Verkeerd bezorgd
Overtreding van de postwet 1807-1850
Inleiding
Er
zullen naar mijn inschatting niet veel mensen zijn die trappelend van ongeduld
hun belasting willen betalen, ook al weet ieder redelijk denkend mens dat die
staatsinkomsten voor een goed overheidsbestuur nodig zijn. Het zou wel eens
kunnen dat dit gemelijk trekje te maken heeft met het abstracte gat waarin ons geld verdwijnt of het
onpersoonlijke karakter van deze inning. Velen zullen dan ook zich de moeite
getroosten om de verschuldigde belastingpennningen zo laag mogelijk te houden.
Door zoveel mogelijk aftrekposten op te voeren of -wat minder oirbaar is-
inkomsten te verzwijgen.
Hoeveel
aandacht belastingfraude in deze tijd ook moge krijgen, ik koester niet de
illusie dat het onttrekken van staatsinkomsten een exclusief hedendaags
verschijnsel is. Vandaar dat het mij boeiend voorkomt dit onhebbelijk menselijk
trekje ook in het verleden eens op te sporen. Uit allerlei protesten die we
soms tegenkomen tegen belastingcohieren, kunnen we er donder op zeggen dat ook
onze voorouders al dan niet met succes de fiscus een hak hebben gezet.
In
dit artikel zal ik mij evenwel beperken tot een ontduiking die niet het meest
voor de hand ligt, namelijk de ontduiking van de postwet. Ook voor deze
wetsovertreding namelijk geldt dat het de overheid schade toebrengt, namelijk
de derving van de inkomsten van de porti. In dit kader valt het dus te
verdedigen deze wet onder de loep te nemen.
Pas na de privatisering van de PTT werd de monopoliepositie doorbroken.
Een tweede beperking die ik mij opleg
is de periode die van 1807 tot 1850 loopt en het gebied dat in dit artikel het
arrondissement ‘s Hertogenbosch omvat. Redenen om deze grenzen te stellen
hebben te maken met de korte spanne tijds die mij gegeven was en de nabijheid
van het benodigde archief, in casu dat van Noord Brabant in ‘s Hertogenbosch.
Tussen 1807 en 1850 gaf een postwet de
overheid het exclusieve recht op postbezorging . De revenuen die dit
staatsbedrijf in de wacht sleepte, waren dermate belangrijk voor haar dat zij
particulieren die betrapt werden als illegale postbezorgers forse boeten in het
vooruitzicht stelden. We zullen zien dat naarmate het bedrijf een
professioneler karakter kreeg ook de opsporing toenam. We moeten er evenwel van
uitgaan dat ook toen de weinige gearresteerde overtreders zich tot het
bekende topje van de ijsberg konden
rekenen. Maar dat laatste maakt het verhaal er niet minder boeiend om.
Het ontstaan van de postwet van 1807
|
|
De postwagendiensten ontwikkelden zich sinds de tweede helft van de zeventiende eeuw als particuliere ondernemingen, weliswaar met octrooi van de stadsbesturen en later van de centrale overheid. Later werden zij deftig diligences genoemd. Tot aan de Franse tijd waren de postmeesters de opvolger s van de bodediensten. Als het brievenvervoer door de toename van het handelsverkeer een grotere betekenis krijgt, zien we dat de begrippen als postjacht, postschuit en postschipper in omloop komen. Toen enkele steden met lede ogen zagen hoe de inkomsten van de postmeesters hun neus voorbij gingen, duurde het niet lang dat zij zich het alleenrecht toeëigenden en de stadsbesturen van de postmeesters een zetbaas maakten. Vervolgens droegen de stemhebbende steden in Holland en Westfriesland in 1747 deze verworven rechten weer over aan de stadhouder, die ze ten slotte weer delegeerde aan de staten van het gewest. Vandaar de naam statenpost. Op die manier bestonden er tot 1799 particuliere, stedelijke en gewestelijke posterijen. Vier jaar na de revolutie van 1795 werden alle posterijen genationaliseerd en trad met ingang van 1803 het eerste nationale postbestuur in werking.
