Na onze rondreis 'Up North' in 1997, gingen we in najaar '98 'Down South' voor een reis langs de kust van het Iberisch Schiereiland. Zonder vaste route, dat ontstaat onderweg wel. In 7 weken tijd reden we 9.038 kilometer en van de 49 nachten kampeerden we er 23 'wild' (veel meer dan de 7 van de vorige reis).

Tips over wildkamperen:
Frankrijk: is een echt camperland. Op de P's (Parkeerplaatsen) langs tolsnelwegen zijn speciale parkeerplaatsen (hoewel uit krantenberichten blijkt dat deze niet altijd ongevaarlijk zijn). Maar ook verder in het land vind je overal gratis voorzieningen. In Beaugency langs de Loire zagen wij allemaal campers samenkomen op een parkeerterreintje pal aan de rivier. Daar zijn we maar bij gaan staan. Op het parkeerterrein bij de Futuroscope (nabij Poitiers) was ruimte waar campers mochten overnachten. Kortom, een beetje opletten wat anderen doen en je ontdekt de mogelijkheden vanzelf. Lourdes had ook speciale P, maar dat kostte nogal wat. Dus gewoon buiten de stad een P gevonden om te slapen. Verder hebben wij aantal malen in weekeinden op net gemaaide korenvelden gestaan. Gewoon lekker midden in de rimboe. Buiten het blikveld van de boer, zonder deze te storen en uiteraard zonder troep achter te laten.

Spanje: had wat minder 'vrije' mogelijkheden. Campings zijn er duurder dan in Frankrijk. De Picos de Europa (in 't noorden) is echt een aanrader, vooral bij mooi weer. In Cain mochten we overnachting op een parking, tussen de kippen. We hadden een 'unheimische' overnachting in Santander, op een gratis veldje vlakbij een camping. Hier reden auto's met paartjes-met-zekere-bedoelingen de hele nacht af en aan. In grote steden (Vigo, Sevilla) reden we vaak rond om een P bij een grote woonflat te vinden, voor onopvallend kamperen. Langs kust ten noorden van Tarifa vonden we een mooi surfstrand waar ook vele andere campers stonden. Let in Spanje op feestdagen: dan ligt het gehele land plat.

Portugal: hier geldt hetzelfde als in Spanje, maar campings zijn weer goedkoper. In Lissabon is een parkeerplek langs de Taag, waar campers samenkomen voor de nacht. De allergoedkoopste Portugese camping hadden we in Faro. Dit bleek een gemeentecamping te zijn; voor ons tweeën met camper fl. 3,30 per nacht.

Overige tips:
- In veel grote steden zie je 'zwervers' die bijverdienen als parkeerwacht. Die wijzen je de open plekken en wuiven je naar binnen. Tegen enige betaling natuurlijk. Let wel: betalen is niet verplicht, maar wel een goede gewoonte. Gewoon fl. 1,- of fl. 1,50 geven dus.
- De benzine is Spanje is ca. 1,50 per liter. In Frankrijk bleek benzine het goedkoopst bij grote winkelketens, ca. fl. 2,00.
- Neem niet te veel zaken mee: overal zijn enorme supermarkten. Alles is er dagelijks vers te koop. Bovendien heeft Spanje heerlijke tapas en kun je er voor 15 gulden p.p. een eenvoudige plato combinado, of soms een drie-gangen maaltijd incl. wijn nuttigen!!!!!

Frankrijk
Door onbekend Noord Frankrijk (we reden geen tolwegen), een streek met kleine, leeg aandoende dorpjes, golvende graanvelden en vele oorlogkerkhoven, reden we naar Parijs. Daar zagen we beroemder graven in het Père Lachaise. Johan wou, in navolging van Londen vorig jaar, dwars door Parijs met de bus. En zo geschiedde: een chaotisch rondje om de Arc de Triomphe en wel driemaal langs de Seine op weg naar de Tour Eiffel. Daarna togen we verder zuidwaarts. Na een kort bezoekje aan het Orleans van Jeanne d'Arc arriveerden we in het kasteelrijke Loire-gebied.

