Pot uit de lik[1]

Voeding in de strafinrichtingen in eerste helft van de negentiende eeuw

 

Niets hield en houdt mensen meer bezig dan de zorg om een gevulde maag, zij het dat er rond het fenomeen eten de laatste decennia wel een zekere cultuur is geschapen. Afhankelijk van leefstijl, inkomen en traditie verschillen de maaltijden in verscheidenheid, kwantiteit en kwaliteit, terwijl seizoenen eveneens invloed uitoefenen op de soort gerechten die op tafel komen, al is dat de laatste tijd door conserveringstechnieken en de overschrijding van de grenzen minder sterk dan vóór 1940. Eten en drinken spelen naast de functie om ons in leven te houden ook een sociale rol, want gezinnen en vrienden scharen zich om de tafel om gezamenlijk de maaltijd te nuttigen.

Nederland staat met Engeland, Ierland en het noorden van België in Europa bekend als land dat aan eten eerder het gewicht van noodzaak geeft dan genot, zulks in tegenstelling tot de mediterrane landen waar men nog plezier beleeft aan de maaltijd. Snel en gemakkelijk klaarmaken is hier ook belangrijker dan daar, waar traditie een voorname plaats inneemt en tijd gemaakt wordt om twee warme maaltijden te nuttigen.[2]

 

In dit sociaal-culturele fenomeen hebben zich belangrijke ontwikkelingen voltrokken die samenhingen met andere processen, zoals urbanisatie, industrialisatie en arbeidsverhoudingen. Gewoonten die lange tijd grote verscheidenheden lieten zien tussen stad en platteland zijn de laatste decennia homogener geworden. Door de grotere bestedingsmogelijkheden zijn ook de verschillen in welvaart genivelleerd, al zullen kaviaar en champagne nog niet op veel tafels een dominante plaats innemen.

     In dit kader prikkelde het mijn nieuwsgierigheid eens na te gaan hoe gevangenen, die gedurende hun detentie geen deel uitmaakten van de samenleving, deze primaire behoefte konden bevredigen. Waren er verschillen met wat de mensen in de vrije maatschappij gewend waren te eten en hoe lagen die verschillen dan? Was de kwaliteit van het voedsel redelijk en hadden de prijzen invloed wat er op tafel kwam? Hoe gingen de bestuurders van de strafinrichting om met de gedetineerden en had de voeding invloed op hun welzijn?

     Uit de hoeveelheid correspondentie van de Commissie van Administratie van de strafinrichtingen in ‘s-Hertogenbosch tussen de jaren 1820 en 1860 viel een redelijk beeld te destilleren.

Naast dit bronnenonderzoek maakte ik gebruik van enkele historische monografieën over dit onderwerp die vrijwel geheel gewijd waren aan de situaties in de vrije samenleving.

 

Tegenover het weinig flatteuze beeld dat Herman Franke in diens proefschrift over het eten van de gevangenis in de negentiende eeuw schetst[3], is, na bestudering van de bronnen, een genuanceerdere karakterisering te verschaffen. Met enige voorzichtigheid meen ik zelfs te mogen stellen dat het, vergeleken met de situatie buiten, binnen de gevangenismuren goed te noemen was. Uiteraard beperk ik mij bij deze vergelijking tot de personen uit de lagere standen die buiten vaak aan de rand van hongerdood verkeerden, zo zij daar niet al overheen waren gevallen. Natuurlijk kunnen we met de kennis en de welvaart van nu stevige kritiek uitoefenen op zaken als kwaliteit, de wijze van omgaan met gedetineerden en de geringe professionaliteit van de leiding en het overige personeel, maar geënt op de wetenschap en de onderlinge verhoudingen van toen is het beeld van het regiem toegespitst op de maaltijden een stuk rooskleuriger dan Franke voorstelde.

 

De situatie in Nederland tot 1850

 

Rond 1820 daalden de graanprijzen, waardoor niet alleen de grote landbouwers maar ook hun arbeiders pijnlijk werden getroffen. Veeziekten, verschillende overstromingen in het rivierengebied en de cholera in 1832 deden deze malaise nog ernstiger maken. Als klap op de vuurpijl kwam er in 1845 ook nog eens de aardappelziekte overheen, gevolgd door een slechte graanoogst . De jaren tussen 1840 en 1860 worden dan ook tot de zwartste decennia van de negentiende eeuw gerekend.

     Ook de overheid stond er weinig florissant voor met de hoge uitgaven die zij moest maken in verband met de militaire kazerneringen en inkwartieringen in Noord Brabant als gevolg van de onafhankelijkheidsstrijd van de Belgen. In 1837 beraadslaagde de tweede kamer over het wetsontwerp buitengewone uitgaven ten behoeve van de departementen van oorlog en marine. Het voorstel werd aangenomen met 31 tegen 20 stemmen. Geen klinkend resultaat naast de bedenkelijke rede van het zeer regeringsgezinde kamerlid F. Frets die een voortzetting van de volhardingspolitiek van de koning tegenover België `vruchteloos’  noemde en een `opoffering’ onverantwoord vond. Het wetsontwerp over de uitgaven voor de begroting 1838 kwam er met de hakken over de sloot met 29 tegen 21 stemmen.[4]

     De accijnzen die de staat sedert 1822 op het gemaal en het geslacht legden werden door het volk niet in dank afgenomen; pas in 1855 schafte het kabinet deze gehate indirecte rijksbelasting af en liet het aan de gemeenten over hoe zij daarmee omgingen. Daardoor duurde het vrijwel overal nog eens tien jaar voordat deze accijns definitief verdween.

     In de eerste helft van de negentiende eeuw was Nederland een landbouwstaat, weliswaar met een toenemende afhankelijkheid van de opkomende industrie. Tussen 1835 en 1840 verschenen er enkele aardappelmeelfabrieken, maar de eerste beetwortelsuikerfabriek kwam er pas in 1858. [5]

De nationale rijkdom kwam meer en meer te liggen in handen van een steeds kleiner wordende groep burgers, die weinig ondernemingslust aan de dag legde en vaak de mening was toegedaan dat de armen hun lot aan zichzelf te wijten hadden, terwijl zij zichzelf de weldaden van het leven goed lieten smaken. Het aantal mensen dat op de grens van het bestaansminimum leefde, steeg snel. Weliswaar bleven de lonen gelijk, maar doordat de prijzen omhoog gingen, daalde de koopkracht en omdat ook de werkloosheid snel toenam, groeide zowel de druk op de armenkassen als de angst van de burgerij voor sociale onrust.[6]

     In de steden duurde de armoede van de arbeiders de gehele eeuw en uitte zich in ondervoeding, slechte huisvesting (kelderwoningen), hoge kindersterfte, landloperij en bedelarij.[7] Aan de vele wetsovertredingen uit die jaren valt af te lezen dat er vaak levensbedreigende situaties bestonden. In Noord Brabant uitte zich dat in het illegaal steken van heideplaggen en turf, in het stelen van hout, in het van het veld halen van de oogst en in het `s nachts melken van de koeien. Geen wonder dat allerlei epidemische ziekten als tyfus en dysenterie regelmatig bij de allerarmsten de kop opstaken. Ook de bedeling nam gigantische vormen aan. In Amsterdam kwam zelfs een op de twee mensen daarvoor in aanmerking, in Alkmaar één op acht en in Delft één op drie. In Leeuwarden genoot in 1830 een derde van de bevolking van de tweewekelijkse soepuitdelingen.

