Harme Bevoort
Dichter van Enkhuizen
home  |  mengelwerk  
 
 
   

Wie is Zenobie (Z.C.C. van Lennep)?

Zenobie Catharina Caroline van Lennep (Den Haag 1820 - Zutphen 1901) is de dochter van Gerrit van Lennep, redacteur van de Staatscourant, en Berendina Joanna van Jordan die uit Enkhuizen stamt. Na de dood van haar vader in 1833 te Den Haag, verhuist Zenobie met haar moeder via Zutphen naar Enkhuizen waar ze tot 1850 woont. In die periode schrijft ze een aantal verhalen over de stad.

In 1846 publiceert ze Een eerste Maandag in Augustus te Enkhuizen in Het Leeskabinet, een tijdschrift met mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen. Ze vertelt hoe de Enkhuizers jaarlijks met een vloot van scheepjes de kermis in Grootebroek bezoeken. In de jaargangen ’47 en ’48 staan haar bijdragen "Een anonieme brief" en "Een broeder en een zuster", dat zijn verhalen met een moraal. Maar de uitgever van het Leeskabinet ziet meer brood in de verslagen uit haar woonplaats en stuurt het volgende manuscript terug met een beleefd briefje:
Mejuffrouw!
Uw stukje, “De Dienstmaagd”, is een verdienstelijk opstel, maar - komt mij o.v. voor, niet voor ons publiek, immers niet voor dat van het Leeskabinet, geschikt te zijn. Het zeilpartijtje op de Oude Gouw is opperbest bevallen. Tafereelen uit het land onzer inwoning, met een talent als dat van Ued geschetst, zijn mij altijd welkom. Tijd, plaats en onderwerp blijven natuurlijk ter keuze van de auteur.
Met hoogachting Ued dienaar H. Frijlink.
Amsterdam, 19 dec 1849

Ondertussen geeft ze in 1848 de schrijver H.J. Schimmel een veeg uit de pan. Hij heeft het drama Joan Woutersz geschreven dat in Enkhuizen speelt tijdens de 80-jarige oorlog. Historisch deugt er echter niets van vindt Zenobie en ze verdedigt de stad met verve in een lang artikel in het tijdschrift De Recensent, ook der Recensenten.
Dat trekt de aandacht van Jacob van Lennep die de inleiding tot Joan Woutersz heeft geschreven. “Wie is Zenobie die Schimmel over zijn Joan Woutersz is aangevallen en Enkhuizens eer gehandhaafd heeft?”, vraagt Jacob van Lennep aan mejuffrouw Toussaint, de bevriende redactrice van de Almanak voor ’t Schoone en Goede.
Het blijkt een verre nicht van hem te zijn die hij nooit eerder heeft ontmoet. Onder de indruk van haar schrijfkunst, nodigt hij haar uit om een bijdrage te leveren voor de Holland Almanak waarvan hij de redacteur is. Zenobie vindt dat een grote eer en in 1850 publiceert ze daar haar opstel over Het uitreiken eener vlag bij het vertrek der haringbuizen van Enkhuizen.
Jacob is gecharmeerd van zijn nieuw gevonden nicht en blijft de rest van zijn leven brieven met haar uitwisselen.

In 1872 draagt Zenobie bij aan de herdenking van Enkhuizen's rebellie tegen het Spaans gezag in 1572. Ze schrijft het verhaal “De vrijheidsvlag geplant te Enkhuizen in Mei 1572”. “Belangrijk aandeel, door de stad genomen in de gebeurtenissen van dat jaar, in korte trekken voor het feestvierend nageslacht”. Het wordt ter plaatse uitgegeven door A. Egmond.
De tekst is te vinden in het digitaal archief van de Vereniging Oud Enkhuizen

Haar belangrijkste bijdrage aan de literatuur is waarschijnlijk de vertalingen die ze maakt van het werk van de Duitse schrijver Berthold Auerbach (1812-1882). Nog terug te vinden titels zijn:

  • Juwelen, met een inleidende brief van Mr. J. van Lennep (In 1859 uitgegeven door S.E van Nooten te Schoonhoven)
  • Levenstypen (1861, S.E. van Nooten te Schoonhoven)
  • Het sneeuwbloempje of de uurwerkmaker van het Schwarzwald. Opgedragen aan H. M. de Koningin der Nederlanden. (1861, Gebroeders Binger te Amsterdam)
  • Op de Hoogte (1867, L.E. Bosch en Zoon te Utrecht)
  • De Villa aan den Rijn (1870, P.N. van Kampen te Amsterdam)
  • Laura's Reinhart, een novelle (1877)
Tijdens een bezoek aan haar familie in Dresden ontmoet ze Auerbach. Hij is zeer tevreden met de vertaling maar vraagt wel om een deel van haar honorarium. Dat echter weigert ze met een beroep op haar beperkte financiële middelen. Ze verkeert in een gezegende onbemiddelde staat en leeft van pen en naald. Zenobie's familienaam blijkt een goede referentie. Auerbach en vele van zijn landgenoten kennen het werk van slechts twee Nederlandse schrijvers: Vondel en Van Lennep.

Van de Duitse schrijfster Amely Bölte (1811-1891) vertaalt ze De Welfenbruid (1869, W. J. Thieme & Co te Zutphen). Van Jacques Louis Samuel Vincent (1787-1837) zijn Godsdienstige Overdenkingen met inleiding van A.L.C. Coquerel (1867, L.E. Bosch en Zoon te Utrecht). En uit het Frans van Mevr. Long: Het beste deel uit het huisselijke leven (Zutphen, J. A. Willemsen).

Over haar verblijf in Enkhuizen is niet veel terug te vinden. Aan Jacob van Lennep schrijft ze in 1849 over haar woonplaats:
Naar aanleiding van mamaas verzwakte gezondheid, hebben wij moeten besluiten ons huis, dat zeer fraai gelegen, aan de zeekant, maar ook zeer koud en in het barre saizoen bijna ongenaakbaar was, te verlaten, om een kleinere woning midden in de stad te betrekken. Ons huis is verkocht en reeds gesloopt. Wel mocht gij mij zeggen, dat ik mij haasten moest Enkhuizen te beschrijven, voor dat het gesloopt werd, want het is hier treurig gesteld. De beste en aanzienlijksten huizen vallen in elkaar, en de fatsoendelijke kring sterft bijna uit. De stad gaat merkbaar achteruit en toch zegt men dat de handel in de laatste jaren is toegenomen. Ons tegenwoordige verblijf is zeer klein. Het was het enige dat in het najaar te huur stond.
Maar toch ....
Ik houd van Enkhuizen en hoewel het denkbeeld niet aanlokkelijk is om hier alleen op de puinhopen der stad achter te blijven, is het waar dat ik, hoe onverklaarbaar het ook zij, aan deze plek gehecht ben en haar niet zonder innig leedwezen zou kunnen verlaten.

Na de dood van haar moeder gaat het in 1850 even mis. De familie laat haar onbekwaam verklaren en ze brengt drie jaar door in het krankzinnigengesticht van Zutphen. Daar wordt ze behandeld door de vooruitstrevende medicus Dr. J.N. Ramaër en begeleid door dominee G.R. Erdbrink die ze nog uit Enkhuizen kent. Ik was daar nimmer op mijn plaats, schrijft ze later in een brief aan Jacob van Lennep, maar ook ziet ze het gesticht achteraf als een toevluchtsoord, een plaats des behoud en veiligheid.
Ze heeft familie in Zutphen, de Roeters van Lennep's, en dat zal ook een reden zijn waarom ze zich daar in 1853 permanent vestigt. Eerst woont ze in bij de weduwe Hissink om weer te wennen aan het gewone leven. Later betrekt ze haar eigen woning die ze enige tijd deelt met Elisabeth (Betje) van Lennep, een buitenechtelijke dochter van Jacob.
Vanuit Zutphen reist ze voor logeerpartijtjes naar familie in Twello, Amsterdam, Doetinchem, Dresden en Den Haag. Ook Enkhuizen bezoekt ze nog regelmatig en logeert daar bij haar oom Jordan op de Dijk.

In 1901 overlijdt ze in Zutphen, 81 jaar oud.