RIJSTEWATER EN KUITKRAMP[1]
Cholera in
Noord Brabant in de jaren 1832 en 1833
1.Inleiding
Als er in het
Brabantse Capelle begin augustus 1832 een schippersknecht op een beurtschip met
verdachte ziekteverschijnselen wordt aangetroffen, kunnen we uit de rapporten
van heelmeester E.de Zoete het verloop van het ziekteproces aardig volgen.
"Het aangezicht eenigzints betrokken en
bleek, de oogen vooral het linker eenigzints dof en een weinig ingezonken.
Voorts het gelaat weinig verandert, de handen en het ligchaam matig warm, doch
de voeten koud, de tong wit beslagen en warm: - hij is bij zijne kennis doch
klaagd over een doof gevoel in het hoofd en zegt mij soms als niet goed te
verstaan en is dorstig."
De zieke zegt
van Rotterdam naar Dordrecht nog gezond geweest te zijn, maar vervolgens
neiging tot afgang bespeurd te hebben met "rommelingen der ingewanden en ligte buikpijnen gepaart, is daarop aan
de afgang geraakt en vervolgens aan te braken, met menigvuldige melkachtige
ontlastingen en zelfs kramptrekkingen eerst in de beenen en voorts over het
gantsche ligchaam gehad te hebben en het zeer benouwd gehad te hebben." De arts stelt vast dat er sprake is van
cholera, door haar oorsprong en kenmerken in de negentiende eeuw ook wel
Aziatische braakloop genoemd.
Tot 1830 heeft
de cholera zich beperkt tot India en andere Aziatische landen waar koloniale
Europeanen kennis met deze ziekte maken, daarna verspreidt ze zich via Zuid
Rusland, Polen, Pruisen en de Oostzeestaten naar Engeland. Quarantaine-maatregelen
houden de uitbreiding door de onkunde en de slechte controle niet tegen. Na
Engeland is Frankrijk aan de beurt. Op 22 februari 1832 worden daar de eerste
gevallen gemeld. Nederland dat in 1832 nog in staat van oorlog met zijn
buurdochter België verkeert, houdt de zuidelijke landsgrenzen niet alleen om
militaire redenen koortsachtig in de gaten.
Dit artikel
zal een schets geven hoe de provincie Noord Brabant op deze nieuwe ziekte
reageert. Wat zijn de opvattingen over het ontstaan van de epidemie, welke
preventieve en curatieve maatregelen leggen de provincie en de gemeenten de
inwoners op en wat zijn de knelpunten daarbij?
Daarna zal de verspreiding van de epidemie in de jaren 1832 en 1833 aan
de orde komen en niet te vergeten het kostenaspect, waarna een conclusie het
artikel besluit.
2.Opvattingen
De opvattingen
van de geneeskundigen over de oorzaken van de besmetting komen in onze ogen
merkwaardig voor, laat staan dat zij er een effectief middel tegenover kunnen
stellen. Hun oordeel dat niet gelijkluidend is, steunt enerzijds op de theorie
dat zogenaamde miasmen de
boosdoeners zijn, terwijl anderen beweren dat het aan contagio ligt. De eerste groep zweert bij hoog en bij laag dat
miasmen (een magische stof die in rottende organismen zou voorkomen) via
luchtbederf het op de mens begrepen hebben en dus daar aangepakt moeten worden.
Neen, zeggen anderen, door onbekende factoren produceert het lichaam een
smetstof die huidcontacten over kunnen dragen.
Ironisch
genoeg zit de Leidse hoogleraar biologie Carl Ludwig Blumer het dichtst bij de
waarheid, als hij mensen aanraadt het water voor het drinken te koken. Dat
ontdekt hij tijdens zijn verblijf op Java in 1821, als daar een epidemie
heerst. Maar omdat zijn theorie niet steunt op het toenmalige wetenschappelijk
denken van miasmen en contagio, wordt zijn zienswijze als lachertje afgedaan. [1]
In elk geval
heeft de miasme-theorie geleid tot de strenge voorschriften die de provincie
via haar gemeenten aan de bevolking oplegt als het gaat om het rein houden van
hun stad of dorp. Bij de contagio-theorie lezen wij tot in detail omschreven
adviezen hoe gezonde mensen een choleralijder dienen te benaderen en hoe men
met de bezittingen van de gestorvene moet omgaan.
2. de
maatregelen
De maatregelen
die de overheid uitschrijft zijn deels preventief en deels curatief van aard.
