|







| |
Sidonius aan zijne hoogwaardige
excellentie, monseigneur Perpetuus
-
>In uw verlangen naar geestelijke lectuur, waarvan de
verzameling u zeer vertrouwd is, zowel door de bijbelschrijvers als door de
verdedigers van het katholieke geloof, wenst u zelfs kennis te nemen van
uitgerekend datgene wat het het minst verdient door iemand als u gehoord te
worden ter beoordeling. U vraagt mij namelijk u de toespraak te sturen die
ik schijn gehouden te hebben voor het volk in de kerk in Bourges.
Geen retorische indeling, geen oratorische hoogstandjes, geen grammaticale
wendingen gaven die passende glans en karakter.
-
>Ik kon er namelijk niet
toe komen daarin, zoals de gewoonte
is van zorgvuldige sprekers, historische gewichtigheden of dichterlijke
tournures of vonken van redekunstig vuurwerk toe te passen. Want doordat de
onenigheid, de heftigheid, de meningsverschillen van de partijen mij
verscheurden, gaf de agressie mij net zoveel stof tot schrijven, als de drukte mij de tijd ontnam. De menigte mededingers was namelijk zo groot, dat
zelfs geen twee banken de zeer talrijke kandidaten voor één zetel
hadden kunnen bergen. Ieder stond zichzelf wel aan, maar ieder stond ieder
ander allesbehalve aan.
-
>Wij zouden
echt niet in staat geweest zijn te
zorgen voor het algemeen belang, als het volk niet gekalmeerd zijn eigen
oordeel had opgegeven en zich veeleer geschikt had naar het oordeel van de
bisschop. Er waren wel enkele priesters die in de hoeken zaten te piepen, maar
verder lieten ze in het openbaar zelfs geen gemompel horen, omdat de meesten
niet minder hun eigen stand dan de overige standen vreesden. Dus, doordat in
het openbaar elk individu op zijn hoede was voor alle anderen, gebeurde het dat
allen zonder afkeuring aanhoorden waarom zij later nadrukkelijk vroegen.
-
>Ontvang daarom het geschrift dat is bijgevoegd in de
begeleidende rollen. Dat ik het heb geschreven in twee wakes van één
zomernacht - Christus is mijn getuige -, zult u, vrees ik, eerder aannemen op
grond van de lectuur zelf, die dat van zichzelf bewijst, dan van mij. Wees zo
goed aan mij te denken, monseigneur.
-
>TOESPRAAK
De wereldgeschiedenis, geliefden, vertelt dat één van de filosofen de
leerlingen die bij hem kwamen eerst het geduld om te zwijgen leerde, vóór de
kennis om te spreken, en dat alle beginnelingen temidden van de medeleden
van de school die zaten de discussiëren vijf jaar hun mond hielden, met het
gevolg dat zelfs de snellere geesten van sommigen niet mochten worden
geprezen voordat het pas gaf dat zij als zodanig werden herkend. Zo gebeurde
het, dat wie deze mensen na hun lange zwijgen hoorde spreken, zelf zijn mond
niet kon houden; want, zolang onze natuur kennis indrinkt, is het minstens
zo eervol niet te praten over wat je niet weet als te zeggen wat je wel
weet.
-
>Maar nu word ik in mijn middelmatigheid
geconfronteerd met een geheel andere situatie. Op mijn schouders is het
gewicht gelegd van dit ambt, terwijl ik een weg zoek door kolken van zuchten
en maalstromen van zonden. Voordat ik nu aan welke persoon van niveau dan
ook mij gehoorzaam als leerling kan aanbieden, ben ik gedwongen voor anderen
de taak van leraar op mij te nemen. Bij deze onmogelijkheid komt nog het
gewicht van de gêne, dat u uitgerekend mij door het aanbieden van de
schriftelijke opdracht de beslissingsbevoegdheid hebt gegeven over de
bisschopskeus ten overstaan van een heilige bisschop die zijn hoge
priesterschap meer dan verdient. Omdat hij het hoofd van zijn provincie is
en ook mijn meerdere is in ervaring, kennis, welsprekendheid, positie,
anciënniteit en leeftijd, voel ik, nu ik het woord moet voeren over en ten
overstaan van de metropoliet, - ik slechts provinciaal en de jongste, - de
schroom van een onervarene en de weerzin tegen iemand die zich iets
aanmatigt.