Kastelen aan de Loire: Chenonceau is een het enige kasteel dat we van binnen bekeken. Het is gebouwd op een brug over rivier de Cher. Het kasteel vervulde een bijzondere rol in de Wereldoorlogen. In WO I liet de toenmalige eigenaar er op eigen kosten een ziekenhuis inrichten. In WO II lag de ingang van het kasteel in bezet gebied en de uitgang aan de andere oever van de Cher in vrij gebied. De keuken is erg mooi, deze bevindt zich in de pijlers van de brug, met een aanlegpunt voor goederen. We reden verder, zagen de Middeleeuwse vakwerkhuizen van Tours en gingen zuidwaarts, naar iets heel anders.

Futuroscope: Het Futuroscope is een groot themapark met in elk futuristisch gebouw een andere verschijningsvorm van het medium film: 3D, 360 graden, op een extreem groot scherm of met stoelen die met de beelden meebewegen. Er was ook iets voor het kind in je: ik ging heerlijk waterfietsen op een reuzedriewieler met waterbanden. Johan hield het wat moderner: hij deed een virtual reality-spel.

De Dordogne: Ten zuiden van Poitiers reden we de streek de Périgord in de Dordogne binnen. Het wordt wel de wieg van de mensheid genoemd. We bezochten La Roque St. Christophe: een 900 meter lange en 80 meter hoge rotswand met in de steen horizontaal uitgesleten verdiepingen. In de prehistorie woonden hier al mensen in holen. Interessanter nog vonden we dat hier in de Middeleeuwen een complete stad was. De holen werden gebruikt om huizen, boerderijen, een kerk en een fort te bouwen zodat een tegen de bergwand geplakte stad ontstond. Er woonden en werkten in totaal 3000 mensen. Relatief veilig, want vanaf de top van de rots hielden ze oog op de rivier de Vezère. Een signaalsysteem van vallei naar vallei waarschuwde tijdig voor naderende Noormannen. Meer Middeleeuwen en ook Renaissance zagen we in Sarlat, een geelstenen gerestaureerde oude stad met een rijk verleden. La Roque Gageac, langs de rivier Dordogne, is een moderner rotswandstad: geelstenen huizen tegen een geelsteen rotswand. Overal waar je rijdt in dit gebied zie je minstens 1 kasteel.

Pyreneeën: Door Mediterraner landschap (palmen, pastelhuizen) reden we naar de diepgroene dalen, hoge bergpieken en grijsstenen stadjes van de Pyreneeën. Met de regen die we erbij kregen, werden we daar niet vrolijk van. We namen de Col d'Aspin en kwamen uit tegenovergestelde richting een colonne Nederlandse kampeerbussen op-georganiseerde-reis tegen. En maar wuiven, keer op keer. Op de top van de Col stonden koeien en paarden zo nieuwsgierig dat sommigen bijna hun auto niet uit konden. 't Leukste was 't paard dat zich schurkte tegen een fietsenrek van een Belgische auto die daardoor stond te schudden op zijn wielen. De Tourmalet (skigebied) was kaal en grijs en leeg. Het dal Gorges de Luz bracht ons weer naar lager en bewoonder terrein en naar bedevaartsplaats Lourdes.

Lourdes: Wat zou Bernadette vinden van het huidige Lourdes? Bij de plaats waar deze arme molenaarsdochter in 1858 Maria aan zich zag verschijnen staat nu een enorme kathedraal, waar drommen mensen, soms in rolstoel of ziekbed, steun en genezing zoeken. Een kaars branden kan niet. Dat is onmogelijk met al die mensen. Je koopt er een, loopt langs de grot met Mariabeeld en geeft 'm af. Het heilige water wordt uit kranen getapt in flesjes variërend van klein plastic mariamodel tot 2-liter jerrycan. En 't stadje staat bol van souvenirwinkeltjes en neon-reclame. We vonden het een bizar geheel en trokken de Pyreneeën weer in. Over de Col du Soulor en de in wolken gehulde Col d'Aubisque waar adelaars vlak langs je zweven. Via de Col de Marie Blanque kwamen we in Bedous en dichtbij Spanje.

(Een carrière is (ook) een steengroeve.)

Viva Espaņa
Via weer een kale bergpas reden we de Spaanse kant van de Pyreneeën binnen. Langs stille dorpjes in dalen, langs een gorge met grote adelaars (één vloog vlak voor de bus omhoog) reden we naar Pamplona. Een oud stadscentrum met smalle straatjes en balconnetjes. De San Fermin-route, waarlangs begin juli de beroemde stieren-achtervolgen-mensen-loop gaat, zag er nu stil en weinig spectaculair uit. We nuttigden onze eerste tapas en reden in stromende regen noordwaarts Baskenland in.

