trap

DE MUUR heruitgave 2018

presentatie en symposium 19 februari 2019

INC herpubliceert De Muur (1984)–Interview met de schrijvers Jan de Graaf & Wim Nijenhuis

 

Ronde tafelgesprek op 19 februari in de voormalige Amerikaanse ambassade in Den Haag, klik hier

 

November 15, 2018 at 10:25 am.  Voor de originele blog klik hier.

Hierbij presenteert het Instituut voor netwerkcultuur met trots de herpublicatie van De Muur (Uitgeverij 010, 1984), geschreven door Donald van Dansik, Jan de Graaf en Wim Nijenhuis met foto’s van Piet Rook van de Berlijnse Muur. Hier vind je de pdf en hier de e-pub. Met dank aan Leonieke van Dipten (Shanghai) voor de productie.

Inleiding door Geert Lovink, November 2018

Ik las De Muur in het ommuurde West-Berlijn zelf, net nadat het boek was uitgekomen, in een kraakpand aan de Potsdammerstrasse waar ik toen woonde. Eind 1981 had ik al eerdere publicaties van deze schrijvers verslonden, namelijk Meten en regelen aan de stad (Jan de Graaf,/Ad Habets/Wim Nijenhuis) en Machinaties (Jan de Graaf/Wim Nijenhuis), beiden met foto’s van Piet Rook. Het boek was indertijd zo belangrijk voor mij dat ik een getypte samenvatting maakte (die je hier kunt bekijken: de-muur-samenvatting).

De Muur verscheen tijdens de kruisraketten crisis, de laatste, hevige stuiptrekkingen van de Koude Oorlog, vlak voor de komst van Gorbatshov. Ten tijde van het Orwelljaar 1984 wees niets op de Val van Muur, 5  jaar later. Of waren er toch onzichtbare tekenen van een komende implosie? Historisch gezien is dit geschrift uit de koker van de Nederlandse architectuurtheorie een interessante avant-gardische aanwijzing dat er reeds fikse scheuren zaten in de (Westerse) kijk op de Berlijnse Muur. De grote sprong voorwaarts die De Muur maakt is de kijk op dit repressieve politieke fenomeen als een amoreel, materieel object.

Bestaat er buiten de pertinent politieke interpretatie ruimte voor een andere kijk op de muur? De Delftse theoretici zien het trekken van grenzen als een vorm van “isolatie met als oogmerk de therapie van de inkeer.” Is de muur een dam? Terwijl vroeger de muur “waarborg was voor de volmaaktheid van de stad,  is hij vandaag de inkarnatie van het scheidend kwaad.” De Berlijnse Muur biedt een retrospectief,  als vestingswal is het een anachronisme en geen vitale schakel meer in een militaire architectuur die bepaald wordt door raketten en de electronische lichtsnelheid van de communicatie. In Berlijn aanschouwen we de ‘extase van de muur’. Terwijl “het territorium verdwijnt in het tumulteuze verkeer,” verbergt de muur een schat. “De muur is vervat in een tweespalt van angst en begeerte.” De muur onttrekt energie en zijn zwakte is de bres, de opening, het is een membraan, “tegelijkertijd scheiding en verbinding.” De muur als een wraak op de stad als regelmachine van stromen.

Dit soort theorie en schrijfwijze, in het Nederlands, veroorzaakten bij mij toendertijd een ideologische aardsverschuiving. Hoe was dit mogelijk, vroeg ik me af, om zo poetisch, zo anders te schrijven over harde politieke zaken zoals stadsvernieuwing, buurtinpraak en andere voorbeelden van de repressief-pedagogische sociaal-democratische stadspolitiek in de late jaren van de welvaartstaat? In mijn eigen studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam zaten we nog midden in het ideologie en macht debat tussen Gramsci, Althusser en Foucault. In Delft was men al vele rondes verder, zo leek het wel.

