Hoe
is het om wekenlang in een VW-kampeerbus rond te reizen? Is de bus praktisch
in gebruik? Slaapt ‘t er een beetje lekker? De antwoorden op die vragen
ontdekten we tijdens onze rondreis door Groot Brittannië en Skandinavië
in de periode juli tot en met september 1997. In 8,5 week ’Up North’ reden
we 8400 kilometers, voeren we 9 maal met een ferryboot, sliepen we op 36
verschillende campings en kampeerden we 7 nachten ‘in het wild’.
Engeland
Met een lange tussenstop in het mooie Brugge reden we naar Calais,
alwaar de Shuttle ons in 35 minuten van La Douce France naar Good Old England
zoefde. Direct de eerste nacht van onze vakantie kampeerden we ‘wild’ aan
de rand van een pas gemaaid weiland. Dat kon ook niet anders, want precies
om 12 uur ‘s nachts waren we in Dover aangekomen, en dan vind je geen camping
meer. Mijn (T) visioen van een boze boer die ons de volgende ochtend betrapte
kwam gelukkig niet uit.
Zuidoost Engeland: Van Dover (met geheime tunnels in de krijtrotsklif
waarin een ziekenhuis en commandopost uit de oorlogstijd) reden we naar
Canterbury ( met mooie oude scheefgezakte vakwerkhuisjes en de kathedraal,
de attractie ’The Canterbury Tales’ leek leuk maar viel tegen).
Vandaar trokken we zuidwaarts, en vonden we een spannende kampeerplek: een verlaten dichtgetimmerd landhuis met een hoge struikwal eromheen. Het gras in de
tuin was kniehoog. Een opengebroken raam, een nooit aangestoken stapel
kampvuurhout en lege flessen in de vervallen schuur duidden op eerder bezoek.
We bleven onontdekt, en sliepen prima.
Verder door de fraai groene Wealds naar Hastings (prachtig rommelig strand vol netten, bootjes en zwarte vissershokjes, the Old Town heeft leuke huisjes), Eastbourne (boulevard met strandstoelen vol oudjes, en de geijkte pier met kermis en gokhallen), Beachy Head, een steile krijtrots-klif en Brighton met z’n mooie boulevard,‘t oude centrum (The Lanes) en The Royal Pavillion (een bijzonder Oosters paleis). We bezochten Sky Systems, fabriek en opleidingscentrum voor parasailen en paramoteren. Johan sprak lang met Gary Cooke, een van de parasail-pioniers, en kreeg de herrie en kracht van een paramotor gedemonstreerd. Voor een echte vliegdemonstratie waaide het helaas te hard.
Londen: Thea bekeek ‘haar wens’: Bibendum, vroeger Michelin hoofdkantoor,
nu een trendy maar mooi art deco winkelpand. Daarna reisden we per metro
de Docklands in, waar de 3 jaar geleden door een IRA-bom beschadigde gebouwen
nog steeds niet gerepareerd zijn. Een wandeling onder de Thames door bracht
ons in Greenwich, waar de 0-meridiaan onze tijdsbepaling markeert. Verder
dwaalden we rond bij de Tower, Picadilly Circus en Soho-by-evening. De
volgende ochtend reden we uiteraard met onze VW-bus dwars door de verkeersdrukke
stad: de Tower Bridge over, langs St. Pauls Cathedral, Victoria Embankment,
de Big Ben, Trafalgar Square en weer Picadilly Circus.
Motorway 1 bracht ons tenslotte in...
The heart of England: In Dudley, een stadje tegen Birmingham aan, zou er een prachtig uitzicht zijn op ‘The Black Grounds’, het industriegebied. Na lang zoeken bleek dat alleen te bezien vanaf het terrein bij een kasteelruïne en tsja, die was al dicht. Thea zag nog een glimp vanaf een ander punt in ‘t stadje. Het contrast met de 'rural area' is groot. Heuvelig, graan- en tarwevelden, bos en dorpjes en stadjes met van die mooie vakwerkhuizen. Toch vielen stadjes die geroemd worden in de reisgids ons vaak tegen...
