HET LEVEN IN EEN
STRAFGEVANGENIS
De Direkteur
De radio staat aan
hij mag tot tien uur aan
blijven
dat staat in het regelement
de gevangenisdirekteur
heeft het in zijn
hoedanigheid van God
samengesteld en uitgetypt.
Onderaan het regelement
staat
Werk, Lees,
Studeer, Kanker niet.
De
Direkteur.
De
radio gaat uit
het
is tien uur
ook
de lichten gaan uit.
Iedere
keer hoor je klik
dat
zijn de schakelaars die omgedraaid worden.
Daarna
is het angstig stil
alleen
buiten hoor je soms geluid
Maar
dat staat niet in het regelement.
De
nacht is oranje
dat
doet het natriumlicht
ik
vloek
het
werkt op mijn zenuwen
ook
dat staat niet in het regelement.
Het
is nu al zowat weer ochtend
dan
mag ik een half uur luchten
frisse
lucht in mijn longen pompen
Kanker
niet, staat er in het regelement.
(Martin
van den Esschert Gevoelens van een bajesklant. Horus, 1977)
Dit
gedicht (dames en heren) schreef Martin
van den Esschert toen hij begin jaren zeventig in het Huis van Bewaring in
Amsterdam verbleef. Het werd opgenomen in de gedichtenbundel Gevoelens van
een bajesklant. Daarna schreef hij nog enkele werkjes, waarin hij de
buitenwereld duidelijk wilde maken hoe het leven in een strafinrichting is. Eigenlijk
zou hij dus hier vanochtend moeten staan om u te vertellen hoe dat leven
in de bajes is. Maar de organisatoren van deze dag zullen wel andere
opvattingen hebben gehad mij voor deze dag uit te nodigen. Ik ben niet
onbekend in de wereld die zich achter de tralies en hoge muren afspeelt, maar
mijn kijk op die wereld is een andere dan die van een gedetineerde, hoezeer ik
ook mijn best doe om in die schoenen van een gedetineerde te gaan staan. Mijn meer dan dertigjarige
functie als leidinggevende in verschillende strafinrichtingen, gekoppeld aan
mijn verworven deskundigheid als criminoloog staan in elk geval borg, naar ik
hoop, voor een redelijk betrouwbaar beeld van de feitelijke werkelijkheid. Ik
benadruk de feitelijke realiteit,
omdat de de doorleefde realiteit te individualistisch is.
Daarnaast
heb ik mij ook verdiept in de toestanden van een strafinrichting van de
negentiende eeuw, die -zoals U van mijn
voorganger al heeft kunnen horen - duidelijk verschilden van de hedendaagse
omstandigheden. Ik heb mij voor wat dat betreft beperkt tot één strafinrichting
en wel die welke U straks zult gaan bezoeken in deze stad. Niet dat U er veel
terug zal vinden wat er in de negentiende eeuw geweest is, maar zij stond er in
elke geval op dezelfde plaats: aan de spinhuiswal, niet voor niets dus heeft
die straat deze naam gekregen.
In
de beperkte tijd die mij gegund is, zal ik behoorlijk moeten snijden als we
gaan praten over het leven in een strafinrichting. Want we kunnen bij leven ons
van alles voorstellen. Sommigen zullen zeggen dat de omstandigheden er
nauwelijks leven genoemd kunnen worden: immers vrijheid is voor de één nog
kostbaarder dan voor de ander. Tot aan 1860 was het ook de plaats waar enkele
tientallen mensen hun tijdelijke gevangenschap moesten inruilen voor de dood:
aan de galg of de worgpaal of gewoon omdat het leven ophield. Overlijden door ziekte, gebrek of kwaal of
dat de zin eruit was gehaald en de mens dit recht in eigen hand nam.