Ik nam dit alles in mij op in de turbulente oprichtingstijd van het weekblad bluf!, op het hoogtepunt van de Amsterdamse kraakbeweging, waar ik aktief aan deelnam. Ook wij zagen de CPN en de PvdA als onze direkte tegenstanders, maar dan vanuit de optiek van de radikale (‘nieuwe’) sociale bewegingen. Het wantrouwen tegenover de inspraakmachine en de ‘stadvernieuwing’ was iets dat wij deelden met deze vreemde theorie orakels uit Delft. Wij deden dat alleen vanuit de praktijk van de stedelijke strijd, geinspireerd door Manuel Castells (ha, de link naar netwerken!). Ik las toendertijd  ook Han Meyer die in 1980 met anderen De beheerste stad (Uitgeverij Futile) schreef. Ik had trouwens al eerder met Delftse geschriften kennis gemaakt uit dezelfde kring, de ‘Projektraad’ van de afdeling Bouwkunde van TH Delft, zoals de Marxistische polderleer van Rypke Sierksma die met een kritische lezing kwam van Foucault, Deleuze en Guattari. Sierksma kon ik in 1980 nog goed volgen vanuit de optiek van een 20 jarige Amsterdamse kraker met een pragmatisch-radicaal anarchistisch wereldbeeld. Hij schreef bijvoorbeeld in 1982 het boek Polis en politiek, kraakbeweging, autoritaire staat en stadsanalyse (Delftse universitaire pers). Wat de Graaf, Nijenhuis e.a. schreven opende een totaal ander, maar zeker niet minder radicaal wereldbeeld die mij in de richting van BILWET en de autonome media theorie wezen.

Om nader kennis te maken  heb ik toen in de loop der jaren een aantal radio interviews met Wim Nijenhuis gemaakt (die ik eind jaren tachtig persoonlijk leerde kennen), waarvan een aantal online staan op archive.org (hier een gesprek over het werk van Paul Virilio).

De INC heruitgave van De Muur is een eerbetoon aan deze NL theorie generatie en hopelijk het begin van een INC serie met soortgelijke achitectuur en stedebouw publicaties uit die tijd. De theorie van toen kan een inspiratie zijn voor het formuleren van een hedendaagse radicale theorie over smart city, urban platforms en ‘city making’ die verder wil gaan dan de op zich terechte kritiek op de gentrificatie. Mij fascineerde het toen al dat eigenzinnige theorie in het Nederlands bestond. De Delftse theorieproductie uit de jaren 70 en 80 is voor mij een belangrijke inspiratiebron geweest, ook voor ons Instituut voor netwerkcultuur. Nederland mag dan geen filosofen hebben, maar in elk geval hadden we architecten die nadachten, schreven en debatteerden. Wij vroegen ons toen al af: is radicale theorie van Nederlandse bodem ueberhaupt wel mogelijk? Wat zijn onze eigen inspiratiebronnen? De Muur toont aan dat een eigenzinnige theorieproductie in deze oer-pragmatische delta wel degelijk mogelijk was. Vandaar deze heruitgave. Om wat meer achtergronden te geven, besloten we een email interview te maken met twee van de schrijvers.

INTERVIEW

Geert Lovink (Q): Hoe kwam De Muur tot stand? Kunnen jullie iets vertellen over de intellectuele context in 1984 in Delft?