Croeso
i Ogledd Cymru: oftewel welkom in Wales, met zijn ruiger, bergachtiger
landschap en grote kuddes schapen. Llangollen spreek je uit als Glangoglen
(de g diep uit de keel laten komen). Vanaf de top van de Mount Snowdon
kregen we een indrukwekkende, maar erg winderige blik op de omgeving, inclusief
de zee en het eilandje met het dorpje Llanffairpwllgwyngyllgogerychwyndrobwllllantsiliogogogoch.
In Llanffair... daalde de gemiddelde leeftijd enorm toen we aankwamen.
Bussen vol oudjes werden er gedropt. Allemaal een foto bij ‘t station met
de lange naam, en dan konden ze weer verder. We bleven 2 dagen in Beddgelert
om uit te blazen, kleding te wassen, te luieren en in de bergen te wandelen.
Mooi, veel heide, varens en rhododendron, maar steil omhoog is wel heavy
voor niet al te getrainde lieden zoals wij.
Liver- en Blackpool: De eerste met het Beatles-museum en veel oude fabriekspanden en pakhuizen in rode baksteen. Blackpool is van oudsher het vakantiemekka voor de Britse arbeider. Een boulevard vol amusement, gokhallen, muziekpaleizen, kermis, Coronation Street en ... de hoogste 8-baan ter wereld. Het duurde even voor we moed hadden verzameld, maar we gingen erin. Machtig !!
‘n klein stukje Yorkshire Dales en het Lake district: Door een klein stukje James Herriot Country (groen, kleine dorpjes, en stenen muurtjes als landafscheiding, maar ook Peninische bergen) reden we naar de meren van het Lake District. We raakten niet enorm geïmponeerd, te toeristisch. Al rijdende belandden we op de Honister pas, een helling van 25 % naar bergachtiger landschap. Onze bus nam ‘m moeiteloos.
Northumbria/the Hadrian Wall: Wat een idee om van oost naar west een muur te bouwen. Van de beroemde Hadrian Wall zijn nu alleen nog wat resten muur, milecastles (toegangspoorten), oude forten en zo te zien. Maar ‘t leukste was er een stukkie overheen te lopen. Het Northumbria Forest Park ligt langs een grote lange rechte voorheen Romeinse weg met veel blind summits (hoge weghobbels zonder zicht op wat erachter ligt). Kaal, heuvelig, korenvelden en bos met veel mini-muggen.
Schotland: De Grensstreek met Border-steden zoals Hawick, staat in het teken van wol: weverijen van tartans (de Schotse ruiten) en trui-‘breierijen’. In Galashields konden we vlak voor sluiting nog net even een weverij in werking zien. Oorverdovend werkje. De camping in Edinburgh bleek bijzonder moeilijk vindbaar. 5 x de weg gevraagd, 2 x naar een opgedoekte camping gestuurd, 3 x de buitenwijk door, maar we vonden ‘m.
Edinburgh en Glasgow, de big cities: de berg met het beroemde kasteel torent uit boven een chique winkelstraat. Op de Esplanade voor het kasteel stonden de tribunes voor de Taptoe al klaar. We bewandelden de Royal Mile (lange straat tot aan het koninklijk kasteel Holyrood), met oude panden en winkels, één zelfs speciaal voor doedelzakken en kilts. De Canongate Tolbooth gaf ons een boeiend inzicht in het dagelijks leven van de gewone man in de afgelopen paar eeuwen. We gingen voor ‘t eerst internetten vanuit café The Electric Frog. Leuk! Langs ‘t Forth Bridge (een imposante roodgeverfde spoorbrug) reden we naar Glasgow. Diverse kampeerders hadden ons afgeraden erheen te gaan. Te druk en zo. Glasgow is inderdaad heel anders dan Edinburgh. Grote moderne winkelcentra, zoals de mooie in Jugenstil-stijl gebouwde Princess Square.
Schotse Hooglanden:
We reden het gebied van de Lochs (meren) in en kregen Schots weer: wolken
met regenbuien en zon, wat het landschap een dramatische en mysterieuze
sfeer gaf. Ook typisch Schots zijn de vervloekte midges, mini prikkende
mugjes die tegen de avond kwamen. Er bestaat zelfs een handboekje ‘omgaan
met midges’. Onderweg zagen we prehistorische graf-steenkringen, fotogenieke
kastelen op eenzame kleine eilandjes in een meer, stadjes als Inverary
en het toeristische Ullapool met hun witte huizen, en veel bergen en meren.