Het was koning Lodewijk Napoleon die uiteindelijk in onze vazalstaat zorgde voor een eenhoofdige leiding uiteraard naar Frans model. [1] In Noord Brabant ging deze ingreep in 1809 gepaard met de koninklijke opdracht de aanleg van de straatweg Breda naar Wuustwezel ter hand te nemen, waardoor eerstgenoemde stad een knooppunt werd tussen de landen Frankrijk en Nederland. [2] Niet veel later -toen Napoleon Nederland ook feitelijk bij Frankrijk inlijfde- kwam de straatweg van Breda naar Sleeuwijk tot stand, waar het veer over de Merwede de toegangspoort vormde naar Bouches du Rhin, het belangrijke Holland, waar de regering was gevestigd.
De eerste echte postwet dateert dus van 17 april 1807 en trad op 1 mei 1807 in werking. Deze nationalisatie legde in één klap alle briefvervoer aan banden en deed in het vrijgevochten landje veel stof opwaaien. Het begon met klachten van de schippers van de markt- en volksschuiten in de steden
‘s Gravenhage, Amsterdam en Utrecht, maar spoedig volgden de ondernemers van de postwagendienst van Hoorn , Enkhuizen, Haarlem, Alkmaar, Delft, Kampen, Deventer en Zwolle. [3] Immers artikel 11 van de wet loog er niet om “ niemand, wie hij ook zij, behalve die geen of genen, welke daartoe vanwege den Koning bij de Postdirectie zijn of zullen worden gequalificeerd, zal vermogen eenige Posterijen, noch Gaardingen of Transporteringen van Brieven aanteleggen, te houden of daartoe mede te werken...” De boete die op de overtreding stond loog er ook niet om, namelijk vijfentwintig gulden voor elke brief of pakket, terwijl ook de afzender tot die boete kon worden veroordeeld Wel konden zij daarna hun brief weer terugkrijgen. (art.12) Als de bezorgers van de posterijen zelf tot die overtreders behoorden, konden zij naast de genoemde boete ook nog worden verbannen of met gevangenisstraf dan wel geseling worden bestraft. (art.13)
Maar gelukkig was de soep minder heet dan deze werd opgediend, immers de monopoliepositie was in zekere zin betrekkelijk gemaakt door de bepaling dat de overheid vrijstellingen kon verlenen, terwijl schippers na 1811 al de onderweg ter hand gestelde brieven mochten meenemen naar plaatsen waar geen postkantoor gevestigd was. De brieven werden namelijk van postkantoor naar postkantoor bezorgd. Voorwaarde was dan wel dat de bedragen van de port niet lager mochten zijn dan in de wet stonden vermeld. Ondanks deze versoepeling konden er toch nog problemen optreden, zoals in Groningen in het najaar van 1807 tussen ene Doekes en de eigenaar van de trekveerschuit tussen Groningen en Uithuizen, omdat eerstgenoemde de onhebbelijke gewoonte had de herbergen af te struinen om brieven en pakjes te vervoeren, die hij vervolgens zelf als passagier van die trekschuit meenam en in de roef zat te sorteren. De schipper die vrijstelling had gekregen zag op die manier zijn inkomsten teloor gaan en tekende dan ook heftig bezwaar aan. Deze affaire werd toen nog als provinciale aangelegenheid afgedaan.[4] Een andere manier om de wet te ontduiken was om meerdere brieven aan één geadresseerde in één couvert te doen.
