Compilatie uit de Voor- en Nawoorden bij
de Ooka-boeken:
Werkwijze:
Ik heb - als de Japanse straatvertellers - rechter Ooka tot hoofdfiguur gemaakt van een
aantal rechter Ookaboeken. Het hoeft wel geen betoog dat ik deze Japanse Sherlock Holmes
grotendeels uit eigen verbeelding heb voortgebracht. De verhalen waarin hij optreedt zijn
Japonaiserie-en vol oosterse kleur en verbeelding, die nooit de uitgesproken en eenzijdige
bedoeling hebben informatie over Japan te verschaffen die historisch of anderszins
waterdicht is. Wel trachtte ik zo nauwkeurig mogelijk mijn eigen impressies, in het Land
van de Rijzende Zon opgedaan, onder woorden te brengen.
Het begon met het boek 'Solomon in kimono' van J.C.Edmons daarna volgde een
speurtocht langs de universiteitsbibliotheken van Tokio, die twee maanden duurde, waar ik
een groot aantal vertalingen van Ooka-verhalen vond, die in het begin van deze eeuw
gepubliceerd werden in tijdschriften als 'The Japan Magazine' en 'Melanges
Japonais'.
Deze verhalen zijn in hun oorspronkelijke vorm meestal niet groter van omvang dan enkele
regels tot een bladzijde in dit boek.
Mijn herscheppingen ontlenen eigenlijk alleen het directe plot aan het originele verhaal.
Dit plot in het originele verhaal is dan meestal nog zo kinderlijk en ongenuanceerd
gesteld dat ik het geheel op moderne wijze moest herschrijven wilde ik het voor de moderne
lezer, verwend als hij is door een lange traditie van misdaad- en speurdersromans,
aanvaardbaar maken.
Het was voor mijzelf een ontdekking te bemerken dat de grote Robert van Gulik, de
onsterfelijke vader van rechter Tie, de plots in zijn rechter Tie-mysteries ontleende aan
dergelijke magere plots, die te vinden zijn in een Chinees boek 'Parallel cases from
under the pear-tree', waarin rechtszaken bijeengebracht zijn als leerstof voor
toekomstige rechters.
Door de kritiek is rechter Tie wel in verband met rechter Ooka gebracht, dit kon ook niet
anders. Niettemin verschillen beide figuren niet alleen hemelsbreed, ook de werkwijze van
Dr. van Gulik is een geheel andere dan de mijne. Dr. van Gulik schrijft een volwaardige
speurdersroman in de traditie van de grote schrijvers van dit genre -iets waartoe mij de
nuchtere inventiviteit, de koele verstandelijke berekening en het geestelijke
uithoudingsvermogen ontbreken zouden. Bovendien zijn Van Guliks boeken ongetwijfeld vrij
van onnauwkeurigheden - uitzonderlijk sinoloog en kenner van het oude China als hij was.
Mijn rechter Ooka-verhalen zijn daarentegen speelse creaties van een rechterfiguur, het
zijn telkens weer korte speurdersverhalen waarin de lezer, naast het verhaal zelf, veel
vindt van wat ik in Japan beleefde. In het bijzonder trachtte ik de rechter en zijn
omgeving die couleur locale van Japanse dichterlijkheid en oosterse geheimzinnigheid te
geven, die ik op mijn beide reizen door het land van de Rijzende Zon nog in zulk een
overvloedige mate aantrof. Ik houd van Japan en zijn uitzonderlijke hang naar het
geheimzinnige en bovennatuurlijke. Ik houd van zijn subtiele haikoepoezie. Ik leg de
rechter en zijn vrienden vele haikoe in de mond en stoor mij daarbij niet in het geringste
aan het feit of deze haikoe van dichters zijn die voor, tijdens of na Ooka leefden.
Zou een Japanner dit eigenaardig in de oren klinken, voor een westerse lezer is dit totaal
irrelevant. Trouwens toen ik Japanners ernaar vroeg zeiden zij dat zij dit waarschijnlijk
niet alleen vermakelijk, maar ook boeiend zouden vinden, mits het gedaan werd door een
buitenlander. Het tijdselement werd daarbij immers uitgeschakeld om plaats te maken voor
een meer tijdeloos decor van Japan.
