Pot uit de lik[1]
Voeding in de
strafinrichtingen in eerste helft van de negentiende eeuw
Niets hield en
houdt mensen meer bezig dan de zorg om een gevulde maag, zij het dat er rond
het fenomeen eten de laatste decennia wel een zekere cultuur is geschapen.
Afhankelijk van leefstijl, inkomen en traditie verschillen de maaltijden in
verscheidenheid, kwantiteit en kwaliteit, terwijl seizoenen eveneens invloed
uitoefenen op de soort gerechten die op tafel komen, al is dat de laatste tijd
door conserveringstechnieken en de overschrijding van de grenzen minder sterk
dan vóór 1940. Eten en drinken spelen naast de functie om ons in leven te
houden ook een sociale rol, want gezinnen en vrienden scharen zich om de tafel om
gezamenlijk de maaltijd te nuttigen.
Nederland
staat met Engeland, Ierland en het noorden van België in Europa bekend als land
dat aan eten eerder het gewicht van noodzaak geeft dan genot, zulks in
tegenstelling tot de mediterrane landen waar men nog plezier beleeft aan de
maaltijd. Snel en gemakkelijk klaarmaken is hier ook belangrijker dan daar,
waar traditie een voorname plaats inneemt en tijd gemaakt wordt om twee warme
maaltijden te nuttigen.[2]
In dit
sociaal-culturele fenomeen hebben zich belangrijke ontwikkelingen voltrokken
die samenhingen met andere processen, zoals urbanisatie, industrialisatie en
arbeidsverhoudingen. Gewoonten die lange tijd grote verscheidenheden lieten
zien tussen stad en platteland zijn de laatste decennia homogener geworden.
Door de grotere bestedingsmogelijkheden zijn ook de verschillen in welvaart
genivelleerd, al zullen kaviaar en champagne nog niet op veel tafels een
dominante plaats innemen.
In dit kader prikkelde het mijn
nieuwsgierigheid eens na te gaan hoe gevangenen, die gedurende hun detentie
geen deel uitmaakten van de samenleving, deze primaire behoefte konden
bevredigen. Waren er verschillen met wat de mensen in de vrije maatschappij
gewend waren te eten en hoe lagen die verschillen dan? Was de kwaliteit van het
voedsel redelijk en hadden de prijzen invloed wat er op tafel kwam? Hoe gingen
de bestuurders van de strafinrichting om met de gedetineerden en had de voeding
invloed op hun welzijn?
Uit de hoeveelheid correspondentie van de
Commissie van Administratie van de strafinrichtingen in ‘s-Hertogenbosch tussen
de jaren 1820 en 1860 viel een redelijk beeld te destilleren.
Naast dit
bronnenonderzoek maakte ik gebruik van enkele historische monografieën over dit
onderwerp die vrijwel geheel gewijd waren aan de situaties in de vrije
samenleving.
Tegenover het
weinig flatteuze beeld dat Herman Franke in diens proefschrift over het eten
van de gevangenis in de negentiende eeuw schetst[3],
is, na bestudering van de bronnen, een genuanceerdere karakterisering te
verschaffen. Met enige voorzichtigheid meen ik zelfs te mogen stellen dat het,
vergeleken met de situatie buiten, binnen de gevangenismuren goed te noemen
was. Uiteraard beperk ik mij bij deze vergelijking tot de personen uit de
lagere standen die buiten vaak aan de rand van hongerdood verkeerden, zo zij
daar niet al overheen waren gevallen. Natuurlijk kunnen we met de kennis en de
welvaart van nu stevige kritiek uitoefenen op zaken als kwaliteit, de wijze van
omgaan met gedetineerden en de geringe professionaliteit van de leiding en het
overige personeel, maar geënt op de wetenschap en de onderlinge verhoudingen
van toen is het beeld van het regiem toegespitst op de maaltijden een stuk
rooskleuriger dan Franke voorstelde.
Rond 1820
daalden de graanprijzen, waardoor niet alleen de grote landbouwers maar ook hun
arbeiders pijnlijk werden getroffen. Veeziekten, verschillende overstromingen
in het rivierengebied en de cholera in 1832 deden deze malaise nog ernstiger
maken. Als klap op de vuurpijl kwam er in 1845 ook nog eens de aardappelziekte
overheen, gevolgd door een slechte graanoogst . De jaren tussen 1840 en 1860
worden dan ook tot de zwartste decennia van de negentiende eeuw gerekend.
Ook de overheid stond er weinig florissant
voor met de hoge uitgaven die zij moest maken in verband met de militaire
kazerneringen en inkwartieringen in Noord Brabant als gevolg van de
onafhankelijkheidsstrijd van de Belgen. In 1837 beraadslaagde de tweede kamer
over het wetsontwerp buitengewone uitgaven ten behoeve van de departementen van
oorlog en marine. Het voorstel werd aangenomen met 31 tegen 20 stemmen. Geen
klinkend resultaat naast de bedenkelijke rede van het zeer regeringsgezinde
kamerlid F. Frets die een voortzetting van de volhardingspolitiek van de koning
tegenover België `vruchteloos’ noemde en een `opoffering’ onverantwoord
vond. Het wetsontwerp over de uitgaven voor de begroting 1838 kwam er met de
hakken over de sloot met 29 tegen 21 stemmen.[4]
De accijnzen die de staat sedert 1822 op
het gemaal en het geslacht legden werden door het volk niet in dank afgenomen;
pas in 1855 schafte het kabinet deze gehate indirecte rijksbelasting af en liet
het aan de gemeenten over hoe zij daarmee omgingen. Daardoor duurde het vrijwel
overal nog eens tien jaar voordat deze accijns definitief verdween.
In de eerste helft van de negentiende eeuw
was Nederland een landbouwstaat, weliswaar met een toenemende afhankelijkheid
van de opkomende industrie. Tussen 1835 en 1840 verschenen er enkele aardappelmeelfabrieken,
maar de eerste beetwortelsuikerfabriek kwam er pas in 1858. [5]
De nationale
rijkdom kwam meer en meer te liggen in handen van een steeds kleiner wordende
groep burgers, die weinig ondernemingslust aan de dag legde en vaak de mening
was toegedaan dat de armen hun lot aan zichzelf te wijten hadden, terwijl zij
zichzelf de weldaden van het leven goed lieten smaken. Het aantal mensen dat op
de grens van het bestaansminimum leefde, steeg snel. Weliswaar bleven de lonen
gelijk, maar doordat de prijzen omhoog gingen, daalde de koopkracht en omdat
ook de werkloosheid snel toenam, groeide zowel de druk op de armenkassen als de
angst van de burgerij voor sociale onrust.[6]
In de steden duurde de armoede van de
arbeiders de gehele eeuw en uitte zich in ondervoeding, slechte huisvesting
(kelderwoningen), hoge kindersterfte, landloperij en bedelarij.[7]
Aan de vele wetsovertredingen uit die jaren valt af te lezen dat er vaak
levensbedreigende situaties bestonden. In Noord Brabant uitte zich dat in het
illegaal steken van heideplaggen en turf, in het stelen van hout, in het van
het veld halen van de oogst en in het `s nachts melken van de koeien. Geen
wonder dat allerlei epidemische ziekten als tyfus en dysenterie regelmatig bij
de allerarmsten de kop opstaken. Ook de bedeling nam gigantische vormen aan. In
Amsterdam kwam zelfs een op de twee mensen daarvoor in aanmerking, in Alkmaar
één op acht en in Delft één op drie. In Leeuwarden genoot in 1830 een derde van
de bevolking van de tweewekelijkse soepuitdelingen.