Veel van het bos is aangelegd voor de houtkap viel ons op. En wat bezielt
mensen te gaan wonen en boeren op die eilandjes voor de kust. Alles moet
immers per bootje over, wat een gedoe. Een paar maal hadden we een camping
aan de zee, in de striemende regen en met flinke wind. We kregen meelij
met de lieden in de bijna platwaaiende boltentjes. Wij aten, vier wielen
hoog, prima Fish, Chips en Peas in de bus. Maar ‘t wende, dat weer. In
de regen, dus met een grote plu op, bezochten we de Inverewe Gardens, beschut
gelegen langs het Loch Ewe. De route naar de noordkust leidde door vlakker
landschap, met een dikke laag mist erboven. Heide en veengebied, met rijen
afgestoken turf en schuimende riviertjes met bruinig water. In Fannad Head
(duingebied bij Durness) wandelden we naar het noordelijkste punt van onze
Schotse reis. Op een rots voor de kust zagen we zeehonden. Die leven dus
ook hier. Weer onderweg naar het zuidoosten zagen we springende zalmen
in de Falls of Shin. Wat een prestatie. Elke zalm die de sprong haalde
kreeg enthousiast applaus van het publiek.
Autorijden in Noord Schotland geeft je last van je arm. Echt waar. Het zijn allemaal enkelstrookswegen met passeerplaatsen. Dus steeds maar in dank wuiven naar mensen die je ruimte geeft of jou dat geven. Terug in meer bewoonde wereld aan de oostkust moesten we weer wennen aan twee rijbanen, verkeerslichten en roundabouts.
't Was ons erg
aangeraden, dus bezochten we Highlandgames en wel die in Tain. Dit
bleek eigenlijk een soort sport- en cultuurdag. Jongeren in kilt speelden
hun doedelzak warm aan de oever van de baai. Op een hoog houten plateau
speelden zij daarna voor de jury, die er in een hokje laag naast zat. Jonge
meisjes dansten op z’n Schots in kilt of matrozenpakje. Atleten lieten
hamers ver weg zwaaien, wierpen stenen en (‘t imposantst) probeerden de
caber (boomstam) zo op te gooien dat deze ombuitelde. Voor de 4 amateurs
die 's ochtends optraden waren er slechts 2 kilts beschikbaar, dus moesten
ze steeds wisselen, want in kilt spelen dat hoort. De tug of war (touwtrekken)
was ook spectaculair om te zien. En voor elk onderdeel was er een geldprijs
te winnen. Voor ons, als foreign guests, was er een speciale ontvangst-tent,
waar we whiskey en kaas mochten proeven. Vele Schotten bleken ineens ook
buitenlander...
Loch Ness, 40 kilometer lang, smal en mysterieus. Een tentoonstelling over het monster deed ons, nuchtere Nederlanders, toch sterk vermoeden dat Nessie niet bestaat.
In Fort George,
een imposant militair complex ten noorden van Inverness, woonden we het
evenement ‘Extravaganza’ bij. Dat was genieten: geestige optredens
over oorlogvoeren door het leger en door de woest uitziende, in tartan-ruit
getooide Highlanders. Thea leerde boogschieten en we zagen een boeiende
roofvogelshow. Het evenement werd afgesloten met heus kanonvuur.
DeWhiskey trail: nabij Tain hadden we al Glenmorangie Distillery
bekeken. Nu begonnen we met de Speyside Cooperage, waar een ploeg mannen
whiskeyvaten van 120 kg. controleren en repareren. Zwaar werk. De mannen
worden per goedgekeurd vat betaald en werken 55 (!) uur per week. Het whiskey-stookproces
is overal gelijk: enorme vaten met gistend vocht, een warme ruimte met
grote koperen stookketels en koele schimmelige opslagruimten.