Jan de Graaf & Wim Nijenhuis (A): De Muur is het resultaat van een conceptuele exercitie, gepaard aan systematisch veldwerk in situ. We kunnen dat een kritische afwijking noemen van een gangbare praktijk, die aangedreven werd door een uitgebreidere visie op de professie stedenbouw. Toen we werkten aan De Muur waren we te gast bij de afdeling stedenbouw van de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft. Daar werd onderzoek van ‘stad en landschap’ gewoonlijk gezien als stedenbouwkundig onderzoek, opgevat als survey before plan, als (sociografisch) voor-onderzoek in dienst van de legitimatie van een ontwerp. Het ontwerp op zijn beurt werd opgevat als voor-afbeelding van de toekomstige situatie van een gegeven gebied. Analyses die oog hadden voor de grote schaal, de lange duur, complexe samenhangen en voor processen die bepalend waren en zijn niet alleen voor het gebied in kwestie maar ook voor de stedenbouwkundige professie zelf, – professie opgevat als kunde en als wetensveld- ontbraken nagenoeg. Wij behoorden in die tijd tot een kleine subcultuur, ontstaan vanuit de studentenprotesten van de 60er jaren, die besloten hebben af te wijken van het reguliere studieprogramma en tijd te reserveren voor theoretische verkenningen buiten het reguliere vakgebied. Daarvoor bezochten we andere universiteiten en zetten we zelfstandige programma’s op voor literatuurstudie.

Opvallend was ook dat de methode van wat je terrestrische verkenningen kan noemen, nauwelijks overdacht werd. Excursies waren er in overvloed. Ietwat gechargeerd, given area’s werden verkend maar meestal leek een (halve) dagmars voldoende om foto’s te maken die al duizendvoudig vaker en beter gemaakt waren. Terug ‘thuis’ werd tijdens de andere daghelft historisch kaartmateriaal bekeken. Daarmee was het ontwerpgebonden vooronderzoek eigenlijk wel afgerond.

In het kader van onze theoretische studies volgden we al enige tijd de publicaties van het Franse CCI (Centre de Creation Industrielle), een afdeling van het Centre Pompidou. Hier werd het tijdschrift Traverses uitgegeven en allerhande thematische publicaties zoals het mooie boekje Les Portes de La Ville, catalogus van de gelijknamige tentoonstelling van het CCI. In de redactie van Traverses zaten toen o.a. Jean Baudrillard en Paul Virilio. Op deze manier werden we geattendeerd op publicaties van Paul Virilio zoals zijn boekje Vitesse et Politique en zijn Bunker Archeologie. De belangrijkste werken van het CCI, en van Baudrillard en Virilio werden in Duitsland op de voet gevolgd door uitgeverijen als het Merwe Verlag en de tijdschriften Tumult en Freibeuter. In deze werken werd expliciet aandacht besteed aan de relatie tussen stad en techniek, waarbij techniek ook militaire techniek en mediatechniek behelsde. Er werden civiele objecten besproken zoals havens, vliegvelden, kanalen, stadsmuren, autosnelwegen, riolering, en natuurlijk bunkers. (deze lijst is niet uitputtend).

Dit discours bood ons een andere kijk op de stad dan we gewend waren van de TU te Delft en de Nederlandse vakbladen. Deze focusseerden grof gezegd op de projecten van afzonderlijke architecten en hoe deze vanuit hun specifieke theoretische achtergronden omgingen met de stedelijke realiteit. Aan de TU domineerde een ontwerpcultuur die ongebroken schatplichtig was aan de traditie van het modernisme, af en toe afgewisseld door het postmodernisme, dit alles in toenemende mate overkoepeld door een Rem Koolhaas in opkomst. Als we vragen naar de architectuurtheorie van die tijd dan moeten we wijzen op het neoavantgardistische en humanistische denken van Herzberger en Van Eyck, die pleitten voor een redding van de stad en de stedelijke gemeenschap door middel van verleidelijke utopische architectuur (voorafbeeldingen, symbolen van het mogelijke). Daarnaast was er het marxistisch denken, waarbij de volgelingen van Althusser zich bezighielden met ideologiekritiek en alternatieve methoden voor stedenbouw en die van Manfredo Tafuri met allerlei varianten van historische kritiek. Voor verdere toelichting op de achtergrond verwijzen we naar het artikel ‘The Image of the City and the Process of Planning’ in Wim Nijenhuis’ The Riddle of the Real City (p.195) dat als e-pub en als gedrukt boek is uitgegeven door Uitgeverij 1001 in samenwerking met het Instituut voor Netwerkcultuur.