Hoewel de
voorschriften van de gemeente bij Koninklijk Besluit van 25 januari 1826 [8]luidden
dat het brood goed doorbakken diende te zijn, gaf het gewone volk de voorkeur
aan week en klef brood, wat de bakker hen uiteraard in dank afnam. Of er
controle op de kwaliteit plaats vond is niet gebleken. De mensen konden zelf
hun klachten wel aan de bakker kwijt, wel nam de burgemeester steekproefsgewijs
het gewicht onder de loep. Deels als gevolg van het afschaffen van het
gildenstelsel en deels door het laissez-faire
principe van de overheid was de controle onder de maat. Vergeleken met overige
Europese landen bleef Nederland achter en kwam er pas in 1919 een
voedselkeuringswet, waarover Frankrijk bijvoorbeeld al in 1851 beschikte.[9]
Het grote
prijsverschil tussen tarwe- en roggebrood liet de gewone man weinig keus, als
deze al in staat was zijn gezin met brood te onderhouden.
Om enige indruk van de prijsverschillen te
krijgen volgt hieronder een staatje met de prijzen van roggebrood en
tarwebrood. De bedragen zijn ontleend aan de zogenaamde broodzetting uit de
gemeente Werkendam. Enige fluctuatie van de prijzen in andere gemeenten is
mogelijk.
Tabel 1. Prijzen van een kilo tarwebrood en
roggebrood tussen 1821-1843 in Werkendam
|
Datum |
Tarwebrood Cent |
Roggebrood cent |
|
7-12-1821 |
12,2 |
7,2 |
|
dec 1822 |
12,2 |
7,2 |
|
24-9-1823 |
12 |
8 |
|
2-9-1824 |
10 |
6,2 |
|
26-10-1825 |
8,2 |
7 |
|
22-11-1826 |
10 |
8,2 |
|
28-6-1830 |
12,2 |
8 |
|
28-1-1832 |
13 |
9 |
|
22-11-1834 |
10 |
8 |
|
7-5-1840 |
15,2 |
9,2 |
|
1843[10](Helmond) |
16 |
8 |
Zo te zien
zijn er schommelingen, zowel in opwaartse als in neerwaartse richting,
variërend tot zestig procent. Ervan uitgaand dat een fabrieksarbeider in 1840
gemiddeld zestig cent per twaalfurige werkdag ontving, moest hij met een groot
gezin goed op zijn centen passen. Het
gemiddelde gebruik per inwoner was circa vijf honderd gram, zodat een gezin met
vier kinderen al snel drie kilo roggebrood gebruikte, wat voor het gezin
neerkwam op 27 cent, tarwebrood zou dan 48 cent gekost hebben. In Amsterdam was
het gemiddeld broodverbruik echter beduidend lager, het kwam neer op gemiddeld
250 gram per dag, waarvan 130 tarwebrood en 120 gram roggebrood. Daarbij moeten
we aantekenen dat het tarwebrood waarschijnlijk alleen bij de betere standen
werd gegeten.[11] Ook in ons
buurland België was het broodverbruik niet veel hoger dan bij ons. In Gent
nuttigde men gemiddeld zo’n drie honderd gram brood. De Belgische soldaat werd
na de onafhankelijkheid van de nieuwe vorst beter bedacht met de 750 gram brood
tegen de 500 gram van de Hollandse koning.[12]
Ook in de gevangenis maakte roggebrood een
belangrijk onderdeel uit van de dagelijkse maaltijden. Tot 1825 kregen de
gedetineerden zelfs dagelijks een kilo roggebrood, na dat jaar nog maar de
helft, terwijl er daarnaast nog enig brood in de vleessoep ging die één keer
per week op het menu prijkte. Deze halvering had te maken met het opvoeren van
de portie aardappelen die vóór 1825 350 gram betrof en vanaf dat jaar naar 750
gram werd opgevoerd. De hoge broodprijzen en de beduidend lagere prijzen van de
aardappel deed de regering besluiten het voedselpakket drastisch te veranderen.
In dit opzicht stemde dit beleid overeen met de gebruiken die zich buiten de
poorten afspeelden. Wel vond er in de inrichting, in tegenstelling tot wat er
in de samenleving plaats vond, dagelijks controle plaats op het gewicht en de
kwaliteit van het brood. Naar aanleiding van twee rapporten van de directeur
van de gevangenis van 20 en 22 januari 1826 dat het geleverde roggebrood te
licht was kwamen twee ter plaatse aangestelde en beëdigde keurmeesters uit de
stad tot dezelfde conclusie en merkten zij bovendien op dat het brood een dag
te vroeg was geleverd. Zes weken later bezondigde bakker Mozes Levi de Hartog
zich wederom aan overtreding van de regels, maar het betrof nu de kwaliteit die
slecht was. De 650 broden werden op dezelfde wijze als voorheen aan een
onderzoek onderworpen en allemaal afgekeurd. De broden gingen vervolgens naar
de armen, hetgeen wil zeggen dat deze categorie kennelijk nog lager op de
maatschappelijke ladder stond dan die van gevangenen stond. Waarschijnlijk
heeft deze strakke aanpak de broodleveranciers aangesproken, want het duurde
tot 1841 eer er weer klachten ontstonden. Een andere uitleg voor dit uitblijven
van deze protesten is de wijze van regiemvoering door de commandanten.
Opvallend is namelijk dat er na het broodincident van 1826 een nieuwe
commandant werd benoemd die tot 1829 aanbleef. In 1841 werd F.W. van de Wakker
in de functie van hoofd der inrichting benoemd, mogelijk dat hij er strengere
normen op nahield dan zijn voorgangers.