Als
ik het over het leven in een strafinrichting heb, zal ik de tijd in drie
globale perioden verdelen, te weten
1.de
periode 1815-1850, die ik de naam van ongecontroleerde gemeenschapsregiem
gegeven heb;
2.
de periode 1850-1950 met de naam van (on)gecontroleerd cellulair regiem
en
3. de periode 1950 tot heden het gecontroleerd beperkte gemeenschapsregiem
U
ziet het bovenaan deze sheet de genoemde perioden.
De
aspecten die ik vervolgens de revue laat passeren zullen deels vanuit de optiek
van de gedetineerde, deels vanuit die van het personeel en deels vanuit de
samenleving bepaald worden. De kruisjes geven dan aan waar het volgens mij
relevant is daarover te spreken.
Immers
als we over het leven in de bajes praten, praten we over mensen in een gebouw
dat afgesloten is van de samenleving. In dat gebouw verblijven gedetineerden en
personeelsleden die hoe dan ook met elkaar in contact staan. Hun levens zijn
voor een deel met elkaar verweven. Daarnaast is het volgens mij belangrijk te
kijken hoe de leefomstandigheden buiten de bajes waren, omdat te eenzijdig
kijken naar wat er met mensen gebeurt binnen een kunstmatig dorp zonder die te
vergelijken met wat er met die zelfde mensen buiten gebeurt niet reeël is.
De
afbakening
De
drie perioden die ik daarnet geschetst heb, hangen nauw samen met twee rode
draden. De ene rode draad is de mate van gemeenschap die de gedetineerde heeft,
dat wil zeggen hoeveel en hoe vaak zit hij/zij
in de cel alleen of hoe vaak heeft hij contact met een medegedetineerde en de andere rode draad is hoeveel
personeel er beschikbaar is om voor hem te zorgen en er te zijn als hij deze
nodig heeft. Immers hoe meer personeel er is, hoe gecontroleerder de
organisatie. De laatste twintig jaar van deze eeuw moet U uitgaan van één op
één (iedereen daarbij inbegrepen/ bewaarders, dominees, administratief
personeel). Dat is lange tijd in de negentiende eeuw wel anders geweest. In
1825 zijn er veertien personeelsleden in dienst, waarvan vier bewaarders op
zo’n 700 gedetineerden . Dat had dan ook wel eens consequenties. Als er op 25
juli 1825 een groot aantal boeven, nadat ze de werkopziener hebben
overmeesterd, kans zien met een schrobbelzaag een gat naar de zolder te zagen,
weten er enkelen te ontsnappen. Het college van regenten stelt de gouverneur
voor de ringmuur te verhogen en het korps bewaarders tot zes uit te breiden en
een tweede portier aan te stellen.( gev.archief inv.nr.139.02/188 stuk 254 dd
16-8-1825)
Voeding
Hoewel
de strafinrichtingen duidelijk afgesloten zijn van de buitenwereld, wil dat nog
niet zeggen dat de situaties binnen in veel opzichten verschillen met die van
buiten. Neem nou de voeding. De meeste gedetineerden op enige uitzondering na
waren en zijn nog steeds afkomstig is uit de armste lagen van de
samenleving. Zeker in de negentiende,
maar ook een behoorlijk deel van de twintigste eeuw was er bij de veroordeelden
sprake van absolute armoede en zijn hun wetsovertredingen voor een
belangrijk deel daaruit te verklaren. Als ik over absolute armoede spreek
bedoel ik aan de rand van de dood (honger, gebrek aan huisvesting, kleding,
warmte etc.) Bij relatieve armoede denk ik meer aan nu, aan een
behoorlijke achterstand bij de modale en supermodale burger, eerder dan aan
honger, gebrek aan een huis of verstoken zijn van warmte; tenzij men daar zelf voor gekozen heeft.
