trap
Het Publieke, de ruimte van de openbaring

Motto: Het publieke laat de ruimtelijke vormen van de kring en de stroom achter zich. Als sfeer van de communi­catie en de consen­sus, als ruimte van de dialoog en de ontmoeting, is het van de straat en het plein overge­he­veld naar de ether en de netwer­ken. Daar vermengt het zich met het intie­me. Deze vult het publieke met de cultus van het eigene en de con­fes­sie. Omgekeerd dringt het pu­blieke door in het intieme en beheerst het ons leven. Het publieke werd altijd opgeza­deld met de lading van de realiteit en de eis aan de mensen om zich te ver­werke­lij­ken door middel van open­bare handelin­gen. De ruimte van de open­baring maakt hiermee korte metten, bevrijdt ons van de realiteit en zet de deur wijd open voor het wonder. Zij door­boort de afweer van ons aura. De trans­paran­te per­soon­lijk­heid bezwijkt onder de druk en wordt zelf een vlakke dorpel tussen intiem en publiek. In deze dorpel, in dit vermogen tot con­tact heerst de 'anima' van de gelegen­heid, die als een energe­tisch continuüm materie en mensen begeestert. Uit­eindelijk wordt al het intieme omgezet in nieuwe pu­blieke vreemdhe­den, die verschil­len van zichzelf en zich overgeven aan wat juist en correct is op een gegeven moment. Het publieke is dan de ruimte waarin lot en mogelijkheid samenvallen.       

1. Een openbaring (apokalypsis) is een vertoning. Er wordt iets geuit, of er wordt iets waarneem­baar en zichtbaar. Door openbaring komt er iets aan het licht. Ken­baar en bekend wordt wat voorheen gehuld was in de duis­ternis van het geheim. Het behoort tot het wezen van de openbaring, dat er geen vergis­sing in het spel kan zijn.

2. 'En ik keerde mij om, teneinde de stem te zien, die met mij sprak. En toen ik mij omkeerde zag ik zeven gouden kandelaren, en temidden van de kandelaren iemand als eens mensen zoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, en aan de borsten omgord met een gouden gordel; en zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam; en zijn voeten waren gelijk koperbrons, als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem was als een geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aanzien was gelijk de zon schijnt in haar kracht.'

'De openbaring van Johannes'. I:9.

3. De ruimte van de openba­ring is de infra-gewone tijd-ruimte van een verschij­ning, die op­doemt, beklijft en weer ver­dwijnt. Zij is een tussenruimte, een interval in de tijd. De stem die roept en ver­kon­digt en de verschijning die baadt in het licht bevinden zich niet in de Newtoniaan­se ruimtetijd en kunnen niet gemeten worden door de eucli­dische meetkunde, want ze bezitten geen continuïteit. Het opper­vlak van in­scriptie is niet de straat of het plein, maar een tempo­rele scheur in de kosmos - de ver­schijnings­tijd, of de oplich­tings­tijd-, waarvan het geluid en het licht zelf de dragers zijn. De openbaring relati­veert de geslotenheid en de uniciteit van de ware we­reld, want zij stelt present wat hier en nu geen plaats heeft. Haar verschijning wijst op een wereld die zich onttrekt aan ons gezichts­veld: gene zijde, of de parallel­le wereld. Haar wonder is dat van de trans-appa­rentie in een tempore­le interval.

4. De openbaring is actueel, waar en werkelijk.

Ze is actueel, omdat ze aanwe­zig is in haar eigen tijd, maar ook omdat zij een werkzaam­heid, een actualitas, is.

Ze is waar, omdat ze evident is, maar ze is niet reëel, omdat ze het mogelijke niet omvat. Haar waarheid is dus geplaatst tegenover de mogelijk­heid.

Ze is werke­lijk, omdat ze op een evidente wijze wordt aange­troffen. Maar zelfs als de openbaring voorge­steld zou zijn zou ze werke­lijkheid bezitten voorzo­ver ze zich onder­scheidt van het mogelijke en het schijn­bare, omdat ze inwerkt op ons ik en soms werkt ze veel heftiger dan de personen en de dingen die we waarach­tig aantref­fen.

