‘M’n benen staan op tafel, in een mooie urn’

Vrienden en kennissen hebben liever dat je ze draagt, omdat het ‘normaler’ staat, maar aan twee protheses die pijn doen en waarop je staat te wankelen heb je niets. En  als je twee benen mist kan je soms kruipend veel sneller iets pakken, dan wanneer je je per rolstoel verplaatst. Dan vinden ze het maar raar. Heleen Sessink is de schaamte voorbij en vertelt over haar overwinning.
HELEEN SESSINK (33) uit de Gelderse Achterhoek ging tot haar veertiende redelijk gezond door het leven. Ze kon alleen slecht zien, maar dat werd later door een operatie verholpen. Echter  op haar twaalfde begon ze klachten te krijgen. Ze werd mager en ze was heel moe. “Pubertijd,” meenden de artsen. Maar op haar  veertiende werd diabetes (suikerziekte) geconstateerd en omdat ze zolang met deze ziekte had doorgelopen, was die niet meer goed onder controle te krijgen.
Sindsdien kwakkelt Heleen met haar gezondheid. Het leidde er vier jaar geleden toe dat haar ene onderbeen werd geamputeerd en drie jaar geleden haar andere onderbeen. “Ik had botontsteking, osteomylitis. Die wilde niet genezen en was ‘naar binnen geslagen’. Dat het zo slecht genas kwam natuurlijk ook door die diabetes. Wat de oorzaak is, is niet helemaal duidelijk. Het kan een virus zijn dat mijn lichaam, vanwege een slechte weerstand, niet kon overwinnen. Bovendien heb ik slechte vaten. Ik had geen keuze, maar moest het been eraf laten halen. Als dat niet zou gebeuren, zou de ontsteking verder gaan en mijn hele lichaam verwoesten.” Om dezelfde reden moest later het andere been geamputeerd worden.

Heleen past een eigen strategie toe om het verlies van haar benen te verwerken. “Bij de eerste amputatie werd ik daarbij een beetje geholpen. Het been werd namelijk op 29 februari verwijderd. Ik dacht toen: ‘gelukkig, ik hoef het dus maar een keer per vier jaar, in het schrikkeljaar te herdenken’.”
Toch hecht Heleen veel waarde aan dat herdenken. “Ten eerste heb ik mijn benen laten cremeren. Ik vind niet dat je iets wat toch lang deel uit heeft gemaakt van je lichaam zomaar in de vuilnisbak moet gooien. Ik was de eerste in Nederland die met zo’n verzoek kwam, zeiden ze. Ik heb het crematorium gebeld en afgesproken dat ze de crematie tussen twee andere crematies door zouden doen, zodat ze niet helemaal opnieuw een zaal hoeven in te richten. Dan zou het te duur worden.” Het ziekenhuis moet je uiteraard ook op de hoogte stellen van je plannen tot crematie, zodat ze het been niet wegdoen. “Het been is in een klein kistje vanaf het ziekenhuis naar het crematorium vervoerd. Bij de crematie was niemand aanwezig, behalve ikzelf. Ik deed het ook louter voor mijzelf. Voor mij was dat een overwinning. Doen wat je zelf moet doen en niet wat anderen vinden dat je moet doen.”

“Ik overwoog ook rouwkaarten te sturen.  In memoriam mijn overleden been. Maar mensen vonden dat geschift, daarom heb ik het toch maar niet gedaan.”
De as van haar gecremeerde benen staat op haar tafel, in een fraaie urn. De urn heeft de vorm van een slapend vogeltje. Voor Heleen heeft dat een symbolische waarde. “Het vogeltje slaapt, het is niet in beweging, het is niet mobiel. Dat geldt ook voor mij.”

‘Ik wil stilstaan bij mijn voeten’

De Gelderse heeft danwel geen benen meer; ze zijn nog volop aanwezig in het huis. Overal hangen kaarten en foto’s van benen, schoenen en voeten en ze heeft een bedelarmbandje waar ze na haar amputatie schoentjes aan gehangen heeft. Van haar voeten heeft ze, voor haar benen geamputeerd werden, een schilderij laten maken. Sommigen van ons zouden wellicht liever juist niet herinnerd willen worden aan ledematen die er niet meer zijn, voor Heleen geldt dat niet.  “Het is voor  mij een rustgevend iets. Sommigen gaan graag terug naar een graf. Ik wil graag af en toe stilstaan bij mijn voeten.”

Na de amputatie van het eerste been heeft Heleen rondgelopen met een onderbeenprothese. “Dat ging redelijk, maar na de amputatie van het andere onderbeen ging het niet meer. Ik heb het wel even geprobeerd, met twee protheses lopen. Maar mijn stompen zijn niet gunstig. Er zitten nogal veel weke delen aan. Daarom doet het zeer als ik de protheses draag. Een heroperatie werd mij afgeraden, vanwege mijn slechte gezondheid. Dat zou slecht zijn voor het hart. Hoewel ik altijd geroepen heb: ‘Ik zal eens weer lopen’, heb ik die gedachte laten varen. Ik besloot mijn protheses niet meer aan te doen en verder in een rolstoel en kruipend door het leven te gaan. Het was voor mij opnieuw een overwinning op mezelf dat te durven. Ondanks dat mijn vrienden en kennissen zeiden: ‘Het staat toch niet mooi zonder benen, trek anders sierprotheses aan’, besloot ik voor mezelf te kiezen en dat te doen wat het prettigst was: geen protheses.”
Opnieuw verzon de niet-beenprothesedraagster een ritueel om haar besluit te sterken. “Ik heb mijn laatst gekochte schoenen gepakt, een bosje vergeet-mij-nietjes er aan vastgeknoopt en ze in het water voor mijn huis gegooid.”

Helene, degene zonder benen

Heleen voelt zich nu goed. Ze doet een studie  psychologie en gedragstherapie en woont zelfstandig. Ze redt zich goed. Ze doet zelf de boodschappen en het leeuwendeel van het huishouden. “Ik heb wel een gezinshulp die het grove werk doet, zoals bijvoorbeeld de ramen lappen. Maar als die ziek is, doe ik het zelf. Ik kan alles, alleen soms duurt het wat langer voor het lukt en moet je trucs verzinnen om je doel te bereiken. Om de ramen te lappen klim ik bijvoorbeeld bovenop mijn rolstoel.
Heleen woont in een klein dorp in de Achterhoek. De sociale controle is daar groot. Heleen: “Iedereen weet: Helene is degene zonder benen. Alleen vreemden en kleine kinderen kijken nog.” De kleine kinderen zijn het directst. Dat waardeert de Geldertse. “Volwassenen hebben dezelfde vragen en gedachten, maar durven ze niet te stellen. Als ik in mijn scooter met mijn hond voorin rondrijd, kijken volwassenen heel geforceerd naar de hond, maar de kinderen naar  mijn benen. Ik heb een vriendin, die heeft een dochtertje van drie. Die besefte laatst voor het eerst dat er iets mis is met mijn benen. Ze zei: ‘Ik heb lange benen, jij hebt korte benen’. We gingen toen naar de drogist. Daar zei ze spontaan tegen degene achter de toonbank: ‘Kijk, zij heeft korte benen, ik heb lange benen’ en ze tilde haar jurk omhoog. Ze bracht het als een feit, alsof het heel normaal was. En zo zou ik willen dat iedereen reageerde, in plaats van te blijven aandringen op het dragen van protheses.”
 
 

Terug naar interviews