Als
we de sociale geschiedenis van de negentiende eeuw bestuderen dan zien we
vooral in de stedelijke samenleving van de arbeiders dat naarmate de
graanproducten duurder worden de maaltijden hoofdzakelijk bestaan uit
aardappelen die tot aan 1845 vergeleken met brood goedkoop zijn. Arme mensen
-ook die van het platteland- eten soms wel driemaal daags gekookte aardappelen
met een weinig azijn, nauwelijks of geen groenten en vlees. Het wereldberoemde
werk van Vincent van Gogh uit Nuenen over de aardappeleters bevestigt mijn
constatering. Als we naar het menu van de gevangenis kijken, dan zien we het
volgende beeld
sheet
Ik
heb de hoofdbestanddelen eruit gehaald om U de verschillen tussen de perioden
te laten zien. Het is het gewicht per week in kilogrammen. In 1825 daalt het
aandeel roggebrood ten gunste van de aardappelen, die weer als rantsoen in 1847
(denk aan de mislukte aardappeloogsten in 1845 en 1846) daalt. Daarna blijft
het redelijk stabiel. De menu’s bestonden veel uit soepen, soms wel tot zes
keer per week (vleessoep, gortsoep, beenderensoep, erwtensoep). Vlees is er
nauwelijks tot niet, tussen de zestig en honderd gram per week. Over het
algemeen waren de maaltijden karig, maar bepaald niet geringer dan wat de arme
mensen buiten aten. Alleen de militairen wilden nog wel eens klagen. Einde 1846
schreef de commandant aan het college van regenten “Ik heb de eer Uwe
Edelgestrengen te berigten dat hedenmiddag de gevangenen in zaal N 20
(militairen bestemd voor de strafgevangenis te Leijden) geweigerd hebben hun
middageten te ontvangen, voorgevende dat hun portie te gering was” (inv.nr.139.01/97
vergaderstukken 14-10-1846) . Als in november 1846 de kwaliteit van
de aardappelen slecht blijkt te zijn, mag de commandant twee keer per week
erwtensoep klaar laten maken.
In
de twintigste eeuw zullen de maaltijden langzamerhand beter worden en zijn de
kalorieën ook beter aangepast aan de normen die de gezondheidsraad vastgelegd
heeft.
Slapen
Een
goede nachtrust is nooit weg, weet men al sinds lang, alleen de laatste jaren
is men zich sterker bewust dat de ergonomie (matras, bedstand etc) een
belangrijke rol speelt, iets wat daarvoor nauwelijks meespeelde, mede omdat de
mens overdag zijn spieren (ook die van zijn rug) meer gebruikte. In de periode
dat er sprake was van een ongecontroleerd gemeenschapsregiem verbleven de
gevangenen overdag en ‘s nachts in collectieve ruimten. Overdag werkten ze op
werkzalen en ‘s nachts moesten ze in kleine bedompte zalen waar in drie lagen
hangmatten hingen de slaap zien te vatten. Niet alleen dat sommigen zich aan
elk gebrek aan privacy stoorden, maar ook de liederlijke taal, de smerige lucht
en de onderlinge obsceniteiten waren ook niet voor iedereen even welkom.
