Leiden textielstad                           © Joop Pison

Al voor de Romeinse tijd werd in de Lage Landen hoogwaardige textiel geproduceerd. In de middeleeuwen was Vlaanderen een vooraanstaand centrum van wolproductie. Leiden volgde dit voorbeeld en begon wollen stof te maken, laken genoemd. Leids laken was wegens de hoge kwaliteit overal in trek. De wolnijverheid in Leiden kwam tot grote bloei, maar raakte in de zestiende eeuw in verval door de scherpe concurrentie van andere, goedkopere wollen stoffen. Nog in die eeuw vestigden zich echter talrijke textielambachtslieden in Leiden, die uit de Zuidelijke Nederlanden gevlucht waren. Zij brachten een nieuwe aanpak en Leiden kwam opnieuw tot bloei. Maar de thuiswerkers die de wol weefden, verfden en volden, moesten met een karig stukloon genoegen nemen.

Werkgevers en werknemers waren verenigd in 'neringen', waarin de rijkste ondernemers het voor het zeggen hadden. In de achttiende eeuw investeerden steeds meer geldschieters in de textiel. Omdat de lonen in Twente nog lager waren dan in Leiden, verhuisde een deel van de Leidse industrie naar Twente. Ook daar werd het werk door thuiswerkers verricht, meestal boeren die er wat 'bij' deden. Door de mechanisatie in de negentiende eeuw kwam een einde aan het thuiswerken. Fabrieken werden geopend, waar soms wel dertien uur per dag gewerkt moest worden. En het loon bleef laag. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden de lonen in de textiel gelijk getrokken met die in andere bedrijfstakken. En net als in de achttiende eeuw verhuizen ondernemers nu nasar streken met lage lonen, zoals Tunesië.

Leidse lakens

Spinnen en weven behoren tot de oudste handwerken ter wereld. In landen als China, India en Egypte werden al in de oudheid zijde, katoen, linnen en wol verwerkt tot soepele, hoogwaardige weefsels. In het kille Europa, ieder jaar geteisterd door felle winterkou, droegen de bewoners vooral wollen stoffen. Aanvankelijk weefde elk gezin hier uitsluitend voor eigen gebruik; spinrokken en weefgetouw ontbraken in geen enkel huis. Reeds vóór de Romeinse tijd waren de bewoners van het vlakke land langs de Schelde en Leie beroemd om hun wollen stoffen, lakens genoemd. In de tijd van Karel de Grote waren deze lakens één van de weinige producten waarin handel werd gedreven. In de eeuwen daarop ontstond er in de Vlaamse steden een lakennijverheid van Europese betekenis. In de Noord-Nederlandse gewesten ontwikkelde zich in de dertiende en de veertiende eeuw eveneens een lakenindustrie. Door de steeds verder gaande arbeidsverdeling tussen stad en platteland concentreerde deze nijverheid zich meer en meer in de steden. Één van deze steden was Leiden. De vroegste berichten over de aanwezigheid van een lakenindustrie in deze stad dateren van 1316. Aanvankelijk was de productie volledig gericht op de behoeften van de inwoners zelf , maar sinds 1350 begon de Leidse industrie zich ook op de export te richten. Toen de stad omstreeks 1400 Engelse wol als grondstof ging gebruiken, verbeterde de kwaliteit van haar stoffen zodanig, dat de Leidse lakenstoffen al spoedig één van de meest gevraagde producten van heel Europa werden.

Ze waren vooral beroemd om hun prachtige kleuren. Om die te verkrijgen werd gebruik gemaakt van allerlei natuurlijke verfstoffen: wede voor blauw, meekrap voor rood. Paars en purper werden verkregen door cochenille, wouw leverde geel en groen op. En het exotische brazielhout, een houtsoort die haar naam zou geven aan het in 1500 ontdekte Brazilië, waar ze overvloedig voorkwam, leverde een kleurstof die gebruikt werd om grijs en paars te krijgen. Deze natuurlijke verfstoffen hadden nog wel beitsmiddelen nodig om de kleuren duurzaam te maken. Daartoe werd gebruik gemaakt van aluin, galappels, elzenschors of urine, en verder ook wel van potas, zemelen, kalk, zwavel en arsenicum.

De naam Leiden als textielstad stond of viel voor een groot deel met de fraaie kleuren, de deugdelijkheid van de toegepaste verfmethoden en de kwaliteit van de verfstoffen. De stedelijke overheid vaardigde daarom talloze voorschriften uit, in kleuren, die het gehele verfproces tot in de kleinste bijzonderheden regelden. Soort en hoeveelheidverfstof, de duur van het verven, de omvang van de verfkuipen - per stof werd dat alles minutieus vastgelegd.