 

 

De belangrijkste voedingsmiddelen tot 1850

 

Het brood

 

Hoewel de voorschriften van de gemeente bij Koninklijk Besluit  van 25 januari 1826 [8]luidden dat het brood goed doorbakken diende te zijn, gaf het gewone volk de voorkeur aan week en klef brood, wat de bakker hen uiteraard in dank afnam. Of er controle op de kwaliteit plaats vond is niet gebleken. De mensen konden zelf hun klachten wel aan de bakker kwijt, wel nam de burgemeester steekproefsgewijs het gewicht onder de loep. Deels als gevolg van het afschaffen van het gildenstelsel en deels door het laissez-faire principe van de overheid was de controle onder de maat. Vergeleken met overige Europese landen bleef Nederland achter en kwam er pas in 1919 een voedselkeuringswet, waarover Frankrijk bijvoorbeeld al in 1851 beschikte.[9]

 

Het grote prijsverschil tussen tarwe- en roggebrood liet de gewone man weinig keus, als deze al in staat was zijn gezin met brood te onderhouden.

     Om enige indruk van de prijsverschillen te krijgen volgt hieronder een staatje met de prijzen van roggebrood en tarwebrood. De bedragen zijn ontleend aan de zogenaamde broodzetting uit de gemeente Werkendam. Enige fluctuatie van de prijzen in andere gemeenten is mogelijk.

 

Tabel 1. Prijzen van een kilo tarwebrood en roggebrood tussen 1821-1843 in Werkendam

Datum

Tarwebrood

Cent

Roggebrood

cent

7-12-1821

12,2

7,2

dec 1822

12,2

7,2

24-9-1823

12

8

2-9-1824

10

6,2

26-10-1825

8,2

7

22-11-1826

10

8,2

28-6-1830

12,2

8

28-1-1832

13

9

22-11-1834

10

8

7-5-1840

15,2

9,2

1843[10](Helmond)

16

8

 

 

Zo te zien zijn er schommelingen, zowel in opwaartse als in neerwaartse richting, variërend tot zestig procent. Ervan uitgaand dat een fabrieksarbeider in 1840 gemiddeld zestig cent per twaalfurige werkdag ontving, moest hij met een groot gezin goed op zijn centen passen.  Het gemiddelde gebruik per inwoner was circa vijf honderd gram, zodat een gezin met vier kinderen al snel drie kilo roggebrood gebruikte, wat voor het gezin neerkwam op 27 cent, tarwebrood zou dan 48 cent gekost hebben. In Amsterdam was het gemiddeld broodverbruik echter beduidend lager, het kwam neer op gemiddeld 250 gram per dag, waarvan 130 tarwebrood en 120 gram roggebrood. Daarbij moeten we aantekenen dat het tarwebrood waarschijnlijk alleen bij de betere standen werd gegeten.[11] Ook in ons buurland België was het broodverbruik niet veel hoger dan bij ons. In Gent nuttigde men gemiddeld zo’n drie honderd gram brood. De Belgische soldaat werd na de onafhankelijkheid van de nieuwe vorst beter bedacht met de 750 gram brood tegen de 500 gram van de Hollandse koning.[12]

 

Ook in de gevangenis maakte roggebrood een belangrijk onderdeel uit van de dagelijkse maaltijden. Tot 1825 kregen de gedetineerden zelfs dagelijks een kilo roggebrood, na dat jaar nog maar de helft, terwijl er daarnaast nog enig brood in de vleessoep ging die één keer per week op het menu prijkte. Deze halvering had te maken met het opvoeren van de portie aardappelen die vóór 1825 350 gram betrof en vanaf dat jaar naar 750 gram werd opgevoerd. De hoge broodprijzen en de beduidend lagere prijzen van de aardappel deed de regering besluiten het voedselpakket drastisch te veranderen. In dit opzicht stemde dit beleid overeen met de gebruiken die zich buiten de poorten afspeelden. Wel vond er in de inrichting, in tegenstelling tot wat er in de samenleving plaats vond, dagelijks controle plaats op het gewicht en de kwaliteit van het brood. Naar aanleiding van twee rapporten van de directeur van de gevangenis van 20 en 22 januari 1826 dat het geleverde roggebrood te licht was kwamen twee ter plaatse aangestelde en beëdigde keurmeesters uit de stad tot dezelfde conclusie en merkten zij bovendien op dat het brood een dag te vroeg was geleverd. Zes weken later bezondigde bakker Mozes Levi de Hartog zich wederom aan overtreding van de regels, maar het betrof nu de kwaliteit die slecht was. De 650 broden werden op dezelfde wijze als voorheen aan een onderzoek onderworpen en allemaal afgekeurd. De broden gingen vervolgens naar de armen, hetgeen wil zeggen dat deze categorie kennelijk nog lager op de maatschappelijke ladder stond dan die van gevangenen stond. Waarschijnlijk heeft deze strakke aanpak de broodleveranciers aangesproken, want het duurde tot 1841 eer er weer klachten ontstonden. Een andere uitleg voor dit uitblijven van deze protesten is de wijze van regiemvoering door de commandanten. Opvallend is namelijk dat er na het broodincident van 1826 een nieuwe commandant werd benoemd die tot 1829 aanbleef. In 1841 werd F.W. van de Wakker in de functie van hoofd der inrichting benoemd, mogelijk dat hij er strengere normen op nahield dan zijn voorgangers.