Ook
de gezagsdragers waren deze aangelegenheden een doorn in het oog, redenen
waarom dan ook na 1850 het cellulaire stelsel is ingevoerd. Op 15 oktober 1846
schrijft de gouverneur van Noord Brabant aan het college van regenten dat hij
in Frankrijk een oplossing voor het probleem heeft vernomen: de hangmatten om
en om te hangen, zodat het hoofd van de één tegen de voeten van de buurman
aankijkt. Misschien iets voor het Bossche gevang. Nou, zegt de commandant die
wat wereldwijzer uit zijn ogen kijkt dan de edele magistraat, dat zal weinig
helpen. In de eerste plaats zullen de gedetineerden hun hoofdpeluws weer
terugleggen wat een kwestie van nog geen minuut werk is. Ook nachtelijk
controleren heeft weinig zin, want de gevangenen horen de bewaarder al een
kwartier van tevoren met rinkelende sleutelbossen aankomen. En als derde reden
om het niet te doen geeft de directeur aan dat door “onaangename
uitwasemingen der voeten tot de bevordering van hunne gezondheidstoestand niet
zal bijdragen”
gezondheid
Als
het met de gezondheid van veel arme en ondervoede mensen in de samenleving
slechter gesteld is dan met degenen die over meer geld beschikken, moeten we
niet vreemd opkijken als het in de strafinrichting niet anders is. De vele
ziekten tot en met cholera, typhus en tuberculoze gaan ook de inrichtingen niet
voorbij. Toch viel het mij in Den Bosch op dat het aantal overledenen niet de
pan uitrees. Alleen in de jaren 1846, 1847 en 1848 waren hoger dan in
voorgaande jaren met dertien, 27 en negen. Dit correspondeerde met de
landelijke cijfers en hebben waarschijnlijk te maken met enerzijds de
ondervoeding , met de zeer warme zomer van 1846 en het hoge aantal
gedetineerden. Schommelde de gemiddelde sterkte in Den Bosch tussen 1841-1849
tussen de 150 à 170, in de beruchte jaren 1846-1847 was dat 275 en 304.
Als
we de jaarverslagen uit dezelfde periode hanteren ten aanzien van de ziekte,
dan zien we vooral in 1848 een hoger percentage ziekte dan de andere jaren ( nl
bijna 10 procent tegenover de 5 à 7 ). Dat wil zeggen dat de percentages bij
vrouwen twee tot drie keer zo hoog waren. Aan welke ziekten de mensen leden,
worden we door het gebrek aan vermeldingen in de bronnen niet gewaar. Pas als
de brieven van de geneesheer apart genoemd worden en dan spreken we over de
periode van 1885 en later, krijgen we wat meer zicht op de medische zorg. Als
de commandant vraagt of de pakjes kleurstoffen die de gedetineerden als
arbeidsobject in moeten pakken schadelijk zijn voor de gezondheid ( ja, ja ook
toen al!) antwoordt de arts dat hem dat tot nu toe niet gebleken is, maar dat
een chemisch onderzoek door een scheikundige meer zekerheid kan verschaffen.
“Daar
de gevangene Elisabeth van Bemmel lijdende is aan een verzakking van den
uterus, heb ik de eer U Edelgestrenge beleefd te verzoeken mij een pessarium te
huren uit het Rijksmagazijn van geneesmiddelen”
Aan
de andere kant waren de minister en de rechters bikkelhard als het aankwam op
het verlenen van gratie. Tot twee keer toe bericht de officier van gezondheid
(zoals deze toen genoemd werd) dat Hendrika Gast die aan longtering leed beter
gratie kan krijgen want dat ze anders binnenkort zal overlijden, maar veertien
dagen zien we haar overlijdensbericht in de registers. De pokkenepidemieën die ook buiten van tijd
tot tijd toeslaan, worden ook in de inrichting met revaccinatie preventief
bestreden.
In
deze tijd is één van de ernstigste problemen van het gevangeniswezen de
begeleiding van gedetineerden van wie bekend is dat zij seropositief zijn of
reeds lijden aan de nog steeds ongeneeslijke aandoening Aids. Het aantal mensen
die met HIV besmet zijn is vele malen hoger dan landelijk, wat voor een
belangrijk deel te maken heeft met het intraveneuze druggebruik waarbij zij
niet met steriele naalden werkten. Ook het anatal aan hard drugs verslaafde
mensen kan soms de helft van de populatie overschrijden.
arbeid
Tot
aan de helft van de negentiende eeuw hielden de gedetineerden zich vooral
bvezig met textiele arbeid, dat wil zeggen spinnen, weven, verven en vele
andere handelingen die daarmee gepaard gaan. In 1824 waren er bijna vijf
honderd mensen mee bezig. Een tweede belangrijk arbeidsobject was tot ver in
deze eeuw de huisdienst. In gedetineerdentaal de baantjes: reinigen,
keukendiensten, allerhande hulpjes, maar in de negentiende eeuw ook schrijvers,
timmerlui, repareerders. Voor justitie uiteraard een grote kostenbesparing. Aan
het eind van de negentiende eeuw, als de meeste mensen cellulair zitten,
verandert ook de arbeid. Voor een deel wordt die er simpeler op, voor een ander
deel blijft het ambachtelijk, zoals bijvoorbeeld het snijden van klompen.