          In haar inactuali­teit bestaat de openbaring in de herin­nering. (Maar de wereld van de media kent geen herin­ne­ring). Alleen daar kan zij voortdu­ren. Dit heeft als conse­quentie, dat de continu­teit van de openbaring zich voordoet in de psycholo­gische tijd.

5. De 'ruimte van de openba­ring' wordt gevormd door poëti­sche objecten. De openbaring is verwant aan de taal, die het vermogen bezit om voorstel­lingen op te roepen. Analoog daaraan kunnen we stellen, dat de poëtische objecten opdoemen op het ogenblik dat een drager hun verschij­nen mogelijk maakt. Deze drager kan een woord zijn, een benoe­ming, maar ook een lichteffect. Verdwijnt de drager, dan verdwijnt het object.

          Het is daarentegen niet correct te veron­derstellen, dat dit een neven­schikking van tijd en ruimte recht­vaar­digt, bijvoor­beeld dat de orde van de openbaring zou bestaan uit ge­dachte en uitge­strektheid, waarvan de conse­quentie zou zijn, dat het poëtische object een locatie zou kennen in een veld, waar we het ook terug zouden kunnen vinden. De temporele orde van de ver­schijningen kent geen ruimte, die voortduurt in de tijd. Als we dus een serie van open­barin­gen waarne­men, bijv. een dikke rook­wolk, daarna een bran­dend land en vervolgens een halfge­doof­de sigaret, dan hebben deze zaken geen samenhang buiten de gedachtenas­so­ciatie die hen in verbinding brengt. Causali­teit is een verbeeldings­ef­fect. De ruimte van de openba­ring wordt bijeen gehouden binnen een mundus imagi­nalis.

6. Fantasmatische verketeningen van poëtische objecten, die dus eerder een wereld in de herinnering brengen dan weer­geven, maken een wetenschap van niet be­staande objec­ten mogelijk. De doel­stelling van een dergelij­ke weten­schap is niet zozeer de geloof­waardig­heid, maar de aange­naamheid van de voor­stel­ling en de sensatio­nali­teit van haar 'ar­chitecto­ni­sche' constructies. In de construc­tie van de temporele orden van poëtische objecten kan niet de waar­heid, of de waar­schijnlijkheid gezocht worden, maar wel het wonder­baarlij­ke en de onthutsing die uitgespeeld worden tegen de realiteit.

7. De openbaring derealiseert de wereld, omdat ze binnen het domein van de 'be­trouw­bare schijn' de realiteit rela­ti­veert. Ook de realiteit is een tijds­feno­meen en wordt normaliter toegeschre­ven aan alles, wat kan ont­staan, of ont­staan is, ontstaat en vergaat. Reali­teits­zin is een trans­cen­dent bewust­zijn omtrent het ver­loop van de dingen, dat andere bewust­zijns­in­houden 'over­schri­jdt' en terug­dringt. De realiteitszin wordt gesticht door de erva­ring, de bele­ving, het onder­gaan en het verdragen van wat ons overkomt, maar vooral door wat wij verwachten en voorvoe­len, waar wij voor klaarstaan en waar we ons op voorberei­den. Het bewustzijn van de reële mogelijkheid getuigt van een getrof­fen zijn van tevo­ren door iets wat komen gaat en dat de hande­lings­vrij­heid zou kunnen beper­ken. Daarom produ­ceert de voor­stel­ling van de realiteit grosso modo effec­ten van dociliteit, wat opgeheven wordt door het dereali­satieëf­fect van de openba­ring.

8. Met de gederealiseerde wereld van de openba­r­ingen correspondeert een subjectieve en psychologische filoso­fie van de tijd. De tijd is alleen maar werkelijk in het ogen­blik. De tegen­woor­dige tijd is onbepaald, de toekomen­de tijd heeft alleen maar bestaans­recht als tegen­woordige verwach­ting en het verle­den is slechts een tegen­woordige herinne­ring.

De tijdruimte van de openbaring heeft daarom als conse­quen­tie de radicale actualiteit van de wereld, die de actuali­teit is van de apocalyps.

9. De geometrie van de Hemel wordt bepaald door de verti­ca­liteit. Niet veraf of dichtbij, maar hoog en laag. Waar hoog en laag samenvallen, waar ze één en dezelfde wereld vormen, daar is het Paradijs.