Het lichte
roggebrood van 9 september van dat jaar gaf hij terug aan de bakker Van
Teeuwen `met last binnen de bepaalde
tijd een ander voldoend baksel te leveren....`.tevens heb ik hem
aannemer het onbetaamlijke van deze zijn handelwijze met nadruk onder
het oog gebragt, met bedrijging van bij ontdekking van verdere bedriegerijen
hem te zullen doen vervolgen...Heden echter wederom door dezelve een getal van
194 brooden afgeleverd zijnde, zoo heb ik tot mijne verontwaardiging en
leedwezen moeten ondervinden, en van de afgekeurden op den 9e dezer, 13 brooden
onder dit getal zich bevonden welke 13 brooden ik direct heb doen doorsnijden
en hem heb doen terugnemen’[13]
Eind november was het weer zover, na
informatie bleek dat de broden in plaats van 24 uur slechts 14 uur in de oven
hadden gelegen. Ook het daaropvolgend jaar toonde bakker Teeuwen zich geen
goede leverancier. Het is niettemin bevreemdend dat Teeuwen ondanks de klachten
tot 1843 het roggebrood bleef verstrekken, wat waarschijnlijk te maken had met
zijn laagste inschrijvingsprijs. Twee jaren bleef deze bakker uit de boeken,
maar in 1845 was hij weer van de partij, waarschijnlijk stak zijn laagste prijs
sterk af tegen die van zijn concurrenten. Door de mislukte aardappeloogst en de
grotere vraag naar brood steeg de prijs van roggebrood met bijna vijf cent per
kilo tot 10,89 cent, een prijs die ook het jaar daarop gold. In 1849 bakte
Teeuwen het weer bruin. Dit keer bleek zijn brood na controle teveel zemelen te
bevatten. De regenten waren het nu zat: zij lieten hem wegens oplichting
strafrechtelijk dagvaarden. De arrondissementsrechtbank van de Brabantse
hoofdstad veroordeelde hem op 11 september 1849 tot een jaar gevangenisstraf,
waartegen hij beroep aantekende. Het gerechtshof bevestigde op 23 oktober
evenwel het eerdere vonnis en de straf. De bakker bleef alleen nog cassatie als
laatste redmiddel over. Toen bleek dat beide rechtscolleges het bij het
verkeerde eind hadden, want de Hooge Raad vernietigde het arrest van het
gerechtshof. Hij deed dat op grond van de overweging dat het wetsartikel niet
overtreden was, `dat ook de inmenging
van tarwe-zemelen aan het roggebrood deszelfs wezen niet
heeft ontnomen’.[14]
In de jaren
dertig van de negentiende eeuw klonk er in Groningen het liedje ....`het brood
is zo duur, kook toffels, kook toffels met mosterd bij het vuur ‘( toffels=aardappelen) waarmee men aangaf dat de
aardappel het brood had verdrongen. Nu had de aardappel al in de achttiende
eeuw een belangrijke plaats in het menu verworven, het eerst op het platteland
en daarna in de stad. Aanvankelijk
beschouwde de beter gesitueerde stadsbewoners de goedkope knol als veevoer, wat
voor een deel ook het geval was. Door deze grote betekenis doorbrak dit
voedingsmiddel de afhankelijkheid van de mens van het graan. Rond 1800 was de
aardappel al zodanig ingeburgerd dat ze het hoofdbestanddeel van het dagmenu
vormde. De stijging van de aardappelconsumptie ging vóór 1800 niet gepaard aan
een gelijktijdige daling van het broodverbruik, maar eerder aan die van
peulvruchten en andere knolgewassen.[15]
Maar na de
jaren twintig nam de aardappel wel de plaats in van het brood, wat - zoals uit
onderstaande tabel 2 blijkt- een
logisch gevolg was van het
prijsverschil tussen beide etenswaren.
Tabel 2. Prijzen van aardappelen en
roggebrood per kilogram tussen 1826-1848
|
jaar |
Aardappelprijs per kilo |
Roggebrood per kilo |
|
1826 |
f 0,02 |
f 0,07 |
|
1827 |
f 0,022 |
f 0,09 |
|
1828 |
f 0,012 |
f 0,09 |
|
1829 |
f 0,02 |
f 0,082 |
|
1830 |
f 0,02 |
f 0,08 |
|
1831 |
f 0,042 |
f 0,11 |
|
1832 |
f 0,042 |
f 0,102 |
|
1833 |
f 0,02 |
f 0,092 |
|
1834 |
f 0,022 |
f 0,092 |
|
1835 |
f 0,02 |
f 0,08 |
|
1848 |
f 0,022 |
f 0,09 |
Uit
bovenstaande tabel blijkt duidelijk dat het brood in prijs niet opgewassen was
tegen de aardappel, gemiddeld vier keer zo duur. Niet alleen de
prijsverschillen maakten de aardappel aantrekkelijk, ook was voor de boer de
aardappelteelt minder arbeidsintensief. Bovendien bezit de aardappel vitaminen
die het brood niet had.[16]
De jaren 1845 tot en met 1847 leverden geen gegevens op. Maar zoals blijkt uit
het jaar waarin de aardappel weer te consumeren was (1848) verschilden de
prijzen nauwelijks met die van dertien jaar daarvoor.
Volgens
contemporaine berekeningen zouden inwoners van Gouda in 1842 zeven honderd gram
aardappelen per persoon per dag gegeten hebben, hetgeen exclusief het afval op
vijf honderd gram neerkwam. Hetzelfde beeld gaf Amsterdam in 1851. Tussen 1852
en 1856 was het landelijk verbruik gemiddeld 610 gram en de vijf jaar daarna
gemiddeld 712 gram per persoon, waarbij we in aanmerking moeten nemen dat
hierbij ook het veevoer en de leveranties aan de aardappelmeelfabrieken waren
inbegrepen.[17]
Vergelijken we
deze cijfers met die van de gevangenisbevolking in ‘s-Hertogenbosch dan
lijkt het beeld voor justitie er
ongunstiger uit te zien, namelijk 350 gram en 550 gram over genoemde jaren,
maar de landelijke cijfers moeten nog gecorrigeerd worden op veevoer en
fabrieksdoeleinden. Volgens Burema moeten we bij het netto-gebruik denken aan
zo’n dertig procent minder, zodat de verhoudingen er dan als volgt uitzien:
1852-1856 : landelijk 425 gram tegen de
gevangenis 350 gram en tussen 1857 en 1861: landelijk 500 en gevangenis
550 gram. Op deze wijze is er nog van weinig verschil sprake.
Het
dramatische jaar 1845 waarin de aardappeloogst over geheel Nederland in
belangrijke mate mislukte heeft grote gevolgen gehad voor de bevolking. In
augustus 1845 meldden de gemeenten uit Noord Brabant aan het provinciaal
bestuur dat van de 14000 bunders aardappelgrond er 13900 (98%) aangetast was en
dat er naar schatting 5400 (38%) als verloren moest worden beschouwd.[18]
Dit laatste gegeven lijkt een slechte taxatie te zijn, want andere bronnen
gaven aan dat het verlies landelijk zo’n 70% was. De opbrengst in 1845 was
3.879.902 mud aardappelen terwijl de normale oogst 14.000.000 mud had moeten
zijn, in 1846 was de oogst 5.817.610 mud. [19]
Een jaar later was de productie weliswaar met
vijftig procent gestegen, maar de schade was nog steeds zestig procent.