Bij de preventie gaat het in hoofdzaak om reinheid en luchtzuiverheid en het
omgaan met de besmette mensen, terwijl het in curatief opzicht gaat om de
behandeling van de ziekte zelf.
Ver voor 1832
is al duidelijk dat de zorg voor de openbare hygiëne niet alleen aan het
particulier initiatief kan worden overgelaten. De overheden wachten niet
gelaten de komst van een dreigende ziekte af. Sedert 1750 wordt het leven in
veel westeuropese steden ongezonder. Het begint er steeds onaangenamer te
ruiken, in de achterbuurten zijn stadsreiniging en riolering onvoldoende. Men
kan de stad al van verre ruiken.
De
aanbevelingen van de in 1832 in het leven geroepen landelijke, provinciale en
gemeentelijke commissies zijn daarom vaak een herhaling van al lang geleden
gegeven adviezen en maatregelen. Uit de besluiten van de gemeenteraad van
Eindhoven, toen nog een stad van amper drie duizend bewoners, staat dat door
het behoorlijk rein houden van straten en openbare wegen, het zuiver houden van
de rivieren en stadsgoten, de gezondheid van de ingezetenen bevorderd wordt.
Inwoners mogen geen mesthopen of enig vuilnis langs de straten, wegen of
stadseigendommen plaatsen. Straten en goten moeten de mensen 's winters twee en
's zomers drie keer per week vegen. Groenten en vuilnis mogen ze ook niet in de
stadsgracht of rivier gooien. De gemeente dreigt de overtreders dan ook met een
boete van drie gulden of een gevangenisstraf.
Ook 's Hertogenbosch neemt het schoonhouden
en reinigen der straten en goten in haar reglement op. Vuilnis moet in manden,
bakken of vaten verzameld worden die de "slijk- en aschkarren" dagelijks komen ophalen. Een boete van
twee gulden vijftig wacht de overtreder. Daarnaast verplicht de gemeente haar
inwoners elke woensdag en zaterdag voor
hun huis en erf de helft van de straat te vegen en te schrobben en de goot van
slijk en ongerechtigheden te ontdoen.
Breda meldt op 30 juni 1832 aan de
gouverneur dat de reglementen met betrekking tot de vismarkt, de vleeshal en de
zuiverheid van de straten nauwlettend in de gaten zal worden gehouden. De
straten worden besprenkeld met gechloreerd water. Ook later zullen we een grote
voorkeur tegenkomen voor chloor als men spreekt over berokingen, een techniek
waarbij met chloorgas gewerkt wordt.
Tot een andere
categorie van preventieve maatregelen behoort het voldoende luchten van lokalen
waar verschillende mensen aanwezig zijn. Zo adviseert de door de gouverneur
ingestelde provinciale commissie ter bestrijding van de cholera de
gemeentelijke commissies om groenmarkten, vismarkten en vleeshallen na
dagelijkse reiniging open te zetten.
Kerken, scholen, werkhuizen en gevangenissen behoren hun ramen open te zetten of
luchtgaten aan te brengen en niet te vergeten de hospitalen, die wekelijks
zullen worden geïnspecteerd. Wijkmeesters en armverzorgers worden geacht dat
minstens eens per week te doen in hun wijken en armhuizen.
Om te
voorkomen dat de zieken anderen met cholera besmetten, kunnen gemeenten huizen
aanwijzen waarin de zieken moeten worden opgenomen. De grote steden moeten
hospitalen voor dat doel inrichten, terwijl andere plaatsen hun wens uiten om
huizen of gebouwen aan te schaffen of te huren.
Eindhoven pleit al op 28 mei 1832 om
het klooster Ten Hage, dat toch al leeg staat en op een afgezonderde plaats
ligt, voor de cholerapatiënten te bestemmen. Na een eindeloze briefwisseling
waarin Binnenlandse Zaken, Defensie en Domeinen elkaar constant voor de voeten
lopen en zich beroepen op hun eigen verantwoordelijkheden, kan pas een jaar
later als de ziekte inmiddels is uitgebroken van het voormalig klooster gebruik
worden gemaakt.
De burgemeester van Breda heeft een
particulier huis met een magazijn tegenover de Keizersbrug op het oog, maar de
militaire autoriteiten zijn daar niet gelukkig mee, omdat zij op die plek hun
troepen moeten verzamelen. De daartoe ingeroepen stedelijke commissie wijst het
zogenaamde vrouwtjeshuis, een pand dat als kazerne dienst doet, als meest
doelmatig aan, waarmee B & W accoord gaan.