Maar de stokerijen verschillen sterk in omvang en presentatie. Bood Glenfiddich
een video en rondleiding door studenten in wel 6 talen, het chiquere Stratislay
liet ons met een kleine handleiding zelf rondwandelen en met de medewerkers
praten. Bij allebei mochten we proeven. Distilleerderijen zijn boeiend,
maar whiskey of Chivas Regal lekker vinden, ...nee (vindt T)..
Van de Agricultural show in Turiff konden we nog net ‘t slot meepikken. Werkelijk alles wat een boer nodig heeft was er te vinden: landbouwmachines in allerlei soort en maat, zaaigoed, kleding, tuinartikelen, hekwerken en afrastering, waterzuivering, zadels voor paarden, de bank. Er was van alles te doen: veekeuring, paardenrennen en als spektakelstuk een monstertruck die auto’s platreed. Na afloop van dit alles was er nog altijd bier, met als gevolg dat diverse boeren zwabberbenend naar huis gingen. Bij de fish & chips-winkel spraken we een oud mannetje, die ons trots vertelde dat hij 2 prijzen had gewonnen op de show: één voor z’n dahlia en één voor een bos worteltjes...
We bezochten Fyvie Castle dat eruitziet als een roze sprookjeskasteel. Vijf families hadden ‘t opeenvolgend in bezit. De laatste eigenaar, een Amerikaanse industrieel, liet er verwarming en badkamers in aanleggen, wat ongewoon modern is voor zo’n kasteel. Nu verzorgt de Scottish Heritage de openstelling en gebruik van het kasteel Het slot is prachtig ingericht, maar kende ook gruwelijkheden in haar verleden. Zo is er een kamer waar een afgedankte echtgenote werd doodgehongerd, terwijl de kasteelheer het bed deelde met zijn nieuwe liefde ...
In Aberdeen internetten we weer (opnieuw veel leuke mail) en verlieten we het mooie, vriendelijke en mysterieuze Schotland in een P&O-ferry boot. Aan boord nuttigden we een typisch Britse combinatie: pasta Nicoise met witte bonen in tomatensaus en friet.
De Shetlands:
In de ochtendmist doemde ineens Lerwick op, hoofdstad van de Shetland eilanden.
Kaal en heuvelachtig is ‘t daar, geen boom te zien. En regenachtig en grijs,
zelfs de huizen zijn van grijze steen. We zagen papagaaiduikers aan de
zuidkust, Sumburgh Airport waar vandaan veel heli-verkeer is met boorplatforms,
en de olie-installaties in het noordelijke Sullom Voe. ‘s Avonds werden
we hartelijk ontvangen in het Lerwickse gemeenschapshuis, waar een expositie
was van oude foto’s en vele handwerkjes. Lerwick blijkt kampioen in de
‘van schaap tot gebreide trui-wedstrijd’. De spinnende en breiende dames
presteerden dat in minder dan 5 uren.
Noorwegen
Na een hele dag en avond op een deinende P&O-boot stonden
we om half 12 ‘s nachts ineens in een wat miezerig maar vrolijk zaterdagavond
vierend Bergen.
Op
een parkeerplaats aan het water en middenin het centrum stonden vele Italiaanse
campers, dus gingen wij daar ook kamperen. De volgende dag toen de zon
doorbrak bleek het contrast met grijs en druilerig Lerwick groot. Wat een
mooie kleurige huizen, en wat een ontspannen gezellige sfeer. Op de weekmarkt
uiteraard veel vis, kreeften en krabben. Er waren ook huiden te koop van
zeehonden. Komend uit een land van milieuactivisten vonden wij dat maar
zo zo, maar hier kijken ze er anders tegenaan.
‘t Fjordengebied, o wat is dat mooi. Spiegelglad blauw water
in ‘t fjord, groenbeboste steile hellingen, ijs op de bergtoppen, af en
toe een van hoog en woest neervallende waterstraal en kleurige houten huizen.
Tesamen met een warm zonnetje, heerlijk. Vanaf Aurland bracht een reeks
haarspeldbochten ons naar een stenige hoogvlakte met meertjes, ijs en groen
mos. Zo reden we meer mooie routes. De Strynse fjellet bijvoorbeld, met
bovenin een meer waarin het ijs weerspiegelde en waar 2 rendieren (zij
het aan een touw) stonden te grazen. De Dalsnibba, een kronkelweg naar
boven, leidend naar een werkelijk adembenemend mooi uitzicht over het Geirangerfjord.