Wat
de arbeid betreft is een tweede economisch voordeel dat vele artikelen (kleding
en schoeisel bijvoorbeeld) zowel voor gedetineerden als voor personeel van
rijksdiensten in de gevangenis gefabriceerd worden. Aan het einde van de vorige
eeuw, als Den Bosch een landelijke gevangenis voor vrouwen heeft, zie je de
vreemde constructie dat allerlei vrouwen uitgeleend worden voor baantjes als
wasvrouw, keukendienst,
sokkenherstelster naar verschillende inrichtingen in heel Nederland. In 1882
zijn er 73 vrouwen buiten de inrichting en 44 binnen Den Bosch. De meesten zijn
in Dordrecht ondergebracht (26), maar de rest verdeeld over zeventien
strafinrichtingen. In datzelfde jaar
zien we dat er ook erwten gelezen zijn, een werkje waarbij weinig belezenheid
of ambachtelijke know how vereist is. (136.02/239) Overigens dankt de oude gevangenis in Hoorn zijn naam
“krententuin” aan de arbeid die destijds daar verricht werd, waarbij de krenten
van ongerechtigheden gezuiverd werden.
De
hedendaagse gevangenissen zijn vaak uitgerust met de modernste apparatuur op
het gebied van drukwerk, metaal, hout, wasserij tot zelfs een bakkerij.
discipline
U
begrijpt dat een instituut als een strafinrichting , die alle moeite moet doen
om mensen binnen de muren en achter de tralies te houden, haar handen vol heeft
aan het controleren of gedetineerden zich niet met ongeoorloofde zaken bezig
houden. Op het gebied van ontsnappingen zijn gedetineerden gebleken deskundiger
te zijn dan menigeen die er zijn brood mee verdient. Maar ook andere zaken die
buiten al verboden zijn, kunnen ook binnen de strafinrichting niet geduld
worden: mishandelen (zowel van medegedetineerden als van personeelsleden),
diefstal (rijkseigendommen en die van lotgenoten), sexueel geweld om maar
enkele overtredingen te noemen. Daarbij tellen we dan ook het verbod op het gebruik van
alkoholhoudende dranken, drugs, het herrie maken of de verboden contacten. Op
overtredingen heeft de directeur de bevoegdheid een disciplinaire straf op te leggen. In de negentiende eeuw kon
dat zelfs nog bullepeesslagen zijn, zoals dat toen ook buiten als bijkomende
straf nog gold. In de meeste gevallen kreeg de gedetineerde een poos
afzondering in een strafcel, ook wel cachot of krimineel hok genoemd, tot in de
jaren zestig van deze eeuw nog gepaard gaande met het bekende water en brood.
6
October 1818 Elisabeth van Soest: overtuigd van eene harer medegedetineerden
Cornelia van der Pluim te hebben geslagen en in college van regenten de data
heden gecondemneerd (gestraft) om strengelijk met bullepeesslagen te worden
gestraft. (139.02/263 nr.33)
Het
was het college van regenten dat gemachtigd was disciplinaire straffen uit te
delen en niet zoals veel later het geval was de directeur.
24
Augustus 1815 Jan Gerards: heeft weder in complot op de deur geslagen van zijn
vertrek. ...opsluiting in een krimineel hok gedurende 8 dagen te water en brood
...
