Het
zag er zo veelbelovend uit, vijftien jaar geleden. Nederlanders in vijftien
buitenlandse gevangenissen konden hun straf uitzitten in hun eigen land en de
gedetineerden van buitenlandse komaf
bij ons in het hunne. Bij de
start van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) waren er
nog wel problemen. In Frankrijk bijvoorbeeld moesten de drugsmokkelaars vaak
nog een jaarinkomen neertellen die zij verschuldigd was aan de staat, want de
Franse strafrechter en de belastinginspecteur werken samen. Los van de straf
moet er nog steeds voor invoer van drugs accijns worden betaald. Tien jaar cel
en vijftien duizend euro invoerrechten ophoesten voor vijf kilo hasj is daar
heel normaal. En het hoge geldbedrag staat gelijk aan nog eens enkele jaren
cel. Daarbij komt dat Marianne de pest
had aan de lage straffen die Nederland voor soft drugs uitdeelde, want bij de
overdracht worden alsnog de Nederlandse maatstaven aangelegd.
In
1988 had ons land met vijftien landen een bilaterale overeenkomst, inmiddels is
dat met veel meer landen het geval. Eén van de laatste landen waarmee Nederland
een verdrag aanging betrof Marokko, hetgeen in 2000 nogal wat voeten in de
aarde had. Marokko voelde zich namelijk behoorlijk geschoffeerd toen de door
hen overgedragen drugstoeristen bij aankomst op Schiphol gelijk naar huis
mochten gaan. Door de ruime belangstelling van de pers voor de onmiddellijke
invrijheidsstelling van de zeven overgebrachte Nederlandse gevangenen vanuit
Marokko op 15 november 2000 dreigde dit koninkrijk het verdrag voortaan te
dwarsbomen. De rechters aldaar voelden zich geblameerd. Niet alleen dat hun
ambt door deze triomfantelijke verwelkoming ernstig belasterd was, maar ook de
persoon van de koning, die hen had aangesteld, achtten zij op deze wijze
ernstig beledigd. Achteraf gezien was het veel beter geweest om aan de zaak
weinig aandacht te besteden en hadden de autoriteiten de zaak bij voorkeur
achter gesloten deuren moeten afhandelen. Naar verluidt zou een
interpretatieverschil de oorzaak van de ruzie tussen beide landen geweest zijn,
maar volgens ingewijden wist de minister van justitie van het Noordafrikaanse
land wel beter. Nederland kwam overeen dat het zijn eigen maximumstraf zou opleggen.
Marokko zou toen in de veronderstelling hebben verkeerd dat de maximum gevangenisstraf van ons wetboek
van strafrecht werd bedoeld (dus twintig jaar), terwijl Nederland uitging van
de maximumstraf voor handel in soft drugs. Een wezenlijk verschil dus.
De
veel lagere strafmaat voor overtreding van de opiumwet in Nederland blijkt voor
veel landen een obstakel. Een qua mores vergelijkbaar land als Zweden
bijvoorbeeld legt wel twaalf tot vijftien jaar op voor handel in heroïne en
doet dus geen zaken met Nederland om de gevangenen in eigen land de straf te
laten uitzitten. Zelfs in de EU is er
op dat terrein nog veel bij te stellen en dan te denken dat er nog een aantal
landen staat te trappelen om tot die Unie te worden toegelaten. Ook met
Thailand zal een WOTS-overeenkomst nog veel voeten in de aarde hebben als de
straf daar voor de Nederlandse veroordeelden niet rigoureus verandert. De
minimale straf van acht jaar die een Nederlandse ingezetene in een Thaise gevangenis
moet uitzitten voordat hij naar zijn moederland terug mag, zou voor velen een
afschrikwekkend voorbeeld moeten zijn.
Het
lijkt een ideale oplossing veroordeelden om humanitaire en
resocialisatieredenen hun straf in eigen land te laten uitzitten. Maar als we
het plaatje van de WOTS tegen het licht houden, dan kunnen we niet anders
concluderen dat er van deze wensdroom
weinig is terecht gekomen. Gemiddeld 150 van de 2400 gestrafte Nederlanders in
de vreemde komen via de WOTS weer terug, een situatie waar weinig aan zal
veranderen. Ook de in ons land
verblijvende gevangen buitenlanders keren niet of nauwelijks terug, omdat de
strafsystemen verschillen, maar ook omdat de terugkeer alleen plaats kan vinden
op uitdrukkelijk verzoek van de veroordeelden.
Eigenlijk
zouden de Verenigde Naties met elkaar moeten overeenkomen dat elke gevangene
automatisch de opgelegde straf in eigen land uitzit, ongeacht de verschillen in
strafmaat en zonder vrijwilligheid. Voor Nederlanders zou dat betekenen dat zij
de exorbitant hoge straf van de vreemde rechter hier moet uitzitten en voor de
buitenlandse veroordeelde dat hem een minder aantrekkelijk vooruitzicht te
wachten staat. De Nederlandse rechter zou de straf voor een buitenlander
eventueel kunnen oprekken als in het betreffende land de straf hoger is. Voor
vele landen zou dat tot een aanvaardbare oplossing leiden. Ook de vrijwilligers
van de reclassering die elke maand Nederlanders in hun cel bezoeken, zouden
door een dergelijk mondiaal verbond meer ruimte krijgen intensiever aan het
lagere aantal gedetineerden te besteden. Daarnaast zou een gratieprocedure in
het eigen land kunnen gelden als er sprake is van onmenselijke omstandigheden
als gevolg van de straf. Voor de bewindslieden van justitie en buitenlandse
zaken overleg te plegen hoe een dergelijke mondiale uitkomst kan worden
bereikt.
Gepubliceerd
in Eindhovens Dagblad op 3 februari 2004