Pas in 1847 herstelden de oogsten weer, hoofdzakelijk omdat men de voorkeur gaf
aan de vroege aardappelen die minder vatbaar bleken te zijn voor de
schimmelziekte. Zo lezen we in de stadscourant van `s-Hertogenbosch op 13
augustus 1847
`De
zoogenaamde aardappelenziekte komt hier nogal verspreid voor. De aanhoudende
droogte heeft het gevaar in dit jaar overwonnen. Zware dauw en vooral regen,
welke een natte grond maakt, is een geleider voor deze parasiet gelijk de
metaaldraad voor de elektriciteit. De vroege soorten van die gewenschte vrucht
zijn thans rijp en volkomen behouden; latere soorten kan men volgens waarneming
nu vrij in den grond laten tot de maand October, doordien ten langste in het
laatst van deze maand, de schuimlooper (of woekerplant) ophoudt zijne
verderfelijken invloed uitoefenen’.
Maar het leed
was in dat jaar nog niet geleden, getuige de veelzeggende tekst op een
vlugschrift dat in Amsterdam verscheen in hetzelfde jaar. `De beste troost is Gods Voorzienigheid. Een bemoedigend woord aan
allen bij den mislukten aardappelenoogst.
‘
Ook in het gevang nam de aardappel vanaf 1825 een
prominente plaats op de voedingsstaten in. Kregen de gevangenen in 1821 nog
dagelijks 1000 gram roggebrood en gemiddeld 350 gram aardappelen, in 1825 was
dat veranderd in 500 gram roggebrood met 750 gram aardappelen. Volgens de leveringsvoorwaarden moesten de
aardappelen .....`van goede en van
middelbare grootte en geensints zoogenaamde Roomsche of Engelsche (mogen)
wezen’ (de onderstreepte tekst was er met de pen bijgeschreven! KdG) [20]
Op 20 januari
1839 oordeelde de commandant Van de Wakker dat de aardappelen niet voldeden aan
de kwaliteit, zodat het lid van de commissie van administratie twee
keurmeesters uit de stad onder een toeziend oog van een politieagent de zes mud
liet controleren. Zij kwamen tot de conclusie dat ze geen goede, noch voedende
kwaliteit bezaten waarop de partij werd afgekeurd en aan de algemene armen van
de stad vervallen werd verklaard. Een maand later werd twee mud afgekeurd van
dezelfde leverancier Elands. Overigens
kwamen dit soort praktijken van leveranciers niet alleen voor bij de
gevangenis, maar werd er traditioneel qua gewicht en kwaliteit veel vervalst. [21]
Zoals
hierboven reeds vermeld, maakten de aardappels eveneens onderdeel uit van de
vleessoep. Waarschijnlijk dienden ze als een soort bindmiddel.
In 1845 brak
er lichte paniek uit toen bleek dat de oogst mislukt was en er alternatieven
gezocht moesten worden. Toen in september de aardappelleverancier van ‘s-Hertogenbosch
een verhoging vroeg van de prijs waarvoor hij aanvankelijk had ingeschreven,
bitste de minister terug `daar overigens in de onderscheidene provincien des
rijks voortdurend aan de gevangenen aardappelen worden verstrekt....schijnt er
nog voldoende voorraad te zijn.’ [22]
Later gaf hij toe dat de verkoper in plaats van aardappelen ook een ander
voedzaam artikel mocht leveren zoals rijst of gort. Ook in het najaar 1846 was
men gemachtigd, als de kwaliteit slecht was, bijvoorbeeld twee keer per week
erwtensoep te verstrekken.
Het hoge
proteïnegehalte in vlees was de arbeider en andere minvermogenden niet gegeven,
daarvoor was dit product teveel een luxeartikel, het gebruik nam zelfs in de
eerste helft van de negentiende eeuw af. [23]
Toen de regering de accijns op varkens- en schapenvlees in 1852 afschafte kwam
er enige verlichting. Maar lange tijd
bleef vlees voor de doorsnee Nederlander een onbereikbaar ideaal. De bekende
Utrechtse hoogleraar geneeskunde Gerrit Jan Mulder (1802-1870) ging in zijn boek
over voeding in 1847 al tekeer tegen het slechte voedingsgedrag van de drie
klassen. Een overmatig aardappelgebruik ging volgens hem ten koste van de
broodnodige eiwitten. De boeren namen tenminste nog enig melk tot zich. Ook de arts Nieuwenhuijs die in Amsterdam
een belangrijk voorlichtende rol vervulde, merkte al in 1816 op dat de bewoners
van de hoofdstad te weinig vlees aten. Het totaal verbruik rekende hij uit op
73 kilo per jaar, wat neerkwam op twee honderd gram per dag (!) waarvan 132
gram rund- en kalfsvlees, 16 gram schapenvlees en 46 gram varkensvlees
(uitgezonderd de joden dan). [24]
Naar mijn idee kwantitatief een ruime portie, hoewel het vlees eerder bestond
uit kop, darmen, uier, knieschijf en poten, waardoor het qua eiwitgehalte beduidend onder de maat
bleef. [25]
In Gouda kon men goedkoop kalfsvlees kopen, veelal afkomstig van zieke dieren. [26]
In 1845-1846 bedroeg het vleesverbruik in Nederland slechts 50 gram per dag per
hoofd van de bevolking, hetgeen altijd nog dertig gram meer was dan in België.
Daarentegen stonden Engeland met 75 gram en Frankrijk met 54 gram er iets beter
voor. [27]
Bij de
plattelandsarbeiders was het niet veel beter dan bij hun lotgenoten uit de
stad. In Noord Brabant aten ze nooit vlees, spek, vet of boter, maar roggebrood
en aardappelen. Hetzelfde gold voor de bewoners van Drenthe en Utrecht. Dat
mensen evenwel sterk naar vlees verlangden bleek bijvoorbeeld bij een vonnis
van de arrondissementsrechtbank van ‘s-Hertogenbosch van 21 augustus 1848 tegen
drie Tilburgers die zich hadden schuldig gemaakt aan de volgende overtreding.
In de nacht van 13 op 14 juni hadden zij gezamenlijk twee paarden opgegraven
die daags tevoren wegens een besmettelijke ziekte waren afgemaakt en onder de
grond waren gestopt. De verdachten hadden toegegeven dat zij deze overtreding
hadden begaan om iets voor hun gezin te kunnen verdienen. Zij kregen ieder drie
dagen gevangenisstraf. [28]
Onderstaande
tabel laat zien dat er slechts een marginale stijging van het verbruik na 1862
is te zien.
Tabel 3. Vleesverbruik in Nederland tussen
1852 en 1875 in grammen per dag per persoon[29]
|
periode |
vleesverbruik per persoon per dag
in grammen |
|
1852-1856 |
21 |
|
1857-1861 |
21 |
|
1862-1866 |
28 |
|
1867-1871 |
31 |
|
1872-1876 |
32 |
Het verbaast
ons dan ook niet dat er in de gevangenis
nauwelijks sprake was van vlees op het menu.