Onze ‘brede’ en kritische vakopvatting werd in die tijd gevoed door een reeks snelle theoretische transformaties die zich voltrokken binnen een relatief kleine subcultuur van studenten en medewerkers uit de zg. Projectraad (een op maatschappijkritiek gericht werkverband dat was voortgekomen uit de studentenrevolte van de jaren 60) en groepen studenten en medewerkers rond de colleges kunstgeschiedenis van Kees Vollemans. De transformaties verliepen van al dan niet (neo)marxistische sociologie, naar de architectuurgeschiedenis van Tafuri, en vervolgens de theorieën van Foucault, Deleuze en Baudrillard. Deze transformaties betekenden ook een voortgaande correctie van en kritiek op de rol van de al dan niet Marxistische sociologie bij de verklaringsmodellen voor de productie van architectuur en stedenbouw.

Voorafgaand aan De Muur hadden we al ons afstudeerwerk gepubliceerd (Meten en Regelen aan de Stad), dat handelde over de sociaaldemocratische en humanistische stadsvernieuwing in Rotterdam. Hier hadden we de gangbare sociografische analyse vervangen door elementen van Franse taaltheorie en hebben we inzichten van Michel Foucault uitgeprobeerd. In onze studie ‘De Kop van Zuid’, over de relatie tussen havenaanleg en stedenbouw in de 19e eeuw trad het denken van Michel Foucault en aan hem verwante Franse historici expliciet op de voorgrond. Omdat we ruim aandacht besteedden aan grote technische en infrastructurele werken in de 19e eeuw, werd onze aandacht wederom gevestigd op het werk van Paul Virilio. Inhoudelijk leerden we van hem de mogelijkheid om conceptuele exercities los te laten op een concreet object, in dit geval De Muur.

Q: Er spreekt een zekere fascinatie uit jullie tekst voor de Berlijnse muur als architectonisch monument. Is dat niet wrang voor de mensen aan de andere kant van de Muur? Jullie optiek was een Westerse. Zit hier een element in van bewondering voor de wraak van het object? Of een impliciete sympathie voor communisten a la Ulbricht en Honnecker?

A: We hadden ons monumentbegrip al uitgebreid onder invloed van de publicaties van het CCI (Les Portes de La Ville, Traverses), het werk van Virilio (vliegvelden, bunkers, autosnelwegen) en vanwege ons eigen onderzoek naar de Rotterdamse havens in De Kop van Zuid.

Monument betekent normaliter een standbeeld in een park, of op een plein. Vaak is het ook een markant oud gebouw. Het woord monument is in de stedenbouw verbonden met de Monumentenzorg, een praktijk die stamt uit de 19e eeuw. In lijn met deze traditie hebben we het woord ‘monument’ opgevat als ‘het gedenkwaardige’ en de bouw van stedelijke monumenten als het oprichten van symbolen van het gedenkwaardige. Van Nietzsche hadden we geleerd dat monumenten behoren tot de mnemotechniek, de techniek om herinneringen te produceren. Van Nietzsche is ook de uitspraak dat de beste mnemotechnieken altijd gepaard zijn gegaan met een of andere vorm van pijn en offer. Zo geredeneerd was en is het logisch om de muur van Berlijn op te vatten als een exemplaar van buitengewoon geslaagde mnemotechniek.