In veel gevallen blijken de
schoollokalen voor de cholerazieken bestemd te worden. Uit Deurne, Bakel en
Vlierden komen dan ook klachten van schoolonderwijzers binnen.
De macht van
de in vele gemeenten gelegerde troepen is groot. Zij vragen aan de gemeenten
regelmatig ook voor hún zieken een oplossing te vinden. Bijvoorbeeld in
Oirschot, dat in 1832 voor dat doel een schoollokaal aanwijst, maar dat onder
druk van de militairen op dat besluit terug komt.
Vele kleinere
gemeenten voelen er überhaupt weinig voor om mee te werken aan het onderbrengen
van de zieken in een daarvoor bestemd gebouw of lokaal. Met allerlei smoesjes,
om maar niet het verwijt van nonchalance te krijgen of voor dom versleten te
worden, proberen sommigen ervan af te komen. De districtscommissaris van
Helmond brengt in zijn uitgebreide brief van 11 september 1832 wel begrip op
voor de aangevoerde bezwaren van de onder hem ressorterende gemeenten. Volgens
hem is de tegenzin gestoeld op de overtuiging dat cholerazieken zich tegen
opname in een 'hospitaal' zullen verzetten, omdat ze vaak daardoor meer dan
twee uur van huis en haard verwijderd zijn.
De geneeswijze
der zieken volstaat slechts door aanpak van de symptomen braken, diarree en
spierkrampen. Kamillethee en soms opiumderivaten kunnen de darmen in enige mate
tot rust brengen, terwijl mosterdomslagen de spierkrampen tegengaan. Omdat
ongeveer de helft van de zieken aan de cholera bezwijkt, ligt de conclusie voor
de hand dat het alleen de sterke jeugdigen met veel uithoudingsvermogen zijn
die het redden.
3.het
verloop van de ziekte in 1832 en 1833
Het is lastig
te achterhalen hoeveel mensen er precies in de jaren 1832 en 1833 aan de
cholera zijn bezweken. Hoewel de gemeenten verplicht zijn om onmiddellijk hun
commissies te laten melden wanneer er een epidemie is uitgebroken, blijkt dat
niet altijd uit de provinciale stukken. Er zijn gemeenten die trouw melden als
er gevallen van cholera zijn ontdekt, anderen laten het erbij. Sommigen melden
het bij de districtscommissaris, anderen weer bij de provinciale commissie of
rechtstreeks bij de gouverneur. Als de ziekte uitbreekt zijn de plaatselijke
besturen verplicht dagelijks verslag uit te brengen over het verloop. Zo
beschikken we van Breda over een dagelijks verslag van het verloop, terwijl
's-Hertogenbosch het er aanvankelijk bij laat zitten. Zevenbergen, Capelle en
Almkerk doen trouw mee, maar Eindhoven en Waalwijk moeten aangespoord worden.
Tabel 1. Aantal doden in Noord Brabantse gemeenten
over de jaren 1832 en 1833 (vergeleken met de jaren 1848 en 1849) als gevolg
van cholera.
|
Gemeente |
1832 |
1833 |
1848/49[2] |
|
's
Hertogenbosch |
58 |
204 |
222 |
|
Breda |
46 |
0 |
158 |
|
Zevenbergen |
14 |
18 |
54 |
|
Eindhoven
e.o. |
|
13 |
62 |
|
Langstraat |
|
9 |
3 |
|
Bergen op
Zoom |
3 |
|
41 |
|
Land van
Heusden en Altena |
6 |
1 |
52 |
|
Helmond |
2 |
|
13 |
|
Geldrop |
|
|
21 |
|
Willemstad |
1 |
|
23 |
|
Overige
gemeenten |
7 |
29 |
158 |
|
Totaal |
137 |
274 |
807 |
Om een
vergelijking te hebben van de ernst van de epidemie zijn ook de cijfers over de
jaren 1848 en 1849 bijgevoegd. Hieruit blijkt dat er in die jaren ruim drie
keer zoveel doden zijn dan in 1833, een situatie die ook in Nederland zo ligt[3]
De
verspreiding van de ziekte heeft een grillig verloop, al valt het op dat ze in
het begin vooral de grensgebieden met de provincie Zuid Holland uitbreekt (Land
van Heusden en Altena en in het westen). Als eerste meldt Oud Gastel op 20 juni
als eerste dat ze een zieke vrouw hebben met verdachte symptomen, die echter
achteraf te snel gediagnostiseerd blijken te zijn als cholera. De eerste
patiënten in Nederland zijn twee Scheveningse zeelieden, bij wie de ziekte een
week later wordt ontdekt, waarna er in de vissersplaats vier doden te betreuren
zijn. Ruim een maand later (25-7) blijkt er een schipper afkomstig uit
Rotterdam in Almkerk met cholera besmet te zijn, die een dag later overlijdt.