Evenals Vlaanderen betrok Leiden de ruwe wol grotendeels uit Engeland. Omstreeks 1480, toen de Leidse lakenindustrie zich op het hoogtepunt bevond, werden jaarlijks meer dan 300.000 schapenvachten geïmporteerd. De productie bedroeg toen ongeveer 25.000 stuks, waarbij elk stuk 40 el lang was en 65 pond zwaar. De Leidse lakens vonden hun weg over de gehele wereld, tot in Constantinopel en Japan toe, maar de export was toch voornamelijk gericht op de 'oosterlingen': de bewoners van het Oostzeegebied. Veel Duitse en Scandinavische steden in dat deel van Europa waren aangesloten bij een stedenbond, de Hanze. Leidse kooplieden trokken zelf met hun lakens naar het Hanzegebied om ze daar te ruilen tegen graan, pelzen, honing, hout en vis. De oudste Leidse keuren maken gewag van zulke handelsreizen naar het Zweedse eiland Schonen.

Na 1480 ging het echter snel bergafwaarts met de Leidse textielindustrie. De Engelsen gingen in toenemende mate hun eigen wol verwerken en voor Leiden betekende dit een steeds nijpender grondstoffenprobleem. Bovendien deden zich veranderingen in de mode voor; het in zwang rakende ondergoed maakte de loodzware wollen stoffen, waarin Leiden was gespecialiseerd, overbodig. Dunne en soepele stoffen, zoals die sedert de vijftiende eeuw op de Vlaamse platteland werden gemaakt, raakte meer in trek dan de ouderwetse en degelijke Leidse lakenstoffen. Daar kwam bij dat die Vlaamse stoffen, de saaien, belangrijk goedkoper waren dan de Leidse lakens, door een goedkoper procédé en doordat goedkope Spaanse wol kon worden gebruikt. Als laatste oorzaak van de ondergang van de Leidse lakenindustrie kan nog genoemd worden het uiteen vallen van de Hanze, waardoor een zeer belangrijk afzetgebied verloren ging. Ten gevolge van de moordende concurrentie van de Vlamingen daalde de Leidse productie zeer snel: van 28.000 stuks in 1502 tot slechts 3.800 stuks in 1570.

Talloze ondernemers werden geruïneerd en de massa der arbeiders ging gebukt onder chronische werkloosheid en diepe armoede. Meer dan de helft van de bevolking kon niet meer in het eigen levensonderhoud voorzien en moest door de kerk en de stedelijke overheid worden bedeeld. Leiden verviel van een industriecentrum tot een onbetekenende plattelandsstad.

Nieuwe technieken, nieuwe bloei

De Tachtigjarige Oorlog maakte echter een einde aan de stagnatie en de achteruitgang van de Leidse textielindustrie. Het ontzet van Leiden (1574) maakte van deze stad een symbool van de vrijheid. Leiden werd daardoor een trekpleister voor allen die om geloofsredenen of vanwege het oorlogsgeweld op de vlucht raakten. Vele van de vluchtelingen kwamen van het Vlaamse platteland en waren saaiwever van beroep. Zo vroeg bijvoorbeeld, in juli 1582, een aantal saaiwevers uit Hondschoote aan de stedelijke overheid toestemming een saai-industrie in Leiden op te zetten. Zij waren gevlucht, nadat de soldaten van Anjou, als straf voor de oproerige gezindheid van Hondschoote, de stad werd geplunderd en in brand gestoken hadden. Na de val van Antwerpen, in 1585, groeide de stroom vluchtelingen nog aan. De vele saaiwevers onder de nieuwkomers, ervaren in de moderne technieken, gaven de stoot tot een nieuwe bloei van de textielindustrie. De saai-weverij -de 'nieuwe draperie' genoemd- ontplooide zich zeer snel: Leiden was in de zeventiende eeuw de eerste textielstad van Europa! Niet alleen de saaien (een kamgaren stof), maar ook talrijke andere stoffen kwamen van de getouwen van de Leidse wevers. Combinaties van wol, linnen, katoen, geite- en kameelhaar leverden talrijke variaties op: stametten, warpen, trijpen, groentgens, fusteinen, tierentijnen, baaien en nog veel meer. Deze verscheidenheid aan grondstoffen betekende een belangrijk verschil met de middeleeuwse industrie, die uitsluitend zuiver wollen stoffen had vervaardigd. En er was nog een ander verschil. De middeleeuwse textielproducent verwerkte kort- én langharige wol tot één stof, zijn zeventiende-eeuwse collega daarentegen maakte onderscheid tussen weefsel dat uit de ene dan wel uit de andere soort werd gemaakt. De korte kaardwol werd gebruikt in de laken-, de baai- en de warpindustrie, terwijl de langharige kamwol diende als grondstof voor saaien, grienen, fusteinen en verwante stoffen. Voor elk van deze textielsoorten bestond een specifieke productiemethode, al was het technisch proces in grote trekken hetzelfde en verschilde het in essentie niet van het middeleeuwse.