Een voorbeeld van zo’n verpachte postbezorging was die van Breda- Bergen op Zoom. Daar verleende men op 15 februari 1828 aan Jan Nicolaas Dann uit Bergen op Zoom een contract voor postvervoer van Breda naar Bergen op Zoom over Roosendaal , waarvoor hij een pachtcontract tekende van f 1200,- op jaarbasis. Hij verplichtte zich dagelijks met een rijtuig post te vervoeren tussen 6 uur en 9.15 uur tussen Breda en Roosendaal, vervolgens van 9.15 tot 11 uur naar Bergen op Zoom, waarna de terugweg begon tussen 12 uur en 17 uur.[5]
Hoewel de meeste plaatsen van enige omvang over eigen postkantoren beschikten, waren er nog vele die daarover niet in het bezit waren. In de loop van de jaren groeide het aantal postkantoren gestaag. Zo richtte men in 1809 bijkantoren op in Hardenberg, Delfzijl, Dieren, Amerongen en Leerdam en werd Eindhoven van onderkantoor opgewaardeerd tot hoofdkantoor om de postritten tussen Holland en Brabant beter te kunnen stroomlijnen.[6] Toch overkwam het Jan van Spaandonk in 1845 nog als conducteur van de diligence van de heren Gend en Loos dat hij voor het gerecht moest verschijnen. Hij kreeg vrijspraak omdat de brief die hij in Sleeuwijk kreeg en die gericht was aan iemand in Zaandijk niet in de eerstgenoemde plaats gepost had kunnen worden wegens het ontbreken van een postkantoor aldaar. Hij liet dan ook zijn advocaat verklaren dat hij de gewraakte brief naar Gorinchem wilde brengen, omdat daar zich het dichtstbijzijnde kantoor bevond. [7]
Redenen om de postwet te ontduiken
Ongetwijfeld zullen de argumenten om de staat op deze wijze een loer te draaien hoofdzakelijk gelegen zijn geweest in de posttarieven. Deze waren al vanaf het begin gebaseerd op twee uitgangspunten, te weten de afstand die de brief moest afleggen en het gewicht ervan. Op en brief tot 150 gram moest de afzender afhankelijk van de afstand tussen twee tot zeven stuivers aan port betalen. In onderstaande tabel staan de tarieven genoemd.
Tabel. Posttarieven in stuivers afhankelijk van gewicht en afstand van de bestemming.
|
Gewicht |
tot 150 g |
300 g |
450 g |
600 g |
900 g |
per 200 g meer |
|
Afstand in tijd uitgedrukt |
|
|
|
|
|
|
|
beneden 6 uur |
2 st |
4 st |
6 st |
8 st |
10 st |
1 x meer |
|
6- 12 uur |
3 |
6 |
9 |
12 |
15 |
|
|
12 - 20 uur |
4 |
8 |
12 |
16 |
20 |
|
|
20 - 35 uur |
5 |
10 |
15 |
20 |
25 |
|
|
35 - 50 uur |
6 |
12 |
18 |
24 |
30 |
|
|
50 - 70 uur |
7 |
14 |
21 |
28 |
35 |
|
|
per 20 uur meer een stuiver |
8 |
16 |
24 |
32 |
40 |
|
Brieven die zwaarder wogen dan een kilogram mochten wel door particulieren worden vervoerd.
Zoals in bovenstaande tabel te zien is, waren de tarieven voor veel mensen een behoorlijke belemmering, vooral naarmate de afstand toenam.
Een andere overweging om een ander in te schakelen had te maken met de snelheid van de postbezorging of beter gezegd met het ontbreken daaraan. In de bekende roman De Lotgevallen van Ferdinand Huijck van Jacob van Lennep uit die tijd klaagde een teruggekeerde reiziger dat zijn post uit Duitsland kennelijk door slakken of schildpadden werd vervoerd.