De 'hemel op aarde' richten de verliefden voor zich in. Bedoeld wordt in dit geval de zevende hemel. Dan­sers willen hun part­ners­ 'de hemel in' dansen. Hemels zijn die situaties van het dagelijks leven, waarin men zich 'para­dijselijk' goed voelt.

Sinds mensenheugenis bestaat het streven de hemel op aarde te construeren. 

10. Buiten de Hemel zijn er geen lichamen, maar ook geen plaat­sen, geen leegte en geen tijd. In zijn boek 'Over de He­mel' stelt Aristoteles, dat de hemel niet ontstaat en ook niet kan vergaan. Hij kent geen begin en geen einde. De hemel is dan een mathematische struc­tuur, die de tota­liteit van alle licha­men en alle fysisi­sche werke­lijkheid omvat. Hij bezit drie kenmerken, die alle passen binnen deze optie. In eerste instantie is de 'hemel' alle werke­lijkheid, die op de horizon ligt. Dit is de banale en alledaagse opvat­ting van de hemel. Ten tweede is de hemel het lichaam dat zich vanuit de horizon van de waarneem­ba­re wereld uitstrekt in de verte. In die zin bevin­den de zon, de maan en de sterren zich in de hemel. In de derde en de breedste betekenis is de hemel de Totaliteit, of het Universum, zoals hij moet worden veronder­steld om de werke­lijkheid te kunnen verklaren: deze hemel kan alleen worden berekend en geometrisch worden gecon­strueerd.

11. Het Christendom ziet de Hemel als deel van een bipo­laire en gesloten wereld. Het ontkent de onein­dige sfeer. De verticale waarheid van de wereld berust op een getota­liseerde tegen­stelling tussen Hemel en aarde. Het Para­dijs, dat vanaf de zondeval verboden ter­rein is, bevindt zich op de grens, d.w.z. op de hori­zon van de wereld. Beneden is de 'aard­se' aarde, onherbergzaam en woest. Daar­tussenin bevindt zich een abstracte ruimte, waarvan geen enkel landschap de neutra­liteit beter uit kan drukken als de woestijn. Het is de ruimte van de buiten­sluiting als zodanig, metafoor van de tussen­ruimte die het 'hoge' van de Hemel scheidt van het 'lage' van de aar­de.

12. In de westerse cultuur gaat het om de over­brug­ging van de tussenruimte. Het wezen dat daartoe van oudsher het privi­lege bezit is de engel. De engel is echter niet alleen een medium dat de tussenruimte door­kruist, maar ook een repre­sentatie van de Hemel. Via zijn gestalte kunnen we daar­over iets over te weten komen. Het verlan­gen naar de Hemel heeft voeding gegeven aan het millennia durende project van de transcen­dentale brug, dat hedentendage dankzij de techni­sche vooruitgang en de versnelling in zijn eindstadium lijkt te komen.

13. De belangrijkste bouwstenen van de transcendentale brug zijn de vleugel van de engel en de wolken.

De vleugel wordt voorgesteld als poly­chroom, omdat hij daardoor lijkt op de veel­kleu­rig­heid van de regen­boog. De regen­boog is de zichtba­re brug tussen Hemel en aarde. Van­daaruit zijn ook alle andere boog­vormen bouwele­menten van de transcendenta­le brug. Wanneer de bogen aan­eensluiten tot koepels en gewel­ven, vormen ze een evi­dente architec­tuur van de Hemel.

De wolken behoren tot het materiaal van de trans­cendenta­le brug, omdat de door­brekende zon hen poly­chro­mie schenkt en omdat hun gestalte polymorf is. Zij zijn ideaal bouw­mate­ri­aal, omdat hun permanent veranderende vormen een bewe­ging suggereren van hier naar daar, van de aarde naar de Hemel. De wolken maken een vloeiende en beweeglijke overgang van de ene toestand naar de andere.

14. De trans­cenden­tale brug veroorzaakt een verandering van wie haar betreedt. Wie met zijn hoofd in de wolken loopt, is aange­raakt door het hemel­se. De brug bewerkt een transformatie van het wezen, die over­gaat van dicht­heid en zwaarte in dunte en licht­heid. De uiter­ste fase van dit proces is de trans­figu­ratie, dat wil zeggen de overgang tot lichtwezen.