(idem
nr.18)
Ik
laat U hierbij nog een overzicht zien uit 1910 wat de strafmodaliteiten voor de
directeur waren. Sindsdien is er gelukkig veel veranderd. Thans mag
strafcel nog maar voor ten hoogste
veertien dagen opgelegd worden evenals de afzondering in een gewone cel.
sheet
mondigheid
Over
emancipatie, dames en heren, is de laatste jaren veel geschreven. Sinds
gezagsverhoudingen -vooral na de Tweede Wereldoorlog- een andere inhoud gaan
krijgen zijn de afstanden verkleind of verdund (zo u wilt) tussen enerzijds de gevestigden,
gezagsdragers, de welgestelden of geleerden en anderzijds degenen over wie zij
zeggenschap of macht hebben. Niemand hoeft meer zijn hoofd , laat staan zijn
knie te buigen voor een meerdere. Het aanspreken van een pastoor of kapelaan
met Sjef of Alfons mag dan in deze tijd een steeds geaccepteerder gedrag gaan
heten, dit kon een generatie of langer geleden nog leiden tot verwijdering uit
de parochiegemeenschap. Zich verzetten tegen de autoriteit getuigde -zeker in
de negentiende eeuw- van desperaat gedrag. Het kwam dan ook weinig voor in
strafinrichtingen, waardoor de commandant of cipier met gemak zijn gezag kon
doen gelden. Overigens was diens gezag maar betrekkelijk, want voor het minste
of geringste moest deze van het college van regenten, ook wel commissie van
administratie genoemd, toestemming krijgen. Ook dit college, bestaande uit
jonkheren en afgestudeerde meesters in de rechten, had maar beperkte macht,
getuige de vele brieven met verzoeken die het richtte aan de gouverneur (later
commissaris der koning) welke laatste
dan weer een selectie maakt voor het ultieme gezag uit Den Haag, zijnde
de Minister van Binnenlandse Zaken, later die van Justitie. Op allerlei gebied zien
we deze laatste decennia mensen met achterstandsituaties de discrimatoire hoek
uitkomen: arbeiders, vrouwen, homosexuelen en ook gedetineerden.
Over
deze laatste categorie heeft Herman Franke in zijn dissertatie op onnavolgbare
wijze het verloop van de emancipatie geschetst. Stapje voor stapje krijgen ook misdadigers een menselijk gezicht, eerst
door de lijfstraffen in 1854 af te schaffen, de doodstraf in 1870, de eerste
beginselenwet van 1886 waarin de kromsluiting in de boeien verdwijnt en na 1951
de nieuwe Beginselenwet met rechten die ook door de instelling van het
zogenaamde beklagrecht in 1977. Sommige gedetineerden weten in deze tijd heel
goed de weg naar de kort gedingrechter te vinden, anderen weer leggen
gemakkelijk contact met de Nationale Ombudsman om hun gelijk te krijgen, kortom
er is sprake van een aardige inhaalslag. Maar we zijn er niet, want het
verstoken zijn van vrijheid is door geen duizenden guldens goed te maken.
omgang
met elkaar
Het
opgesloten zijn in een strafinrichting en het afgesloten
zijn van de eigen wereld betekent een intrede in een wereld die niet
zelf is uitgekozen. Betekent dat de verdwenen vertrouwde gezichten plaats maken
voor andere. Gezichten die behoren tot mensen die hetzelfde lot ondergaan en
mensen die er voor betaald worden om je daar binnen te houden. Beiden worden je
opgedrongen, met beiden moet er een of andere relatie gelegd worden. Dat zal
niet altijd lukken, het zal leiden tot ergernis, conflicten soms. Het personeel
heeft de legitieme macht uit te maken hoe de dag eruit zal zien, sommige
medegedetineerden zullen ook trachten de baas te spelen. Gewoonten die niet die
van jou zijn of jouw onhebbelijkheden die de ander storen. Er is een zekere
hierarchie bij de inrichtingsbevolking. Onderaan staan de zedendelinkwenten,
vooral de mannen die het met jongetjes gedaan hebben. Zij moeten als zondebok
fungeren voor de vermogensdelinquenten en de drugsbaronnen, die bovenaan de
ladder staan.