 

Het lichte roggebrood van 9 september van dat jaar gaf hij terug aan de bakker Van Teeuwen  `met last binnen de bepaalde tijd een ander voldoend baksel te leveren....`.tevens heb ik hem aannemer het onbetaamlijke van deze zijn handelwijze met nadruk onder het oog gebragt, met bedrijging van bij ontdekking van verdere bedriegerijen hem te zullen doen vervolgen...Heden echter wederom door dezelve een getal van 194 brooden afgeleverd zijnde, zoo heb ik tot mijne verontwaardiging en leedwezen moeten ondervinden, en van de afgekeurden op den 9e dezer, 13 brooden onder dit getal zich bevonden welke 13 brooden ik direct heb doen doorsnijden en hem heb doen terugnemen’[13]

     Eind november was het weer zover, na informatie bleek dat de broden in plaats van 24 uur slechts 14 uur in de oven hadden gelegen. Ook het daaropvolgend jaar toonde bakker Teeuwen zich geen goede leverancier. Het is niettemin bevreemdend dat Teeuwen ondanks de klachten tot 1843 het roggebrood bleef verstrekken, wat waarschijnlijk te maken had met zijn laagste inschrijvingsprijs. Twee jaren bleef deze bakker uit de boeken, maar in 1845 was hij weer van de partij, waarschijnlijk stak zijn laagste prijs sterk af tegen die van zijn concurrenten. Door de mislukte aardappeloogst en de grotere vraag naar brood steeg de prijs van roggebrood met bijna vijf cent per kilo tot 10,89 cent, een prijs die ook het jaar daarop gold. In 1849 bakte Teeuwen het weer bruin. Dit keer bleek zijn brood na controle teveel zemelen te bevatten. De regenten waren het nu zat: zij lieten hem wegens oplichting strafrechtelijk dagvaarden. De arrondissementsrechtbank van de Brabantse hoofdstad veroordeelde hem op 11 september 1849 tot een jaar gevangenisstraf, waartegen hij beroep aantekende. Het gerechtshof bevestigde op 23 oktober evenwel het eerdere vonnis en de straf. De bakker bleef alleen nog cassatie als laatste redmiddel over. Toen bleek dat beide rechtscolleges het bij het verkeerde eind hadden, want de Hooge Raad vernietigde het arrest van het gerechtshof. Hij deed dat op grond van de overweging dat het wetsartikel niet overtreden was,  `dat ook de inmenging van tarwe-zemelen aan het roggebrood deszelfs wezen niet heeft ontnomen’.[14]

 

Aardappelen

 

In de jaren dertig van de negentiende eeuw klonk er in Groningen het liedje ....`het brood is zo duur, kook toffels, kook toffels met mosterd  bij het vuur ‘( toffels=aardappelen) waarmee men aangaf dat de aardappel het brood had verdrongen. Nu had de aardappel al in de achttiende eeuw een belangrijke plaats in het menu verworven, het eerst op het platteland en daarna in de stad.      Aanvankelijk beschouwde de beter gesitueerde stadsbewoners de goedkope knol als veevoer, wat voor een deel ook het geval was. Door deze grote betekenis doorbrak dit voedingsmiddel de afhankelijkheid van de mens van het graan. Rond 1800 was de aardappel al zodanig ingeburgerd dat ze het hoofdbestanddeel van het dagmenu vormde. De stijging van de aardappelconsumptie ging vóór 1800 niet gepaard aan een gelijktijdige daling van het broodverbruik, maar eerder aan die van peulvruchten en andere knolgewassen.[15]

 

Maar na de jaren twintig nam de aardappel wel de plaats in van het brood, wat - zoals uit onderstaande tabel 2 blijkt-  een logisch gevolg  was van het prijsverschil tussen beide etenswaren.

 

Tabel 2. Prijzen van aardappelen en roggebrood per kilogram tussen 1826-1848

 

jaar

Aardappelprijs per kilo

Roggebrood per kilo

1826

f 0,02

f 0,07

1827

f 0,022

f 0,09

1828

f 0,012

f 0,09

1829

f 0,02

f 0,082

1830

f 0,02

f 0,08

1831

f 0,042

f 0,11

1832

f 0,042

f 0,102

1833

f 0,02

f 0,092

1834

f 0,022

f 0,092

1835

f 0,02

f 0,08

1848

f 0,022

f 0,09

 

 

Uit bovenstaande tabel blijkt duidelijk dat het brood in prijs niet opgewassen was tegen de aardappel, gemiddeld vier keer zo duur. Niet alleen de prijsverschillen maakten de aardappel aantrekkelijk, ook was voor de boer de aardappelteelt minder arbeidsintensief. Bovendien bezit de aardappel vitaminen die het brood niet had.[16] De jaren 1845 tot en met 1847 leverden geen gegevens op. Maar zoals blijkt uit het jaar waarin de aardappel weer te consumeren was (1848) verschilden de prijzen nauwelijks met die van dertien jaar daarvoor.

 

Volgens contemporaine berekeningen zouden inwoners van Gouda in 1842 zeven honderd gram aardappelen per persoon per dag gegeten hebben, hetgeen exclusief het afval op vijf honderd gram neerkwam. Hetzelfde beeld gaf Amsterdam in 1851. Tussen 1852 en 1856 was het landelijk verbruik gemiddeld 610 gram en de vijf jaar daarna gemiddeld 712 gram per persoon, waarbij we in aanmerking moeten nemen dat hierbij ook het veevoer en de leveranties aan de aardappelmeelfabrieken waren inbegrepen.[17]

 

Vergelijken we deze cijfers met die van de gevangenisbevolking in ‘s-Hertogenbosch dan lijkt  het beeld voor justitie er ongunstiger uit te zien, namelijk 350 gram en 550 gram over genoemde jaren, maar de landelijke cijfers moeten nog gecorrigeerd worden op veevoer en fabrieksdoeleinden. Volgens Burema moeten we bij het netto-gebruik denken aan zo’n dertig procent minder, zodat de verhoudingen er dan als volgt uitzien: 1852-1856 : landelijk 425 gram tegen de  gevangenis 350 gram en tussen 1857 en 1861: landelijk 500 en gevangenis 550 gram. Op deze wijze is er nog van weinig verschil sprake.

 

Het dramatische jaar 1845 waarin de aardappeloogst over geheel Nederland in belangrijke mate mislukte heeft grote gevolgen gehad voor de bevolking. In augustus 1845 meldden de gemeenten uit Noord Brabant aan het provinciaal bestuur dat van de 14000 bunders aardappelgrond er 13900 (98%) aangetast was en dat er naar schatting 5400 (38%) als verloren moest worden beschouwd.[18] Dit laatste gegeven lijkt een slechte taxatie te zijn, want andere bronnen gaven aan dat het verlies landelijk zo’n 70% was. De opbrengst in 1845 was 3.879.902 mud aardappelen terwijl de normale oogst 14.000.000 mud had moeten zijn, in 1846 was de oogst 5.817.610 mud. [19] Een jaar later was de productie weliswaar met  vijftig procent gestegen, maar de schade was nog steeds zestig procent. Pas in 1847 herstelden de oogsten weer, hoofdzakelijk omdat men de voorkeur gaf aan de vroege aardappelen die minder vatbaar bleken te zijn voor de schimmelziekte. Zo lezen we in de stadscourant van `s-Hertogenbosch op 13 augustus 1847

 

`De zoogenaamde aardappelenziekte komt hier nogal verspreid voor. De aanhoudende droogte heeft het gevaar in dit jaar overwonnen. Zware dauw en vooral regen, welke een natte grond maakt, is een geleider voor deze parasiet gelijk de metaaldraad voor de elektriciteit. De vroege soorten van die gewenschte vrucht zijn thans rijp en volkomen behouden; latere soorten kan men volgens waarneming nu vrij in den grond laten tot de maand October, doordien ten langste in het laatst van deze maand, de schuimlooper (of woekerplant) ophoudt zijne verderfelijken invloed uitoefenen’.