De Costa Vasco: De Baskische kust betekent blauw water, gele stranden en levendige visserdorpjes met steile straatjes. Op straat staan BBQ's om vis te bakken. Overal hingen spandoeken in over de Baskische kwestie; er waren verkiezingen op komst. Toch beklemmend, je komt het overal tegen. In Guernica zochten we naar iets wat herinnert aan het dramatische bombardement uit de Burgeroorlog. Maar dat vonden we niet. In Bilbao, het 'Liverpool' van Spanje, bekeken we het metaalgrijze, op een vis en een boot lijkende, moderne, nieuwe Guggenheim museum. En beleefden we een unheimisch nachtje slapen in Santander. Verderop langs de kust bekeken we het Middeleeuwse, authentieke, maar wel toeristische Santillana del Mar. In Comillas lag een mooie universiteit aan de kust en zagen we een door Gaudí ontworpen restaurant. Nooit geweten dat hij ook buiten Barcelona bouwde.

Picos de Europa: We verlieten de kust en reden landinwaarts naar het stadje Potes, levendige uitvalsbasis voor wandelaars in het Picos gebergte. We troffen mooi weer en hadden vanaf onze camping een prachtig uitzicht op de grijs-roze-groenige bergtoppen. Per kabelbaan zweefden we naar het uitkijkpunt Fuente Dé. En met de kampeerbus hobbelden we de kronkelige route naar Cain, een klein dorpje middenin de bergen. Hier begint een prachtig wandelpad door een smalle hoge kloof. De bergtoppen zijn hoog, het riviertje ligt soms wel 100 meter onder je. We liepen tot de helft en toen weer terug. We mochten gratis overnachten op de P, tussen de kippen. De route terug naar de kust bracht ons door groener gebied. Toeristischer ook. Vooral Covadonga was druk, maar hier staat dan ook een beroemde basiliek met het beeld van Pelayo de Krijger, die de christelijke herovering van Spanje op de Moren begon. Voor het Mariabeeld in de grot ertegenover stond een enorme rij. We deden Oviedo aan, universiteitsstad en centrum van cultuur en (kolen)industrie. In het oude centrum trof men voorbereidingen voor een cultureel fiësta.

via de Costa Verde naar Santiago de Compostella: De groene kust van Asturië en Cantabrië telt vele kleine vissersplaatsjes. Vooral Cudillero vonden we mooi met z'n kleurige huizen tegen de rotswand. Het begon weer te regenen. Wij gingen op weg naar de volgend bedevaartsplaats op onze reis: Santiago de Compostella. Langs de autoweg zagen we al pelgrimwandelaars en fietsers. Santiago is volstrekt anders dan Lourdes. Ingetogen. Smalle straatjes, winkeltjes en restaurantjes. Het eindpunt van de pelgrimstocht is de kathedraal. Daarbinnen is de pilaar waar pelgrimgangers een kopstoot aan Jacobusbeeld geven en hun hand mogen leggen in de al eeuwen uitgesleten holtes. Ik legde m'n hand er niet op. Wij waren immers comfortabel per kampeerbus aangekomen en hadden niks hoeven afzien zoals echte pelgrimsgangers.

de Rías Baixas van Galicië: De kust van Galicië ten zuiden van Santiago heet de Rías Baixas en bestaat uit inhammen met dennebossen, mosselbanken, stranden, vissers- en badplaatsjes. Het is er ongerept, volgens de reisgids en er werd vroeger veel gesmokkeld. Wij vonden 't wat sjofel allemaal. We reden er rond, zagen mooie mosselbanken, in A Toxa het kerkje met muren van St. Jacobsschelpen en in de vissersdorpjes de hórreos: opbergschuurtjes op stenen poten, zodat ongedierte er niet bijkan. In Pontevedra maakten we een stadwandeling en beleefden we de zondagavond-op-het-plein-flaneer-sfeer. Vigo bleek een enorme drukke haven- en industriestad aan een fraaie baai. We sliepen er op een P in een wijk vol flats en hadden de volgende ochtend de grootste moeite een bakker te traceren waar je kunt parkeren. Blij dat we die drukte weer konden verlaten reden we door. Even ten zuiden van Tui verlieten we, over een Eiffelbrug, Spanje.