De wol werd allereerst gewassen in de stadsgrachten om het eraan klevende vuil zo goed mogelijk weg te spoelen. Omdat op deze manier nogal wat wol verloren dreigde te gaan, was het de eigenaar toegestaan met een bootje de losgespoelde wol weer uit het water te vissen. Na het wassen werd de wol gedroogd op horden, waarna de grondstof werd uitgespreid op een grote zeef, de vlaeck, en met stokken werd bewerkt. Dit vlaken diende om het nog aanwezige vuil los te slaan en de wol los en zacht te maken. Voor alle zekerheid werd het materiaal daarna nog eens met de hand gepluisd om de aaneenklevende haren los te maken en de laatste resten vet en vuil te verwijderen. Na dit pluizen werd de wol gekaard, een proces waarbij de wolharen evenwijdig werden gekamd met kleine haakjes die op een stuk stevige stof waren gezet. Hierna begon het spinnen. De kettingdraden, die steviger moesten zijn dan de inslagdraden, werden sterk gedraaid en vervolgens nog eens extra versterkt door de kettingpappers, die de draden insmeerden met pap van lijm en gom.

Kinderen zorgden daarna voor het haspelen en het spoelen, waarna het weven een aanvang kon nemen. Van de breedte van een stuk hing af hoeveel wevers er aan het getouw stonden; bij stukken breder dan 1.80 m waren twee wevers nodig om het getouw te bedienen. Na het weven werd het stuk door de nopsters nagekeken op fouten, die dan zo mogelijk werden hersteld. Deze arbeidsters hingen de stukken over het noprec en verwijderden met messen en scharen knopen en andere oneffenheden uit de stof.

Het genopte stuk was nu klaar om geverfd te worden. Evenals in de middeleeuwen waren vooral de glanzende kleuren die de Leidse stoffen wereldberoemd maakten. Kopers uit den vreemde kwamen onder de bekoring van de eindeloze schakeringen van purper, paars, violet en karmozijnrood die de Leidse stoffen te zien gaven. Met enige trots zeiden de Leidenaren dan ook: 'Onse waepenen, daermede dat onse saeyen gewapent sijn, dat is onse vaere, die, Godt lof, tot noch toe de gansche landen door voor oprecht ende goet bekent is.' Vandaar ook dat de overheid aan dit onderdeel van het productieproces veel zorg besteedde, zij het dat de ondernemers, in vergelijking met hun voorgangers uit de middeleeuwen, grotere vrijheid werd gegund bij het combineren van verfstoffen en het experimenteren met nieuwe methodes. Eenmaal geverfd, kwam het stuk in handen (of liever: onder de voeten) van de vollers. De stukken werden in grote kuipen gekookt met volaarde en urine en vervolgensmet de voeten betrappeld om ze te laten krimpen en vervilten. De urine kochten de vollers van de stadsbewoners, een reden voor Bredero's Spaanse Brabander om uit te roepen: 'En nou ick versta, dat de vullers ouwe pis koopen, Nou wil ick me water so licht veerdig niet meer laten loopen.' Ook in Tilburg waar in de middeleeuwen een bescheiden lakenindustrie bestond, herinnert de naam 'kruikezeikers' nog aan deze techniek.

In de zeventiende eeuw gebeurde het vollen nog voor het overgrote deel met de voeten; pas tegen het einde van deze eeuw verdrongen een paar volmolens de honderden voetvollers. Deze molens werden door water, wind of door paarden aangedreven en uitgerust met hamers die de stof machinaal beukten om het verviltingsproces op gang te brengen.

Na het vollen werd het stuk gewassen, gedroogd en opgerekt. Dit laatste gebeurde op houten ramen, die buiten de stadspoort stonden opgesteld. Namen als Raamstraat, Raamgracht en Raampoort herinneren nog aan deze bezigheid. En daarna kon dan begonnen worden met de afwerking, de bereiding. Het stuk werd eerst geruwd: met kaarddistels werden de wolhaartjes opgehaald en naar één kant gestreken. Vervolgens werd het weefsel geschoren, dat wil zeggen dat de wolhaartjes met de grote scharen op lengte werden afgeknipt. Naargelang van de kwaliteit van het stuk werd dit ruwen en scheren enige malen herhaald. Tenslotte werden de stoffen geperst, geappreteerd en gevouwen; voor de consument lag daarna een kwaliteitsproduct klaar die in Europa zijn gelijke niet kende.

