezen zonder te zondigen, na uw ervaring met zijn wonderdaden. Want toen bij een bepaalde gelegenheid de stad was begonnen te branden, was uw geloof nog vuriger dan die gloed: toen voor de ogen van het angstige volk louter door de barrière van uw lichaam het vuur achterwaarts werd gedreven en kronkelde in wijkende wendingen,  was het een ontzagwekkend, nieuw, ongehoord wonder, dat de vlam uit eerbied zich terug te trekken wist, die van nature bewustzijn mist.

  5. >Aan de mannen van onze stand dus allereerst - de weinigen die er zijn - gebiedt u vasten, verbiedt u zonden, boetedoening zegt u aan, vergiffenis belooft u. U legt aan iedereen uit dat noch straf noch vergeving ver zijn. U zet uiteen dat de dreiging van de aangezegde verwoesting kan worden afgewend door veelvuldig gebed. U drukt hen op het hart dat het voortduren van de razende brand beter met het water van ogen dan van rivieren kan worden gedoofd. U drukt hen op het hart dat de dreigende schok van aardbevingen kan worden gestuit door de standvastigheid van het geloof.

  6. >Het eenvoudige volk dat onmiddellijk deze raad opvolgde, was ook voor zijn meerderen een aansporing, die, hoewel ze zich niet hadden ontzien te vluchten, zich ook niet schaamden terug te komen. Verzoend door deze gehoorzaamheid maakte God, die de harten onderzoekt, dat uw gebed u tot heil, de anderen tot navolging, beiden tot toeverlaat was. Uiteindelijk waren daar voortaan de verliezen geen ramp en de tekenen geen schrik. De bevolking hier, in de wetenschap dat dat alles uw volk van Vienne eerst was overkomen en later niet meer was voorgekomen, omhelst het spoor van uw zo heilige onderricht, dringend vragend, dat de zaligheid van uw geweten hun gebeden schraagt, wie u uw voorbeeld overdraagt.

  7. >En omdat alleen u sinds de heugenis van onze voorvaderen of liever de belijder Ambrosius, die twee martelaren vond, in het westelijke deel van de wereld de volledige overbrenging van de martelaar Ferreolus vergund is met daarbij het hoofd van onze Julianus, dat de bebloede hand van de beul hiervandaan eens aan de woeste vervolger terugbracht, is het niet oneerlijk, dat wij als vergoeding vragen, dat voor ons daarvandaan een deel van onze bescherming komt, omdat voor u hiervandaan een deel van onze beschermheilige kwam. Wees zo goed aan mij te denken, monseigneur.


Start | Text and translation | Bibliography | Links | Centres | Planning | Personal | Miscellaneous

 Contact: Joop van Waarden
Last modified: 03.02.2008