In 1821 kwam dat uitgedrukt in grammen per dag per gevangene neer op 38
gram spek per dag, een keer verwerkt in gort op maandag, een keer met
aardappelen op dinsdag (twee honderd gram) en ten slotte 35 gram bij de
wortelen of de koolmaaltijd op donderdag. Op vrijdag ontving men volgens het
toen geldende menu twee honderd gram stokvis. In 1825 veranderde het menu in
negatieve zin: de stokvis verdween, waarvoor in de plaats de soepen kwamen. Een
keer per week een zogenaamde vleessoep met 60 gram vlees en zes gram rundvet
erin verwerkt en een keer wekelijks de gortsoep met 39 gram rundvet, per saldo
nog geen negen gram vlees en ruim zes gram rundvet per dag per persoon.
Maar ook het
vlees bleek niet altijd in orde te zijn, op 2 maart 1826 keurde de officier van
gezondheid, die de verantwoording over het lichamelijke wel en wee droeg, het
vlees voor een deel af. Negen van de 216 kilo bleek niet goed te zijn, maar de
commandant vond dat niet de moeite waard. Een jaar later stonden beide
functionarissen weer tegenover elkaar toen de geneesheer Van Thienen meende dat
de leverancier te veel benen in plaats van vlees leverde, wat voornamelijk ten
koste ging van de zieke gedetineerden. Ook hier vond de commandant van de
strafinrichting Le Bron dat het vlees daarvoor niet van te slechte kwaliteit
was, maar hij vond de klacht van teveel benen wel terecht. Hij zou er bij de
volgende inschrijving de nodige aandacht aan besteden.
Tot 1832 bleef
het vlees constant op 20 à 21 cent de kilo staan, maar in 1832 steeg de prijs
enorm en wel naar veertig cent over het eerste half jaar, waarna de prijs weer
daalde naar 29 cent in de tweede helft.
Tabel 4: Prijzen van geleverd rundvlees
over de jaren 1832-1861
|
periode |
prijs per kg in guldens |
|
voor 1832 |
0,20 à 0,21 |
|
1832 le halfjaar |
0,40 |
|
1832 2e halfjaar |
0,29 |
|
1833 1e halfjaar |
0,36 |
|
1833 2e halfjaar |
0,30 |
|
1834 1e halfjaar |
0,26 |
|
1834 2e halfjaar |
0,28 |
|
1846 gehele jaar |
0,31 |
|
1847 gehele jaar |
0,34 |
|
1855 gehele jaar |
0,48 |
|
1861 gehele jaar |
0,52 |
Uit de
prijsstijgingen na 1845 blijkt niet dat de accijns op vlees na 1852 naar
beneden was gegaan, zoals in de verschillende studies over de voeding in
Nederland vermelden. Het is dan ook
niet verbazend dat in 1862 het vleesverbruik in de gevangenis was gedaald tot
zeventien gram per dag per persoon.
Door de
verbetering van de verkeersmiddelen werd de afzet van groenten en fruit groter,
terwijl ook de export steeg. Op de bereiding van groenten hadden medici uit de
negentiende eeuw kritiek, omdat ze vonden dat deze teveel werden afgekookt,
waardoor men net zo goed gestoofd touw
had kunnen eten. Het best verkrijgbaar waren de verschillende koolsoorten,
snijbonen, slabonen, diverse wortelen, erwten, prei en dergelijke. Voor de
gegoede burgerij waren er dan nog schorseneren, asperges, artisjokken en
komkommers. Toch was het gebruik van erwten en bonen in Amsterdam bijvoorbeeld
maar mager, namelijk honderd gram per week wat afgezet tegen het landelijk
gemiddelde van 750 gram nogal opviel.[30]
Kijken we in
de gevangenis dan valt het op dat in
1821 er voldoende aandacht bestond voor groenten. Zo at men op dinsdag vijf
honderd gram wortelen, op woensdag vier honderd gram erwten, op donderdag weer
vijf honderd gram wortelen of kool en op zaterdag eveneens vijf honderd gram
soepgroenten. Over een week genomen dus
1900 gram groenten, oftewel ongeveer drie ons per dag. Dat was beduidend meer
dan het landelijk gebruik. Toen echter om bezuinigingsredenenen in 1825 de
soepen werden ingevoerd daalde het aandeel groenten aanmerkelijk: in de vlees-
en beenderensoep vier keer per week in totaal 280 gram groenten en 375 gram
erwten per week, ergo 655 gram wekelijks wat neerkwam op nog geen 100 gram per
dag, toch nog bijna gelijk aan het landelijk gemiddelde. Toen er in 1828 een inschrijving plaats
vond, bleek dat het assortiment groenten bestond uit kool, wortelen, knollen of
rapen, zuring, uien en (met de hand bijgeschreven) sellery, spinage en spruiten.
Of deze groenten ook allemaal geleverd werden, was uit de stukken niet te
halen. Telkens als er over dit onderdeel gesproken werd, volstond men met het
begrip groenten. Opvallend is ook de vaste prijs die de leverancier berekende,
namelijk om en nabij de vier cent de kilo. Dit doet veronderstellen dat de
variatie niet zo ruim zal zijn geweest als uit die welke op de inschrijving
stond vermeld.
Ook in latere
jaren blijkt er in groenten weinig fluctuatie in prijs te zitten. Toen de
aardappelen niet meer te krijgen waren, recommandeerde de gouverneur op 25
september 1845 om in plaats daarvan onder andere witte kool, wortelen of
knollen te nemen dan wel goede zuurkool met zogenaamde paardebonen. Sedert 1848
gold een andere menukaart, waarin over de week genomen 640 gram groenten en 400
gram erwten prijkten, nog steeds vergelijkbaar met wat men buiten at. In 1861
verdubbelde de prijs van groenten, waardoor de minister van Justitie trachtte
invloed uit te oefenen op de leveranciers om de prijs te verlagen, in welke
actie hij echter niet slaagde.
Ook boter was een weinig of geen gebruikt middel. Het
behoorde net als vlees tot de luxe artikelen. Voor de kleine boer was boter een
gewild handelsproduct, terwijl hij er tevens karnemelk aan over hield. Deze
kostte slechts twee à drie cent de liter tegen acht cent voor zoete melk. Daardoor behoorde dan ook melk
lange tijd tot de onbereikbare dranken die eigenlijk voor een gezonde
kalkvoorziening van belang was. Als er al melk te koop was, bleek deze zwaar
aangelengd te zijn met water, een praktijk die tot 1912 duurde, toen deze via
een wet strafbaar werd gesteld. [31]
Daarom stond er bij de kleine boerenstand nooit boter of kaas op tafel, soms
wel enig smout (reuzel) of geprakte aardappelen op het brood.[32]
Ook achter de tralies was melk een drank die men mondjesmaat verstrekte. Pas in
1845 zien we op het menu dat de gevangenen in de wintermaanden dagelijks zes
vingerhoeden ( 6 centiliter) zoete melk aangelengd met water verstrekt kregen,
in 1846 was het 60 cc geworden, de melk kostte toen nog geen vijf cent per
liter. Pas in 1854 besloot de minister dat gedetineerden ook in de zomermaanden
aangelengde melk mochten drinken.
