ADEM
ja
samen zullen wij onze
monden openen
wij zullen liefhebben
al was het alleen
maar in een kamer
waar we onze monden
kunnen openen
om elkaars adem
te kunnen inhaleren
al was het alleen
maar in die kamer
om onze ogen te
sluiten
en het licht
weg te denken
want
eens wordt het
nacht
de dag zal alleen
nog staan
aan de andere kant
van de kartonnen wereld
we horen een nachtbus
voorbij ruisen
langs de ramen
van nachtglas
misschien nog een
tweetal honden
die hun leven
uit blaffen
in een vreemde
verlaten wereld.
-
kan jij nog terugvallen
in twee armen ?
al zijn het slechts de armen
van mij
de nacht die langs mijn
armen de kamer
inwaait.
velen zien in
maanlicht en gitaarspel
een holle lamp
met gedoofd licht.
-
wij zijn weer
teruggedreven
uit het woud der adems
waar het water woelheid was
en ik je zonder mededogen
lief had
waar mijn snaren
ontelbare liefdesliederen zongen
waar...
ach
ik kan moeren los draaien
en een stang verbuigen
maar het helpt niets
ik kan vitrages
losscheuren
boeken onduidelijk maken
mety baluwzwarte inkt
want het helpt niets
waar
is een gedood woord
van misschien wel
waar een gedood woord
teveel speelt door
onze zinnen
die keer op keer
ja en nee beamen
waar een gedood woord
voortduren verder klimt
het helpt te weinig
het zegt
zoveel als een stomme blinde
die alleen zijn benen gebruikt
om te lopen
omdat hij met zijn benen niet wil zien
wat zijn ogen niet kunnen zien.
-
misschien zingen die nacht
wel de vissersvrouwen
we staren volledig in de angst
en luisteren en ademen
een roze net
streelt langs het water dat
eenvoudig golft langs een wallenkant
wij vangen
zonder het te weten
met onze gekneusde vingers
de waaiende muziek van
de vissersvrouwen op
die de nacht doorzingen
en de boten
vol droefheid hun netten open hangen
vol spijt
een antwoord drijft
om onze benen die
elkaar lief zijn
huil maar om de boten
en het water
en de zeilen
met de schaduwen van de maan
die wij niet meer kennen
van de maan
die wij eindelijk eens moeten leren kennen
eenvoudig
meer niet
zie een schaduw
valt als een blok uit de hemel
en dan ken ik je nog steeds niet
na die nacht nog weggedragen
op de broze tong
uit de tientallen mazen
van roze verbloosde netten
die door het water hingen.
-
ik vertelde je steeds opnieuw
een nieuw verhaal
en het werd onderbroken
door het ritselen van de bladeren
-
rimpels
vissersrimpels
op schaduwloze golven,
vastgeroeste zandkorrels
op onze benen met zilte haren
-
vroeger ( heel klein dat ik toen nog was)
zei ik dat mijn zon ging rusten in haar bed
zoals ik toen steeds sprak over de zwarte pieren,
de golven en het bloed,
spreek ik nu nog over scherven
van jajumglaasjes en
moedwillig gesprongen kapotjes.
alles ligt vergeven van mijn jeugd
in het niet meer treuren van mijn jonge hart.
-
ook ik heb
langzaam in jou een vrouw ontdekt,
een schaamtevolle blote vrouw
met vlees begaafd.
(26-6-1959)
maandag:
ik was een regensluiper
ik wurgde de hanen
omdat ze 's morgens publiceerden
en de nacht in vlammen op lieten gaan.
door een verlegen regen zag ik hun bruin
geworden kammen
door het ijzeren gaas.
-
eens wordt het weer nacht
en blijft het nacht
want een nacht kan vergeten stilstaan
uit een los geslagen raam
kan je dan die nacht
horen meespelen
met de snaren van mijn hart
misschien mijn hart.
een nacht staat stil
een hart zwijgt uit vergeving
een nacht werpt zijn loden
adem van zich af
en een vrouw bevrijdt
de nacht van zijn mantel
en neemt die hulpeloos op
en poogt met die mantel
van liefde
vrouw te zijn.
zij wandelt verlaten rond
haar hart is het deksel van zwijgen opgelegd.
-
o mijn laatst geliefde
vang mijn woorden
die ik je toewerp, op;
proef ze in je
vergelegen longen
van rozenachtbladeren
aaneengelast.
(14-8-59)
lawaai kan slechts onze redding zijn
we tasten blindelings
door verlaten vissersdorpen
we tasten langs het schijnsel
van de maan
die voorzichtig
uitrust op het water
van de kleine havens
hoe kunnen wij het wit vergeten
want wit zijn de vissersdorpen
o bello mio
want wit zijn de troostende palmen
en wit ligt het zand
voor onze witgeslagen leren sandalen
en wit zijn onze gezichten
die de zon niet bruin kan branden.
-
ik zou mijn
woorden willen wegen
op de zachtheid van je huid
want mijn woorden snijden
de dichtgeladen ochtendlucht open
ik zou voor jou een mooi huis
kunnen zijn
en wit ivoor kunnen spreken
ik zou met jou in
de koude regen willen sterven.
(30-10-59)
mijn laatste kans
de nacht nog af te wachten
de oevers en het water
vloeien moeizaam ineen
al mijn handen zoeken
vergeefs een uitweg
al mijn handen vinden droog zand
ik weet het niet, ik denk
er moet een nacht zijn
vol van gemene schaduwen
de nacht waarin ik leef
die mij zonder einde wentelt.
(29-5-1960)
maanden zou ik kunnen spreken
van een verhangen vlinder
die ik op de terugtocht zag
met haat pootjes stil omhoog
in een omgeving
van takjes en doodgebrande bladeren
onder haar is droog wit zand
en ver is een echo van
een moeilijk mekkerende geit.
-