 

Maar het leed was in dat jaar nog niet geleden, getuige de veelzeggende tekst op een vlugschrift dat in Amsterdam verscheen in hetzelfde jaar. `De beste troost is Gods Voorzienigheid. Een bemoedigend woord aan allen bij den mislukten aardappelenoogst. ‘

 

Ook in het gevang nam de aardappel vanaf 1825 een prominente plaats op de voedingsstaten in. Kregen de gevangenen in 1821 nog dagelijks 1000 gram roggebrood en gemiddeld 350 gram aardappelen, in 1825 was dat veranderd in 500 gram roggebrood met 750 gram aardappelen.  Volgens de leveringsvoorwaarden moesten de aardappelen  .....`van goede en van middelbare grootte en geensints zoogenaamde Roomsche of Engelsche (mogen) wezen’  (de onderstreepte tekst was er met de pen bijgeschreven! KdG) [20]

Op 20 januari 1839 oordeelde de commandant Van de Wakker dat de aardappelen niet voldeden aan de kwaliteit, zodat het lid van de commissie van administratie twee keurmeesters uit de stad onder een toeziend oog van een politieagent de zes mud liet controleren. Zij kwamen tot de conclusie dat ze geen goede, noch voedende kwaliteit bezaten waarop de partij werd afgekeurd en aan de algemene armen van de stad vervallen werd verklaard. Een maand later werd twee mud afgekeurd van dezelfde leverancier Elands.  Overigens kwamen dit soort praktijken van leveranciers niet alleen voor bij de gevangenis, maar werd er traditioneel qua gewicht en kwaliteit veel vervalst. [21]

 

Zoals hierboven reeds vermeld, maakten de aardappels eveneens onderdeel uit van de vleessoep. Waarschijnlijk dienden ze als een soort bindmiddel.

 

In 1845 brak er lichte paniek uit toen bleek dat de oogst mislukt was en er alternatieven gezocht moesten worden. Toen in september de aardappelleverancier van ‘s-Hertogenbosch een verhoging vroeg van de prijs waarvoor hij aanvankelijk had ingeschreven, bitste de minister terug `daar overigens in de onderscheidene provincien des rijks voortdurend aan de gevangenen aardappelen worden verstrekt....schijnt er nog voldoende voorraad te zijn.’ [22] Later gaf hij toe dat de verkoper in plaats van aardappelen ook een ander voedzaam artikel mocht leveren zoals rijst of gort. Ook in het najaar 1846 was men gemachtigd, als de kwaliteit slecht was, bijvoorbeeld twee keer per week erwtensoep te verstrekken.

 

 

Vlees

Het hoge proteïnegehalte in vlees was de arbeider en andere minvermogenden niet gegeven, daarvoor was dit product teveel een luxeartikel, het gebruik nam zelfs in de eerste helft van de negentiende eeuw af. [23] Toen de regering de accijns op varkens- en schapenvlees in 1852 afschafte kwam er enige verlichting.  Maar lange tijd bleef vlees voor de doorsnee Nederlander een onbereikbaar ideaal. De bekende Utrechtse hoogleraar geneeskunde Gerrit Jan Mulder (1802-1870) ging in zijn boek over voeding in 1847 al tekeer tegen het slechte voedingsgedrag van de drie klassen. Een overmatig aardappelgebruik ging volgens hem ten koste van de broodnodige eiwitten. De boeren namen tenminste nog enig melk tot zich.  Ook de arts Nieuwenhuijs die in Amsterdam een belangrijk voorlichtende rol vervulde, merkte al in 1816 op dat de bewoners van de hoofdstad te weinig vlees aten. Het totaal verbruik rekende hij uit op 73 kilo per jaar, wat neerkwam op twee honderd gram per dag (!) waarvan 132 gram rund- en kalfsvlees, 16 gram schapenvlees en 46 gram varkensvlees (uitgezonderd de joden dan). [24] Naar mijn idee kwantitatief een ruime portie, hoewel het vlees eerder bestond uit kop, darmen, uier, knieschijf en poten, waardoor het  qua eiwitgehalte beduidend onder de maat bleef. [25] In Gouda kon men goedkoop kalfsvlees kopen, veelal afkomstig van zieke dieren. [26] In 1845-1846 bedroeg het vleesverbruik in Nederland slechts 50 gram per dag per hoofd van de bevolking, hetgeen altijd nog dertig gram meer was dan in België. Daarentegen stonden Engeland met 75 gram en Frankrijk met 54 gram er iets beter voor. [27]

 

Bij de plattelandsarbeiders was het niet veel beter dan bij hun lotgenoten uit de stad. In Noord Brabant aten ze nooit vlees, spek, vet of boter, maar roggebrood en aardappelen. Hetzelfde gold voor de bewoners van Drenthe en Utrecht. Dat mensen evenwel sterk naar vlees verlangden bleek bijvoorbeeld bij een vonnis van de arrondissementsrechtbank van ‘s-Hertogenbosch van 21 augustus 1848 tegen drie Tilburgers die zich hadden schuldig gemaakt aan de volgende overtreding. In de nacht van 13 op 14 juni hadden zij gezamenlijk twee paarden opgegraven die daags tevoren wegens een besmettelijke ziekte waren afgemaakt en onder de grond waren gestopt. De verdachten hadden toegegeven dat zij deze overtreding hadden begaan om iets voor hun gezin te kunnen verdienen. Zij kregen ieder drie dagen gevangenisstraf. [28]

 

Onderstaande tabel laat zien dat er slechts een marginale stijging van het verbruik na 1862 is te zien.