-
>Maar omdat het uw wil is de fout te maken, dat ik,
die wijsheid mis, voor u - met Christus' hulp - een wijze bisschop moet
uitzoeken, in wiens persoon veel goede eigenschappen samenkomen, moet u
weten dat ik door dat besluit me zeer vereerd voel, maar nog meer belast. U
moet zich vooral de grote last van de publieke opinie realiseren, omdat u
van een beginneling rijpe oordelen hebt geëist en een recht pad van beleid
vraagt van hem, van wie u zich tot nu toe alleen fouten herinnert. Derhalve,
omdat u dit nu eenmaal zo graag wilt, smeek ik u, dat u mij door uw voorbede
zó maakt als u in vertrouwen gelooft dat ik ben, en dat u zo goed wilt zijn
mijn nederige persoon liever door uw gebeden op te hemelen dan door uw
applaus.
-
>Vooraf echter is het goed dat u weet in welke
Scylla's van kritiek en in welk geblaf van tongen - menselijke in dit geval
- de storm veroorzaakt door bepaalde lieden die u proberen zwart te maken,
mij verzeild heeft doen raken. In kwalijke karaktertrekken zit namelijk dit
vermogen, dat de misdaden van enkelingen de onschuld van de meerderheid
bezoedelen, terwijl aan de andere kant een enkele goede niet de misdrijven
van velen kan compenseren door zijn goede eigenschappen te delen.
-
>Als ik een monnik benoem, - al kan hij de
vergelijking doorstaan met een Paulus of Antonius, een Hilarion of Macarius,
en begeleidt hem het voorrecht van als kluizenaar geleefd te hebben:
onmiddellijk klinkt mij van alle kanten met luid misbaar het protest in de
oren van minne dwergen, die klagen en zeggen: "Deze man die benoemd wordt,
vervult niet het ambt van bisschop, maar eerder van abt, en kan beter
opkomen voor onze zielen bij de hemelse rechter dan voor onze lichamen bij
de aardse." Wie zou zich nu niet ergeren, als hij merkt dat zuivere
eigenschappen bevuild worden door de beschuldiging van tekortkomingen?
-
>Als we
een nederig iemand benoemen, wordt hij van laag allooi genoemd; als we
iemand met zelfvertrouwen voorstellen, vindt men dat hij hoogmoedig is;
als het een niet gestudeerd iemand is, meent men dat men hem om zijn onkunde
mag uitlachen; als het iemand is die enigszins geleerd is, roept men dat hij
vanwege zijn kennis opgeblazen is;
als het een streng iemand is, verafschuwt men hem en is hij zogenaamd hard;
als hij toegefelijk is, wordt hij van slapheid beschuldigd;
als hij eenvoudig is, kijkt men op hem neer als een domkop; als hij slim is,
vermijdt men hem want hij is sluw;
als hij nauwkeurig is, beslist men dat hij pietepeuterig is; als hij
makkelijk is, vindt men hem slordig;
als hij gewiekst is, inhalig; als hij rustig is, noemt men hem lui;
als we komen met een matig mens, denkt men dat hij gierig is; als het
iemand is die ontvangt met een goede maaltijd, krijgt hij het etiket
vraatzuchtig; als het iemand is die bij een ontvangst niet mee-eet, wordt
hij beschuldigd van zelfingenomenheid.
-
>Vrijmoedigheid
veroordelen zij als brutaliteit; terughoudendheid wijzen zij af als
onhandigheid;
principiële mensen hebben zij niet graag vanwege hun strengheid;
vriendelijke zijn minderwaardig in hun ogen om hun toegankelijkheid.
Zodoende worden, op welke manier men ook leeft, in zo'n situatie toch altijd
de karakters van de fatsoenlijke mensen door de stekende tongen van
kwaadsprekers als het ware met weerhaken aangeslagen. Achter dit alles zit
dat het moeilijk is zich te schikken naar de discipline van het klooster
zowel voor eigengereide leken als voor vrijgevochten geestelijken.
-
>Als ik
een geestelijke benoem, zijn de lager geplaatsten jaloers en dingen de hoger
geplaatsten op hem af. Want enkelen van hen - de overigen niet te na
gesproken - vinden dat alleen de duur van het geestelijk ambt als verdienste
mag worden gerekend, zodat ze willen dat ik bij het wijden van een bisschop
niet geschiktheid kies, maar leeftijd, alsof een lang leven (in plaats van
een goed leven) dient te worden aangehouden voor het krijgen van het
bisschopsambt, en niet het voorrecht, het mooie, de aantrekkelijkheid van
een veelzijdige begaafdheid. En zo zijn er sommigen,
traag in dienen, snel in afkraken,
lui in besprekingen, druk in onenigheid,
zwak in liefde, sterk in partijdigheid,
vast in het instandhouden van jaloersheden, onzeker in het volhouden van
standpunten,
die proberen de kerk naar hun hand te zetten, maar binnenkort zelf overeind
gehouden moeten worden vanwege hun ouderdom.
