Boek 7, brief 10 (11L)


Start
Text and translation
Bibliography
Links
Centres
Planning
Personal
Miscellaneous

Sidonius aan zijne hoogwaardige excellentie, monseigneur Graecus

  1. >Ik ben jaloers op het geluk van de gebruikelijke bezorger, die het voorrecht had u geregeld te zien. Maar waarom zou ik over Amantius spreken, als is ook mijn eigen brief benijd, die geopend zal worden door heilige vingers, bestudeerd door heilige ogen? En ik hier, opgesloten binnen de halfverbrande benauwenis van een broze wal, krijg door de verschrikking van de oorlog vlakbij geen enkele kans mijn verlangen naar u te bevredigen. Ach was de stand en staat van het gebied van de Auvergne maar zo, dat men oordeelde dat wij geen reden tot verontschuldiging hebben.

  2. >Maar, wat het ergste is, het loon voor onze ongerechtigheid leidt ertoe, dat een terechte verontschuldiging ons niet ontbreekt. Na derhalve met de begroeting geopend te hebben, zoals de gewoonte der beleefdheid eist, vraag ik u dringend mij voorlopig te ontslaan van de verplichting van een bezoek, nu ik die tenminste met woorden nakom. Want stel dat de vrijheid van reizen door vrede hersteld wordt, dan ben ik banger, dat mijn voortdurende aanwezigheid u eerder tot last zal zijn. Wees zo goed aan mij te denken, monseigneur.


Start | Text and translation | Bibliography | Links | Centres | Planning | Personal | Miscellaneous

 Contact: Joop van Waarden
Last modified: 03.02.2008