Portugal
In Portugal kregen we direct zon. Het is er groen en rustig, maar minder welvarend dan Spanje, was onze eerste indruk. En direct een ander soort huisjes: gebruiken wij tegels in de badkamer, hier zijn hele gevels beplakt met tegelmotieven. Op het land werken oude vrouwtjes, geheel in 't zwart gekleed (hoe houden ze het uit). En we zagen koperen stookketels, maar stopten er niet voor. We volgden de kust, deden het stadje Viana do Castelo aan en leerden groeten in het Portugees, dat wel lijkt op Spaans maar heel anders klinkt.

Porto: De eerste grote stad die we bezochten was Porto. Sfeervol en druk was het er. En mooi: een station met tegelplateaus, een heel hoge brug over de rivier, ook van meneer Eiffel (nooit geweten dat die ook in Portugal werkte). 't Mooist vonden we de oude volkswijk langs de rivier: heel smalle, steile straatjes, hoge panden, ijzeren balkonnetjes en betegelde gevels. Aan de overkant van de rivier de Douro liggen de portkelders van allerlei merken. Wij gingen alvast even proeven. In de rivier liggen nog de typische boten waarmee de port uit het binnenland naar Porto werd vervoerd. We probeerden te mailen vanuit een Internetcafé, maar dat was geen succes.

Het Douro-dal: De volgende dag reden we langs de rivier naar het echte portgebied. Het was heiig, op de rivier voeren boten, erlangs lagen dorpjes in wit met oranje daken. In Peso de Regúa bezochten we een quinto, een port-'farm', waar we natuurlijk ook port proefden. Van de productie mag je niks zien. De regels voor Port zijn strict en geheim. Ook maakten we een treintocht door het portdruivengebied, waar ook veel olijfbomen groeien. Heet was 't er, maar wel mooi. We togen naar het zuiden, een bos- en berggebied in. Hier zijn veel bosbranden geweest en nog. We reden een bergweg op naar een camping, die gesloten bleek vanwege een brand een paar weken ervoor. Twee Nederlandse vrouwen in een VW-camper kwamen er ook aan. Van de ober van het naastgelegen restaurant mochten op de parkeerplek blijven slapen. Het werd een onrustig nachtje, vanwege de zwerfhonden die ruziemakend om onze campers blaften.

Lamego: Het stadje Lamego is ook pelgrimsplaats (tsjonge, alweer één) en heeft een enorme trap bergopwaarts naar een kerkje. Een oud in het zwart gekleed vrouwtje wilde er bidden, maar had niet de conditie om de trappen te beklimmen. Ze uitte haar gebed daarom maar bij de nis onderaan. We gingen nog even naar de Romaanse toren in het centrum. Daar stonden Luiz en Paul, twee scouts van een jaar of 12, klaar om ons rond te leiden in hun beste Engels. We moesten eng omhoog klimmen, de toren op, maar het uitzicht was mooi en de ontvangst vriendelijk en behulpzaam. Zo zijn de Portugezen. Ze spreken meer talen dan je zou verwachten. In een ander stadje praatten we een tijdje met een mevrouw die jaren als huishoudelijke hulp in Duitsland had gewerkt. Spaans spreken de Portugezen liever niet (die vervelende grote buurland). Volgens Johan hebben vele Portugezen een minderwaardigheidscomplex.

Serra de Estrela: Het berggebied Serra de Estrela biedt kale rotsen, heide, mos, brem en gras en kronkelwegen. Het dal van de Zerzère heeft een aparte sfeer, vonden we: geel gras, oude huisjes, schuren met stro en veel klingelbelschapen. De weg voerde ons weer bergopwaarts naar een kale hoogvlakte met een radarstation. Bergaf reden we richting kust. Onderweg deden we nog twee koperslagers aan die alambieken (stookketels) maken. Niks gekocht, komt verderop nog wel. Dachten we.