          Als de Hemel en de aarde de extremen vertegenwoordi­gen van een bipo­lai­re tegenstelling binnen de wereld, dan is de tus­senruimte een neutrale zone. Dit neutrum, waarin hemel en aarde elkaar ontmoeten, wordt voorgesteld als een lich­tend vlak. Noch hemel, noch aarde, is het lichtende fond de visuele uitdrukking van een 'ruimte van licht', die geen plaats biedt aan de sub­stantie van de zichtba­re figu­ren die zich daarin aftekenen. Het licht staat voor de onbepaal­de ruimte van de transfigura­tie, die een wezen met ruimtelijke uitgestrekt­heid omvormt tot de beweeg­lijkheid van de verschijning.

          Net zo kan de tele-reiziger de tele-brug van de elektronische communi­catie niet betreden met behoud van de substantie van zijn lichaam. Hij neemt een tussenvorm aan, de simulatieve beweeglijkheid van een schijnlichaam. Dit is de consequentie van de eigenschappen van het tech­nologische en secun­daire licht waarin hij/zij zich be­geeft.

          Net zo met de ufo's, waarvan niet de ver­schijning, maar wel steeds de materiali­teit en hun waar­achtigheid in de ruimte aanleiding geeft tot discussie.

15. Wij kunnen de 'ruimte van het licht' niet lichamelijk betreden. Daardoor kan het nooit openbare ruimte worden. Zie de ervaring van Thomas van Aquino. Wie streeft naar het hele, dat tevens het heili­ge is, moet de tijd van de mate­rie, het komen en gaan van de dingen, overwinnen teneinde te schouwen in het buiten­tij­de­lijke. Buiten­tijde­lijk is de engel omdat hij bevrijd is van de metamor­foses waaraan iedere materiële gestalte is onder­worpen, hij is een zuiver geestelijk wezen. Thomas van Aqui­no heeft deze 'waar­heid van de engelen' aan het licht ge­bracht door middel van een dras­ti­sche metho­de: zelf engel worden. Bij zijn heiligverkla­ring werd vastge­steld, dat hij bij leven in grote mate op de engel was gaan lijken. In hem waren facetten van de hemelse zalig­heid gerealiseerd op aarde; in hem was de hemel neergedaald. Hij was een man van gene zijde, die vertoef­de in parallel­le werelden. Vincen­tius Contenson (+1674) noemde Thomas een doctor Angelicus, 'niet alleen vanwege zijn scherpe, in de diepte van de waarheid door­dringende intel­lect, maar ook omdat hij geestelijk in de hemel was en met de engelen verkeer­de, terwijl zijn li­chaam op aarde ver­wijlde'.    

16. Omdat de engel immaterieel is kan hij door muren en deuren stappen, maar zijn werkelijkheid is de invloed, die hij uitoefent. Er zijn voor hem geen obstakels, hij leeft in een transparante wereld. Hoewel hij puur geestelijk is en in die zin onwerke­lijk, bemerken wij zijn aanwezigheid door zijn handelingsvermogen. De engel is werke­lijk inzo­ver­re hij werkt, zijn bestaans­wijze is de invloed die hij uitoefent, zoals we kunnen zien aan de engelen in 'Der Himmel über Ber­lin'.

17. De gebouwde Hemel kent drie structurele kenmerken.

          De eerste is die van de omgekeerde aarde. Waar op aarde gebrek is, daar is in de hemel over­vloed. Het geluk van de hemel is de ogenblikkelijke vervul­ling van de wensen, de representatie op aarde daarvan is het feest. Uit het verloop van het feest,- dronkenschap, oververzadi­ging, vermoeidheid, onvermogen verder te gaan, walging-, kunnen we afleiden waarom men niet, of moeizaam bereid is definitief in de hemel te verkeren. 

          Het tweede structuur­kenmerk, dat de hemel acceptabel moet maken, is daarom die van het geluk zonder verlan­gen. De weg daarheen wordt beschre­den door middel van de asce­se, wat het makkelijkst is voor hen, die al beschikken over alles wat er te wensen is.

          Het derde structuurkenmerk van de hemel is de gerea­liseerde utopie. De utopie vertegen­woordigt een toestand, waarin men niet beweert, maar zegt. Het onder­scheid tussen spreken en denken, beschouwen en begrijpen, feit en fictie is opgeheven. 