De bussen waaruit groepen Amerikanen-op-leeftijd kwamen vallen, en die
in de 10 minuten dat ze hier stopten net zoveel kabaal als foto’s maakten,
waren alleen maar een vermakelijke afleiding. De Trollstigen met z’n 11
haarspeldbochten. Heel imponerend is de Trollsvegen, een kilometer hoge
steile bergwand, die inmiddels meermalen is bedwongen. Met een parachute
naar beneden springen was hier een tijdlang populair. Maar na enkele dodelijke
ongelukken mag ‘t niet meer.
In zo’n landschap is het logisch dat je stukjes per ferryboot reist. Meestal lijkt dat op een mini-cruise en zit je lekker in de zon op ‘t dek. Door ‘t Geirangerfjord varend kregen we zelfs uitleg in 4 talen (incl. Japans). Eénmaal moesten we in de auto blijven en zagen niets van water en omgeving. Wij Nederlanders mogen dan ‘t volk zijn dat water heeft bedwongen, wat de Noren met bergen doen is ook niet niks. We zagen een wegwerker aan een bergwand hangen in een poging een rotsblok 40 meter boven het wegdek los te hakken. En ze hebben enorm lange tunnels door de bergen gemaakt, de langste die we reden, Gudvangen, was 11 kilometer. De Noren werken ook veel met waterkracht-energie. Helaas troffen wij de centrales die wij wilden bezoeken steeds gesloten.
In
Flam maakten we de beroemde treintocht, kronkelend en zelfs in een
8-loup door een berg vanuit het dal omhoog naar Myrdal in de bergen. De
aankondiging van ‘mooiste route’, vonden wij wat overdreven (of zijn wij
gewoon blasé geworden van ons verre gereis), maar mooi was ‘t wel.
We wandelden (fietsen kon ook, maar die waren allemaal stuk, dus even niet
te huur) terug het dal in langs woeste watervallen en een snelstromende
rivier. Wat een rust. Heerlijk.
In Sogndal en Oslo bezochten we het openlucht volksmuseum, waar huizen, en boerderijen zijn bijeengebracht, sommige eeuwenoud. Een boerenbedrijf in Noorwegen kon vroeger wel 20 gebouwen omvatten: woonhuis, gastenverblijf, stallen, opslag enz. De bouwsels zijn van zwaar dik hout, de woonhuizen hebben banken over de hele breedte (voor extra stevigheid) en tot de introductie van de schoorsteen zat er nog een gat in het plafond als rookkanaal. Het dak was vaak begroeid met gras en kleine struiken. In Oslo zaten studenten in klederdracht uit de streek te ‘naaldbreien’ in de huizen uit diverse gebieden. Eén huis was uitprobeerhuis, dus kon ik (T) heerlijk even in zo’n houten bed liggen. In Urness bekeken we een klein, mooi versierd middeleeuws staafkerkje.
De
gletsjer op: De Jostedalsbreen is een gigantische ijsmassa in en tussen
een bergmassief. Op één van de zij-armen, de Nigardsbreen,
maakten we een gletsjertocht. Heel echt, met stijgijzers, pikhouwelen en
handschoenen, door touwen aan elkaar verbonden en begeleid door 2 gidsen.
De gletsjer lijkt op een enorme blauwe soufflé, hij verschuift 1
meter per dag en verandert continu. De looproute werd dan ook elke dag
opnieuw uitgezet. De zon scheen lekker, en her en der stroomde water in
gaten en spleten. We liepen onder door warme wind ontstane bogen door en
moesten overlangs (dus één been aan elke kant, toch een beetje
eng) over een gletsjerspleet. Lopen op de ijsmassa is niet echt zwaar.
Wel gek om je gewicht toe te vertrouwen aan ijzeren prikkers onder je schoenen.
't Was imposant, zo’n ijsmassa, en mooi die tocht.
Balestrand is een kunstenaarsdorp met mooi bewerkte kleurige houten huizen: chalet-achtig want geïnspireerd door de Zwitsers, maar met drakenkoppen op de punten en fleurige kleuren toch echt Noors. Het grootste houten gebouw in Europa staat hier: ’t beroemde Kvikne Hotel. Helaas is daarachter een veel hoger modern betonnen pand gebouwd. Lelijk. Wie verzint zoiets.