Coimbra en de kust: Coimbra is een oude universiteitsstad met een rijke en voor Portugal belangrijke historie. De universiteitsgebouwen liggen hoog, omringd door kleine dwaalstraatjes. De oude universiteitsbibliotheek is prachtig, vonden we. We reden door naar Quiaos aan de kust. Het was immers weer mooi weer en tijd voor strandpauze. Maar zeemist en hoge golven maakten dat idee al snel onaantrekkelijk. Dus zakten we de kust af over een rammelende keienweg tussen pijnbomen waar hars wordt afgetapt. Portugezen laten hun afval na een picknick keurig achter, ontdekten we: in een plastic tasje aan een boom. Door allerlei kustdorpjes kwamen we terecht in Obidos. Een in tact middeleeuws stadje. Portugal heeft veel cultuurschatten in goede staat. Het was echter al laat in de middag en we besloten er morgen terug te komen. We vonden een plek op een camping bij een vissershaven aan de kust.

Obidos: Met mist, muggen en meur van vis, zo ontdekten we de volgende morgen. Johan was z'n linker slipper kwijt, die moest nog in Obidos op de parkeerplaats liggen. Inderdaad. Maar wel precies onder het wiel van een geparkeerde auto. Hmm..., geen beweging in te krijgen. We dwaalden rond in het stadje, dat een echte kasteelmuur heeft waarover je kunt lopen, en witte huisjes met geel en blauw geschilderde randen, stenen daken en bloembakken. Terug op de parkeerplek bleek de auto nog steeds op de slipper te staan. Met hulp van 3 parkeerwachten bevrijdden we 't ding; gewoon even de rechtervoorkant van de auto opgetild. Ook weer opgelost. (Sorry voor het lichtelijk verbogen spatbord, meneer de eigenaar!)

Het surfstrand en het westelijkste punt: We gingen verder, zagen oude vrouwtjes druiven plukken, volgden de kust en kwamen uit in Ericeira. Boven de hoge kademuur had je uitzicht over het strand met vrolijk gekleurde vissersboten. We overnachten op de P bij een surfers-beach waar al vele kampeerbusjes van allerlei nationaliteit stonden. Alternatief sfeertje. Bij zeegeruis slaapt het wel goed. Terwijl de volgende ochtend de eersten alweer de zee in peddelden op zoek naar hoge golven trokken wij weer verder. Het meest westelijke punt van het Europese vasteland, bij Cabo de Roca, mag je natuurlijk niet overslaan. Dat vindt iedereen, dus bulkte het er van vooral Japanners die op deze unieke rotshoogte op de foto wilden. Wij zijn er snel weer weg, vooral ook omdat Johan vond dat ik maar akelig dicht langs de rotsrand liep. Naarmate we Lissabon naderden, werden de kustplaatsen mondainer en drukker.

Lissabon: De mooiste hoofdstad van Europa? Wij vonden dat wel mee(=tegen)vallen. Okee, mooie witte huizen, apart dat het op heuvels is gebouwd zodat je met kabeltram of lift van het ene stadsdeel naar het andere kan, leuke oude houten boemeltrams die je krakend en kreunend de heuvel op brengen, en vanaf het kasteel een mooi uitzicht over de witte panden en de Taag. We wandelden door de oude wijk Alfama, met een wirwar van heel smalle straatjes en huiskamers direct achter de voordeur. Romantisch wel, de mensen leven veel buiten en bakken vis op straat, maar voor de bewoners onpraktisch. Je zal hier moeten verhuizen... De kunstenaarswijk Chiado had weer een andere sfeer. Hier veel Fado-cafés, maar voor fado was het te vroeg. Het ging plensregenen, dus zochten we de bus weer op en reden naar de parkeerstek langs de Taag waar we vele kampers hadden zien staan.

Expo: De volgende dag stonden we vroeg op voor de Wereld Expo. Je bent in de buurt, dus erheen nietwaar? Het complex ligt langs de Taag. Na afloop van de Expo zijn de gebouwen bruikbaar voor beurzen, festivals, manifestaties en dergelijke. Het bezoek werd een oefening in wachten, wachten en nog meer wachten. Voor de attracties, voor alle landenstands. We bemachtigden kaartjes voor de populaire virtual reality-show over een reis naar Atlantis, passend bij het centrale thema: oceanen. die volgens de geruchten erg mooi moest zijn. We vonden 't leuk, maar niet af. Al lopende en kijkende bedachten en werden we de firma Zeik en Zeur, die erg alert is punten die de klantvriendelijkheid en logistiek kunnen verbeteren. Het begon te plenzen. Mensen met plastic zakken om hun schoenen. Van de mooie oceaanpaviljoen zagen we uiteindelijk niets. Geen tijd meer. s'Avonds genoten we van de optocht van dwaze figuren en het concert van Myriam Makeba en raakten we licht ontgoocheld door het slotvuurwerk. Aardig hoor. Maar meer niet, vond de firma Z&Z. Bekaf reden we weer terug naar dezelfde parkeer-kampeerstek aan de Taag. Het bleef regenen.