18. De gerealiseerde utopie, -niet de utopie van het plan!-, heeft veel weg van het paradijs, dat het concept is van de tuin. De tuin is nostalgisch, omdat hij een 'nog steeds' belichaamt. Hij is een nog steeds bewaard plekje, waaruit het para­dijs niet is verdwenen. De tuin is vervat in de poëtica van het 'nog'. In hem verwijlen mythische herin­ne­ringen uit een onheug­lijk bestaan. Tuinen zijn de kunst­ma­tige paradijzen uit een vorig leven, het ontwaken uit de roes ervan is tra­gisch.

'In het paradijs zijn' is gewaar­worden, dat al het andere parade is. Parade in de twee betekenis­sen van het woord: men maakt parade, het toont zich, het speelt zich af in de wereld van de mani­festatie, en aan de andere kant: een slag pareren. Dat wil zeggen: wat zich toont is ook een vorm van verzet. De parade zelf is een manier om zich te verdedigen. In de parade verdedigen wij ons onbe­wust tegen de dingen die ons in beslag nemen. In het paradijs ziet de geest wat voor onzin dit is en be­vrijdt zich ervan. Zo beschouwd wordt de presentie van het para­dijs het onder­werp van de literai­re kritiek.

19. Het betre­den van de gebouwde hemel dwingt een verandering af, die uiteinde­lijk terugvoert naar het uit­gangs­punt. De gebouwde Hemel bestaat uit hetzelfde materi­aal als de transcendentale brug. Samen­gevat: omgekeerde we­reld, oord van het geluk zonder verlangen, gerealiseerde uto­pie. Zowel de hemel, als de brug zijn echter vervat in een cirkelbe­we­ging, omdat we het daar niet uit kunnen houden.

De Hemel als omgekeerde wereld en als coïncidentie van plek en (literaire) mythe is gerealiseerd in Eurodisney. Walt Disney wenste dat zijn paradijzen 'de hedendaagse smarten en de dood...de werkelijke wereld laten vergeten'.

Het zijn plaatsen waar men tijdelijk de wereld verlaat.

20. Binnen onze cultuur wordt het hori­zontale over­eindge­zet. Het hori­zontale bestaat uit het be­schou­wen van ont­wik­kelings­processen aan de hand van kronie­ken van gebeur­te­nissen. Cruciaal is de vraag of de ont­wikke­ling gewaar­deerd moet worden als een voor-, of een ach­teruit­gang. Aan deze pro­cessualiteit van de ge­schiede­nis ont­lenen de openbare ruimte en het publiek domein hun beteke­nis. Binnen de horizontale zienswijze worden de effecten van de ontwikkeling altijd geprojec­teerd in de toe­komst.

          Wanneer wij het hoofd echter draaien in de verticale rich­ting en de pola­riteit he­den/toekomst, van­daag/morgen, feit/fictie vervan­gen door de polariteit: deze zijde/gene zijde, aards/­heme­ls, on­der/boven, dan drukt zich daarin uit, dat wij geen ge­schiedenis meer hebben, of anders gezegd: we leven niet meer in een ge­schiedenis die opgevat wordt als de reali­teit van het bestaan. De verticalisering is de logi­sche reactie op de voort­gaande realisatie van de ruimte van de openba­ring, die ons omgeeft met myriaden van irreële tijdsin­ter­vallen en irreële gebeurtenissen die synchroon op ons inwerken. Wij leven, dankzij de media, dankzij de film, dankzij de prolifera­tie van de tijdzones in de simultane presentie van alle historische tijden. Aan het eind van de historische ontwikke­ling ligt de toekomst, aan het eind van de synchrone verticaliteit van het ogen­blik ligt de Hemel. Het zijn de structuur van de hemel en de beperking van de wereld tot een bipolaire tegen­stel­ling, die de verticale oriëntatie noodzakelijkerwijs veroordelen tot de obsessie voor het licht.

21. De Hemel heeft gaten. Als we de overstap maken van het primaire licht van de openbarings­mythe en de innerlijke stem van de authenticiteit naar het stemmenuni­versum van de media en het secundaire technologische licht van de film, de televisie en de video, dan blijkt er van een gesloten wereld en een verticale as geen sprake te zijn. Weliswaar is door de universele beschik­baarheid de Hemel op aarde gedaald, maar in zijn gesloten koepel zijn gaten geslagen, waarin een onein­dige combinatoriek van de ver­schij­nin­gen zicht­baar wordt. Net zo vertoont de geslo­ten koepel van ons bewust­zijn lekka­ges, wat ernstige twijfels doet rijzen omtrent de authen­ticiteit van de innerlij­ke stem.  