 

Tabel 3. Vleesverbruik in Nederland tussen 1852 en 1875 in grammen per dag per persoon[29]

 

periode

vleesverbruik per persoon per dag  in grammen

1852-1856

21

1857-1861

21

1862-1866

28

1867-1871

31

1872-1876

32

 

 

Het verbaast ons dan ook niet dat er in de gevangenis nauwelijks sprake was van vlees op het menu.  In 1821 kwam dat uitgedrukt in grammen per dag per gevangene neer op 38 gram spek per dag, een keer verwerkt in gort op maandag, een keer met aardappelen op dinsdag (twee honderd gram) en ten slotte 35 gram bij de wortelen of de koolmaaltijd op donderdag. Op vrijdag ontving men volgens het toen geldende menu twee honderd gram stokvis. In 1825 veranderde het menu in negatieve zin: de stokvis verdween, waarvoor in de plaats de soepen kwamen. Een keer per week een zogenaamde vleessoep met 60 gram vlees en zes gram rundvet erin verwerkt en een keer wekelijks de gortsoep met 39 gram rundvet, per saldo nog geen negen gram vlees en ruim zes gram rundvet per dag per persoon.

 

Maar ook het vlees bleek niet altijd in orde te zijn, op 2 maart 1826 keurde de officier van gezondheid, die de verantwoording over het lichamelijke wel en wee droeg, het vlees voor een deel af. Negen van de 216 kilo bleek niet goed te zijn, maar de commandant vond dat niet de moeite waard. Een jaar later stonden beide functionarissen weer tegenover elkaar toen de geneesheer Van Thienen meende dat de leverancier te veel benen in plaats van vlees leverde, wat voornamelijk ten koste ging van de zieke gedetineerden. Ook hier vond de commandant van de strafinrichting Le Bron dat het vlees daarvoor niet van te slechte kwaliteit was, maar hij vond de klacht van teveel benen wel terecht. Hij zou er bij de volgende inschrijving de nodige aandacht aan besteden.

 

Tot 1832 bleef het vlees constant op 20 à 21 cent de kilo staan, maar in 1832 steeg de prijs enorm en wel naar veertig cent over het eerste half jaar, waarna de prijs weer daalde naar 29 cent in de tweede helft.

 

Tabel 4: Prijzen van geleverd rundvlees over de jaren 1832-1861

 

periode

prijs per kg in guldens

voor 1832

0,20 à 0,21

1832 le halfjaar

0,40

1832 2e halfjaar

0,29

1833 1e halfjaar

0,36

1833 2e halfjaar

0,30

1834 1e halfjaar

0,26

1834 2e halfjaar

0,28

1846 gehele jaar

0,31

1847 gehele jaar

0,34

1855 gehele jaar

0,48

1861 gehele jaar

0,52

 

 

Uit de prijsstijgingen na 1845 blijkt niet dat de accijns op vlees na 1852 naar beneden was gegaan, zoals in de verschillende studies over de voeding in Nederland vermelden.  Het is dan ook niet verbazend dat in 1862 het vleesverbruik in de gevangenis was gedaald tot zeventien gram per dag per persoon.

 

Groenten

Door de verbetering van de verkeersmiddelen werd de afzet van groenten en fruit groter, terwijl ook de export steeg. Op de bereiding van groenten hadden medici uit de negentiende eeuw kritiek, omdat ze vonden dat deze teveel werden afgekookt, waardoor men net zo goed gestoofd touw had kunnen eten. Het best verkrijgbaar waren de verschillende koolsoorten, snijbonen, slabonen, diverse wortelen, erwten, prei en dergelijke. Voor de gegoede burgerij waren er dan nog schorseneren, asperges, artisjokken en komkommers. Toch was het gebruik van erwten en bonen in Amsterdam bijvoorbeeld maar mager, namelijk honderd gram per week wat afgezet tegen het landelijk gemiddelde van 750 gram nogal opviel.[30]

 

Kijken we in de gevangenis dan valt het op dat in 1821 er voldoende aandacht bestond voor groenten. Zo at men op dinsdag vijf honderd gram wortelen, op woensdag vier honderd gram erwten, op donderdag weer vijf honderd gram wortelen of kool en op zaterdag eveneens vijf honderd gram soepgroenten.  Over een week genomen dus 1900 gram groenten, oftewel ongeveer drie ons per dag. Dat was beduidend meer dan het landelijk gebruik. Toen echter om bezuinigingsredenenen in 1825 de soepen werden ingevoerd daalde het aandeel groenten aanmerkelijk: in de vlees- en beenderensoep vier keer per week in totaal 280 gram groenten en 375 gram erwten per week, ergo 655 gram wekelijks wat neerkwam op nog geen 100 gram per dag, toch nog bijna gelijk aan het landelijk gemiddelde.  Toen er in 1828 een inschrijving plaats vond, bleek dat het assortiment groenten bestond uit kool, wortelen, knollen of rapen, zuring, uien en (met de hand bijgeschreven) sellery, spinage en spruiten. Of deze groenten ook allemaal geleverd werden, was uit de stukken niet te halen. Telkens als er over dit onderdeel gesproken werd, volstond men met het begrip groenten. Opvallend is ook de vaste prijs die de leverancier berekende, namelijk om en nabij de vier cent de kilo. Dit doet veronderstellen dat de variatie niet zo ruim zal zijn geweest als uit die welke op de inschrijving stond vermeld.

 

Ook in latere jaren blijkt er in groenten weinig fluctuatie in prijs te zitten. Toen de aardappelen niet meer te krijgen waren, recommandeerde de gouverneur op 25 september 1845 om in plaats daarvan onder andere witte kool, wortelen of knollen te nemen dan wel goede zuurkool met zogenaamde paardebonen. Sedert 1848 gold een andere menukaart, waarin over de week genomen 640 gram groenten en 400 gram erwten prijkten, nog steeds vergelijkbaar met wat men buiten at. In 1861 verdubbelde de prijs van groenten, waardoor de minister van Justitie trachtte invloed uit te oefenen op de leveranciers om de prijs te verlagen, in welke actie hij echter niet slaagde.

 

Enkele andere voedingsmiddelen

Ook boter  was een weinig of geen gebruikt middel. Het behoorde net als vlees tot de luxe artikelen. Voor de kleine boer was boter een gewild handelsproduct, terwijl hij er tevens karnemelk aan over hield. Deze kostte slechts twee à drie cent de liter tegen acht cent voor zoete melk. Daardoor behoorde dan ook melk lange tijd tot de onbereikbare dranken die eigenlijk voor een gezonde kalkvoorziening van belang was. Als er al melk te koop was, bleek deze zwaar aangelengd te zijn met water, een praktijk die tot 1912 duurde, toen deze via een wet strafbaar werd gesteld. [31] Daarom stond er bij de kleine boerenstand nooit boter of kaas op tafel, soms wel enig smout (reuzel) of geprakte aardappelen op het brood.[32] Ook achter de tralies was melk een drank die men mondjesmaat verstrekte. Pas in 1845 zien we op het menu dat de gevangenen in de wintermaanden dagelijks zes vingerhoeden ( 6 centiliter) zoete melk aangelengd met water verstrekt kregen, in 1846 was het 60 cc geworden, de melk kostte toen nog geen vijf cent per liter. Pas in 1854 besloot de minister dat gedetineerden ook in de zomermaanden aangelengde melk mochten drinken.