We willen meer zon: Hoog tijd om naar zonniger oorden af te reizen. Zuidwaarts maar weer, langs kurkeiken en rijstvelden naar Porto Covo aan de westkust. Uitgeblazen, gedoucht en kleding gewassen. Lekker aan zee gelegen met een boek. Maar ook hier achtervolgde ons het minder mooie weer. We raadpleegden de Wereldomroep die meldde dat alleen de Algarve zon heeft. Dus reden we in een ruk daar naar toe. En inderdaad. We bezochten een zonnig fort Sagres, gelegen op een hoge klif en zagen blauw zeewater witschuimend tegen de klip op slaan. Op de klif gooiden vissers hun hengels uit om 50 meter lager sardines te vangen.

De Algarve: De volgende dagen reden we de Algarve door richting Spanje. Een mooie kust van geelrood, brokkelig kalkzandsteen, daarin uitgesleten bogen en grotten en geel zand. Veel witte, gezellige stadjes, met kleine straatjes vol restaurants en winkeltjes. Gelukkig weinig hoge horinzonbedervende hotels. Veel toeristen, ook nu, eind september. In Albufeira aten we in een Nederlands eetcafé en zagen we een stukje van de voetbalwedstijd Ajax-Porto. We verdwaalden in de appartementenwijken op zoek naar een slaapstek. In Almarçao lagen we een dag op 't strand en zagen vrolijk gekleurde vissersbootjes het water in- en uitgetrokken worden door een trekker. Johan wilde ook weer op zoek naar koperen alambieken, dus wij naar dé koperstad Loulé, waar inderdaad welgeteld 1 werkplaats en 1 winkel te vinden was, maar geen geschikte alambiek.

Faro:We kwamen in Faro, een naam waarbij je toch altijd nog aan vliegramp denkt. Het is een stadje met oud en autovrij centrum. We liepen er een bottelarij binnen, kregen uitleg en mochten portwijn proeven. Buiten stond een ezel met kar geparkeerd. De camping lag op een langgerekt en smal eiland voor de kust. Tussen eiland en kust een natuurgebied met veel vogels. Het bleek de goedkoopste camping van onze reis: we ontvingen een geprinte factuur ter waarde van drie gulden dertig. Buiten Faro moest ook een alambiekmaker zijn, vertelde de VVV. Met enige moeite vonden we 'm. Hij was niet thuis, zijn zoon wel. Een sympatieke man. Hij runt de computerfirma Digiboto. We mochten er mailen. De kust werd vlakker, we zagen zoutpannen en nog steeds allerlei vissersplaatsjes en oude vestingstadjes met smalle straatjes. Er zijn centrale plaatsen om kleding te wassen, viel ons op. Bij Castro Marim zagen we zoutwinning in actie: mannen schoven het zout uit een van de vierkante pannen de wal op. Met fado-muziek van Amalia Rodrigues uit de autoradio gingen we de grens over, Spanje weer in.

Nogmaals Espaņa
Sevilla: Door een gebied vol sinaasappelbomen reden we naar het flamboyante Sevilla. Een prachtige stad, groter dan ik had gedacht. In de oude Joodse wijk Santa Cruz dwaalden we door smalle straatjes, en zagen witte gevels met tegeltjes patio's en pleintjes, ontbeten in een tapasbar. We bezochten de immense kathedraal en raakten onder de indruk van het Reales Alcàzares, een paleis in moorse bouwstijl met veel bogen, uitgesneden motieven en tegelmozaieken en schaduwrijke tuinen. We wandelden over de promenade langs de rivier de Quadalquivir. Het terrein van de vorige Expo in '92 is er ook nog. Toen prachtig, nu vergane glorie. Het Plaza España, in een lommerijk park, is aangelegd voor een andere expo begin deze eeuw. Hier is van elke grote stad een tegeltableau die iets van de historie uitbeeldt. Natuurlijk zocht ik even Salamanca op, daar had ik tenslotte 2 maanden gewoond om Spaans te leren eerder dat jaar. Vlakbij het park is de sigarenfabriek uit de opera Carmen. Dat was de mooie kant van Sevilla, maar we zagen ook krottenwijken.