Deze wereld van het secundaire licht en de plotselinge connecties doet meer denken aan het verhaal van Borges, 'The Garden with the Forking Paths', waarin de hoofdper­soon om zich heen de schimmen ontwaart van zichzelf. Zij  verke­ren in parallelle werelden, en maken allen aanspraak op de au­thentici­teit van zijn ik en zijn wereld.

22. De gesloten verticaliteit van Hemel en aarde is een onhoudbare beperking, binnen de geperforeerde wereldhe­mel met zijn einde­loze verdub­belingen. Is er een kritiek van de Hemel en het Para­dijs moge­lijk? Kan de verticale ori­ntatie van het heil en de heilsge­schiede­nis worden afge­schreven?

Het Paradijs komt na de Val. De val van Lucifer moet de mensen zo getrof­fen hebben in een verti­ca­li­teit die zij net met moeite hadden verwor­ven, dat zij sinds­dien de openba­ring van de engel ervaren met schrik. Men herin­nert zich dan, iets van buiten­gewone betekenis uit het geheugen te hebben gebannen.

De Val is te groot voor een adequa­te verwer­king. Hij wordt verdrongen en op zijn plaats ontstaat een dwangmatige fantasie. Op de achtergrond blijft de oor­spronke­lijke verdrin­ging van het onverdraaglijke echter werken. Velen zien in het project van de Verlichting de wraak van Luci­fer op de Schepping. Vele technologische projecten zouden daarom niet toe­vallig apocalyptische trekken gekre­gen hebben. Zij kondigen de terugkeer van het Kwaad aan. De mensheid zou uiteindelijk, via een noodlot­tige wende, dat willen, wat ze in het begin verdrongen heeft.

23. Het Kwaad huist in de bereidheid tot het offer. Dui­vels is het idee, dat de aarde geen thuis meer kan zijn en dat het erop aan komt naar het licht terug te keren.

          De veronderstelling dat het hele patroon van stijgen en vallen verbon­den is met dat van schuld en boete en dat de vrijheid altijd de losma­king van de materie impliceert; de veronderstelling dat dit schema teruggaat op de diepe­re laag van een onbewust zelf­bedrog, dat resulteert in het accep­teren van een vernede­rend betekenis­systeem, is een gedachte, die een af­schrijving van het heil en het licht mogelijk maakt.

Daartoe moet men de partij van Lucifer kiezen. Men moet aan de kant van Lucifer gaan staan, om het voor en het na van de heilsgeschiedenis te kunnen denken. Inzet is de ontgrenzing van de door de hemel afgesloten wereld. De partij van Lucifer kiezen wil zeggen een omke­ringsbewe­ging voltrekken. Dan wordt de aarde het waarachtige thuis van de mensen, het lichaam een hogere realiteit dan de geest en de materie het heilige pur sang. Ook mag men aanne­men dat het woord vlees wordt, omdat het geen begrip kan worden. Ons bestaan is alles. Deze zijde wordt geradi­caliseerd in de adoratie van de verganke­lijke schoonheid van de dingen, de liefde voor de tijd, de overgave aan het ogenblik en de bevestiging van de verschijningen daarvan.

24. Het is de wraak van Lucifer, dat al het stre­ven van de mensen ontaardt in de perverte­ring daarvan. Maar in de mythe van de Heilige Graal, de stralende steen die de verzamelplaats is van het overbodige verlangen, wordt aangekondigd, dat na de redding van de stof de reha­bilite­ring van Luci­fer zal volgen.

Heden ten dage stevenen wij met de versnelling, met de commu­nicaties met de lichtsnel­heid, met de transapparente openbaringen van de real-time televi­sie, de telefoon, de radio en wat dies meer zij af op een definitieve verlich­ting van de geest. De ruimte van de openbaring zal ons definitief doorstralen en definitief transcenderen. De keerzijde daarvan is de verzwaring en de vertraging van de lichamen, die de oneindige inertie van de openbare ruimte zal bewerkstelligen.     