Positie van de arbeiders

Bij al die industriële activiteiten moeten we ons geen fabrieken voorstellen. De vierduizend wevers die omstreeks 1670, op het hoogtepunt van de Leidse textielnijverheid, bij de productie waren ingeschakeld, werkten thuis. Ze stonden in dienst van de drapiers, de textielondernemers. Deze drapiers kochten de ruwe wol in en gaven die door aan wassers, spinners, wevers, nopsters enzovoort, die het materiaal thuis tegen stukloon bewerkten om het vervolgens weer in te leveren bij de drapier. In elk stadium van bewerking bleef deze drapier eigenaar van het product. Hij verkocht zijn stoffen over het algemeen ongeverfd, maar wel gevold. Zijn klant, vaak een koopman, liet de stoffen dan nog vervenen droogscheren bij bedrijven waar arbeiders in loondienst werkten. De organisatie van de textielindustrie in Leiden had een bijzonder karakter. De verschillende takken van die industrie werden neringen genoemd. Het waren een soort vakgroepen. Alle arbeiders en drapiers uit een bepaalde tak van industrie waren automatisch lid van hun nering. Zo bestond er bijvoorbeeld een lakennering, een saainering en een fusteinnering. De indeling in neringen was gebaseerd op de gebruikte grondstof. Zo werd in de lakennering de fijne Spaanse kaardwol gebruikt, in de baainering daarentegen de grovere soort; zo werkte de saainering met de gewone en de fusteinnering echter met de fijne soort kamwol. Het bestuur van iedere nering bestond uit rijke textielondernemers en vertegenwoordigers van de stedelijke overheid. De overheid oefende via de neringen controle uit op het productieproces. Ze vaardigde de keuren uit, de wettelijke voorschriften, terwijl het bestuur van de nering erop toezag dat alle voorschriften werden nageleefd. De keuren hadden betrekking op allerlei bedrijfsonderdelen als werktijden, hoogtevan de lonen, industriële uitrusting en vooral het technische proces. Iedere nering had haar eigen hal, waar de waardijns, die in dienst van de nering stonden, hun werk deden. In geval van knoeierijen kon het bestuur van de nering een geldboete opleggen, die dan voor een deel in de kas van de nering terechtkwam. Soms waren de straffen zelfs zwaarder; een enkele maal wordt gesproken van het 'te castemente leggen te water ende brood' en ook de geseling kwam als straf wel voor.

De textielarbeiders waren volledig onderworpen aan de neringen en konden weinig doen om verbetering te brengen in hun erbarmelijke situatie. Hun lonen waren erg laag. Wevers die drie tot vijf gulden per week konden verdienen, moesten voor een roggebrood zo'n tien tot vijftien stuivers betalen. De loonsituatie was bovendien ongunstig beïnvloed door de prijsstijging in de eerste helft van de zeventiende eeuw, die niet gepaard ging met een evenredige loonsverhoging. Weliswaar zette na 1650 een prijsdaling in, maar de lonen daalden toen nóg sneller: de kosten van levensonderhoud gingen met 5% naar beneden, de lonen evenwel met 30%! Talrijk zijn dan ook de klachten over de slechte toestand in deze eeuw

De werktijden waren lang; werkdagen van veertien uur 's zomers en tien uur 's winters waren heel normaal. De vollersklok riep de vollers al om twee uur 's nachts naar hun werk, dat zij naakt en in stank en hitte moesten verrichten.

Der wevers moesten hun werk doen in hun donkere, bedompte huisjes, waarvoor ze een hoge huur moesten betalen. Verdienden de mannelijke textielarbeiders weinig, nog minder kregen de vrouwen en kinderen. Meestal namen zij het spinnen, spoelen, noppen, pluizen en dergelijke voor hun rekening. Met name de kinderarbeid is berucht geworden. Veel ondernemers uit Zuid-Nederland, en in het bijzonder de Walen, haalden van heinde en verre weeskinderen naar Leiden om hen in te zetten in de industrie. Het is niet overdreven hier te spreken van een ware exploitatie van wezen. De vaak zeer jonge kinderen - zes jaar was niet ongewoon - verdienden een karig loon, waarvan zij vaak nog moesten kleden en verder alle uitgaven bestrijden die niet door het weeshuis werden gedragen. Lonen van één, twee of drie stuivers per week met kost en inwoning waren geen zeldzaamheid. Bovendien werden de kinderen vaak mishandeld: 'de zelve kinderen dickmael slaende ongenadelyck tracterende om hemluijden meer werk gedaan te hebben dan zij dagelix connen volbrygen.' Voor die paar stuivers per week moesten ze veertien uur per dag zeer eentonig werk doen en er was geen stake van een opleiding tot een zelfstandig beroep. Het was geen uitzondering dat een kind acht tot negen jaar achtereen spoelde. Tegen deze grove vorm van kinderexploitatie heeft zich geen enkele stem verheven, ja Pieter de la Court, een groot textielondernemer uit die dagen, verweet die kinderen zelfs ondankbaarheid