De Corrida (stierengevecht): De Plaza de Toros de Maestranza is een van de oudste in Spanje. Elke week is er Corrida en (nog wel op dierendag) we gingen erheen. Met een beetje gemengd gevoel. Het waren jonge matadores die de strijd aangingen. Eén van hen oogste veel succes bij zijn gevecht. Bij zijn ontmoeting met de tweede stier werd hij overmoedig en dat kwam hem duur te staan. Eerst kreeg hij een trap op z'n voet, later werd hij op de horens genomen. Bleek en bloedend uit zijn hoofdwond vocht hij door, tot bewondering van het publiek dat overigens ook jubelt als een matador op de loop moet voor een stier. Tweemaal werd een toro uit de strijd gehaald. De eerste na een verwonding, de tweede nadat hij in opperste woede planken van de beschermschotten losgerukt had. In zo'n geval komt een kudde tinkelbellende koeien de arena binnenrennen, verbaasd om hun heen kijkend. Met hen rende de stier terug naar de stallen. Niet dat hun leven daarmee gespaard werd, overigens. Er is veel kritiek op de stierengevechten, en het is ook gruwelijk een bloedend beest te zien reageren op een rode lap. Maar deze dag toonde dat het beest niet machteloos is. De dramatiek van de confrontatie van nietig mens met machtige stier maakte toch indruk. Een eeuwenoude traditie. En die is typisch Spaans.

Jerez de la Frontera: Door kaal landschap met hier en daar een katoenveld (nooit geweten dat in Europa katoen verbouwd wordt) kwamen we in het gebied waar de condities voor de sherrydruif ideaal zijn. Langs de weg staat her en der de grote Osborne-stier. Jerez de la Frontera is de stad van sherry en Andalusische witte danspaarden. En van veel eenrichtingsverkeer en lastig parkeren, merkten we. Ik nam een kijkje in het Flamenco-instituut. We woonden een optreden van de paarden bij en vonden dat beklemmender om te zien dan wat de stieren doormaken. Die kunnen vrijuit rennen, dit is zo strak en gekunsteld. Tijdens een interessante rondleiding in de bodega van Gonzales Byass, leerden we dat Nederland een van de grote sherry-afnemers is. Aan ons is 't drankje niet besteed, vies brr.

Van El Puerto naar Tarifa: Op een camping langs de kust, in El Puerto de la Maria, hoorde ik 's avonds de typische, indrukwekkende, bijna vals schetterende trompetmuziek van de Paasprocessies die ik in Salamanca had bijgewoond. Het bleek afkomstig van een groep jongens die elke dag langs het stand samenkomen om te repeteren voor de processies van Reyes Mayo (Driekoningen), Semana Santa (Pasen) en carnaval. Na een kort bezoek aan havenstad Cadiz volgden we de Costa de la Luz, met inderdaad een bijzonder gloedvol licht. We kwamen langs surfstranden op weg naar het zuidelijkste punt van Spanje, Tarifa, waar je aan de overkant Tanger in Marokko kunt zien liggen.

Gibraltar: Van een afstandje zagen we het liggen: net een hoed. Een hoge rotsklif met een platte volgebouwde rand erom. Om er te komen moesten we de grens over. Direct daarna, wachten voor een slagboom. Vliegtuigen van rechts gaan voor. Daarna staken we het vliegveld over en reden het propperige Gibraltar in. Per kabelbaan gingen we de rotskaap op en hadden we een goed uitzicht over de bebouwing beneden, de haven en industrie en Marokko aan de overkant. De beroemde apen worden vreselijk vet van al het eten dat ze van toeristen krijgen. Van ons kregen ze daarom niks. Het is onwerkelijk, Engeland in Spanje. Pesetas uitgesproken met Brits accent. Je mag betalen met pesetas, maar krijgt Gibraltees geld terug. We aten, toepasselijk, fish & chips. Alles is er heel goedkoop; benzine maar fl. 1,30. Het land uit stond er een enorme file. Veel mensen morrelden nog even in hun achterbak. Smokkel tiert welig, maar er wordt ook streng gecontroleerd.