Drie dagen lang meldt de burgemeester trouw dat de ziekte zich niet heeft
uitgebreid, maar op 30 juli is het in het aangrenzende Emmikhoven weer raak. De
schoenmakersknecht Arie Donkersloot komt uit Almkerk ziek bij zijn ouders terug
en overlijdt een dag later. Op die zelfde datum overlijdt ook een soldaat in de
garnizoensziekenzaal van Bergen op Zoom en op 3 augustus is de eerdergenoemde
Cornelis Dekkers in Capelle besmet, op dezelfde dag overlijdt een arbeider in
Fijnaart, op 6 augustus in Veen een schipper aan boord van zijn boot. Ook
kanonnier Casper Hendrik Hirt overlijdt op de ziekenzaal in Bergen op Zoom op
13 augustus en op 17 augustus breekt in Breda de cholera uit en twee dagen
later ook bij het bij Eindhoven gelegen Woensel.
Ook de grote
steden blijven niet gespaard. In Den Bosch heerst de cholera vanaf september
1832 en zijn er volgens latere opgave 58 doden onder de 88 patiënten. Op 17
augustus 1832 meldt de burgemeester van Breda " nadat voor weinige dagen alhier eenige twijfelachtige gevallen waren
voorgekomen, doch waaromtrent de Heeren geneeskunstoefenaren niet eenstemmig
schenen te denken, en waarom ook daarvan geen rapport is ingezonden, ontvangen
wij heden het berigt van de plaatselijke geneeskundige commissie dat de
Aziatische braakloop ook werkelijk binnen deze stad is uitgebroken, zijnde bij
haar van twee lijders aangifte gedaan."
Zevenbergen
dat op 31 augustus kennis maakt met de cholera heeft in de periode tot 15
september al 29 besmette mensen, van wie er acht overlijden en tien herstellen.
Uiteindelijk moet de gemeente met veertien doden een hoge prijs betalen.
Om een
gedetailleerder beeld van het ziekteverloop te krijgen, nemen we de stad Breda,
waar op 18 augustus de ziekte geconstateerd wordt. In veertien dagen tijds zijn
er 28 besmette mensen, van wie er negentien overlijden. In de maand september
komen er 31 gevallen bij en sterven er 24.
tabel 2. Overzicht verloop cholera in de stad Breda
in 1832
|
datum |
ziekte gevallen |
hersteld |
overleden |
|
18-8-1832 |
3 |
|
3 |
|
20-8 |
3 |
0 |
3 |
|
22-8 |
6 |
1 |
|
|
25-8 |
5 |
|
4 |
|
27-8 |
4 |
|
7 |
|
28-8 |
3 |
2 |
1 |
|
29-8 |
4 |
|
1 |
|
31-8 |
0 |
2 |
|
|
2-9 |
5 |
|
3 |
|
4-9 |
6 |
2 |
4 |
|
5-9 |
1 |
|
1 |
|
6-9 |
1 |
|
2 |
|
7-9 |
3 |
1 |
2 |
|
8-9 |
4 |
|
5 |
|
10-9 |
5 |
|
4 |
|
19-9 |
4 |
5 |
2 |
|
26-9 |
2 |
3 |
1 |
|
in deze
periode |
59 |
16 |
43 |
het verloop in
1833
In het begin
van 1833 schijnt de epidemie weer bedwongen te zijn, maar in de zomer van dat
jaar steekt zij in verschillende plaatsen in Noord Brabant de kop weer op. Dit
meldt de stadscommissie van Den Bosch aan de Raad. Het college van B & W
heeft de regenten over de armen verzocht de cholerazaal weer in orde te brengen
en de gevallen aan de provincie onmiddellijk door te geven. Overigens houdt de
raad zich aan het verzoek van de gouverneur er niet teveel publiciteit aan te
geven. Vanaf 21 juli worden de zieken en doden naar het hospitaal gebracht.