-
>Maar goed, ik wil niet langer om het gekonkel van
enkelen de integriteit van de meerderheid in twijfel trekken. Ik wil alleen
duidelijk maken, dat, zonder dat ik namen noem, degene die aangeeft beledigd
te zijn, laat zien afgewezen te zijn. Ik zeg het maar heel eerlijk: van de
menigte omstanders zijn er velen die bisschop zouden kunnen worden, maar ze
kunnen niet allemaal bisschop worden. Doordat ieder persoonlijk zich mag
verheugen in het bezit van uiteenlopende gaven, voldoen allen zichzelf, maar
niemand allen.
-
>Als het zo loopt dat ik een ambtenaar benoem,
springt men meteen op en zegt: "Omdat Sidonius is overgegaan van een
wereldlijk beroep naar de geestelijke stand, daarom wil hij geen metropoliet
boven zich hebben uit de kringen van de geestelijkheid. Hij is over het
paard getild door zijn afkomst, hij laat zich voorstaan op de tekens van
zijn waardigheid, hij veracht de armen van Christus."
-
>Gezien
deze omstandigheden zal ik, niet omdat het nodig is voor de welwillendheid
van de nette mensen, maar omwille van de achterdocht van de kwaadsprekers,
mijn erewoord geven, - zo waar leve de Heilige Geest, onze almachtige God,
die bij monde van Petrus bij Simon de magiër veroordeelde, dat hij dacht de
genade van de zegen voor geld te kunnen kopen, - dat ik bij hem die ik voor u geschikt heb bevonden, niet word
gemotiveerd door geld of invloed, maar dat ik, na uitputtend de vereisten te
hebben gewogen van persoon en tijd, provincie en stad, geloof dat deze man,
wiens leven ik zo dadelijk in het kort ga beschrijven, de meest competente
is.
-
>De gezegende Simplicius, tot nu toe behorend tot uw
stand, maar vanaf heden te rekenen tot de onze, - als God het vergunt door
u,- past dermate bij beide kanten zowel door zijn ervaring als door zijn
achtergrond, dat èn de staat iets in hem kan vinden om te bewonderen èn de kerk
iets om van te houden.
-
>Als we respect moeten hebben voor iemands afkomst,
aangezien de evangelist heeft laten zien dat we ook die niet weg mogen laten
(want in het begin van zijn lofrede op Johannes beschouwde Lucas het als
heel belangrijk dat hij uit een priesterfamilie kwam, en alvorens de adeldom
van zijn leven te verkondigen prees hij toch eerst de waardigheid van zijn
familie): zijn voorvaderen gaven of aan bisdommen of aan rechtbanken
leiding. Vooraanstaand in beide richtingen, was zijn geslacht aanzienlijk
door of bisschoppen of prefecten. Zo was het voor zijn voorouders gewoon of
het menselijke of het goddelijke recht te spreken.
-
>Als we echter zijn eigen persoonlijkheid
zorgvuldiger in ogenschouw nemen, vinden we dat die hier onder de
spectabiles de eerste plaats inneemt. Ja, u zegt terecht dat Eucherius
en Pannychius als illustres een hogere rang hebben. Ik geef toe dat
zij tot nu toe zo bekeken zijn, maar voor de huidige gelegenheid komen zij
volgens het kerkelijk recht niet langer in aanmerking, omdat ze alle twee
hertrouwd zijn.
Als we zijn leeftijd in aanmerking nemen, heeft hij de energie van de jeugd,
de bedachtzaamheid van de oude dag.
Als we zijn ontwikkeling en aanleg vergelijken, dan wedijvert natuur met
cultuur.
-
>Als we zijn menselijkheid gaan bekijken: die staat
ten dienste van leek, geestelijke en vreemdeling, de minste en de meeste,
zelfs meer dan nodig is: meer dan eens heeft juist iemand die het niet terug
kon betalen dankbaar zijn brood aanvaard.
Als hij de verplichting kreeg een gezantschap te ondernemen, kwam hij
herhaaldelijk ten bate van deze stad voor koningen in huiden en keizers in
het purper te staan.
Als de vraag is onder wiens leiding hij in de beginselen van het geloof is
ingewijd: om een bekende uitdrukking te gebruiken, "Hij had thuis iemand om
het van te leren".
-
>Tenslotte is hij de man, dierbaren, die in de
duisternis van het gevang zat en voor wie de veelvoudig gesloten deuren van
de kerker der barbaren door Gods hand opengingen.