 

Toen de rekenmeesters van de gevangenis in 1825 uitvonden dat men bij de bereiding van maaltijden door boter te nemen slechts de helft aan rundvet nodig had, was hun keuze snel gemaakt. Kennelijk was de prijs van boter nogal seizoengevoelig, hetgeen naar voren kwam bij de inschrijving voor het eerste halfjaar van 1832 ten de goedkoopste leverancier er f 6,10 per kilo voor vroeg, vergeleken bij de vorige prijs van f 4,86 een beduidende verhoging. De minister drong aan op een lagere prijs, wat de onderhandelende regenten met veel pijn en moeite gelukte: de prijs werd vijf gulden. Overigens daalde de prijs van dit zuivelproduct in de tweede helft weer naar f 3,79.

 

Eerdergenoemde voedingsspecialist Mulder had weinig waardering voor suiker, omdat deze naar zijn oordeel weinig toevoegde aan de gezondheid van de mens. Hoewel al in 1747 de suiker in de beetwortel was ontdekt, duurde het tot 1796 eer men het eruit kon raffineren. Door het Continentale Stelsel van Napoleon werd de toevoer van rietsuiker uit West Indië gestagneerd en daardoor ontstonden er in 1812 veertien beetwortelsuikerfabrieken in Nederland die even snel weer verdwenen toen Willem als soeverein vorst ging regeren. Ook door de hoge accijns op deze soort suiker bleef de rietsuiker lange tijd populair. Pas in 1858 kwam er in Zevenbergen weer een beetwortelsuikerfabriek, in 1867 in Geertruidenberg en in 1873 één in Werkendam. Ondanks Mulders advies steeg het verbruik in de laatste helft van de eeuw aanzienlijk van gemiddeld zeven gram per dag in 1851 tot ruimt 24 gram in 1892. [33] In de gevangenis werd er geen suiker verstrekt aan de gedetineerden, wel konden ze het in de kantine kopen, maar in 1828 besteedden de gevangenen slechts twee promille van alle aankopen aan suiker.

 

Aparte aandacht besteden we nog aan soep. Vanaf 1800 zien we soep veelvuldig op de spijslijsten van instellingen staan, vooral de maaltijdsoep die men met behulp van beendermeel dik wist te krijgen, waarmee de weinige calorieën aardig gecamoufleerd werden. Het idee kwam van Benjamin Thompson, graaf van Rumford die dit voor de soldaten had ingevoerd. Naar hem werden deze soepen dan ook genoemd. In het katholieke jongenshuis in Amsterdam kregen de knapen drie keer per week soep, op zondagen zat er enig vlees in (twintig gram per persoon).[34] In de wekelijkse vleessoep van de gevangenis zat dan nog zestig gram! De beenderensoep die in 1825 nog op het menu stond, viel er in 1826 weer vanaf, de gortsoep en de groene erwtensoep bleven in elk geval bestaan, de laatste zelfs tot laat in de jaren zestig van de twintigste eeuw.

 

De vleessoep bestond naast de genoemde zestig gram vlees voorts uit 6 gram rundvet, 70 gram groenten, 220 gram aardappels, 70 gram tarwebrood, 50 gram gerstemeel, 60 gram gort, zout, peper en wat azijn. De gortsoep hoofdzakelijk samengesteld uit gort ( 220 gram), bijna 40 gram vis en zout, de erwtensoep kende 370 gram erwten, 40 gram rundvet en zout.  Toen in 1845 de aardappelen een zachte dood stierven werd de vleessoep verbeterd met brood of gort. Er is dan twee à drie keer vleessoep in de week, twee keer gortsoep en een à twee keer per week erwtensoep. In de tweede helft van 1846 toen de aardappelen terugkeerden werd het weer één keer per week vleessoep en één keer per week erwtensoep.

 

Eveneens aparte aandacht besteden we aan het gebruik van zout.  Zout dat onder meer gebruikt werd als conserveringsmiddel voor producten die aan bederf onderhevig waren, diende eveneens om de maaltijden op smaak te brengen. Kennelijk waren de behoeften aan zout in voorgaande tijden hoger dan nu het geval was, terwijl men destijds ook weinig de gevaren van een te hoog gebruik overzag. Tijdens het ancien regime liep het gebruik op van negen tot vijftien gram per dag per persoon met alle gevolgen van dien voor de gezondheidstoestand. Huidige medici achten een gram per dag ruimschoots voldoende [35] Ook in de gevangenis viel mij het hoge gebruik van zout direct op, wat in de volgende tabel 5 tot uiting komt. Daarbij komt dat de prijs van zout aan de hoge kant was.  Al in 1825 wees de commandant van de gevangenis de commissie van administratie erop dat door drastische vermindering van het zout een bedrag van f 1,66 per week kon worden uitgespaard. Pas na 1845 zien we een aanzienlijke reductie, hoewel men de norm van één gram nog steeds bleef overschrijden.

 

Tabel 5. Het gebruik van zout in de strafinrichting te ‘s-Hertogenbosch tussen 1821-1861 in grammen per dag per persoon.

jaar

Hoeveelheid

1821

37 gram

1823

30   

1826

25   

1846

13   

1862

17   

 

 

In 1830 verhoogde de overheid de accijns op zout met maar liefst f 1,40 per honderd kilo. De winkelier H.J. van der Ven die voor f 12,00 per 100 kilo had ingeschreven zag zijn winst als sneeuw voor de zon verdwijnen en vroeg de accijnsverhoging te mogen doorberekenen. De vraag legde men voor via de gouverneur aan de minister van Binnenlandse Zaken, die het verzoek afwees met het argument dat dit soort risico`s nu eenmaal voor de inschrijvers waren.

 

De kosten voor het gevangeniswezen

 

De verschillende prijsschommelingen van de levensmiddelen vergden van de regenten telkens dat zij daarop inspeelden en daarmee creatief omgingen, uiteraard steeds binnen de smalle marges die de minister toestond. Menigmaal waren er brieven waarin de minister via de gouverneur van de provincie kritische vragen stelde, aanwijzingen gaf en terechtwees.  Op 24 oktober 1831 liet de bewindsman weten dat hij de prijzen van de aardappelen, de boter en het rundvlees te hoog vond. Het was nog de tijd dat de ministers zich met de details bemoeiden. De regenten moesten maar de laagste inschrijvers zien over te halen hun prijzen naar omlaag te brengen, zeer tegen de principes van het inschrijvingssysteem in. De arrogantie van de macht slaagde dit maal, want de aardappelen zakten van 2,70 naar 2,00, de boter van 6,10 naar 5,00 en het rundvlees van 2,00 naar 1,75.  In 1834 vond hij  het rundvet te duur en in 1845 waren het de groenten, de peper, de komijnekaas en de melk die zijn toets der kritiek niet konden doorstaan. Vergeleken met de landelijke prijzen hanteerden de leveranciers in Noord Brabant een te hoog prijzenstelsel naar zijn mening.