De loonsituatie in de textielnijverheid, toch al niet rooskleurig, werd nog verslechterd door het veelvuldig voorkomen van het zogenaamde truckstelsel: de gedwongen winkelnering. Arbeiders werden dan door de drapiers gedwongen stoffen of levensmiddelen te accepteren in plaats van baar geld. Ook werden zij wel geprest hun inkopen bij bepaalde kruideniers te doen. In sommige gevallen was deze kruidenier hun eigen drapier, die als bijverdienste een winkeltje dreef. Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om aan te nemen dat de prijzen in deze winkels wel ietwat boven het normale niveau zullen hebben gelegen… Een kras voorbeeld van een dergelijke uitbuiting is het geval van een inslagspinner die in 1678 door zijn werkgever gedurende een half jaar voor de helft in geld en voor de andere helft in brood werd uitbetaald. Bovendien werd iedere week een gedeelte van het loon-in-geld ingehouden, totdat de man, gedwongen, een bedrag van acht gulden had gespaard. Ondanks zijn protesten kreeg hij voor die acht gulden toen een stuk stof dat noch naar kwaliteit, noch naar maat door de beugel kon. Wat de ondernemer op de markt niet kwijt kon, 'verkocht' hij zo aan zijn arbeiders.

Arbeiders en hun behuizing

Ook de woonsituatie van de textielarbeiders liet alles te wensen over. Als gevolg van de industriële bedrijvigheid waren talloze mensen naar Leiden getrokken en hoewel de stad tussen 1573 en 1670 vier keer zo groot werd, groeide de bevolking zo snel, dat er sprake was van een ernstig woningtekort. De huren stegen hierdoor snel. Grote huizen werden in kleinere opgesplitst en erven volgebouwd. De reeds genoemde Pieter de la Court zag door overbevolking zijn geliefde stad vervallen. Volgens hem waren 'alle fraaie huizen en erven in zeer vele kleine, vuile, ongezonde krotten veranderd, zodat de stad met ontuchtige, ongezonde en kijfachtige zaksteegjes of doodlopende sloppen gevuld was'. Vaak woonden meerdere gezinnen in de erbarmelijkste omstandigheden in één wooneenheid. Vele duizenden mensen hadden niet eens een bed en sliepen op stro. Deze opeengepakte mensenmassa, slecht gevoed en gekleed, was een gemakkelijke prooi voor epidemieën. De huurhuizen werden door de arbeiders, die thuis hun bedrijf uitoefenden, vaak volledig uitgewoond. Door armoede gedwongen stookten ze soms de planken van de zolder op. De woonomstandigheden werden bovendien ongunstig beïnvloed door de aanwezigheid van allerlei vuile bedrijven als vollerijen en ververijen in dichtbevolkte wijken. Deze bedrijven verspreidden stank en lawaai en verontreinigden het grachtwater met hun afvalstoffen. Want ondanks het voorschrift van de overheid, dat vuil verfwater met pramen tot buiten de stad moesten worden gebracht, had de watervervuiling schrikbarende vormen aangenomen.

In het begin van wat de gouden eeuw wordt genoemd, bestond de bevolking in een grote stad als Leiden (± 40.000 inwoners) voor ongeveer de helft uit paupers en armlastigen. Drie vijfde deel van de bevolking woonde niet in eigen huizen, maar huurde een huis, een kamer of een gedeelte van een huis, waarvoor hoge huurprijzen moesten worden betaald, opgedreven door de heersende woningnood. Vele huurhuizen werden geëxploiteerd door timmerlieden, speculanten: ware huisjesmelkers.

Al aan het einde van de zestiende eeuw, in 1596, liet het Leidse stadsbestuur zelf een aantal huizen bouwen voor de wevers die thuis werkten. Het waren rug aan rug woningen die bijna 7 m breed en 3,53 m diep waren. De ruimte werd in tweeen gedeeld door een halfsteens muur met een vierkant glasraam erin. In het voorhuis moest het grote weefgetouw worden opgesteld. In de keuken, waar een bedstee was gemaakt, huisde de familie. Op zolder, te bereiken met een trapleer via een valluik, was nog een bedstee. Het huis was allesbehalve ideaal.

De atmosfeer was er bovendien noodzakelijk vochtig, anders zouden de draden van het weefgetouw breken, en dus zeer ongezond. Toch waren deze bewoners beter af dan degenen die onderdak moesten zoeken in kelders en pothuizen, die apart werden verhuurd, evenals achterkamers en bovenkamers. Gewoond werd ook vóór de uitbreidingen der steden in de ruimten met gebogen gewelven tegen de stadswallen aan, die soms door weldoende lieden voor armlastigen werden gehuurd.

De in alle steden aanwezige armenhuizen, gasthuizen, oude-mannen- en -vrouwenhuizen en de weeshuizen waren bijna altijd bezet. Voor de arme daklozen die niet toegelaten werden in de tehuizen, bleef vaak niets anders over dan te overnachten in de openlucht, in hooibergen of in paardehooikisten.

