Oorlogen


Tijdens de Tachtigjarige oorlog was de belangrijkste tacktiek tijdens het zeegevecht het enteren van de vijand. Daarna gingen de bemanningen elkaar te lijf totdat ťťn der beide partijen het opgaf. Een ander beproefd strijdmiddel was de
brander. Tijdens de Engelse oorlogen werd de nadruk echter steeds meer op het kanonvuur gelegd. Hieronder volgt een korte beschrijving van deze 'handels'-oorlogen.

  Eerste Engelse Oorlog
Tweede Engelse Oorlog
Derde Engelse Oorlog



Eerste Engelse Oorlog

1652 - 1654


In augustus 1651 werd in het Engelse parlement de Akte van Navigatie aangenomen. Deze akte bepaalde dat er uitsluitend door Engelse schepen, of door schepen uit het land van herkomst, goederen in Engeland ingevoerd mochten worden.

De spanning tussen Nederland en Engeland steeg en uiteindelijk leidde een vlagincident tussen generaal-ter-zee Robert Blake en Tromp tot het eerste gevecht waarbij de Nederlanders twee schepen verloren.

Aan het begin van de oorlog beschikten de Nederlanders over ongeveer 115 oorlogsschepen, terwijl de Engelsen er 85 hadden. Bovendien waren de drie voornaamste Nederlandse admiraals, Maarten Tromp, Witte de With en Jan Evertsen, ervaren zeelieden die na hun spectaculaire overwinning op de Spaanse Armada bij Duins (21 oktober 1639) Europese vermaardheid verworven hadden.

Deze overmacht was echter maar schijn. De Engelse schepen waren veelal groter en veel beter bewapend dan de Nederlandse. Terwijl het zwaarst bewapende Nederlandse oorlogsschip, Tromps vlaggeschip de 'Brederode', bewapend was met 59 stukken, had de Engelse 'Sovereign' 100 stukken.

De Engelse vloot kreeg opdracht om de Nederlandse Oost-IndiŽ vloot te onderscheppen en de Nederlandse haringvisserij te ontregelen. Tromp had tot doel de Engelse vloot zo'n vernietigende slag toe te brengen dat zij geen grote bedreiging meer zou vormen voor de koopvaardijvloot. Een zware storm gooide echter voor beide vloten roet in het eten. Het grootste deel van de uit IndiŽ afkomstige schepen wist Nederland te bereiken. Tromp slaagde er niet in slag te leveren met de Engelse vloot. De Staten-Generaal vond hierin een reden om Tromp tijdelijk te vervangen door zijn vice-admiraal Witte de With.

Nadat De With bij Kentish Knock een nederlaag leed werd Tromp weer tot opperbevelhebber benoemd. Tromp overrompelde Blake op 10 december 1652 bij Dungeness en joeg hem terug tot in de monding van de Theems. Het konvooi dat Tromp begeleidde kon vrij het kanaal doorvaren.

Blake ontmoette Tromp opnieuw op 28 februari in het Kanaal. In de driedaagse zeeslag die volgde bleek het Engelse moreel veel beter dan het Nederlandse. Op de eerste dag ondernamen tenminste twintig Nederlandse kapiteins geen enkele poging om hun admiraal te steunen in zijn aanval. De Nederlandse vloot leed dan ook een zware nederlaag. Nadat de Engelsen ook in juni een overwinning behaalden legden ze met een blokkade de zeehandel helemaal lam.

Hoewel de vloot nog niet in zijn beste toestand was, gaven de Staten-Generaal op 30 juli opdracht aan Tromp om, zodra het weer het toeliet, de zee te kiezen om de blokkade te doorbreken. Op 10 augustus 1653 vond bij Terheijde de beslissende slag plaats. Al spoedig sneuvelde Tromp. Aan beide zijden waren de verliezen groot. De Nederlandse vloot werd weer naar hun thuishavens verdreven. De schade aan Engelse zijde was echter ook zo groot dat zij hun blokkade moesten opgeven.


Slag bij Terheijde. In het midden de 'Brederode', het vlaggeschip van Maarten Tromp met gebroken mast.

De omstandigheden om een voordelige vrede te sluiten waren nu gunstig voor de Engelsen en Met het Verdrag van Westminster van april 1654 werd de vrede gesloten. De Republiek moest de Akte van Navigatie accepteren en beloofde in het geheim de prins van Oranje nooit tot stadhouder te benoemen.