 

De marges tussen de inschrijvers waren soms marginaal. Voor 1846 schreef eerder genoemde broodleverancier Teeuwen in voor f 10,89 per 100 kilo roggebrood, tegenover f 11,89 en f 11,50 door anderen. Maar ook konden er grote prijsverschillen in zitten. De laagste inschrijver voor gort bijvoorbeeld rekende f 0,16 per kilo en de hoogste f 0,29 en voor boter waar zes leveranciers op inschreven varieerden de prijzen tussen f 0,78 en f 0.90 per kilo.

 

Toen de commissie van administratie in 1846 een betoog hield om in plaats van aardappelen tarwebrood in de soep te doen, reageerde Den Haag dat dat per honderd gedetineerden 54 cent duurder zou uitkomen. Neen, calculeerde de commandant Van de Wakker, het zou 29,4 cent duurder zijn, maar wegens de slechte kwaliteit van de aardappel en het minder voedend vermogen ervan gaf hij de voorkeur aan tarwebrood. Overigens vroeg hij zich af of er binnenkort nog wel aardappels te krijgen waren.

 

In het eerste half jaar van  1854 moesten de duurdere groene erwten vervangen worden door de goedkopere gele soortgenoten, maar een half jaar later toen het prijsverschil nog maar 3 cent was, mochten de groene weer worden aangekocht.

 

Over het geheel genomen varieerden de dagprijzen voor maaltijden tussen 1830 en 1840 zoals ze in de jaarverslagen werden vermeld, nauwelijks, daarna schommelden ze en stegen ze in het volgende decennium met als hoogtepunt 1846 toen de strafinrichting per voedingsdag per gedetineerde zelfs 17 cent moest neertellen. De eerste twee jaren van de jaren vijftig waren ongekend laag, maar daarna stegen de prijzen weer snel met als duurste jaar 1855 toen de dagprijs 192 cent bedroeg.

 

Tabel 6. Dagprijzen voor voeding aan gedetineerden in de strafinrichting ‘s-Hertogenbosch tussen 1830-1854 in centen

 

jaar

prijs

Jaar

prijs

jaar

Prijs

1830

11

1840

11,7

1850

8,9

1831

14

1841

12,6

1851

10

1832

14

1842

13,2

1852

10

1833

14

1843

12,5

1853

12

1834

11

1844

9,7

1854

16

1835

11

1845

10,1

1855

19,5

1836

10

1846

17,1

 

 

1837

10

1847

13,3

 

 

1838

10

1848

13,8

 

 

1839

10

1849

10,6

 

 

 

 

De kantine

 

Natuurlijk konden de gedetineerden hun maaltijden via de kantine aanvullen, als ze tenminste over geld beschikten.  Tussen 1824 en 1828 zijn er documenten bewaard gebleven waaruit de bestedingen in de kantine zijn vermeld.  In deze periode konden de gedetineerden van alles kopen tot en met bier en jenever, maar ook roggebrood, tarwebrood, boter, spek, koffie, azijn, korte en lange pijpen, inkt, pennen en uiteraard ook tabak en snuif.

 

Tabak was doorgaans het meest geliefd, gemiddeld veertien procent over genoemde periode van het totaal bestede  bedrag ging daarnaar toe, daarna kwam boter met een zelfde percentage, jenever werd voor gemiddeld zestien procent genoten (de laatste jaren zakte het naar dertien procent), witbrood (negen procent), room (acht procent), spek (zeven procent), bier (zes procent) en roggebrood (vier procent).

 

Opvallend was dat de winst die de inrichting op kantineartikelen maakte er niet om loog: zeventien tot twintig procent en dan was de 250 gulden voor de kantinebaas er al van af getrokken.  Op roggebrood maakte men bijvoorbeeld zestig procent winst, op tabak 69 procent, maar op boter weer zestien procent.

 

Het welzijn van de gedetineerden

 

Burema[36] berekende de voedingswaarde van het eten dat bedelaars in Veenhuizen in 1826 en 1828 verstrekt kregen.  Afgezet tegen de normen die men tegenwoordig stelt voor mannen tussen twintig en zestig jaar die zware arbeid verrichten, zag het beeld er niet onverdeeld ongunstig uit.

 

Tabel 7. Gemiddelde voedingswaarden in Veenhuizen in 1828 afgezet tegen de normen voor mannen tussen 20-60 jaar met zware arbeid.

 

Kcal

eiwit

plantaardig

eiwit

dierlijk

vet

koolhydr

calcium mg

ijzer

mg

Vitaminen

 

 

 

 

 

 

 

 

A

Carot

B1

B2

C

Norm

3900

50

40

125

585

1000

12

1500

2400

1500

1800

50

Veenhuizen

4039

69

10

256

405

399

23

-

10546

2469

1328

61

 

 

De koolhydraten, het dierlijke eiwit, het calcium en de vitamine A en B2 bleven onder de maat. Opvallend hoog is het caroteengehalte, hetgeen veroorzaakt werd door de vele wortelen die men er gemiddeld dagelijks at ( 124 gram), de overwaarde aan vitamine B1 vond zijn oorzaak in de vele aardappelen (1200 gram) en de groene erwten (71 gram). Door het geringe aandeel aan rundvlees en spek moet het tekort aan dierlijk eiwit en vitamine B2 geweten worden, terwijl het ontbreken van melk en boter leidde tot het gebrek aan calcium en vitamine A.

 

Hoewel de inrichtingsarts, toen nog officier van gezondheid genoemd, af en toe mopperde dat de geleverde voedingsproducten niet beantwoordden aan de gestelde norm, liet hij zich nauwelijks of niet horen. Op 18 juli 1826 berichtte de commandant dat aan de voeding niets te wensen overbleef, want, ondanks de drukkende warmte bleef het ziekepercentage onder de gevangenen onder het vijf procent.