De boosdoeners
Het duurde echter nog vrij lang voordat we vonnissen aantreffen tegen deze overtreding. Waarschijnlijk heeft dat voor een deel te maken met het gewicht dat koning Willem I aan het belang van de posterijen gaf . Deze sterk economisch ingestelde vorst wilde deze inkomsten niet verloren laten gaan. Zoals we al eerder zagen waren de vrijstellingen en de aparte contracten er oorzaak van dat justitie weinig de vinger achter dit soort wetsovertredingen kreeg. Toen de koning echter in 1831 de PTT als afdeling onderbracht bij het Ministerie van Financiën werd het voor een ieder duidelijk dat de brievenport tot het fiscale terrein ging horen. [8] Vrijstellingen behoorden sindsdien tot de onmogelijkheden en justitie werd aangespoord de overtreders zonder pardon voor het gerecht te slepen. De controle werd overigens eenvoudiger sinds de PTT overging tot het plakken van postzegels, maar dan begeef ik mij al buiten de mij opgelegde termijn, want men leefde dan al in 1852.
Vanaf 1832 zien we dan ook dat de rechtbank de eerste vonnissen uitspreekt tegen personen of bedrijven die de postwet overtraden. Op 11 september 1832 hield de brigadier van de marechaussee van Oosterhout de 31 jarige bouwman en brievenpostillon Wouter van der Wiel aan die in zijn tas maar liefst vijf brieven vervoerde die hij op eigen houtje wilde bezorgen. Omdat de rechter hem geen opzet kon aanwrijven moest deze magistraat hem op 19 december 1832 vrijspreken.[9] Ook Jan van der Loop onderging hetzelfde gelukkige lot.[10] In 1834 waren het veertien boosdoeners van wie er nog maar drie vrijspraak kregen en één in hoger beroep. Onder de veroordeelden bevond zich Adriaan Frans Bouricius, een ondernemer van een postwagendienst tussen Breda en Amsterdam. Zelf woonde hij in Arnhem. Voor zijn onderneming werkten vrij veel mensen die regelmatig voor hem de postwet ontdoken. Marechaussees op het veer van Sleeuwijk die inmiddels van wanten wisten, betrapten met de regelmaat van de klok de berijders van zijn diligences. Maar ook Van Gend en Loos die al geruime tijd vervoerdiensten tussen Breda en Amsterdam in handen had, kreeg in datzelfde jaar een stevige geldboete. Overigens sloot het Ministerie van Financiën pas in 1847 met dezelfde Van Gend en Loos een contract voor de dagelijkse pakketpost tussen Bergen op Zoom en Antwerpen. [11] Ook in 1836 kwamen we Bouricius enkele keren weer tegen.
In de periode tussen 1830 en 1839 speelden tevens andere belangen een grote rol. Het was in Noord Brabant op verschillende plaatsen een spannende tijd wat haar oorzaak vond in het grote leger dat voor een belangrijk deel ingekwartierd was bij burgers, niet altijd tot groot genoegen van de plaatselijke bevolking. [12] In die tijd was de overheid tevens zeer alert op mogelijk ondermijnende activiteiten, zodat de brieven uit het zuiden ook om die reden met de nodige argwaan werden bekeken.
Niet alleen mannen kwamen voor de rechter te staan
wegens dit delict. Een enkele keer treffen we ook een vrouw aan, zoals de 41
jarige Mina van Dongen die in het bezit van zes brieven werd aangetroffen op
het veer van Sleeuwijk naar Gorkum die afkomstig waren uit Dussen en Dina
Swiers uit Oss die wegens de ziekte van haar man vijf brieven moest vervoeren
van ‘s Hertogenbosch naar Oss. Zij vertelde dat ze niet wist dat het verboden
was en dat haar man dat regelmatig deed. Het mocht niet baten, het kostte het
gezin de formidabele boete van f 75,- [13]
Opvallend is dat de controle meestal plaats vond
door de marechaussee die kennelijke gerichte acties hield onder personen die
van of naar ‘s Hertogenbosch gingen ( bij de Hinthamer- of Vughterpoort waren
vaak controleposten ) of gebruik maakten van de veerpont van Sleeuwijk. Vooral
mensen die bekend stonden als voerman of met een brieventas zeulden waren extra
verdacht. Misschien was het voor een deel ook verklikkerswerk, want ook in die
tijd zullen jaloeziegevoelens meegespeeld hebben.
