Onlangs heeft minister Donner
een nota aan de Tweede Kamer gezonden als antwoord op de vele vragen uit de
vaste Kamercommissie voor Justitie. Daarin tracht hij met veel omhaal van
woorden duidelijk te maken dat het bij het gevangeniswezen anders moet en
anders gaat worden. Dat ook deze overheidsdienst een beduidende korting op zijn
begroting krijgt is duidelijk, maar de bewindsman is zich er weinig van bewust
dat deze inlevering grote gevolgen gaat krijgen.
Vroeger was het beleid van
justitie, soms tegen alle stromen in, gericht op het overtuigen van de
samenleving dat het gevangeniswezen haar een boodschap had te vertellen.
Misschien een boodschap die voor slachtoffers niet of met moeite aanvaard kon
worden, maar wel één bedoeld om in de toekomst met minder getroffenen van doen
te hebben. Resocialisatie noemde men dit nobele streven, terugkeer in de
maatschappij na ommekomst van de straf om in de bajes nooit meer terug te
keren. Maar aan dat nieuwe beleid ging wel een lange periode vooraf.
Verzetshelden die tijdens de Tweede Wereldoorlog vast hadden gezeten, mochten
in een staatscommissie hun oordeel uitspreken over de gevangenis. Mensen uit
onverdachte hoek konden in een rapport hun ergernis kwijt over wat ze in die bajes
hadden meegemaakt. Zij lieten nog weinig heel van wat er achter die tralies
plaats had gevonden. Het rapport mondde uit in Beginselenwet van 1951. Al
eerder had het parlement in 1886, na de invoering van het Wetboek van
Strafrecht, een dergelijke beginselenwet ingevoerd. Maar die leek weinig nog op
wat er tachtig jaar later uit zou rollen. De cellulaire opsluiting die na de
jaren vijftig van de negentiende eeuw, voornamelijk uit morele zorg, werd
ingevoerd, bleek door de restrictieve toepassing ervan averechts uit te werken.
De gedetineerden die slecht tegen een volkomen afzondering gedurende 24 uur
waren opgewassen, crepeerden in hun cel. Vooral zij die hun eenzaamheid niet
met lectuur konden verdrijven - en dat waren de meesten- vlogen soms tegen de muren op van ellende.
Het bewakingspersoneel dat slechts op beveiliging was ingesteld en ook weinig
meer had te bieden, mocht slechts enkele woorden met hen wisselen. Een langer
gesprek was alleen voorbehouden aan de priester, dominee of onderwijzer en die
hadden meestal weinig tijd voor alle kostgangers van de bajes. De belangrijkste
taak van de geestelijken bestond uit het voorgaan in de kerkdienst voor
gedetineerden, die dan in gesloten hokjes met een gazen venstertje op
gezichtshoogte een uurtje de cel uit mochten. Het beoogde resultaat echter,
namelijk terugdringing van de misdaad, werd
met dit knellende beleid bij lange na niet gehaald.
De Beginselenwet van 1951 die
erin voorzag dat het cellulaire verblijf afgewisseld werd met werken in
gemeenschap en andere vormen van samenzijn, kreeg pas gestalte in de jaren
zestig . Vijfentwintig jaar later. in 1976, ontving de emancipatie van de
gedetineerden een nieuwe stoot in de goede richting toen het beklagrecht werd
ingevoerd. Directeuren en personeelsleden die tot die tijd eenzijdig de dienst
uitmaakten, konden vanaf dat jaar in een beklagzaak voor hun handelen ter
verantwoording worden geroepen. Gevangenisprogramma’s kregen een humanere
inhoud en waren gericht op de voorbereiding op de terugkeer in de samenleving.
Veroordeelden konden een vak leren, diploma’s halen en de reclassering zocht
naar werk en huisvesting. Het
beteugelen van de terugval in de misdaad stond voorop. Natuurlijk waren er
recidivisten, maar de meesten hielden het na een keer toch wel voor gezien.
Nadat de handel in heroïne, cocaïne en later ook ecstasypillen op de lijst van de verboden middelen uit de Opiumwet
kwam te staan, ontstond in de jaren tachtig een nieuwe markt die door
maffia-achtige lieden werd geleid. De verslaafden begonnen met autokraken, tasjes wegrukken, maar hun gedrag
ontaardde al snel in zware berovingen en soms in moordpartijen. Als de opiumwet
vandaag zou worden afgeschaft, dan kon Donner zeventig procent van de
gevangenissen sluiten en zou drugverslaving net als drankzucht en de hang naar
tabak een volksgezondheidsprobleem worden, dat om een adequaat ontmoedigingsbeleid vraagt.
Tegelijk met de enorme
uitbreiding aan cellen in de jaren tachtig en negentig werden de
strafinrichtingen verschillende keren op rantsoen gezet. De regiems voor veel
gedetineerden werden soberder, men zat langer op de cel, er kwam relatief
minder personeel, dus men kon minder tijd aan de boeven besteden. Nu onlangs
gebleken is dat van de jongste telgen in het kwaad negentig procent behept is
met een psychische stoornis, moeten we niet vreemd opkijken we als in de
komende jaren ook onder de volwassenen die de huizen van bewaring en gevangenis
bevolken een dergelijke situatie gaan ontmoeten. Door het plaatsen van meerdere
gedetineerden in een ruimte van zo’n negen vierkante meter met één toilet in
een afgeschermd hoekje zullen agressie, verkrachting en aids-besmetting zeker
toenemen. Minder aandacht voor steeds meer gestoorde gedetineerden betekent in
dit opzicht een weinig benijdenswaardige toekomst voor hen die er zitten en hen
die er werken.
Gepubliceerd op 2 januari 2004 in Brabants Dagblad en Eindhovens Dagblad