 

Natuurlijk waren de gedetineerden het niet altijd eens met de hoeveelheid of de kwaliteit van het eten en lieten zij dat op hun manier blijken, zoals aan het licht kwam bij een onderschepte brief van de gedetineerde kanonnier Gerrit Moerman op 28 april 1834  ...dat `het slegt daar te leve is daar het eten slegts voor een zwijn is en het brood voor een paard en dan nog te min..’.[37] In de jaren 1845 en 1846 toen de hongersnood in het land ernstige vormen aan ging nemen, kwamen ook in de gevangenis meer geluiden dat het eten niet voldeed. In het jaarverslag over 1845 stond dat in de maand november een oproerige geest heerste wegens de veranderingen in het menu, op 14 oktober 1846 weigerden de militaire gevangenen het middageten in ontvangst te nemen omdat de portie naar hun mening te gering was. Uitgebreid stond in de courant de Noord Brabander op 14 augustus 1847 een ingezonden stuk van ex-gedetineerde H.W. van Beek, die zich beklaagde over het brood dat bestond uit twee delen zemelen, een deel rogge en de rest uit lijnzaad. De commissie van administratie gaf toe dat het brood niet altijd voldeed aan de normen, wat -zoals al eerder aangegeven- uiteindelijk leidde tot een strafvervolging.

 

Enkele slotbeschouwingen

 

In historisch opzicht hebben zowel de socioloog Norbert Elias als enkele vertegenwoordigers uit de Franse school Annales aangetoond dat informatie over voeding belangrijke legpuzzelstukjes toevoegden aan de sociale en culturele geschiedenis. Uit veel egodocumenten kunnen we kennis nemen van de culinaire genoegens uit andere tijdperken, zij het dat zij ons slechts een kijkje gunnen in de keukens van de upper ten [38] De andere beschikbare gegevens betreffen meestal weinig representatieve bevolkingsgroepen als de hogere standen, militairen, matrozen en religieuzen. De ondervoeding die zich in de eerste helft van de negentiende eeuw deed gelden was een fenomeen van de industrialisatie in haar beginfase. Niet zozeer een gebrek aan calorieën, maar eerder een slechte samenstelling en gebrek aan variatie veroorzaakte deze ondervoeding, die onder andere tot uiting kwam in de geringe lengte van de man. Militaire keuringen toonden aan dat de gemiddelde gestalte van 164 cm in 1860 pas in 1970 aangroeide tot 178 cm. Het tekort aan vitamine A was er de oorzaak van dat er vrij veel blinden rondliepen en het vitamine D-tekort was verantwoordelijk voor rachitis, ook wel Engelse ziekte genoemd. [39]

 

We koesteren geen enkele illusie dat het eten in een strafinrichting ver uit zal steken boven wat er buiten voor de doorsnee gewone man op tafel kwam.  Minister Van Manen sprak namens de vorst dat de kosten voor voeding van een gevangene niet hoger mochten zijn dan die voor een eerlijke minvermogende.[40] Toch blijken de maaltijden vergeleken met die van buiten soms beduidend beter, althans lopen ze niet ver uit de pas daarmee. Ook de variatie blijkt in enkele perioden groter te zijn dan menig arbeiderskeuken kende.  Ook Ramon de la Sagra die namens de Spaanse Cortes België en Nederland in 1839 met een bezoek vereerde meende dat de gevangenen over goede voeding beschikten.

 

Het verhaal dat de ronde doet dat sterk ondervoede mensen tegen de winter tot aan de Tweede Wereldoorlog door landlopen en bedelen letterlijk vroegen om ingesloten te worden, betekent dat de overheid ook in die tijd in dat opzicht zijn zorgplicht verstond.



[1] Gepubliceerd in PROCES, nr. ½, 2001, pag 3-8

[2] Jozien Jobse-van Putten, Eenvoudig, maar voedzaam. Cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nederland (Nijmegen 1995) 528-529

[3] Herman Franke, Twee eeuwen gevangen. Misdaad en straf in Nederland (Utrecht, 1990), 38 en 65

[4] G.J. Hooijkaas, `De politieke ontwikkeling in Nederland, 1830-1840’, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden II ( Weesp 1983) 306-314

[5] L. Burema, De voeding in Nederland van de middeleeuwen tot de twintigste eeuw (Assen 1953), 219

[6] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 99 e.v.

[7] Burema, De voeding in Nederland, 219

[8] (later provinciale bij  KB van 15 april 1843)

[9] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 130

[10] T.L. Korporaal, `Het dagelijkse brood’ in: Helmonds Heem, 4 (1989) 8

[11] Burema, De voeding in Nederland, 224

[12] Peter Scholliers, Arm en rijk aan tafel: twee honderd jaar eetcultuur in België (Berchem 1993) 150

[13] Rijksarchief in Noord Brabant (verder RANB), Archief gevangenissen `s-Hertogenbosch (verder AGH), inv. 91, brief van de commandant aan de commissie van administratie van 11-9-1841

[14] RANB, Archief van het provinciaal Hof in Noord-Brabant, 1838-1877 (verder APH) inv.nr. 232, arrest 5-2-1850

[15] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 102-104

[16] Scholliers, Arm en rijk aan tafel, 17

[17] Burema, De voeding in Nederland, 233

[18] RANB, Archief van het provinciaal bestuur in Noord-Brabant 1814-1920 (verder APB), inv. 4417, staat houdende renseignementen, omtrent de onder de aardappelen heerschende ziekte, opgemaakt uit de daaromtrent, door den Staatsraad Gouverneur der Provincie Noord Braband, van de plaatselijke Besturen in dat gewest ingewonnen opgaven, September 1845.

[19] Frida Terlouw, `De aardappelziekte in Nederland in 1845 en volgende jaren’, in: Economisch- en Sociaal-historisch jaarboek 34(1971) 263-308

[20] RANB, AGH, inv. 146 artikel 14 van de leveringsvoorwaarden in 1828

[21] E. Stols, De vele smaken en geuren van de geschiedenis: een overzicht van vijf eeuwen voeding, produktie, verdeling, verbruik en cultuur (Leuven 1989) 144

[22] RANB, AGH, inv. 95 brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 1-9-1845 aan de commissie van administratie

[23] I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw. 1813-1870 (Utrecht, 1967 (1925)) 155

[24] Burema, De voeding in Nederland,  244-254

[25] Stols, De vele smaken, 168

[26] Burema, De voeding in Nederland, 254

[27] ibidem, 151

[28] RANB, Archief van de arrondissementsrechtbank te `s-Hertogenbosch, inv. 24, nr 108, vonnis van 21-8-1848

[29] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 129

[30] Burema, De voeding in Nederland, 235-238

[31] ibidem, 229

[32] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam,231

[33] Burema, De voeding in Nederland, 254-256 en Jobse, Eenvoudig maar voedzaam,113-114

[34] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 194-196

[35] Stols, De vele smaken,75-76

[36] Burema, De voeding in Nederland, 294-195

[37] RANB, Archief gevangenissen `s-Hertogenbosch (verder AGH), brief van de commandant aan de auditeur militair van 28-4-1834

[38] Stols, De vele smaken, VI

[39] ibidem, 149

[40] Franke, Twee eeuwen gevangen, 38