Toen de
rekenmeesters van de gevangenis in
1825 uitvonden dat men bij de bereiding van maaltijden door boter te nemen
slechts de helft aan rundvet nodig had, was hun keuze snel gemaakt. Kennelijk
was de prijs van boter nogal seizoengevoelig, hetgeen naar voren kwam bij de
inschrijving voor het eerste halfjaar van 1832 ten de goedkoopste leverancier
er f 6,10 per kilo voor vroeg, vergeleken bij de vorige prijs van f 4,86 een
beduidende verhoging. De minister drong aan op een lagere prijs, wat de
onderhandelende regenten met veel pijn en moeite gelukte: de prijs werd vijf
gulden. Overigens daalde de prijs van dit zuivelproduct in de tweede helft weer
naar f 3,79.
Eerdergenoemde
voedingsspecialist Mulder had weinig waardering voor suiker, omdat deze naar
zijn oordeel weinig toevoegde aan de gezondheid van de mens. Hoewel al in 1747
de suiker in de beetwortel was ontdekt, duurde het tot 1796 eer men het eruit
kon raffineren. Door het Continentale Stelsel van Napoleon werd de toevoer van
rietsuiker uit West Indië gestagneerd en daardoor ontstonden er in 1812
veertien beetwortelsuikerfabrieken in Nederland die even snel weer verdwenen
toen Willem als soeverein vorst ging regeren. Ook door de hoge accijns op deze
soort suiker bleef de rietsuiker lange tijd populair. Pas in 1858 kwam er in
Zevenbergen weer een beetwortelsuikerfabriek, in 1867 in Geertruidenberg en in
1873 één in Werkendam. Ondanks Mulders advies steeg het verbruik in de laatste
helft van de eeuw aanzienlijk van gemiddeld zeven gram per dag in 1851 tot
ruimt 24 gram in 1892. [33]
In de gevangenis werd er geen suiker verstrekt aan de gedetineerden, wel konden
ze het in de kantine kopen, maar in 1828 besteedden de gevangenen slechts twee
promille van alle aankopen aan suiker.
Aparte
aandacht besteden we nog aan soep. Vanaf 1800 zien we soep
veelvuldig op de spijslijsten van instellingen staan, vooral de maaltijdsoep
die men met behulp van beendermeel dik wist te krijgen, waarmee de weinige
calorieën aardig gecamoufleerd werden. Het idee kwam van Benjamin Thompson,
graaf van Rumford die dit voor de soldaten had ingevoerd. Naar hem werden deze
soepen dan ook genoemd. In het katholieke jongenshuis in Amsterdam kregen de
knapen drie keer per week soep, op zondagen zat er enig vlees in (twintig gram
per persoon).[34] In de
wekelijkse vleessoep van de gevangenis zat dan nog zestig gram! De
beenderensoep die in 1825 nog op het menu stond, viel er in 1826 weer vanaf, de
gortsoep en de groene erwtensoep bleven in elk geval bestaan, de laatste zelfs
tot laat in de jaren zestig van de twintigste eeuw.
De vleessoep
bestond naast de genoemde zestig gram vlees voorts uit 6 gram rundvet, 70 gram
groenten, 220 gram aardappels, 70 gram tarwebrood, 50 gram gerstemeel, 60 gram
gort, zout, peper en wat azijn. De gortsoep hoofdzakelijk samengesteld uit gort
( 220 gram), bijna 40 gram vis en zout, de erwtensoep kende 370 gram erwten, 40
gram rundvet en zout. Toen in 1845 de
aardappelen een zachte dood stierven werd de vleessoep verbeterd met brood of
gort. Er is dan twee à drie keer vleessoep in de week, twee keer gortsoep en
een à twee keer per week erwtensoep. In de tweede helft van 1846 toen de
aardappelen terugkeerden werd het weer één keer per week vleessoep en één keer
per week erwtensoep.
Eveneens
aparte aandacht besteden we aan het gebruik van zout. Zout dat onder meer gebruikt werd als
conserveringsmiddel voor producten die aan bederf onderhevig waren, diende
eveneens om de maaltijden op smaak te brengen. Kennelijk waren de behoeften aan
zout in voorgaande tijden hoger dan nu het geval was, terwijl men destijds ook
weinig de gevaren van een te hoog gebruik overzag. Tijdens het ancien regime
liep het gebruik op van negen tot vijftien gram per dag per persoon met alle
gevolgen van dien voor de gezondheidstoestand. Huidige medici achten een gram
per dag ruimschoots voldoende [35]
Ook in de gevangenis viel mij het
hoge gebruik van zout direct op, wat in de volgende tabel 5 tot uiting komt.
Daarbij komt dat de prijs van zout aan de hoge kant was. Al in 1825 wees de commandant van de
gevangenis de commissie van administratie erop dat door drastische vermindering
van het zout een bedrag van f 1,66 per week kon worden uitgespaard. Pas na 1845
zien we een aanzienlijke reductie, hoewel men de norm van één gram nog steeds
bleef overschrijden.
Tabel 5. Het gebruik van zout in de
strafinrichting te ‘s-Hertogenbosch tussen 1821-1861 in grammen per dag per
persoon.
|
jaar |
Hoeveelheid |
|
1821 |
37 gram |
|
1823 |
30
“ |
|
1826 |
25
“ |
|
1846 |
13
“ |
|
1862 |
17
“ |
In 1830
verhoogde de overheid de accijns op zout met maar liefst f 1,40 per honderd
kilo. De winkelier H.J. van der Ven die voor f 12,00 per 100 kilo had
ingeschreven zag zijn winst als sneeuw voor de zon verdwijnen en vroeg de
accijnsverhoging te mogen doorberekenen. De vraag legde men voor via de
gouverneur aan de minister van Binnenlandse Zaken, die het verzoek afwees met
het argument dat dit soort risico`s nu eenmaal voor de inschrijvers waren.
De
verschillende prijsschommelingen van de levensmiddelen vergden van de regenten
telkens dat zij daarop inspeelden en daarmee creatief omgingen, uiteraard
steeds binnen de smalle marges die de minister toestond. Menigmaal waren er
brieven waarin de minister via de gouverneur van de provincie kritische vragen
stelde, aanwijzingen gaf en terechtwees.
Op 24 oktober 1831 liet de bewindsman weten dat hij de prijzen van de
aardappelen, de boter en het rundvlees te hoog vond. Het was nog de tijd dat de
ministers zich met de details bemoeiden. De regenten moesten maar de laagste
inschrijvers zien over te halen hun prijzen naar omlaag te brengen, zeer tegen
de principes van het inschrijvingssysteem in. De arrogantie van de macht
slaagde dit maal, want de aardappelen zakten van 2,70 naar 2,00, de boter van
6,10 naar 5,00 en het rundvlees van 2,00 naar 1,75. In 1834 vond hij het
rundvet te duur en in 1845 waren het de groenten, de peper, de komijnekaas en
de melk die zijn toets der kritiek niet konden doorstaan. Vergeleken met de
landelijke prijzen hanteerden de leveranciers in Noord Brabant een te hoog
prijzenstelsel naar zijn mening.