Uit de verklaringen van de verdachten bleek vaak
dat zij niet op de hoogte waren, althans zo zij vaak beweerden en dat is geen
garantie dat die uitlatingen op waarheid berustten, al trof ik - buiten de
vervoerder Bouricius om- slechts een recidivist. Het betrof de 58 jarige voerman en bode Adriaan Timmermans uit
Vught die op 5 augustus 1843 vijf illegale brieven in zijn tas had. Voor de rechter toonde de man zijn
patentbrief die hem naar zijn zeggen het recht gaf brieven te vervoeren. “Nee”,
zei de rechter, “de wet van 1807 heeft U dat recht ontnomen”, maar de oprecht
klinkende onwetendheid van Adriaan stemde de magistraat gunstig en een
vrijspraak volgde. Twee maanden later echter stond dezelfde bode op het matje
toen hij op 27 oktober van dat jaar weer twee brieven naar Vught had willen
brengen. Dit maal trapte de rechter er niet meer in en ontsprong Timmermans
niet opnieuw de dans.[14]
De straf die op dit delict stond was dan ook
dermate hoog dat de meesten zich wel twee keer zou bedenken voordat zij tot een
herhaling over zou gaan. Voor velen stond de vijfenzeventig gulden immers
gelijk aan vier of vijf maanden loon, wat in hedendaagse opvattingen neer zou
komen om zo’n zes tot zeven duizend gulden. En dat moet toen al de calculerende
burger de moed hebben ontnomen.
Het zal mij
dan ook niet verbazen als velen bij gebrek aan financiële draagkracht de
daaraan verbonden hechtenisstraf in de gevangenis zullen hebben uitgezeten.
Immers ook toen was de boodschap : bezint voor ge
begint.
Geraadpleegde litteratuur en bronnen:
E.A.B.J.ten Brink: (1950) De geschiedenis van het
Nederlandse postwezen, 1795-1810, Den Haag
E.A.B.J.ten Brink: (1962) “Postritten en
postroutes via West Brabant in de Bataafse en de Franse tijd” in Varia
Historica Brabantia I, p. 219-256
E.A.B.J.ten Brink: (1969) De geschiedenis van het
postvervoer, Bussum
Rijksarchief Noord Brabant (RANB) de inventarissen
van de PTT (inv.nr 046) en die van de Rechtbank in Eerste Aanleg (1811-1838)
(inv.nr 105.01) en Arrondissementsrechtbank (1838-1930) (inv.nr. 116.01)
van ‘s Hertogenbosch.
[1]. Ten Brink, 1969,
pag.7-8
[2].Ten Brink, 1962, p
230
[3]. Ten Brink, 1950, p
257
[4]. Ten Brink, 1950, p
258-259
[5]. RA NB inv.nr
46.02/275
[6].Ten Brink, 1950,
p.305
[7]. RANB
(Arrondissementsarchief ‘s Hertogenbosch) inv.nr 116.01/ 15 vonnis nr 333 dd
12-6-1845
[8].Ten Brink, 1969,
p.33
[9].RANB inv.nr.105.01
( Rechtbank in Eerste Aanleg) nr 815 dd 19-12-1832
[10].RANB inv.nr.105.01
/ 559 vonnis 5271 dd 10-4-1833
[11].RANB inv.nr 46.03
(Archief PTT) nr 278 dd 9-12-1847
[12].Zie voor nadere
informatie mijn artikel in Brabants Heem.........
[13]. Beide gevallen
staan respectievelijk in inv.nr 116.01.04/ 14 proces nr 19 dd 8-7-1844 en
116.01.04/28 proces nr 181 dd.11-12-1849
[14]. Vonnissen in
inv.nrs 12 (nr 202 dd 9-11-1843) en 13 (nr 35 dd 25-12-1844)
Gepubliceerd in
PROCES, Tijdschrift voor Berechting en Reclassering, 2002, nr.1/2, pag 22-24