Voor een Japanologische leek als ik is het nagenoeg onmogelijk om de rechter altijd te
laten handelen zoals hij werkelijk gehandeld zou hebben in zijn tijd. Een menu dat hij
eet, is een menu dat ik zelf in Japan in een vissersdorp at - en dat niet ontleend is aan
een kookboek van twee-en-een-halve eeuw geleden.
Zo heb ik ook moeite met namen en gebruik wel eens achternamen waar ik voornamen bedoel of
vice versa. De gewone lezer zal zoiets niet storen, omdat hij het eenvoudig niet merkt. De
Japanoloog stoort het ongetwijfeld.
Flagrante ongerijmdheden probeer ik zoveel mogelijk te vermijden: zo liet ik aanvankelijk
de rechter op nieuwjaar in een riksja naar zijn vriend Ichikawa rijden tot ik bemerkte dat
dit wagentje eerst een eeuw geleden in Japan werd ingevoerd. Ik kon de riksja nog juist in
de drukproef veranderen in een draagkoets maar deed dit zo haastig dat ik de riksja twee
keer vergat te schrappen zodat de rechter zich gedurende het tochtje van zijn huis naar
het huis van zijn vriend beurtelings in een riksja en een draagkoets bevindt. Was
bilocatie een vrij normaal verschijnsel bij middeleeuwse heiligen, een bilocomotie als
deze is bij mijn weten nog niet eerder voorgekomen.
Maar wat hieraan te doen. Een halve eeuw geleden kon men een student in de japanologie en
misschien zelfs een professor zover krijgen om hem een manuscript op onnauwkeurigheden te
laten doorlezen; die tijden zijn voorbij, ieder mens is te zeer betrokken bij zijn eigen
opgaven.
Ik meen overigens dat dergelijke Schoenheitsfehler niet al te storend zijn. Ik heb
namelijk niet de minste pretentie om een Ooka te scheppen die historisch geheel
verantwoord is. De Japanners zelf deden dit trouwens ook niet in hun wekelijkse
televisiefilins waar Ooka, tijdens mijn jongste verblijf in Japan, iedere dinsdag op het
scherm verscheen zoals in Europa Maigret. Ik wil simpel een figuur scheppen die de
Japanner op een nogal idealistische wijze weergeeft. Dat gaat met zoveel eigen
inventiviteit gepaard dat men daarbij niet meer in de categorieen van historie en
realiteit kan denken. Onvermijdelijk is zulks het geval met creaties als deze.
Wie kent niet Couperus' creatie van de waaierschilder die al zijn waaiers op de wind in
het water van de rivier omlaag laat zweven uit pure verrukking om de schoonheid van de
zwevende waaiers. Ik betwijfel of er ooit een dergelijke waaierschilder in Japan bestaan
heeft. Toch ken ik geen verhaal buiten Japan dat subtieler de Japanse gedetacheerde
verhouding tot het schone en tot het leven zelf tot uitdrukking brengt.
Ik beschouw deze verhalen zelf als een beter soort entertainment. Tenslotte beschouw ik
Homeros' Odyssee en Shakespeares toneelwerken ook als entertainment, zij het van de
hoogste klasse. Ik heb het mij bij het schrijven niet gemakkelijk gemaakt en steeds
getracht een betrouwbare visie op Japan te geven. Maar tenslotte ben ik als schrijver een
te grote individualist om een figuur als Ooka niet te scheppen naar eigen beeld en
gelijkenis. Hij is een belichaming van mijn progressiviteit en mijn conservatisme -twee
deugden of ondeugden, die afwisselend in mijn leven om de voorrang streden. Ooka is
tenslotte een geheel eigen schepping geworden. Zo is ook het Japan dat ik beschrijf is mijn
Japan en niet het Japan van liefhebbers van onomstotelijke feiten en onbetwistbare
koersgetallen. Het is een Japan dat geboren is uit de roes van de verwondering, een Japan
waarover de schrijver zelf zich nog steeds evenzeer verbaast als de haikoedichter die,
betoverd door de sneeuw op zijn hoed, uitroept:
'De sneeuw weegt licht
als ik bedenk:
het is mijn sneeuw op mijn hoed.'