Schepen


Hieronder worden enkele scheepstypen genoemd die in de 17e eeuw als oorlogsschip dienst deden. Aangezien ook koopvaardijschepen bewapend waren om zich tegen kapers te kunnen weren, konden deze in tijden van oorlog ook als oorlogsschip ingezet worden.

Helaas, geen java!!

replica van de Amsterdam

Barkelonge
Brander
Fluit
Fregat
Heude
Jacht
Kapitale schepen
Oostindiėvaarder
Pinas



Barkelonge



Klein platbodem roeivaartuig, ook ingericht om te zeilen. Voor en achter waren ze gedekt met een plecht. In het midden hadden ze een open ruim waarin een aantal roeibanken waren aangebracht. De barkelonge was zwaar bewapend en werd voornamelijk door kapers gebruikt.

Terug naar top van pagina




Brander



Een brander of springer was meestal een fluit of een pinas welk werd geladen met licht brandbaar materiaal. Om hun ware aard te camoufleren werden ze als oorlogsschip toegerust. Ze werden met een kleine bemanning zo dicht mogelijk naar een vijandelijk schip gemannouvreerd welke dan geėnterd werd. De brander werd dan aangestoken en de bemanning verliet langs een speciale poort het schip in een sloep om zichzelf in veiligheid te brengen.

Terug naar top van pagina




Fluit



De fluit werd aan het eind van de zestiende eeuw ontwikkeld door Pieter Jansz Liorne uit Hoorn. De fluit had een verhouding tussen breedte en lengte van 1:6. De fluit had een buikig voorschip en kort achter de boeg bereikte het zijn volle breedte. Fluiten hadden geen galerij. De normale tuigage bestond uit drie masten, waarvan de grote mast getuigd was met een vierkant onderzeil en een marszeil. Aan de bezaansmast voerde men een latijnzeil.

Terug naar top van pagina




Fregat



Oorspronkelijk waren fregatten kleine galeien waarmee in het gebied van de Middelandse Zee spoedberichten en geld werden overgebracht. Na 1620 werden de eigenschappen van deze oorspronkelijke fregatten gekruist met die van de roei-jachten. Hierdoor ontstond het fregatjacht.

Na 1652 ging men grotere fregatten bouwen. Deze werden fregatschepen genoemd. Het kenmerkende van het fregat was de tuigage. Op de lange boegspriet stond de blindesteng met een bovenblindezeil. Onder de boegspriet hing een blindezeil. Aan de fokke- en grote mast tuigde men een onderzeil, een marszeil en een bramzeil. Aan de bezaansmast werd een langsscheeps latijnzeil gevoerd.

Terug naar top van pagina




Heude



Van de heude bestond een binnenvaartversie en een grotere zeevaartversie. Dit laatste type werd ingezet voor kustvaart en voor oorlogsvoering, in het bijzonder in de riviermondingen. De heude was een vrij groot schip, bewapend met tenminste veertien stukken en gebouwd als een spiegelschip. Boven de spiegel had het een hakkebord dat de opbouw op het achterschip afsloot. Op het voorschip was een bak gebouwd. De tuigage was een anderhalfmasttuig.

Terug naar top van pagina




Jacht



In 1587 werd door de Staten van Holland besloten om aan elke vloot, bestemd om tegen de Duinkerkers uit te varen, twee of drie kleine schepen toe te voegen, die tenminste met twaalf riemen aan ieder boord uitgerust waren. Deze kleine vaartuigen werden jachten genoemd. In de loop van de tijd werden de jachten steeds groter gebouwd. In 1632 was het charter van een groot jacht vastgesteld op 120 voet lang en 25 voet wijd. Het kleinere jacht was 106 voet lang en 24 voet breed. Een jacht verschilde slechts heel weinig van een pinas.

Terug naar top van pagina




Kapitale schepen



Omstreeks 1600 werden grotere oorlogsschepen schepen van geweld en tegen het midden van de zeventiende eeuw, grote of kapitale schepen genoemd. Vanwege de ondiepe Nederlandse wateren konden de schepen hier niet teveel diepgang hebben. Het fregat was het meestgebruikte scheepstype voor de oorlogsvloot.


Lengtedoorsnede van een Nederlands oorlogsschip.

In de Eerste Engelse oorlog bleek dat de lichte Nederlandse schepen niet waren opgewassen tegen de veel grotere en beter bewapende Engelse schepen. Er werd daarom besloten zwaardere schepen aan te schaffen die een vaste kern van slagschepen zouden vormen. Bij het uitbreken van de Tweede Engelse oorlog die vloot met nog eens zestig schepen uitgebreid, waarvan de zwaarsten een bewapening van tachtig stukken zouden voeren.

Terug naar top van pagina




Oostindiėvaarder



Terwijl in de eerste helft van de zeventiende eeuw voor de oorlogsvloot kleine scheepstypen werden gebouwd was dit niet het geval voor oostindiėvaarders. Zij voeren het grootste deel van hun bestaan in diep water en hadden de bedoeling zoveel mogelijk vracht te vervoeren. Bij aankomst werd een deel van hun vracht overgeladen in lichters om hun diepgang te beperken.

Terug naar top van pagina




Pinas




Lengtedoorsnede, halvebreedteplan, dekplannen en dwarsdoorsneden van een pinas.
Pinassen werden zowel als koopvaardijschip en als oorlogsschip gebruikt. De verhouding tussen breedte en lengte van de pinas was ongeveer 1:4,7 zodat een een pinas in het algemeen iets breder was dan een jacht. De pinas had een vlakke bodem met hoekige kimmen. Het tuig was meestal het fregatstuig.



Terug naar top van pagina