Of we gefascineerd waren door de muur staat nog te bezien, omdat fascinatie toch meestal zoiets betekent als geboeid zijn, of betoverd zijn door iets. In het begrip klinkt mee dat de bewondering kritiekloos en ongereflecteerd is. Ons idee was echter om de muur eens goed te gaan bekijken en er een stukje gedegen stedenbouwkundig veldwerk aan te besteden. Het idee om de muur eens goed te gaan bekijken als stedenbouwkundig bouwwerk, ic monument, impliceerde juist dat iedere fascinatie gebroken zou worden door de nuchtere en vakmatige inspectie. Zoals eerder gezegd, ons project was in de eerste plaats een ingenieursproject gebaseerd op de techniek van de oculaire inspectie ter plekke, om een uitdrukking te gebruiken die populair was bij de eerste civiel ingenieurs in de achttiende eeuw. Met de muur als object hebben we op onze eigen manier civic survey bedreven. Onze uitgebreide terrestrische verkenning (160 kilometer muur!) hadden we voorbereid met uitgebreide studie van kaarten van Berlijn, waarop het traject van de muur minutieus was ingetekend. Uitgeselecteerde plekken hebben we te voet opgezocht en rillend van de kou geïnspecteerd met onze laarzen in de modder. De foto´s in het boek zijn dan ook meer dan artistieke impressies. Ze zijn ook documentatie, d.w.z. fotografisch verslag van dit veldwerk. Op deze manier wordt de werking van de muur als mediabeeld of als publicitair icoon, die vaak wel effecten heeft van fascinatie, doorbroken.

We hebben de muur express van een kant benaderd. Je begrijpt dat een fotografische inspectie van de andere kant in 1984 praktisch onmogelijk was. In ieder geval zijn wij er niet aan begonnen. Dit betekent dat de fotografische standpunten en dus ook de standpunten van de oculaire inspectie ter plekke zich systematisch in het territorium van West-Berlijn hebben bevonden. Een aantal malen zijn we doorgedrongen tot standpunten die zich buiten West-Berlijn bevonden, in de zone van de Muur, die in zijn geheel op het territorium lag van Oost-Berlijn. Daar zijn we door het membraam heen gestoten, zonder echter aan te komen aan de andere kant, een ware transgressie in de zin van Foucault.

Vandaag de dag blijkt dat de monumentwerking van de muur ook persisteert na zijn afbraak en dat dit geldt voor mensen van Oost-en West. Maar dan praten we wel over de muur als restant, zoals bij de Bernauer Strasse, of als replica, zie de recente pogingen om op de Museen Insel een ‘Berlijnse Muur’ te realiseren onder de paraplu van de kunst.

In relatie tot het succes van de muur is de westerse optiek de meest onthutsende. Tenslotte heeft de muur uiteindelijk gefaald voor wat betreft de strategie van de DDR, als dam in de mensenstroom, wat niet gezegd kan worden van de (reactieve) strategieën van de westerse machten. Hoewel ons concrete optiek in het westen lag, hopen we dat onze abstracte, theoretische optiek zich los heeft gemaakt van de tegenstelling tussen oost en west. In die zin hebben we gespeeld met het begrip ´objectieve optiek´ door te stellen dat de muur de ongeluksverschijning was, een fatale turbulentie, die veroorzaakt werd door het geweld van het nucleaire evenwicht en de ‘geloofscontroversen’ die onder deze paraplu werden uitgevochten. Morele of politieke oordelen doen hier niet ter zake en leveren thesen op die van secundair belang zijn.

Of hier sprake is van de ‘wraak van het object’? In zekere zin wel, want de muur was een object, dat in al zijn  monstruositeit en al zijn banaliteit ontstond, bestond en ten onder ging buiten de ‘wil van de mens’ om, in ieder geval van de direct betrokkenen. Net zoals de opkomst en de ondergang van de historische vestingmuur gevat was in een keten van onontkomelijke noodzakelijkheden.

Q: De Berlijnse muur viel vijf jaar na de publicatie van jullie boek. Hoe keken jullie tegen deze historische gebeurtenis aan? Is het terecht om te zeggen dat de stenen muur toen werd vervangen door een elektronische in de vorm van Schengen en Frontex? Ruim dertig jaar later zijn de grensmuren in Europa weer terug van nooit weg geweest. De meest bekende is wellicht de Orban muur tussen Hongarije en Servie om vluchtelingen tegen te houden.