Naar ik gehoord heb, hebt u ooit geroepen dat hij moest worden aangesteld
als bisschop en dat zijn vader en oom daartoe moesten worden gepasseerd. Bij
die gelegenheid verwierf hij zich grote verdienste, doordat hij liever
geëerd werd door de waardigheid van zijn familieleden dan van zichzelf.
-
>Ik zou bijna iets niet genoemd hebben wat niet
ongenoemd mag blijven. Eens onder Mozes, om met de psalmdichter te spreken,
"in de dagen van ouds", stapelde heel Israël, om de bouw van de tabernakel
van het verbond mogelijk te maken, in de woestijn voor de voeten van
Besaleël een bijdrage van vrijelijk geofferd geld op. Later putte Salomo, om
in Jeruzalem de tempel te bouwen, de kracht van zijn volk volledig uit,
hoewel de in beslag genomen rijkdom van Palestina en de belastingen van de
koningen uit de omgeving nog werden vergroot door de schatten uit het zuiden
van de koningin van Seba. Maar deze man heeft voor u een kerk
gebouwd, jong en in overheidsdienst, arm en zonder hulp, minderjarig nog
maar al wel vader, en hij liet zich niet van de vrome taak die hij zich had
voorgenomen, afbrengen door het verzet van zijn ouders en de aanblik van
zijn kinderen. Toch gaf hij er principieel geen ruchtbaarheid aan.
-
>Want hij is een man die, als ik me niet vergis, wars
is van alle streven naar populariteit. Hij streeft niet naar de gunst van
alleman, maar van de top. Hij verlaagt zich niet tot goedkope
gemeenzaamheid, maar is waardevol door beproefde kameraadschap. Als edelman
wil hij zijn rivalen liever ondersteunen dan het ze naar de zin te maken,
vergelijkbaar met strenge vaders die niet denken aan de wensen, maar aan de
belangen van hun jonge zoons;
in tegenspoed standvastig, op kritieke momenten trouw, in voorspoed
bescheiden;
in kleding eenvoudig, in woorden gewoon;
in de omgang gemeenzaam, in de vergadering een uitblinker;
beproefde vriendschappen streeft hij ijverig na, houdt hij zorgvuldig in
stand, blijft hij eeuwig trouw;
opgedrongen vijandschappen hanteert hij fatsoenlijk, gelooft hij pas laat,
laat hij snel vallen;
allermeest te ambiëren omdat hij allerminst ambitieus is, is hij er niet op
uit het priesterschap te krijgen, maar het te verdienen.
-
>Nu zal iemand zeggen: "Hoe kan het dat u zo snel zo
veel over hem gehoord hebt?" Hem antwoord ik: Ik kende al mensen uit
Bourges voordat ik Bourges kende.
Veel ken ik er van onderweg, veel van de kanselarij,
veel van zakelijke bijeenkomsten, veel van ambtelijke vergaderingen,
veel van hun verblijf in den vreemde, veel van het mijne.
Heel veel mogelijkheden om iemand te kennen komen ook voort uit iemands
reputatie, want de natuur heeft niet zulke krappe grenzen gesteld aan
beroemdheid als aan de eigen stad. Daarom, aangezien de rang van een stad
niet zo zeer moet worden afgeleid uit de omtrek van haar muren, maar uit de
beroemdheid van haar burgers, ben ik er niet pas kort geleden achtergekomen
wie u was, maar waar u was.
-
>Zijn vrouw komt uit de familie van de Palladii, die
hetzij leerstoelen in de letteren hebben bekleed hetzij de stoel der altaren
hebben bezet tot eer van hun ambt. Omdat de persoon van een echtgenote
vraagt om een delicate en beknopte vermelding, zou ik met nadruk willen
vermelden dat die vrouw past bij de priesterschappen van beide families, die
waar ze geboren is en opgegroeid, en die waar ze gekozen is en naar toe
gegaan. Hun beide zoons voeden zij goed en verstandig op. Met hen vergeleken
wordt hun vader daardoor steeds gelukkiger, dat zij hem overtreffen.
-
>Welnu, omdat u gezworen hebt dat het oordeel van
mijn bescheiden persoon in deze verkiezing de doorslag zou geven, -
aangezien men met geen grotere geldigheid een eed kan afleggen dan hem op te
schrijven,- is het - in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest -
Simplicius van wie ik uitspreek dat hij metropoliet van onze provincie en
bisschop van uw stad moet worden. U van uw kant, als u betreffende de man
over wie wij spreken mijn nieuwe uitspraak volgt, geef dan overeenkomstig uw
oude uitspraak luid uw instemming te kennen.
|