Hier geeft mogelijkerwijs alleen een breuk met het pa­troon van heilsgeschie­denissen en vooruit­gangsmythen enig soe­laas. Zeker is, dat hun overeenstem­ming gelegen is in de openbaring, in de apoca­lyps: de parou­sie, de neerdaling van de hemel op aarde, die door de techni­sche middelen gerea­liseerd wordt, ont­grenst alle beperkingen van de ge­woonlij­ke topografie van de eindige wereld. En daarbinnen is voor de val van de engel, de zonde­val, de hemelvaart en de terugkeer geen plaats meer.

25. Het concept van de oneindige ruimte ziet de waarneem­bare wereld als een begrensd geheel van het uni­versum. 'De onein­dige ruimte bevat oneindige kwali­teit', schrijft Giordano Bruno aan het eind van de Renais­sance, 'en in de oneindige kwaliteit wordt de oneindige daad van het be­staan gepre­zen.'  De ont­grenzing pareert de eindelo­ze lita­nie van de tegenstelling tussen goed en kwaad en de poging om het paradijs op aarde uit te spelen. De oneindi­ge ruimte kent geen apocalyps, geen parousie, geen verlos­sing, geen hoop en geen lichtfe­tisjis­me.

Met behulp van arithme­tische begrippen uit de meetkunde wordt Aristoteles gecorrigeerd. De Hemel en het Goddelij­ke zijn immanent aan een universum, dat onein­dig is en waar­binnen talloze zonnen met hun planeten hun baan vol­gen. Dit oneindige univer­sum is het enige wat er is en is het enige dat leeft. Het wordt door inwen­dige krachten bewogen en is, voor wat zijn substantie betreft eeuwig en onveran­der­lijk. De enkelvoudige dingen hebben in meerdere mate deel aan de eeuwige Geest en het leven naarmate hun orga­nisatie hoger is, maar zijn desondanks onderworpen aan een perma­nente metamorfo­se. De elementaire deeltjes van al het bestaande, die op zich niet ontstaan en vergaan kunnen, maar zich veelvoudig verbinden en ontbinden, zijn de minima, die psychisch en materieel tegelijk zijn.

De regel voor het geluk is nu hun wetmatigheid te kennen en het leven daarop af te stemmen.

26. In het oneindige universum fuseren werkelijk­heid en reali­teit door een verabso­lutering van de moge­lijkheid. Eén is de absolute mogelijkheid, één de werke­lijk­heid, één de vorm, of de ziel, één de materie of de licha­men, één het object, één het wezen, één het groot­ste en het beste, dat niet begre­pen mag kunnen worden en daarom onbe­grens­baar en onbeperk­baar, dus onbeweeglijk is. Omdat het univer­sum alles omvat, en geen verandering met zich of in zich ervaart, is het noodzake­lijkerwijs alles wat het kán zijn en verschilt de werkelijkheid niet van de mogelijk­heid en het vermogen.

27. In het oneindige Universum is alles centrum en periferie. Als de werkelijkheid niet verschilt van de mogelijkheid, dan volgt daaruit noodza­kelijker­wijs, dat in hem punt, lijn, vlak en lichaam samenval­len. Iedere lijn is ook een vlak, omdat de lijn, wanneer ze be­weegt, een vlak wordt. Wanneer het vlak beweegt, dan wordt het een li­chaam. Uit­eindelijk kan men in het universum een punt niet onder­scheiden van een lichaam.

Daaruit volgt, dat het ondeelbare niet verschilt van het deelbare, het enkelvoudige niet van het oneindige en het centrum niet van de periferie. Wanneer het centrum niet van de periferie verschilt dan kunnen wij met zekerheid zeggen, dat het universum in zijn geheel centrum, en dat het centrum overal is; dat de periferie, inzoverre ze van het centrum verschilt, niet in een of ander deel, maar overal is. Dit is de reden, waarom het niet onmogelijk, ja zelfs noodzakelijk is, dat het beste, het grootste, het onbe­grijpelijke, alles, overal, in alles is, omdat het als enkelvoudigheid en ondeelbaar­heid alles, overal en in alles kan zijn.