Ook
in vroeger tijden was het niet altijd koek en ei, alleen is er weinig over
terug te vinden. Soms een enkele aantekening. Als de minister in 1857 vraagt
wat de voor- en nadelen zijn van gemeenschappelijke opsluiting, antwoordt het
College van Regenten uit Den Bosch onder andere “kneuzingen bij pas
ingekomenen die ouderen geen geld gaven of ten dienste stonden. Zij krijgen ‘s
nachts voorwerpen naar hun hoofd en worden de touwen van de hangmat afgesneden”
( 139.02/115)
Anton
Sanders krijgt nog een gevangenisstra van vijf jaar erbij omdat hij van een
medegevangene iets gestolen had. (139.02/263 nr. 95 bis) en de 36 jarige Renier de Wildt twee jaar wegens het slaan
en kwellen van medegedetineerde Jan Daniels (139.02/257)
Ook
personeelsleden moeten vaak tot hun schande ervaren dat zij het mikpunt zijn
van agressie. In deze tijd zijn zij wel door allerlei trainingen toegerust om
daarmee om te gaan, voor zover dat beperkt blijft tot verbaal geweld. Soms ook
vallen er klappen of erger. Franciena Schenkels spuugt op 27 juli 1815 de
meesterknecht bij de arbeid in het gezicht, krijgt daarvoor een straf van twee
dagen cachot op water en brood. Jacob Borstel beledigt, bedreigt en scheldt
administratieve bedienden uit, wat hem op bullepees en twee dagen krimineel hok
oplevert (139.02/263)
professionaliteit
Als
laatste onderdeel van deze lezing wil ik graag het onderwerp personeel onder de
loep nemen. Daarnet vertelde ik al dat voor een belangrijk deel personeelsleden
het leven binnen een strafinrichting bepalen. Naast de beveiliging die
personeelsleden als belangrijkste taak in hun pakket hebben, zijn ook zorg en
hulpverlening essentiële onderdelen geworden. Ik zal mij in hoofdzaak beperken
tot de grootste groep personeelsleden, de bewaarders -tegenwoordig penitentiair
inrichtingswerkers genoemd- zonder de vele anderen te kort te doen. Van elk
personeelslid wordt verwacht dat hij of zij professioneel met gedetineerden
omgaat, dat wil zeggen dat hij in elke geval niet corrupt is, zich niet
agressief opstelt en op sexueel gebied betrouwbaar is. Maar onder deze drie
uitersten is een groot grijs gebied dat soms een groot spanningsveld inhoudt. Mag
je van een gedetineerde een sigaar aannemen? Is het ruilen van postzegels met
een gevangene wel toegestaan? Hoe treed
ik op naar iemand die mijn leven zuur maakt, het bloed onder mijn nagels
weghaalt, die mij een dreun geeft? Wat gebeurt er als je verliefd raakt op
iemand achter de tralies en wat als die zelfde meer dan affectieve gevoelens
naar jou uitstraalt? Vragen die ik hier niet ga behandelen, maar die u maar
moet meenemen naar huis.
Mensen
die zich bewust zijn van de gevaren op die terreinen, zijn in elk geval
voorbereid dat die dingen kunnen gebeuren. De inrichting moet er een open oog
voor hebben en op een ontspannen wijze met signalen omgaan ter voorkoming van
erger. Veel hangt af van de persoonlijkheid van personeelsleden hoe de omgang
met gedetineerden zal zijn, maar even veel kan een degelijke opleiding waarin
omgangskunde, psychologie, vakbekwaamheden als teamtraining onderdeel uitmaken
van het leerpakket. Deze opleiding is er na de Tweede Wereldoorlog gekomen en
steeds verfijnder, zodat we thans met gerust hart kunnen zien dat er een
professioneel korps bestaat.