Terug naar top van pagina



Tweede Engelse Oorlog

1664 - 1667


Omstreeks 1660 nam de spanning tussen de Republiek en Engeland weer toe. Aanvankelijk werd van Nederlandse zijde slechts geprotesteerd tegen de veroveringen door Robert Holmes op de westkust van Afrika. Nadat echter in augustus 1664 de kolonie Nieuw-Nederland werd veroverd, waarbij Nieuw-Amsterdam in New York werd omgedoopt werd sterker gereageerd.
De Ruyter werd naar de kust van Afrika gezonden om de verloren vestigingen daar terug te winnen. Hij slaagde hierin behalve bij Cape Coast Castle in Guinee.

Daarna volgden nog een reeks aanvallen door de Engelsen op Nederlandse koopvaardijschepen en in maart 1665 verklaarde de Engelse koning Karel II officieel de oorlog.

De Engelsen begonnen op 8 mei 1665 met een blokkade van de Nederlandse kust. Omdat zij echter niet over voldoende voorraden beschikten konden ze deze blokkade niet langer dan twee weken volhouden. Toen zij zich terugtrokken om hun voorraden aan te vullen kregen de Nederlanders de kans om uit te varen. Van Obdam ging op 10 juni op zoek naar de Engelse vloot. Op 11 juni kregen ze elkaar voor het eerst in zicht. Hoewel de Nederlanders een gunstiger wind hadden, maakte Van Obdam hier geen gebruik van. Op 13 juni veranderde de wind en de Engelsen vielen aan. Ongeveer 40 mijl ten zuidoosten van Lowesoft volgde een gevecht dat vele uren duurde totdat om 3 uur 's middags het schip van Van Obdam de lucht in vloog. De wanorde bij de Nederlanders was groot en zij sloegen op de vlucht. Een totale ramp werd voorkomen doordat de Engelsen de achtervolging 's nachts staakten.

Nadat De Ruyter vanuit Noord-Amerika was teruggekeerd, waarbij hij aan de Engelsen onder leiding van Sandwich had weten te ontsnappen, werd hij tot opperbevelhebber benoemd.


De 'Hollandia' in het Landsdiep voor Huisduinen, 3 november 1665, nadat zij als vlaggeschip van De Ruyter dienst had gedaan op een tocht in de Noordzee.

In januari 1666 verklaarde de Franse koning Lodewijk XIV formeel de oorlog aan Engeland. Hoewel de Fransen niet serieus van plan waren om daadwerkelijk aan de oorlog deel te nemen, konden de Engelsen hier niet van op aan. Toen in mei de Engelse vloot gereed was om uit te varen kwamen er berichten binnen dat een Franse vloot van uit de Middelandse zee onderweg was om zich bij de Nederlanders te voegen. In werkelijkheid was er een Spaanse armada gezien in de monding van de Taag, maar de Engelsen besloten om met twintig schepen de Fransen tegemoet te treden. De hertog van Albemarle hield zesenvijftig schepen over om tegen De Ruyter op te treden. Op 11 juni ontbrandde de strijd welke vier dagen zou duren. De kanonschoten waren tot in Londen te horen. Uiteindelijk werd door wederzijdse uitputting de strijd gestaakt.

Hoewel de Engelsen de zwaarste verliezen hadden geleden waren zij nog niet verslagen. Dat bleek in de tweedaagse zeeslag (3-4 augustus) waarbij de Nederlandse vloot het zwaar kreeg te verduren. Door zijn meesterlijke leiding van de terugtocht wist De Ruyter een ramp zoals bij Lowesoft te voorkomen. De Ruyter weet de nederlaag aan Cornelis Tromp, die zich bij een achtervolging van een Engels eskader te veel had laten meeslepen. Na een heftige ruzie tussen beide officieren werd Tromp uit de dienst ontslagen.

Op 19 augustus overvielen de Engelsen onder leiding van Robert Holmes een koopvaardijvloot die in het Vlie voor anker lagen. Ongeveer 150 koopvaardijschepen werden hierbij verbrand. Twee dagen later landde Holmes op Terschelling, waar hij het dorpje Westerschelling plunderde en in brand stak.

Als in september 1666 de Grote Brand van Londen een groot deel van de stad in de as legt wordt de financiŽle situatie van de Engelsen zo slecht dat zij gedwongen zijn het grootste deel van hun vloot op te leggen.

