|
VERBANNEN,
VOOR DRIE JAREN N
Uit een oude
parochiekroniek van Rindern
Johann v. Rossum aus Cleve, Pfarrer.
Er hatte die Inferiora in Emmerich, Philosophie
und Theologie, leztere 3 Jahre und 4 Monate in Köln abfolviert und wurde nach empfangener
Priesterweihe sofort Pfarrer in Rindern.
Er wurde seines Amtes von
der Regierung entsezt. Nach einem Brauch hatte er nach dem am 6. Februar
1726 erfolgten Tode des Küsters Antonius Schonenbosch unter Mitwirtung der
Gemeinde dem Franz Thompson die Küsterstelle übertragen. Auf die
Oppo-sition von 3 bis 4 Eingesessenen, an deren Spitze der 1739 gestorbene
Ge-rard van de Camp stand, mischte sich die Clev. Regierung in die Sache
und ließ die Stelle öffentlich feilbieten.
Thompson wurde
genötigt, das erfolgte Gebot von 100 Rtlr. pro aerario ecclesiastico um
einen Taler zu erhöhen.
Darauf
denunzierten die Opponenten ihren Pfarrer und den Kapuziner-Pater Bertram
aus Cleve, daß diese ihnen die Absolution verweigert, bis sie den dem Thompson verursachten Schaden wieder
gutgemacht hätten.
Beide Geistliche
wurden am 27. Juni vor Gericht geladen und mit dem Opponenten confrontiert.
Der Pfarrer wurde seines Amtes entsezt. Eine Bittschrift
der Gemeinde, daß sie den Pfarrer bei der grassrenden Seuche schmerzlichst
vermisse, und ihre Angehörige ohne die Tröstungen der Kirche stürben, blieb
ohne Erfolg. Die Pastorat wurde dem Pfarrer gesperrt, obwohl die Gemeinde
ihm das beste Zeugnis ausstellte.
Exsul, heißt es von ihm, per tres annos ex invidia
parochianorum.
Für die Zeit vom
13. April 1727 bis zum 10. April 1730
führte eine andere Hand das Taufregister weiter.
v. Rossum starb am 31 Marz 1736.
|
Gerard
van de Camp versus
pastoor Johann v.
Rossum uit Kleef
Hij volgde de lagere
opleiding in Emmerich, en na de laatste 3 jaren en 4 maanden in Keulen te
hebben gestudeerd, slaagde hij voor filosofie en theologie. Direct na zijn priesterwijding werd hij
pastoor in Rindern.
Hij werd door de regering uit zijn
ambt ontzet. Zoals gebruikelijk had hij, na het op 6 februari 1726
plaatsgevonden overlijden van koster Antonius Schonenbosch, met medewerking
van de parochie, aan Franz Thompson het kosterambt overge-dragen.
Na oppositie van 3 tot 4 ingezetenen, onder aanvoering van de in 1739 overleden Gerard van de Camp,
mengde de Kleefse regering zich in de zaak en liet die functie in het openbaar te koop aanbieden.
Thompson werd
gedwongen, het gedane bod van 100
rijksdaalders te verhogen met een
daalder, pro aerario
ecclesiastico *).
Daarop
gaven de opponenten hun pastoor en de Capucijner-pater, Bertram, uit Kleef
aan en beschuldigden zij hen ervan hun de absolutie te weigeren, totdat zij
de aan Thompson veroorzaakte schade weer zouden hebben goedgemaakt.
Beide geestelijken werden op 27 juni opgeroepen
voor het gericht te verschijnen en daar met hun opponent geconfronteerd. De
pastoor werd uit zijn ambt ontzet. Een smeekschrift van de parochie dat zij
de pastoor bij de heersende epidemie
smartelijk misten en dat daardoor de parochianen zonder troost van
de kerk stierven, bleef zonder resultaat. De pastoor werd de toegang tot de pastorie ontzegd,
ofschoon de parochie hem het best
denkbare getuigenis verschafte.
Verbannen, zo werd over hem gezegd, gedurende
drie jaren vanwege afgunst van parochianen.
In de tijd tussen 13 april 1727 en 10 april
1730 hield een andere hand het doopregister bij.
v. Rossum stierf op 31 maart 1736.
*) Dit bijzondere
fonds werd op 1 januari 1685 in het Hertogdom Kleef ingesteld door de Keurvorst van
Brandenburg als Heer van Kleef en Mark. Hieruit konden Hervormde
predikanten, schoolmeesters en
kosters een geringe aanvulling op hun tractement krijgen. Dit geld moest
worden opgebracht door RK pastoors,
schoolmeesters en kosters, in wier
gemeenten de koning het patronaatsrecht uitoefende.
|