A: De muur kon vallen, omdat zijn ‘goddelijke’ garant, de nucleaire afschrikking, aan het wankelen was gebracht door de politiek van economische uitputting van Reagan en de verleiding van de massa’s door de moderne media. We zijn nog niet helemaal af van het nucleaire evenwicht, tegenwoordig is ze niet meer bipolair, maar multipolair. Tegelijkertijd is het  duidelijk dat het militaire genius hevig op zoek is naar wegen om te ontsnappen aan de beperkingen die hem worden opgelegd door de atoomparaplu. Binnen dit gegeven belichaamt Schengen het neoliberale ideaal van de transparante wereld van de ongebreidelde mobiliteit, dat vroeger door de nucleaire afschrikking binnen de perken werd gehouden. Frontex belichaamt de onmogelijkheid van deze ideologie in het tijdperk van de historische catastrofe. Het verschil met de Berlijnse Muur is dat Frontex niet op dezelfde manier wordt gedekt door nucleaire afschrikking en bijbehorende pacten. Frontex heeft te maken met bipolaire afschrikking en een wereld die geteisterd wordt door een genadeloze krimp van de aardbol, het kleiner worden van de afstanden en de toenemende interactie tussen alle delen van de wereld onder invloed van de kapitalistische economie en de techniek van de communicatie (overigens ook een militaire uitvinding). Misschien is de migratie waartegen men nu vecht inderdaad een ‘wraak van het object’, of misschien nog eerder: de wraak van de middelen, met name de satellieten die satelliettelevisie, delen van internet en de mobile telefonie mogelijk maken.

Clausewitz parafraserend kunnen we zeggen dat Frontex de voortzetting is van de Muur onder andere omstandigheden en met andere middelen.

Q: De herpublicatie van De Muur kan zeker ook gelezen worden als een eerbetoon aan de onlangs overleden Paul Virilio. Hoe zien jullie de status van zijn werk op dit moment?

A: Ons boek kent zeker raakvlakken met het werk van Virilio, maar mag niet gezien worden als een pure toepassing van zijn filosofie.

Om de status van het werk van Virilio vandaag de dag te kunnen bespreken moeten we een aantal facetten onderscheiden in zijn werk, te weten zijn schriftuur, zijn filosofie, zijn onderwerpen en zijn concepten/thesen.

Zijn schriftuur was destijds opvallend origineel. Hij werkte met textuele montage, d.w.z. het naast elkaar zetten van strijdige, of spannende concepten. Hij gebruikte daarvoor uitspraken uit allerlei bereiken. Hij hield van het treffende citaat, dat vaak in hoofdletters en in bold werd afgedrukt. De montage maakte het mogelijk uiteenlopende wetenschappelijke domeinen en kunstvormen als literatuur, film en dichtkunst met elkaar te verknopen. De relatie van zijn schriftuur met de filmmontage en reclametechniek was opvallend. Net als televisiereclame waren zijn teksten zelden direct, maar eerder toespelend van aard. In interviews legde hij uit, dat voor een goed effect niet alles meer uitvoerig uitgelegd hoefde te worden en dat we ons kunnen beperken tot een geconcentreerde en soms onvolledige vertelling.

Zijn filosofie was tweeledig. Hij geloofde in de kracht van het woord en de strijd van de ideeën, maar hij geloofde niet in de noodzaak van het wetenschappelijke begrip. Daarnaast ging hij uit van de stelling dat onze geschiedenis een fatale kromming heeft ondergaan en dat de tijd van de vooruitgang getransmuteerd is in de tijd van de catastrofe. Volgens Virilio komt het er nu op aan om alle technische uitvindingen te checken op hun negatieve en onbedoelde effecten. Zijn alles overkoepelende premisse is hier, dat iedere technologische innovatie zijn eigen specifieke vorm van ongeval in zich draagt. Binnen dit gegeven was zijn methode de transhistorische apocalyptiek, dat wil zeggen: de lezer opwekken tot waakzaamheid en wantrouwen tegenover actuele tendensen door middels geniale schakelingen met gebeurtenissen uit het verleden te voorspellen welke ongevallen nieuwe uitvindingen zullen gaan veroorzaken en welke negatieve bijwerkingen ze zullen hebben.

