Reclassering heeft haar langste tijd gehad

 

Ook minister Donner zet overal het mes in. Alle plannen van de regering om een veiliger samenleving te krijgen, komen door zijn bezuinigingsplannen in een twijfelachtig licht te staan. Eerst was de nazorg voor ex-gedetineerden doelwit van zijn grootgrutpolitiek. Daarna zouden de meermanscellen volgen , omdat hij  niet nog meer strafinrichtingen wilde bouwen. Alles wat de geur van hulpverlening en compassie draagt, dreigt  ten offer te vallen aan de kortzichtigheid van dit liberaalrechtse kabinet. En nu is de reclassering aan de beurt is.

 

Voor wie in dit veld enigszins is ingevoerd, komt de korting van meer dan een kwart van het budget van de reclassering niet als een slag uit de heldere hemel.  De opvattingen van dit uit de negentiende eeuw stammende instituut zijn in de loop van de laatste twee decennia aanmerkelijk veranderd. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was de stemming van maatschappelijk werkers  bij de reclassering sterk gekant tegen alles wat met straf te maken had. Gevangeniswezen had tot ver in de jaren zeventig zijn eigen maatschappelijk werkenden, van wie reclasseringswerkers zich verre hielden alsof de bajes besmet was met een punitief virus. De reclassering kwam alleen in een huis van bewaring om  een voorlichtingsrapport te schrijven aan de rechtbank. Tenminste als de cliënt daar prijs op stelde, want hij moest er door dat rapport niet slechter van afkomen. Dat druiste tegen de ethiek van de rapporteur in. Hoewel de reclasseringswerkers betaald werden door de overheid, behielden zij een grote zelfstandigheid. Arrondissementele reclasseringsraden met een secretaris zorgden voor het nodige toezicht.  Toen duidelijk werd dat deze houding in een veranderende, verzakelijkte cultuur geen stand kon houden, zwaaide de reclassering om als een blad aan de boom. Nadat de verzuiling via enkele fusies was weggewerkt, werd ook een samensmelting met de maatschappelijk werkers binnen de bajes al snel een feit.

 

Eind 1997 al kwam er verzet tegen deze nieuwlichters in het hulpverlenerlandje van de reclassering. Na enkele decennia geitenwollensokken-sfeer die weinig oog had voor de criminele werkelijkheid en daders als slachtoffers koesterde, kwamen er managers die een andere taal spraken. In plaats van een goede balans te vinden tussen die werkelijkheid en een zakelijker optreden moest er aan outputsturing worden gedaan en waren de cliënten in het marktgericht denken plots producten geworden.  De crititici tegen dit beleid werden door verschillende reclasseerders omhelsd. Sommigen voelden zich door de leiding geïntimideerd en durfden geen openlijke stelling te nemen, wilden hun naam niet verbinden aan de kritiek die zij hadden op hun eigen bedrijf.   Hun huisblad nam het nieuwe beleid klakkeloos over. De auteurs jubelden over alle nieuwe projecten en spraken daarmee de nieuwe directeur Ted van der Valk zoveel mogelijk naar zijn mond.  Zelf trachtte deze baas in een zwak verweer aan te geven dat de reclassering zich wel degelijk ten doel stelde de Nederlandse samenleving veiliger te maken.  Alle taken van de reclassering van vroeghulp tot nazorg bleven volgens hem overeind. Alle kritiek op zijn beleid had volgens hem aleen te maken met wat onhandige communicatiestrategie.

 

Maar de werkelijkheid bleek anders. Gevangenisdirecteuren klaagden dat er in hun inrichtingen geen of nauwelijks maatschappelijk werkenden aanwezig waren, zodat geestelijk verzorgers en administratieve krachten het broodnodige werk moesten doen. Een predikant uit de Scheveningse gevangenis stelde voor om de reclassering in de bajes dan maar af te schaffen en een maatschappelijk werker aan het team geestelijk verzorgers toe te voegen. In dit negatiever wordende beeld kwamen andere butsen.  Tot overmaat van ramp wist Van der Valk het imago van zijn instituut extra te beschadigen door zijn privéopvattingen erop los te laten. De inmiddels vertrokken directeur van Stichting Reclassering Nederland liet zich onder meer onverbloemd wraakzuchtig uit over pedoseksuelen die hij na hun veroordeling levenslang wilde uitsluiten van allerlei maatschappelijke functies. NRC stelde op 24 december 1998 bij het 175 jarig bestaan van de reclassering de vraag stelde of deze hulpverleningsinstelling nog wel bestond.

 

Haar onafhankelijke status in de vorm van een stichting blijkt een lege dop nu ambtenaren van het ministerie van Justitie bepalen welke taken de reclassering moet verrichten. Eigenlijk is zij dus een uitvoeringsapparaat, zoals ook het gevangeniswezen is. Daar is niets mis mee, ware het niet dat de hulpverlening aan wetsovertreders  die daar behoefte aan hebben dan niet overboord wordt gegooid.  Door de nadruk te leggen op de uitvoering van taakstraffen en de controle op elektronisch huisarrest worden reclasseringswerkers veredelde politieagenten. Of de samenleving op langere termijn daarmee gediend is, mag worden betwijfeld. 

 

Geplaatst in Eindhovens Dagblad op 9 september 2003