Alesund: dé art nouveau-stad van Noorwegen. In 1904 werd vrijwel de gehele, van hout gebouwde binnenstad door brand verwoest. 10.000 mensen werden dakloos. In rap tempo werden de huizen in steen en in art nouveau-stijl herbouwd. Dus veel torentjes, pasteltinten en ornamenten (blomen, bladeren, draken) op gevels en balconnen. Helaas ook hier lelijke 70-er jaren nieuwbouw ertussen, al gaat men ertoe over panden in oude stijl te herstellen.
Onderweg naar het zuiden namen we de Peer Gynt-veien. Peer Gynt is een figuur uit een roman van Ibsen, gebaseerd op een markant persoon uit de 18e eeuw. De route voerde door een hoger gelegen bergachtig natuurgebied met hei, meertjes en lage boompjes. Het leek wel wat op Dartmoor. Heel aparte sfeer, dat gebied, maar akelig warrig bewegwijzerd. Onze volgende stop was de Olympische wintersportplaats Lillehammer. Op de skischans lieten jonge mannen in aerodynamische pakken zich per ski de schans af en de lucht in suizen. Dat kan dus ‘s zomers ook, de baan had er een kunstgras bedekking voor gekregen. Met de kabelbaan bovengebracht konden we de schans, de training en de omgeving mooi bekijken.
Oslo: Terug in de grote stad. Druk verkeer, grote gebouwen, het Akerhus vesting-complex in gezellig rode baksteen, straatartiesten op de Karl Johanns gate en kennelijk verkiezingen op komst want in het park stonden kraampjes van allerlei politieke partijen. We bezochten het Vigelandpark met beelden van mensen in allerlei houdingen en situaties. En met skaters die (tsjonge wat knap) razend snel en soepel om de vijver reden en achterstevoren om een rij flesjes slalomden. We deden een rondje musea. Het grootste museumstuk in het Fram-museum is de boot “Fram” zelf, waarmee diverse ontdekkingsreizigers, zoals Amundsen, naar de noord- en zuidpool zijn geweest. Dit schip heeft jaren in pakijs vastgezeten, soms half bedolven onder ijsklompen. Het Kon Tiki museum herbergt het gelijknamige vlot en de papyrusboot Ra II, waarmee Thor Heyerdal de zeeën bevoer om aan te tonen dat volken dit eeuwen her ook moeten hebben gekund. In ‘t Vikingmuseum zagen we 3 oude Vikingschepen, die teruggevonden zijn in grafheuvels van rijke lieden. Terug in de haven hoorden we geluid dat duidde op een festijn. Het bleken drakenbootraces. Bedrijven-teams in bedrijfs-shirts of bizarre uitdossing (we zagen Blues Brothers, als Spice Girls verklede heren, Chinezen en 'Carribean') gingen roeien. Hoe meer drank en lol in de medewerker hoe meer natspetterij en hoe groter het risico op schade aan het drakenkop-uitsteeksel aan de roeiboot, zo merkten we. Maar wel leuk festijn. Ideetje voor in Nederland?
We namen afscheid van het levendige, moderne Noorwegen, waar het zo makkelijk reizen was en de natuur en de huizen zo mooi, om door te reizen naar ...
Zweden
Zweden is anders dan Noorwegen, dat merkten we direct. Vlakker
land, veel bos en meren, en bruinroodgeverfde huizen. Het oogt minder welvarend
dan Noorwegen. Geslotener ook, de mensen spreken minder vaak Engels. Diverse
campings bleken al dicht omdat het seizoen afliep. En weer typisch overgereguleerd
en daarom onvrij: je was verplicht een algemene campingpas te kopen, anders
lieten campings je niet toe !! In Zweden is vrij kamperen een grondwettelijk
recht. Behalve dichtbij woonhuizen en landbouwgrond enz. enz. En dus lastig
te vinden in het dichtbevolkte zuiden.