28. De transcen­denta­le brug verandert het wezen. In het Universum leidt de verandering tot een metamorfose, d.w.z. een andere bestaanswijze. De veel­heid en het getal, die de dingen en de wezens indivi­duali­seren, bewer­ken niet, dat het zijnde meer wordt dan één, maar wel, dat het vele soorten voortbrengt en vele gestal­ten en vormen aanneemt. Alles wat we onder­scheiden naar maat, vorm en getal is een zuiver accident van de materie.

Zoals de werkelijkheid een is en één zijn bewerkt, mag men niet geloven, dat er in de wereld meerdere substanties zijn. Ieder van de talloze werel­den, die wij in het uni­ver­sum waarnemen en ervaren, is daarin niet op de wijze van een hen omsluitende ruimte, op een bepaal­de plaats en met een bepaalde richting, maar veeleer in een hen omvat­tend, behoudend, bewegend, bewerkend 'iets', dat door ieder van deze werelden net zo omvat wordt als de hele ziel en door ieder deel van dit iets.

29. Wij worden gestuurd door het lot van de materie. Dit lot moet vermoed, gevoeld en gevreesd, maar mag niet geweten wor­den.

Door de beeldenvloed, door de simultaniteit van de tijden, kunnen de gebeur­tenissen niet meer ondergebracht worden in de reële tijd van de geschiedenis. Het gedrag van de mensen laat zich daardoor niet meer richten en ver­klaren. Wij staan in het middernacht van de geschiede­nis. De klok slaat twaalf en we blikken voor­uit in het donker, waar toekomstige dingen zich afteke­nen. We zijn vervuld van afschuw en zware vermoe­dens. Wat we zien, of menen te zien is nog naamloos. Ieder begrip loopt het risico geperver­teerd te worden. Onder onze handen en voor onze ogen verande­ren de dingen als water. Beklemmend zijn de wanden waarbin­nen onze woorden nog overtuigend klinken.

Dit raadsel, deze pervertering van de transparantie en het geluk wordt ons opgelegd door de laatste openbaring. Met name door de elektriciteit en de stralingstechniek, die ons de orde van de technolo­gische openbaringen hebben gebracht, is een nieuwe verhouding tot de materie ont­staan. De fysica is opgestegen naar de regionen van het magnetisme, de optica en de akoestiek. De materie wordt nu niet alleen meer bewogen in massa's, zoals bij de mechani­sche machi­nes, maar wordt ook binnen de massa's bewogen. Diep dringt de geest door in de kamers van de materie en haar reser­voirs, waar de stof als een danser zijn kleed aflegt en overgaat tot de zuivere bewe­ging. Hier voltrekt zich een daad van zelfkennis en zelf­bevrij­ding, echter niet alleen van de mensen, maar ook van de materie.

30. Wij worden aangesproken door de wereldtaal van de materie. Het kleed van de aarde wordt opgeladen door de elektronica. Deze bezit echter ook eigenschap­pen, die niet overzien worden. In iedere uitzending, in iedere transmis­sie van boodschap­pen, in ieder computerpro­gramma is de boodschap omgeven met onontcijferbare hiëroglyfen. Onze mediale openba­ringen zijn vervat in een ruis, in een ontoeganke­lijke uitspraak, die de omge­ving vormt van het herken­bare. Werd de christe­lijke open­baring gedra­gen door het licht, de technolo­gi­sche openba­ringen worden gedragen door de fluis­terende en de murme­lende substantie van de technische overdracht. Daar is de mate­rie zelf gaan pra­ten, de stem heeft een bestaan gekre­gen onafhankelijk van de menselijke bron.

31. Wij leven in de laatste openbaring. Zouden wij, naast de ogen voor het licht, ook ogen hebben voor de elektri­sche stromen en velden, dan zou de laatste openba­ring direct zichtbaar zijn. Het aura van de aarde is gaan stralen. Onder dit aura zouden we een gloei­end net zien met overal roterende en wevende bewegingen. Het schijnen zou onderbro­ken worden door de uitbarstingen van een onnoemelijk aantal vulkanen, die een verblin­dende kracht­vloed uitzen­den.

‘Het Publieke, de ruimte van de openba­ring’, Forum 38/3 (Amsterdam februari 1996) pp. 1 t/m 34

‘The Public Sphere, the space of revelation’, Forum 38/3 (Amsterdam februari 1996) pp. 35 t/m 9

© 2006/10/02