Hygiëne

Door het steeds dichter op elkaar leven van de mensen in de stad, het 'smaldelen' en volbouwen van de erven met slechte en te kleine huizen voor de grote gezinnen, werd de hygiëne steeds slechter. Ongedierte tierde welig. Huisafval en fecaliën kwamen meestal op straat of in de stadsgracht terecht, waarvan het water ook als waswater en zelfs wel voor de bereiding van voedsel en soms als drinkwater werd gebruikt. Veel privaten of secreten waren met opzet half boven de stadsgracht gebouwd. Wanneer men in huis of op het eigen erf een 'heymelicheyt', een 'stille putte', een 'privaet', 'of hoe dat ment noemen sal' had, was het de bedoeling de inhoud van de put of ton regelmatig te ledigen op een daarvoor bestemde plek buiten de stad. Hier kwam echter niet veel van terecht, evenmin als van het ophalen van huisvuil door 'gemeentereinigers'. Op straat en in de grachten kwam behalve genoemde zaken ook onder meer 'vuylicheijt van slachtbeesten comende' terecht en het bloed dat door aderlatingen werd verkregen. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat het soms nadrukkelijk verboden werd, zoals in Gouda al in 1596 werd gedaan, te 'baeden in eenige waterschappen binnen deser stede'. De grachten waren dus open riolen, waarop de afwateringsgoten loosden die, open of gedekt met planken, door de straten liepen. Bij regenachtig weer ontstonden dan ware modder- en mestgeulen, waaroverheen planken werden gelegd om van het ene huis naar het andere te komen. Het gevaar voor infectie was in een dergelijke omgeving uiteraard zeer groot en het was geen wonder, dat men 'als de dood' was voor de herhaaldelijk voorkomende pestepidemieën. De huizen waar de pest heerste, werden met een bundel stro gemerkt, en later ook wel met de letter P 'van blick gemaeckt'.

Simon Stevin (1548-1620), de uitvinder van de zeilwagen, die als adviserend ingenieur voor het bouwen van vestingwerken bij prins Maurits in dienst was, hield zich ook uitvoerig bezig met de problemen van behuizing en hygiëne. Zijn te boek gestelde ideeën werden pas jaren na zijn dood in 1649 als Materiae Politicae gepubliceerd (herdrukt in 1660), maar we mogen misschien aannemen dat zijn ideeën wel eerder zijn verspreid, daar hij een tamelijk bekend man was. Hij deed bijvoorbeeld de rijken het idee aan de hand zich te beschermen tegen het besmettingsgevaar dat de armen bijzich droegen, door 'looven'(luifels) voor de huizen te bouwen aan beide zijden, van de straat. De armen die 'de cost moeten winnen al gaende langs de straten', blijven dan droog en onbespat. Dit noemt hij een groot voordeel, want bedelaars die in de regen doornat worden, hebben geen droge schoenen en kleren om aan te trekken en blijven dus in hun natte plunje lopen, waardoor ze snel ziek worden en een bron van besmetting zijn. Stevin zegt dan: 'Daarom als de Rijcken het bouwen sulcker Looven int ghemeen hielpen voorstaen sij souden hun eygen saken oock bevoorderen.'

Dit idee vond niet voldoende weerklank om gerealiseerd te worden. Ook Stevins idee om de 'burgerlike huysen' zó te ordenen dat ze samen, bijvoorbeeld met acht tegelijk, gesloten bouwblokken vormden, waarbij elk huis voldoende licht en lucht kreeg, de privacy ten opzichte van de buren gegarandeerd was en het huis voldoende beschermd was tegen dieven door de gesloten wanden, werd niet gebruikt. Men was wat het bouwen van huizen betreft waarschijnlijk nog te individualistisch ingesteld om dergelijke projecten te ondernemen. Stevens imaginaire woningen, in blokken gebouwd, kunnen we misschien zien als voorlopers van de moderne systematische woningbouw. Een 'burgerlick huys' beschreef hij als een modelwoning, met uitvoerige technische informatie onder andere over het bouwen van 'heymelicken', daken, bornputten, schoorstenen en kelders.

Machines en reorganisaties

De grote massa van textielarbeiders had maar weinig mogelijkheden om in verzet te komen en aldus haar arbeidsomstandigheden te verbeteren. Van de veertigduizend textielarbeiders in de zeventiende eeuw (de helft van de bevolking!) werkte het overgrote deel in de huisindustrie. Het geringe contact tijdens het werk en de zeer lange werktijden maakten het uiterst moeilijk een arbeidsorganisatie op touw te zetten. Bovendien trad de overheid zeer streng op tegen relletjes en stakingen. Onder de Leidse wevers bijvoorbeeld brak in 1701 voor het eerst een massale staking uit, als protest tegen slechte arbeidsvoorwaarden. Op bijeenkomsten van zo'n duizend tot vijftienhonderd man besloten zij het werk neer te leggen, tenzij het loon zou worden verhoogd. Het stadsbestuur nam de staking hoog op en wendde zich onmiddellijk tot de regering in Den Haag, met het verzoek een compagnie paardenvolk gereed te houden om eventueel de stad binnen te trekken. De burgerwacht werd paraat gehouden. Aanvankelijk kon de overheid geen vat op de wevers krijgen, doordat zij om de vierentwintig uur nieuwe leiders kozen. Na enige dagen lukte het de autoriteiten toch een paar van de leiders te pakken. Er werden harde straffen uitgedeeld: vier van de gearresteerde mannen werden aan de galg gehangen en met de koord gewurgd; al hun bezittingen werd geconfisqueerd. Zes anderen werden op het schavot gegeseld en vervolgens uit het gewest verbannen. De eerste massale poging van de wevers om verbetering te krijgen in hun arbeidsvoorwaarden was volledig mislukt.