Zijn voorspellingen betroffen vaak de stad en de maatschappij in relatie tot technologische/militaire innovatie. Wat is de invloed van het verkeer op de stad, wat is de invloed van de film en later de telecommunicatie op individu en maatschappij en gemeenschap? Wat is de rol van het militaire intellect binnen dergelijke technologische ontwikkelingen en hoe reageren maatschappijen op catastrofes?

Uit deze vragen zijn talloze hypothesen en concepten voortgekomen zoals dromologie, dromocratie, ontsnappingssnelheid, monument van het moment e.d.

Virilio heeft in de jaren 90 veel succes gehad, hier en in de Verenigde Staten. Zijn werk is structureel opgepakt in Duitsland (Peter Weibel e.a.) en Engeland (John Armitage), beiden werkzaam in de wereld van de kunsten. In Nederland werd Virilio bestudeerd in een kleine kring. Dat hij in de academische wereld niet aansloeg is niet verwonderlijk voor een denker die het ´begrip´ afwijst. Op onze techniekfaculteiten stuitte zijn apocalyptische negativiteit op weerstand, mede omdat de ingenieurswetenschappen nu eenmaal de incorporatie zijn van de hoop. Onze Denker des Vaderlands, Hans Achterhuis, destijds professor voor filosofie van de techniek in Twente, lanceerde begin deze eeuw zelfs een heuse actie tegen Virilio’s zogenaamde ‘dystopische’ schrijven, aangespoord door zijn eigen verlangen naar utopie. De meeste architecten negeerden Virilio, omdat hij geen toepasbare theorie zou hebben opgeleverd. Gezien het bovenstaande is er veel voor te zeggen dat Virilio in Nederland in ieder geval, een echte ‘underground’ denker was en is gebleven. En dat lijkt ons ook goed zo, want hoe meer zijn werk aan de oppervlakte komt en opgenomen wordt in institutionele verbanden, hoe minder de werkzaamheid ervan wordt.

Merkwaardig genoeg is zijn apocalyptische methode tegenwoordig teruggekeerd alsof ze nooit is weggeweest, ondanks, of dankzij 30 jaar postmodernistische weerstand. Denk aan Sloterdijk, ‘Je moet je leven veranderen’, of Bruno Latour met ‘Oog in Oog met Gaia’. In deze werken wordt Virilio (terecht) niet geciteerd, maar hun apocalyptische toon is niet te overzien. Het boek ‘Homo Deus’ van Yuval Harari, dat de hele wereld lijkt te bestormen, is niets anders dan een staaltje van hoogstaande apocalyptiek. Van iedere pagina druipt het verlangen om ons wakker te schudden en ons wantrouwen te wekken tegen actuele tendensen, al is de ironiserende stijl van Virilio hier vervangen door de ietwat drammerige stijl van de intellectuele chantage.

Hoewel Virilio’s concepten, we noemen ze nog maar eens een keer, zoals snelheid als Ueber-Ich, dromologie, dromocratie, monument van het moment, heldere en indirecte waarneming, schrijven tegen het scherm ed. niet zijn ingeburgerd, staan zijn hypothesen overeind als een rots. En altijd scheiden ze de wereld van de ingenieurs van die van de cultuur.

In de jaren negentig hebben we op diverse scholen les gegeven in Virilio. Kortgeleden belde een student ons op: ‘Hoe is het om mee te maken dat er in de maatschappij gebeurt wat u destijds aan de hand van Virilio heeft voorspeld?’

© 2019/02/26