Dat
dit voor die niet het geval was, bewijzen de vele brieven die ik vond over
bewaarders hoofdzakelijk, waarin ik het woord professioneel nauwelijks in de
mond durf te nemen. In de negentiende eeuw verdient een bewaarder in 1825
tussen de 180 en 250 gulden per jaar, een inkomen dat ongeveer gelijk ligt met
de laagst betaalde dagloner. Een directeur komt dan op zo’n zeven a acht
honderd per jaar, maar die heeft dan nog vrije inwoning met zijn gezin. In 1845
zijn de salarissen nog gelijk. In 1880 gaan de salarissen fors (met honderd
gulden) omhoog en een bewaarder
verdient dan tussen de vijf en zeven honderd.
Vooral
in de eerste helft van de negentiende eeuw treffen we met de regelmaat van de
klok aan dat bewaarders zich te buiten gaan aan alcoholhoudende dranken en om
die of andere redenen oneervol ontslagen worden. Cornelis Jonkergouw, portier
van het Huis van Reclusie en Tuchtiging krijgt in 1824 zijn congé omdat hij na
een flinke slok op zijn collega Langhamer beledigde. Eerder al had hij
geweigerd de voorgeschreven uniformkleding te dragen. Een jaar later lezen we
Samuel van bergen, bewaarder 2e klasse, is dagelijks dronken en ongevoelig voor
vermaningen en daarbij nog met ongedierte bezet. Men verzoekt hem te
ontslaan. (139.02/188) In 1827 is het de hellebaardier Hendrik Hennink die bij
het leveren en ontvangen van steenkoen malversaties heeft gepleegd. Bij de
ontvluchting van Maria Tulleners in 1836 is bewaarder Van Grinsven nalatig
gebleken, na een aanvankelijk ontslag, strijkt de gouverneur over zijn hart en
mag hij weer blijven. Gekazerneerde militairen die in de jaren 1830-1839
meehelpne om hun veroordeelde collega’s te bewaken vervelen zich vaak en halen
kattekwaad uit. Commandant Feijen bericht op 5 maart 1836 dat zij de bel op de
binnenplaats die gebruikt wordt om de werk- en schafttijden aan te kondigen
msbruiken. Hij stelt voor om het touw in een afgesloten kastje op te bergen. Fuselier
Pennings heeft zich schuldig gemaakt aan clandestiene correspondentie met een
gevangen vrouw. Ook lijden personeelsleden aan allerlei kwalen, lezen we in
1846. Portier Ousborn, inmiddels al 61 jaar heeft slechte benen, bewaarder 1e
klasse Helderman lijdt aan toevallen en 2e bewaarder Loonen wordt steeds dover
en slechter van gezicht, de commandant durft hem niet meer als toezichthouder
bij het bezoek te laten. Twee jaar later mag hij vanwege toenemende blindheid
geen nachtdienst meer lopen. Als laatste meldt de commandant dat 2e bewaarder
Henniker een gesprongen ader in zijn rechtervoet heeft. Ga er maar aan staan.
In
1882 komt de commissie van administratie in opperste verwarring bijeen. Bewaarders
die zogenaamde slaapwacht hebben in de inrichting moesten hun oude lakens
inleveren, waarvan enkelen in gebreke blijven. De lakens blijken na het wassen
thuis te verdwijnen of worden door de kinderen vernield. Alles loopt gelukkig
met een sisser af: de lakens moeten in de inrichting blijven en daar ook
gewassen worden.
Slot
Dames
en heren. Ik moet er een eind aan breien. Door het vergootglas ter hand te
nemen en deze te leggen op fundamentele zaken heb ik getracht u een beeld te
geven hoe het in de strafinrichting toeging en toegaat, of hoe het leven in de
bajes was en is. Ik moest daar vele beperkingen in aanbrengen, maar toch hoop
geslaagd te zijn.