Naast hoger en armoede bedreigde in de loop van de zeventiende eeuw nog een ander verschijnsel de Leidse textielarbeiders; de opkomst van arbeidsbesparende toestellen. Vooral in de lintweverij ontstond grote werkloosheid na de uitvinding van de lintmolen, die de arbeid van zo'n twaalf mensen kon vervangen. Lint werd voortaan in massaproductie vervaardigd; vijfenveertig molens produceerden meer dan duizend meter lint per dag. Er was van de kant van de lintwevers wel enige verzet tegen die mechanisering, maar uiteindelijk konden ze de komst van de molens toch niet tegenhouden. Datzelfde gold, zoals gezegd, voor de voetvollers, van wie er honderden overbodig werden door de komst van één volmolen. De molens werden meestal gebouwd door de stedelijke overheid, dit vanwege de hoge investering. Daarna werden de molens verhuurd aan de molenaars, die voor verscheidene drapiers in loondienst werkten.

Omstreeks 1630 vonden er ook belangrijke veranderingen plaats in de organisatie van de productie. Omdat de buitenlandse vraag naar de kostbare weefsels steeds groter werd, waren de honderden kleine drapiers niet langer in staat de omvangrijke orders individueel uit te voeren. Enige kapitaalkrachtige textielhandelaren, reders genaamd, gingen daarom de taak van de drapiers in het productieproces overnemen. Aanvankelijk kochten deze reders bij verschillende drapiers stoffen in om ze daarna verder te verhandelen. Vaak werden de drapiers volledig van de reders afhankelijk, met name tijdens een afzetcrisis, als deze rijke handelaars de enige kopers waren; ze waren kapitaalkrachtig genoeg om het gekochte een tijdlang in voorraad te houden, totdat de prijzen weer wat gunstiger waren geworden, en bovendien hadden ze een veel beter inzicht in de internationale markt dan de drapiers. Later begonnen de reders de drapiers ook wol te verstrekken, die deze dan weer via hun eigen huisindustrie lieten verwerken. Op deze manier werden de drapiers van zelfstandige ondernemers gedegradeerd tot een soort tussenmeesters in loondienst. Een enkele keer hadden de reders ook ateliers, de winkels, waar arbeiders konden weven onder toezicht van een meesterknecht. Maar de meeste arbeiders bleven thuis werken, afhankelijk van de drapier, die op zijn beurt weer volledig afhankelijk was van de reder voor toelevering van zijn grondstoffen en afzet van zijn weefsels. Om hun greep op de productie nog verder te verstevigen richtten de reders vaak eigen vollerijen ververijen op. Op deze manier werden ze geheel onafhankelijk van de stadsvollerijen en van de ververijen die voor verschillende ondernemers tegelijk werkten. Het in eigen beheer nemen van dergelijke bedrijven betekende voor de reders veel tijdbesparing en een betere controle op de diverse bewerkingen. En zolang de reders zich maar hielden aan de keuren, protesteerde de overheid niet tegen dit soort initiatieven. Een van de machtigsten onder deze reders was Adriaen Le Pla, die tal van drapiers voor zich liet werken. In 1621 wordt hij als lakendrapier vermeld; zijn vermogen bedroeg toen 32.000 gulden, voor die tijd een zeer respectabel bedrag. In 1630 komen we zijn naam reeds tegen als meesterlakenwerker. Samen met enige andere reders huurde hij een nieuwe windvolmolen buiten de Leidse Morschpoort. Ook bezat hij een eigen ververij. In 1645 richtte hij samen met een andere reder een nieuwe lakenwindvolmolen op buiten de Koepoort; een lakenbereiderswerkplaats, waar het scheren en ruwen plaatsvond, bezat hij reeds in 1639. Als lakenreder exporteerde hij ook naar het buitenland. In zijn bedrijf was het gehele productieproces, van grondstof tot eindproduct, geïntegreerd.