Naast de bruinroodgeverfde houten huizen en korenvelden zagen we ook al meer ‘gewone’ woningen en stadswijken zoals die je in Nederland ook hebt. Opvallend was het aantal oudere auto’s (wel Zweeds: Saabs, Volvo’s en zo) die liefdevol worden opgeknapt. Nationalistisch zijn ze kennelijk wel, je zag vaakl Zweedse vlaggetjes aan de huizen.
Langs
de scherenkust wandelden we rond in prachtige rustieke dorpjes met pasteltinten-houten
huisjes en roodbruine vissershokjes. De rotsige kust was vaak heel handig
omgebouwd tot een natuurlijk zwembad, met duikplank, trapje en zo. Ouderen
zijn hier sportief, we zagen er veel die in badjas op de fiets of per auto
naar de kust gingen voor een zwemtochtje van 5 minuten. Dan weer naar huis.
Een deel van het kustlandschap lijkt wat op Nederland: vlak, weiland met
koeien, weidevogels en veel zandstrand. Er zijn dan ook veel badplaatsen
langs de kust. Varberg heeft een prachtig oud badhuis, vlak bij een al
even mooi fort. Op de schiereilanden Bjäre en het Kulla-district was
kleinschaligheid troef: kleine huisjes, korenvelden, dorpjes. Naast houten
ook al meer bakstenen huizen, en witgepleisterde vakwerkhuizen. Kleine
boerenhoeves in U-vorm, met roodgeverfde schuren, en een woonhuis in vakwerk-stijl
en mooi beplante binnenplaatsjes. Lieve huisjes waar je zo zou willen wonen.
Het Dalslandkanaal wordt gevormd door langgerekte meren, waarover vroeger hout werd getransporteerd. Om hoogteverschillen te overbruggen werden vele sluizen gebouwd. In Haverud kon dat niet. Daarom bouwde men een ingenieurstechnisch hoogstandje: een aquadukt, ofwel een stalen bak waar nu bootjes maar net doorheen passen. Je loopt er gewoon naast, heel apart. Erboven loopt spoorbrug en een weg en er is een waterkrachtcentrale.
Göteborg
werd Gieteborg op onze 50e vakantiedag. Een halve nacht en een hele ochtend
regen en de ene onweersbui na de andere. In totaal viel er 100 mm. Het
kleine kanaaltje op de camping stroomde over, met als gevolg dat de kampeerders
op het lager gelegen veldje naast ons 30 cm. water in hun tent kregen.
Alles dweilnat. Vier wielen hoog kamperen heeft toch echt voordelen. De
paden op de camping waren ook ondergestroomd. Dus waadden we maar op blote
voeten en met plu naar de toiletgebouwen. In de binnenstad was een stuk
winkelcentrum afgesloten. Vanwege een bommelding, zo bleek. Een dag voor
onze aankomst was een bom ontploft in stadion, als protest tegen de Zweedse
kandidatuur voor de Olympische Spelen. Staatswinkels voor drank zijn ook
heel apart. Alles staat in vitrines, en men moet een nummertje trekken
om iets te kunnen kopen. Toch zagen we nergens zo bezopen dronkaards als
juist in Zweden.
Van Helsingborg naar Helsingör: ‘t een Zweeds, ‘t ander Deens, elk aan een kant van de Sound, met uitzicht op elkaar en elk kwartier een ferry over en weer. Opvallend fenomeen hier: veel Zweden staken met een speciaal gehuurd steekkarretje over om in Denemarken pils en drank te kopen.
Denemarken
De eerste indruk: niet streng want er was absoluut geen grenscontrole.
En weer heel anders dan Zweden, losser. Al vanaf de ferry zagen we het
mooie Kronborg Castle. Vanuit hier moesten boten tol betalen om de Sound
over te mogen. Het kasteel is decor van Shakespeare’s Hamlet. Een groepje
scholieren speelde een ultraverkorte versie van dit stuk op het binnenplein.
We bekeken fraaie kastelen, waarvan Frederiksborg in Hillerod onbetwist
het mooist is. Een prachtig renaissancekasteel met bijpassende barok-tuin.
Het kasteel is nu museum en geeft een boeiend overzicht van Deense geschiedenis.