Pueblos blancos en Ronda: Het achterland van de Costa del Sol is kaalgroen berggebied met pueblos blancos, witte dorpen op heveltoppen, in vroeger tijden versterkt om aanvallen van rovers te weren. We bezochten Castellar, een oud vestingstadje op een heuveltop. De lokale bevolking is hier vertrokken naar moderner oorden, nu wonen er hippies met kunstzinnige beroepen. Ronda ligt op een plateau met een diepe kloof; de stadsdelen verbonden door een hoge brug met een dramatische historie. De architect viel er bij de openstelling vanaf toen hij zijn afgewaaide hoed probeerde te grijpen. En in de Spaanse Burgeroorlog zijn er mensen naar beneden gegooid. De stad is oud, er zijn nog baden uit de Romeinse tijd. We bekeken het typisch Andalusische huis met tuin van padre Don Bosco.

Costa del Sol: De Zuid Spaanse kust is duidelijk minder mooi dan de Algarve. Maar we wilden de Costa del Sol wel zien. Hoe is nu die plek waar zoveel mensen komen vakantievieren. We waren niet onder de indruk. Grijze zandstranden, veel lelijke ouderwetse hotelcomplexen naast elkaar. Patserige rijkdom in (okee) chiquer Marbella. En die types op de boulevard: oud, opgedirkt, op hoge hakken, met hondje en kleinere man met zwart, openstaand overhemd en gouden sieraden. Foute types. Verder maar weer dus.

De Camino del Rey: We proefden even de sfeer van de grote levendige havenstad Malaga en koersten het binnenland weer in. Tussen citroen- en sinaasappelbomen door reden we naar de Garganta del Chorro, een heel smalle kloof. Om daar te komen moesten we een eind over het spoor lopen, onder andere door twee tunnels. Een idiote route, maar iedereen liep 't. En opletten dat er geen trein aan kwam. Voorbij de spoorbrug begon de Camino del Rey, een pad van een meter breed, hoog tegen de bergwand van deze kloof aangeplakt. Ons aangeprezen in de reisgids. Maar daarin stond niet dat dit pad in zeer (lees ZEER) vervallen staat is en eigenlijk verboden te belopen. Bij het eerste gapende gat (meer dan 100 meter loodrechte rotswand) met alleen een balkje om over te steken gaven we 't op. Dit is te eng. Velen gingen wel door. We liepen de spoorweg en keken hoe stoere jongens de ontbrekende stukken pad overklommen. Gekkenwerk!

Een abrupt einde: Die avond vonden we een camping in een natuurgebied met mooie meren. Het was er druk, want het was fiësta in Spanje. Eten kokende, luisterde Johan naar de Wereldomroep. Hij schrok flink toen hij zijn naam en een beschrijving van onze VW-bus hoorde in de oproepen van de ANWB Alarmcentrale. Gelukkig konden we direct bellen. Zijn oma bleek te zijn overleden. Ze was al ziek, wisten we. We besloten om direct terug te gaan voor de begrafenis. In twee dagen tijd reden we terug naar Nederland. Dan is een kampeerbus ideaal; we overnachtten onderweg op parkeerplaatsen. We hadden geluk bij die Spaanse feestdag. Het hele land lag zo'n beetje stil, dus konden we vlot doorrijden. De route was mooi, vooral Castilla la Mancha met gele korenvelden en een rij molens op een heuvel in de verte. In het Baskische San Sebastian maakten we een stop en aten als maaltijd heerlijke tapas in de havenbuurt. Onze laatste peseta's spendeerden we aan souvenirs in een winkeltje aan de grens.

In Frankrijk reden we (tegen ons principe) péage, dat ging ook snel. We waren op tijd thuis.
Helaas een abrupt einde van een fijne rondreis.

(En nu heeft Thea de stad Cordoba nog steeds niet bezocht...)


| Homepage | Laatste nieuws | Voorbereiding | De Bus | Trip 1: Up North | Next trips | Mail ons |
Laatst gewijzigd op 13 juli 1999 / -42-