De marges
tussen de inschrijvers waren soms marginaal. Voor 1846 schreef eerder genoemde
broodleverancier Teeuwen in voor f 10,89 per 100 kilo roggebrood, tegenover f
11,89 en f 11,50 door anderen. Maar ook konden er grote prijsverschillen in
zitten. De laagste inschrijver voor gort bijvoorbeeld rekende f 0,16 per kilo
en de hoogste f 0,29 en voor boter waar zes leveranciers op inschreven
varieerden de prijzen tussen f 0,78 en f 0.90 per kilo.
Toen de
commissie van administratie in 1846 een betoog hield om in plaats van
aardappelen tarwebrood in de soep te doen, reageerde Den Haag dat dat per
honderd gedetineerden 54 cent duurder zou uitkomen. Neen, calculeerde de
commandant Van de Wakker, het zou 29,4 cent duurder zijn, maar wegens de
slechte kwaliteit van de aardappel en het minder voedend vermogen ervan gaf hij
de voorkeur aan tarwebrood. Overigens vroeg hij zich af of er binnenkort nog
wel aardappels te krijgen waren.
In het eerste
half jaar van 1854 moesten de duurdere
groene erwten vervangen worden door de goedkopere gele soortgenoten, maar een
half jaar later toen het prijsverschil nog maar 3 cent was, mochten de groene
weer worden aangekocht.
Over het
geheel genomen varieerden de dagprijzen voor maaltijden tussen 1830 en 1840
zoals ze in de jaarverslagen werden vermeld, nauwelijks, daarna schommelden ze
en stegen ze in het volgende decennium met als hoogtepunt 1846 toen de
strafinrichting per voedingsdag per gedetineerde zelfs 17 cent moest
neertellen. De eerste twee jaren van de jaren vijftig waren ongekend laag, maar
daarna stegen de prijzen weer snel met als duurste jaar 1855 toen de dagprijs
192 cent bedroeg.
Tabel 6. Dagprijzen voor voeding aan
gedetineerden in de strafinrichting ‘s-Hertogenbosch tussen 1830-1854 in centen
|
jaar |
prijs |
Jaar |
prijs |
jaar |
Prijs |
|
1830 |
11 |
1840 |
11,7 |
1850 |
8,9 |
|
1831 |
14 |
1841 |
12,6 |
1851 |
10 |
|
1832 |
14 |
1842 |
13,2 |
1852 |
10 |
|
1833 |
14 |
1843 |
12,5 |
1853 |
12 |
|
1834 |
11 |
1844 |
9,7 |
1854 |
16 |
|
1835 |
11 |
1845 |
10,1 |
1855 |
19,5 |
|
1836 |
10 |
1846 |
17,1 |
|
|
|
1837 |
10 |
1847 |
13,3 |
|
|
|
1838 |
10 |
1848 |
13,8 |
|
|
|
1839 |
10 |
1849 |
10,6 |
|
|
Natuurlijk
konden de gedetineerden hun maaltijden via de kantine aanvullen, als ze
tenminste over geld beschikten. Tussen
1824 en 1828 zijn er documenten bewaard gebleven waaruit de bestedingen in de
kantine zijn vermeld. In deze periode
konden de gedetineerden van alles kopen tot en met bier en jenever, maar ook
roggebrood, tarwebrood, boter, spek, koffie, azijn, korte en lange pijpen,
inkt, pennen en uiteraard ook tabak en snuif.
Tabak was
doorgaans het meest geliefd, gemiddeld veertien procent over genoemde periode
van het totaal bestede bedrag ging
daarnaar toe, daarna kwam boter met een zelfde percentage, jenever werd voor
gemiddeld zestien procent genoten (de laatste jaren zakte het naar dertien
procent), witbrood (negen procent), room (acht procent), spek (zeven procent),
bier (zes procent) en roggebrood (vier procent).
Opvallend was
dat de winst die de inrichting op kantineartikelen maakte er niet om loog:
zeventien tot twintig procent en dan was de 250 gulden voor de kantinebaas er
al van af getrokken. Op roggebrood
maakte men bijvoorbeeld zestig procent winst, op tabak 69 procent, maar op
boter weer zestien procent.
Burema[36]
berekende de voedingswaarde van het eten dat bedelaars in Veenhuizen in 1826 en
1828 verstrekt kregen. Afgezet tegen de
normen die men tegenwoordig stelt voor mannen tussen twintig en zestig jaar die
zware arbeid verrichten, zag het beeld er niet onverdeeld ongunstig uit.
Tabel 7. Gemiddelde voedingswaarden in
Veenhuizen in 1828 afgezet tegen de normen voor mannen tussen 20-60 jaar met
zware arbeid.
|
|
Kcal |
eiwit plantaardig |
eiwit dierlijk |
vet |
koolhydr |
calcium mg |
ijzer mg |
Vitaminen |
||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
A |
Carot |
B1 |
B2 |
C |
|
Norm |
3900 |
50 |
40 |
125 |
585 |
1000 |
12 |
1500 |
2400 |
1500 |
1800 |
50 |
|
Veenhuizen |
4039 |
69 |
10 |
256 |
405 |
399 |
23 |
- |
10546 |
2469 |
1328 |
61 |
De
koolhydraten, het dierlijke eiwit, het calcium en de vitamine A en B2 bleven
onder de maat. Opvallend hoog is het caroteengehalte, hetgeen veroorzaakt werd
door de vele wortelen die men er gemiddeld dagelijks at ( 124 gram), de
overwaarde aan vitamine B1 vond zijn oorzaak in de vele aardappelen (1200 gram)
en de groene erwten (71 gram). Door het geringe aandeel aan rundvlees en spek
moet het tekort aan dierlijk eiwit en vitamine B2 geweten worden, terwijl het
ontbreken van melk en boter leidde tot het gebrek aan calcium en vitamine A.
Hoewel de
inrichtingsarts, toen nog officier van gezondheid genoemd, af en toe mopperde
dat de geleverde voedingsproducten niet beantwoordden aan de gestelde norm,
liet hij zich nauwelijks of niet horen. Op 18 juli 1826 berichtte de commandant
dat aan de voeding niets te wensen overbleef, want, ondanks de drukkende warmte
bleef het ziekepercentage onder de gevangenen onder het vijf procent.