Een andere bekende reder was Nicolaes de Hont, die in 1606 als saaiwever uit Hondschoote naar Leiden kwam. Het ging hem daar goed: in 1619 had hij zich opgewerkt tot koopman in saaien en daarna deed hij er ook de lakenhandel bij. In 1638 richtte hij samen met een medekoopman een van de vier van de eerste windvolmolens op. Ook had hij een lakenbereiderswerkplaats met zesentwintig knechten bij zijn huis, evenals een weverswerkplaats. Zoals alle lakenreders voerde hij stoffen uit naar Zuid-Europa, onder andere halfzijden greinen weefsels. In 1614 was zijn vermogen aangegroeid tot 22.000 gulden.

De textielarbeiders en drapiers werden steeds meer afhankelijk van de kapitaalkrachtige reders, die in staat waren zich uit de productie terug te trekken of deze elders goedkoper te organiseren, indien de buitenlandse concurrentie hun te fel werd. Om die reden verplaatsten zij tegen het eind van de achttiende eeuw de Leidse textielindustrie naar het Noord-Brabantse platteland, waar de arbeidslonen belangrijk lager waren dan in Leiden.

Deze verplaatsing had voor Leiden noodlottige gevolgen. De productie van vooral saaien en fusteinen liep sterk terug. Bedroeg ze in 1700 nog 85.000 stuks, in 1795 was ze al teruggelopen tot nog maar 29.000 stuks. De Leidse bevolking verviel tot diepe armoede of trok naar elders om werk te zoeken. In 1740 werden in Leiden drieduizend gezinnen bedeeld, die moesten leven van acht stuivers per week. Veel wevers verkochten uit armoede hun getouw. De arbeidende bevolking van de stad kwam in deze omstandigheden niet in verzet, maar gleed in doffe gelatenheid af naar het pauperisme.

Verklarende woordenlijst:

Appreteren, het glanzen van de lakens.

Baai, dikke, grove wollen stof met een inslag van kaardwol en een schering van kamwol.

Bombazijn, stof met een linnen schering en katoenen inslag.

Calicots, zuiver katoenen stof.

Drapier, textielondernemer.

Fabrikeur, Fabriqueur, rondreizende koopman die in Twente het linnen dat niet voor persoonlijk gebruik was bestemd, opkocht.

Fustein, stof met linnen of katoen.

Grein, stof uit kameel- of geitenhaar.

Groentgens, een op baai lijkende stof.

Kaarden,de vezels van de stof ontwarren en door middel van de kleine haakjes evenwijdig kammen.

Kettinpapper, iemand die de draden welke in de lengterichting van het weefsel lopen, insmeerde met pap van lijm of gom om de draden extra te versterken.

Laken, effen, wollen stof, die door het vollen zo vervilt is, dat de draden van schering en inslag niet meer zichtbaar zijn.

Looien, de lakens na keuring voorzien van één of meer kwaliteitsloodjes.

Nering, vakgroep of gilde voor elke afzonderlijke tak van de textielindustrie.

Nopsters, vrouwen die het weefsel van ongerechtigheden zuiverden.

Reder, grote kapitaalkrachtige textielhandelaar.

Roten, vlasstengels aan de inwerking van vocht blootstellen om de kleverige zelfstandigheid van de bast grotendeels te doen verdwijnen en de samenhang van de vezels onderling in hoge mate te verminderen.

Ruwen, het ophalen en naar één kant strijken van de wolhaartjes door middel van kaarddistels.

Saai, een zuiver kamgaren wollen stof.

Scheren, wolhaartjes met de schaar op lengte knippen.

Stamet, een soort flanel.

Tierentijn, een op saai lijkende stof.

Truckstelsel, gedwongen winkelnering.

Trijp, fluweelachtige stof van wol.

Vlaeck, grote zeef waarop de wol na het wassen werd uitgespreid en met stokken bewerkt om. het vuil los te slaan en de wol zacht te maken.

Voller of Volder, degene die het wollen weefsel met zijn voeten bewerkt om het te laten krimpen en vervilten (vollen).

Warp, een op baai lijkende stof.

Winkel, atelier waar geweefd werd onder toezicht van een meesterknecht.

Literatuur:
Blonk, A.: Fabrieken en Menschen (Enschede 1929)
Boot, J.A.P.G. en Blonk. A.: Van Smiet- tot snelspoel (Hengelo 1957)
Boot, J.A.P.G.: De Twentsche Katoennijverheid 1830-1873 (Amsterdam 1935)
Posthumus, N.W.: De geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie (Den Haag 1908-1939)
IJzerman, Th.J.: Beroepsaanzien en arbeidsvoldoening (Leiden 1959)

Veel van onze Leidse voorouders hebben in de textielindustrie gewerkt. Kijk dan ook op de pagina met de stamboom gegevens van Pison Nederland.

Voor meer gegevens kijk op Favorite Genealogy Links

  up.gif (1023 bytes)      Free counter and web stats           klik hier home.gif (8122 bytes) om naar mijn beginpagina te gaan

Update: 04 april 2010