|







| |
Sidonius aan zijne hoogwaardige
excellentie, monseigneur Graecus
-
>Ik ben
jaloers op het geluk van de gebruikelijke bezorger, die het voorrecht had u
geregeld te zien. Maar waarom zou ik over Amantius spreken, als is ook mijn
eigen brief benijd, die geopend zal worden door heilige vingers, bestudeerd
door heilige ogen? En ik hier, opgesloten binnen de halfverbrande benauwenis
van een broze wal, krijg door de verschrikking van de oorlog vlakbij geen
enkele kans mijn verlangen naar u te bevredigen. Ach was de stand en staat van
het gebied van de Auvergne maar zo, dat men oordeelde dat wij geen reden tot
verontschuldiging hebben.
-
>Maar, wat
het ergste is, het loon voor onze ongerechtigheid leidt ertoe, dat een
terechte verontschuldiging ons niet ontbreekt. Na derhalve met de begroeting
geopend te hebben, zoals de gewoonte der beleefdheid eist, vraag ik u
dringend mij voorlopig te ontslaan van de verplichting van een bezoek, nu ik
die tenminste met woorden nakom. Want stel dat de vrijheid van reizen door
vrede hersteld wordt, dan ben ik banger, dat mijn voortdurende aanwezigheid
u eerder tot last zal zijn. Wees zo goed aan mij te denken, monseigneur.
|