Toen bleek dat de Engelsen tijdens de inmiddels begonnen vredesonderhandelingen niet erg toeschietelijk waren, besloot Johan de Witt om zijn plan de Engelse kust aan te vallen, tot uitvoer te brengen. Op 21 juni voer de Nederlandse vloot onder leiding van Cornelis de Witt en Michiel de Ruyter de Medway op. De vesting van Sheerness werd vernietigd. Het merendeel van de Engelse oorlogsvloot werd verbrand en tot zinken gebracht. De 'Royal Charles' werd door de Nederlanders als trofee mee naar huis gesleept. Deze voor de Engelsen smadelijke nederlaag versnelde het sluiten van de Vrede van Breda (31 juli 1667).

Terug naar top van pagina



Derde Engelse Oorlog

1672 - 1674


Zes maanden na de Vrede van Breda sloten Engeland, Nederland en Zweden een bondgenootschap, de Triple Alliantie. Binnen zes maanden na de sluiting van deze Alliantie voerde Karel II echter al weer geheime onderhandelingen met Lodewijk XIV. Deze onderhandelingen leidden tot het Geheime Verdrag van Dover, waarin de Engelse koning beloofde zijn bondgenoten in de steek te laten en zonder aanleiding de Nederlandse Republiek aan te vallen. Op 24 maart 1672 werd in het Engelse kanaal een (mislukte) aanval ondernomen op een Nederlands konvooi dat naar huis terugkeerde. Drie dagen later werd officieel de oorlog verklaard aan de Verenigde ProvinciŽn.

Michiel de Ruyter voer, in gezelschap van Cornelis de Witt op 9 mei 1672 uit met de 'Zeven ProvinciŽn', in een poging om de Franse vloot te onderscheppen voordat zij zich bij de Engelsen konden voegen. Dit lukte hem net niet. Op 7 juni verraste hij de Bondgenoten ter hoogte van Solebay. De zeeslag die daarop volgde zou de verschrikkelijkste van alle zeeslagen in de drie Engelse oorlogen blijken te zijn. De slag duurde van kwart voor zeven 's ochtends tot ongeveer negen uur 's avonds. Hoewel het verlies aan materiaal bij beide partijen niet veel verschilde, hadden de Nederlanders meer schade toegebracht en meer mensen doen sneuvelen dan bij henzelf het geval was geweest.

Op 12 juni staken de Franse troepen de Rijn over en stroomden het land binnen. Binnen veertig dagen hadden zij het grootste deel van het land in handen. Om het land te kunnen blijven verdedigen moesten vele zeesoldaten en zelfs scheepskanonnen aan land worden gezet.

De bondgenoten waren op weg gegaan om een vloot van Nederlandse OostindiŽvaarders, die op weg naar huis waren, te onderscheppen. Deze rijk beladen vloot wist echter te ontkomen. Hierdoor kon de oorlog zichzelf aan Engelse zijde niet bedruipen.

In mei 1673 besloten de Engelsen de Nederlandse vloot, die zich bij Schooneveld had teruggetrokken, aan te vallen. Zij hoopten haar te vernietigen of uiteen te jagen, waarna een expeditieleger dat zich bij Blackheath had verzameld, op de Nederlandse kust aan land gezet kon worden. Op 7 juni gingen zij de vijand tegemoet. De Ruyter beschikte toen over 52 oorlogsschepen met 3171 stukken, terwijl de bondgenoten over 76 schepen met 4812 stukken beschikten.
De strijd die volgde eindigde onbeslist, maar omdat
De Ruyter zich goed had gehandhaaft moest de voorgenomen landing worden uitgesteld.

Op 14 juni viel De Ruyter op zijn beurt aan. Opnieuw was er geen duidelijke winnaar aan te wijzen, maar de landing moest opnieuw worden uitgesteld.

Twee maanden later vond de derde krachtmeting plaats. Op 21 augustus 1673 raakten de vloten slaags ter hoogte van Kijkduin. De verhoudingen in sterkte waren ongeveer dezelfde als in de eerdere twee slagen. Omdat de Fransen zich nogal afzijdig van het gevecht hielden hadden de Nederlanders de overhand. Toen de bondgenoten naar de monding van de Theems werden teruggedwongen was de dreiging van een invasie over zee voorgoed teniet gedaan.

Door de houding van de Fransen tijdens het gevecht waren sterke vijandige gevoelens tussen de Engelsen en Fransen ontstaan. Omdat ook de publieke opinie in Engeland sterk tegen de oorlog was gekant, werd de druk op de koning zo groot dat hij een einde maakte aan de oorlog. Op 19 februari 1674 werd het Verdrag van Westminster getekend.

Terug naar top van pagina