Johan had gezworen snel een hotdog te gaan eten en zo geschiedde. Hotdogs zijn hier heel lekker en zowat op elke straathoek te koop. De worstjes ver uit een broodje stekend, met heerlijke kerrymosterd en zoetige ketchup ertussen. Jammie.
De Denen drinken
bier zoals de Fransen wijn drinken: ‘s morgens vroeg al en bij de lunch.
Dat viel ons op toen we in het ‘t stroget (winkelgebied) in Kopenhagen
liepen. Hier en daar een samenscholing rond het balletje-balletje-spel.
Als je terzijde ging staan ontdekte je al snel de uitkijkpost (voor ‘t
geval er politie aankomt) en wie in ‘t komplot zit. In Nyhavn zagen we
weer mooie houten veelkleurige panden en oude vissersboten. Deze straat
is één grote bar tegenwoordig. We beklommen de Rundetarn,
een toren met een wentelweg in plaats van een trap naar boven. Langs de
haven in ‘t water zit de beroemde meermin op een grote steen. Op ansichtkaarten
lijkt ze groot, maar in ‘t echt is ‘t een ukkie. Allemaal toeristen er
omheen voor een foto. Tot een hoge golf ze natte voeten bezorgde. Tivoli,
het beroemde pretpark met nog de sfeer uit midden vorige eeuw was enig.
Veel restaurants in allerlei stijl, van Taj Mahal tot Vikingschip. Verder
ouderwetse schietspelen en moderne gokkasten, circus, pantomine, 8-banen,
vliegend tapijt, bootjes... Vermaak voor het hele gezin dus. Het hele park
sfeervol verlicht en om 12 uur een mooi vuurwerk. Onze camping in Kopenhagen
was de meest bijzondere uit de reis: Charlottenlund, een oud, nooit gebruikt
fort, met enorme kanonnen, en wasruimten en toiletten in de kazematten.
We verlieten Kopenhagen om de rest van Sjaelland te gaan ontdekken. De grote kathedraal van Roskilde, met het mooi orgel en de imposante in stijl sterk verschillende sarcofagen van alle Deense vorsten van eeuwen her tot nu. De afkalving van de krijtrotskust had bij Hojerup een stuk van een kerkje doen wegvallen. De (overigens niet altijd goed aangegeven) Margrietenroute voerde ons door landelijk Sjaelland: witte boerderijen, korenvelden, dorpjes en af en toe kust. De kastelen en landhuizen zijn hier in mooi rode baksteen gebouwd, staan wel in reisgidsen maar zijn nauwelijks toegankelijk, want privébezit. Vaak hoort er een boerenbedrijf bij.
Vanaf de ferry tussen Sjaelland en Funen hadden we prachtig uitzicht op de in aanbouw zijnde verbindingsbrug. Binnen 12 maanden zijn alle ferries dus overbodig.De ideaalste vrij-kampeerplek vonden we bij kasteel Egeskov. Het parkeerterrein daar was uitgerust met een toiletgebouw met warm water, afvalbakken en picknick-banken. Meer heb je niet nodig.
Het kasteel leek
zo uit een sprookje komen. Eromheen liggen mooie verschillende soorten
tuinen en doolhoven. Het complex herbergt echter ook een oude rijtuigen-,
motoren-, automobiel -, vliegtuig -, en-ga-zo-maar-door museum. Enorm die
collectie, er staat zelfs een straaljager, maar ook een soort Pipo-de-clown
kampeerwagen. In het bijbehorende restaurant maakten we kennis met het
typisch Deense smorgasbrod: rijk belegde open sandwiches.
Na een rondwandeling in Faborg, een lief vissersdorpje, reden we door naar het laatste Deense eiland: Jutland. Aan de winkels konden we merken dichter bij Nederland te komen, we zagen nl. weer de Aldi. We eindigden onze reis met een bezoek aan het prachtig gerestaureerde kasteel in Kolding. Echt een aanrader, en een waardig slot van onze Noordelijke tournee.
Begin september kwamen we weer thuis aan. Ons huis stond er nog, we hadden 60 baby-visjes in de vijver gekregen, 2 wespennesten in de spouwmuur waren verdelgd, de TV was kaduuk, maar verder was ‘t weer Home Sweet Home.