Aanvankelijk nog zo'n dertien per week, daarna loopt het iets af om dan eind
augustus weer snel te stijgen. Op 18 september horen wij dat de ziekte sinds de
dag tevoren aanmerkelijk is toegenomen. In de week van 6 oktober zijn er 27
overledenen en dan loopt het af om in de eerste week van november te
constateren dat de cholera voorbij is. Van de ruim 350 zieken vallen er 213 in
1833 in de hoofdstad van Brabant aan de cholerabacil ten offer.
tabel 3. Overzicht verloop cholera in de stad 's
Hertogenbosch in 1833
Geertruidenberg
is dit jaar de eerste gemeente die met de cholera te maken krijgt. Op 3 juli
komt beurtschipper Verschuuren met zijn knecht Adriaan Aarts uit Rotterdam .
Adriaan voelt zich niet goed, heeft braakneigingen, drinkt enkele kopjes thee
in een herberg, gaat weer naar zijn schip terug en wordt dan hevig ziek. Een
dag later beschrijft de ter hulp geroepen dokter Bibau de toestand van de
patiënt als volgt: "koude ledematen,
bedekt met een kleeverig zweet, kramp in de kuiten, sterke diphona, invalling
van het aangezicht, verloren veerkracht der huid, de vingeren bezet met
huidployen en van eene blaauwachtige kouleur, zeer gezonkene en kleine pols,
ophouding der urine en het uitbraken van eene stof evenals rijstwater."
Hij overlijdt. Het besmette vaartuig wordt uit de stadshaven naar de rede
gehaald en het schip wordt berookt. Ondanks deze maatregelen blijken er toch
twee oude mensen uit Geertruidenberg die voor hem wat kledingstukken hadden
gewassen besmet te zijn. Een man van 78 en een vrouw van 60 overlijden op 7 en
11 juli. In de loop van juli sterven er in deze stad nog zeven mensen.
Na
Geertruidenberg is Etten aan de beurt. Ook daar brengt een schippersknecht de
ziekte binnen de dorpsgrenzen. Klaas Jacobs wonend op het schip van Laurijs van
de Wijgert uit Leur wordt op 8 juli ziek en overlijdt daags daarna. Het schip
kwam van Vlaardingen via Rotterdam en vervoerde mest van Dordrecht naar Leur.
In Roosendaal
wordt op 15 juli al weer een schipper, Hartman genaamd, met de gevreesde
verschijnselen aangetroffen. Ook hij kwam daags tevoren uit Holland. Als gevolg
van een behoorlijke weerstand of door de medicijnen herstelt hij na enkele
dagen.
Een duidelijk
epidemisch karakter heeft de cholera in Zevenbergen: het begint met drie
gevallen van cholera vanaf 17 juli. Eén van hen is al weer een schipper die van
Rotterdam komt, de ander is een vlaskweker uit 's Gravendeel onder Dordrecht
die op 17 juli overlijdt en de vrouw die bij hem oppaste vier dagen later. In
augustus is het verloop wat minder dramatisch en aan het einde van de maand is
het over. Opgeteld zijn er 48 personen ziek, van wie er achttien overlijden.
Waalwijk telt
drie doden, in Waspik zijn vier kinderen aangetast die allen dood gaan, een
ingekwartierde militair in Dinteloord bezwijkt en met hem de vrouw des huizes
en haar kind. In Eindhoven zijn er aan het eind van het jaar dertien doden
onder de achttien zieken.
Voorzichtig
gesteld kunnen we concluderen dat over beide jaren de grootste haarden in de
steden Den Bosch, Breda en Eindhoven met omstreken geweest zijn en dat vooral
de gebieden in het westen van Noord Brabant niet gespaard blijven. Wel
opvallend is dat de stad Tilburg met zijn 12000 inwoners zegt gespaard te zijn
gebleven, wat op zich al een studie waard zou zijn, want op 2 augustus 1832
schrijft de gouverneur nog " ik ben geïnformeerd dat in Uwe stad niets van
eenig belang is voorbereid, althans ingerigt, om, indien onverhoopt de
choleraziekte aldaar kwam uit te breeken in de behoorlijke behandeling der
lijders te kunnen voorzien."
4.Kostenaspect
Dat met de
preventie en de bestrijding ervan veel geld gemoeid is, laat zich raden. Hoewel
het over de gehele provincie lastig is na te gaan voor welke uitgaven de
provincie en de gemeenten zich gesteld zien, kunnen de gemeente-uitgaven van
Werkendam misschien dienen als indicatie.