Natuurlijk
waren de gedetineerden het niet altijd eens met de hoeveelheid of de kwaliteit
van het eten en lieten zij dat op hun manier blijken, zoals aan het licht kwam
bij een onderschepte brief van de gedetineerde kanonnier Gerrit Moerman op 28
april 1834 ...dat `het slegt daar te leve is daar het eten slegts voor een zwijn
is en het brood voor een paard en dan nog te min..’.[37]
In de jaren 1845 en 1846 toen de hongersnood in het land ernstige vormen aan
ging nemen, kwamen ook in de gevangenis meer geluiden dat het eten niet
voldeed. In het jaarverslag over 1845 stond dat in de maand november een
oproerige geest heerste wegens de veranderingen in het menu, op 14 oktober 1846
weigerden de militaire gevangenen het middageten in ontvangst te nemen omdat de
portie naar hun mening te gering was. Uitgebreid stond in de courant de Noord
Brabander op 14 augustus 1847 een ingezonden stuk van ex-gedetineerde H.W. van
Beek, die zich beklaagde over het brood dat bestond uit twee delen zemelen, een
deel rogge en de rest uit lijnzaad. De commissie van administratie gaf toe dat
het brood niet altijd voldeed aan de normen, wat -zoals al eerder aangegeven-
uiteindelijk leidde tot een strafvervolging.
In historisch
opzicht hebben zowel de socioloog Norbert Elias als enkele vertegenwoordigers
uit de Franse school Annales aangetoond dat informatie over voeding belangrijke
legpuzzelstukjes toevoegden aan de sociale en culturele geschiedenis. Uit veel
egodocumenten kunnen we kennis nemen van de culinaire genoegens uit andere
tijdperken, zij het dat zij ons slechts een kijkje gunnen in de keukens van de
upper ten [38] De andere
beschikbare gegevens betreffen meestal weinig representatieve bevolkingsgroepen
als de hogere standen, militairen, matrozen en religieuzen. De ondervoeding die
zich in de eerste helft van de negentiende eeuw deed gelden was een fenomeen
van de industrialisatie in haar beginfase. Niet zozeer een gebrek aan
calorieën, maar eerder een slechte samenstelling en gebrek aan variatie
veroorzaakte deze ondervoeding, die onder andere tot uiting kwam in de geringe
lengte van de man. Militaire keuringen toonden aan dat de gemiddelde gestalte
van 164 cm in 1860 pas in 1970 aangroeide tot 178 cm. Het tekort aan vitamine A
was er de oorzaak van dat er vrij veel blinden rondliepen en het vitamine D-tekort
was verantwoordelijk voor rachitis, ook wel Engelse ziekte genoemd. [39]
We koesteren
geen enkele illusie dat het eten in een strafinrichting ver uit zal steken
boven wat er buiten voor de doorsnee gewone man op tafel kwam. Minister Van Manen sprak namens de vorst dat
de kosten voor voeding van een gevangene niet hoger mochten zijn dan die voor
een eerlijke minvermogende.[40]
Toch blijken de maaltijden vergeleken met die van buiten soms beduidend beter,
althans lopen ze niet ver uit de pas daarmee. Ook de variatie blijkt in enkele
perioden groter te zijn dan menig arbeiderskeuken kende. Ook Ramon de la Sagra die namens de Spaanse
Cortes België en Nederland in 1839 met een bezoek vereerde meende dat de
gevangenen over goede voeding beschikten.
Het verhaal dat
de ronde doet dat sterk ondervoede mensen tegen de winter tot aan de Tweede
Wereldoorlog door landlopen en bedelen letterlijk vroegen om ingesloten te
worden, betekent dat de overheid ook in die tijd in dat opzicht zijn zorgplicht
verstond.
[1] Gepubliceerd in PROCES, nr. ½, 2001, pag 3-8
[2] Jozien Jobse-van Putten, Eenvoudig, maar voedzaam. Cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nederland (Nijmegen 1995) 528-529
[3] Herman Franke, Twee eeuwen gevangen. Misdaad en straf in Nederland (Utrecht, 1990), 38 en 65
[4] G.J. Hooijkaas, `De politieke ontwikkeling in Nederland, 1830-1840’, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden II ( Weesp 1983) 306-314
[5] L. Burema, De voeding in Nederland van de middeleeuwen tot de twintigste eeuw (Assen 1953), 219
[6] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 99 e.v.
[7] Burema, De voeding in Nederland, 219
[8] (later provinciale bij KB van 15 april 1843)
[9] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 130
[10] T.L. Korporaal, `Het dagelijkse brood’ in: Helmonds Heem, 4 (1989) 8
[11] Burema, De voeding in Nederland, 224
[12] Peter Scholliers, Arm en rijk aan tafel: twee honderd jaar eetcultuur in België (Berchem 1993) 150
[13] Rijksarchief in Noord Brabant (verder RANB), Archief gevangenissen `s-Hertogenbosch (verder AGH), inv. 91, brief van de commandant aan de commissie van administratie van 11-9-1841
[14] RANB, Archief van het provinciaal Hof in Noord-Brabant, 1838-1877 (verder APH) inv.nr. 232, arrest 5-2-1850
[15] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 102-104
[16] Scholliers, Arm en rijk aan tafel, 17
[17] Burema, De voeding in Nederland, 233
[18] RANB,
Archief van het provinciaal bestuur in Noord-Brabant 1814-1920 (verder APB),
inv. 4417, staat houdende renseignementen, omtrent de onder de aardappelen
heerschende ziekte, opgemaakt uit de daaromtrent, door den Staatsraad
Gouverneur der Provincie Noord Braband, van de plaatselijke Besturen in dat
gewest ingewonnen opgaven, September 1845.
[19] Frida Terlouw, `De aardappelziekte in Nederland in 1845 en volgende jaren’, in: Economisch- en Sociaal-historisch jaarboek 34(1971) 263-308
[20] RANB, AGH, inv. 146 artikel 14 van de leveringsvoorwaarden in 1828
[21] E. Stols, De vele smaken en geuren van de geschiedenis: een overzicht van vijf eeuwen voeding, produktie, verdeling, verbruik en cultuur (Leuven 1989) 144
[22] RANB, AGH, inv. 95 brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 1-9-1845 aan de commissie van administratie
[23] I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw. 1813-1870 (Utrecht, 1967 (1925)) 155
[24] Burema, De voeding in Nederland, 244-254
[25] Stols, De vele smaken, 168
[26] Burema, De voeding in Nederland, 254
[27] ibidem, 151
[28] RANB, Archief van de arrondissementsrechtbank te `s-Hertogenbosch, inv. 24, nr 108, vonnis van 21-8-1848
[29] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 129
[30] Burema, De voeding in Nederland, 235-238
[31] ibidem, 229
[32] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam,231
[33] Burema, De voeding in Nederland, 254-256 en Jobse, Eenvoudig maar voedzaam,113-114
[34] Jobse, Eenvoudig maar voedzaam, 194-196
[35] Stols, De vele smaken,75-76
[36] Burema, De voeding in Nederland, 294-195
[37] RANB, Archief gevangenissen `s-Hertogenbosch (verder AGH), brief van de commandant aan de auditeur militair van 28-4-1834
[38] Stols, De vele smaken, VI
[39] ibidem, 149
[40] Franke, Twee eeuwen gevangen, 38