Deze gemeente
huurt van één van haar bewoners een huis voor / 50,- om daar de
cholerapatiënten in onder te brengen, maar daarmee zijn ze er nog niet. Ze
kopen in Haarlem een badkuip voor de somma van / 39,10, moeten / 42,- aam
medicamenten uitgeven, zijn / 119,- kwijt aan ziekenoppassers, / 91,80 voor de
levering van dekens, lakens en hemden en / 23,80 voor het aanschaffen en
plaatsen van een fornuis. Daarnaast moet het huis nog bruikbaar gemaakt worden
en zijn timmerlui, metselaars en andere werklieden dure arbeidskrachten. In het
totaal betaalt de gemeente een kleine zes honderd gulden. Uitgaande van een
bevolking van 1500 mensen is dat / 0,40 per inwoner.
|
nota
Werkendam verkleind |
In de
vergadering van 7 augustus 1832 komt het verslag van de stadscommissie uit 's
Hertogenbosch aan de orde. Uit het overleg dat deze commissie had met de heren
regenten over de armen blijkt dat er geld nodig is voor het aanschaffen van
levensmiddelen, medicamenten en dergelijke als ook het betalen van aangestelde
ziekenoppassers. Zij oordeelt dat er / 3.000,- uit de stadskas ter beschikking
moet komen. Uit het raadsverslag is af te leiden dat de ziekte al in Den Bosch
heeft toegeslagen. "dat er gelden
zullen benoodigd wezen, indien die ongelukkige ziekte langer heerschen
blijft..."[4] Ook als de
regenten op 23 februari 1833 rekening en verantwoording afleggen over de gedane
uitgaven blijkt daaruit dat er in Den Bosch de cholera morbus geheerst heeft.
Aan de regenten wordt een bedrag van / 1528,48 gerestitueerd, terwijl de
gemeente de medicamenten die zij destijds aankocht voor / 699,75 aan de
apotheker van het gasthuis doorverkopen.
Breda krijgt
een conflict tussen B&W en de plaatselijke commissie over de vraag of het
beddegoed en de kleding van de gestorven choleralijders (armen) nu wel of niet
begraven of verbrand moeten worden of niet. De raad, die dat te duur vindt,
meent dat ook "berooking of
opkooking, zooals elders ook geschiedt" voldoende is. Omdat de
plaatselijke commissie niet overtuigd is, vraagt de raad aan B&W Rotterdam,
waar deze goedkopere methode wordt toegepast, of deze voldoet. Uit het antwoord
van Rotterdam dat Breda naar de commissie stuurt, begrijpen wij dat het
beddegoed aldaar door "behoedzame
berooking en wassing wordt gezuiverd, maar slechts de kleedingstukken van
schutters op stadskosten verstrekt en welke aan die epidemie zijn
overleden worden verbrand"[5]
5.Conclusie
1832 en 1833
Staan ook in Noord Brabant aangemerkt als jaren van grote verontrusting als
gevolg van een vreemde ziekte die ons land binnensluipt en die nadien telkens
weer terugkeert. De medici zitten met de handen in het haar, vagelijk weten zij
dat de ziekte hygiënische kanten heeft en dringen zij er bij de overheid op aan
om maatregelen te treffen tegen de vervuiling die kennelijk in die tijd een
groot zorgenkind is. Hoewel Robert Koch pas aan het eind van de eeuw de
gewraakte bacterie ontdekt, slagen enkelen er al veel eerder in om preventief
te werken. Drinkwater wordt al vrij snel aangemerkt als overdragend middel.
Bronwater blijkt in vele streken ertoe bij te dragen dat de cholera zich niet
of nagenoeg niet verbreidt. Om die reden blijken de grote steden eerder het
mikpunt van de besmetting dan de dorpen, hetgeen niet wil zeggen dat ook daar niet
af en toe doden vallen.
Wat sterk
opvalt is dat de ziekte vaak begint bij schippers en militairen. De
eerstgenoemden komen bijna allemaal uit Holland, waar zij de besmetting
oplopen. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat deze beroepsgroep door het verstoken
zijn van bronwater gebruik maakt van oppervlaktewater dat in de buurt van
epidemische gebieden met de cholerabacil geïnfecteerd is. Ook militairen zullen
in hun kazernering niet altijd van bronwater gebruik kunnen maken en zijn
sloten of kanalen bij de oefeningen gewilde plekken om de dorst te lessen.
Bij de
bestrijding van de cholera grijpen mensen regelmatig naar zware chemische
middelen, waaronder chloor in de vorm van gas (beroken) of als vloeistof
kwistig gebruikt wordt. Of deze werkwijze effectief geweest zal zijn, wagen wij
te betwijfelen omdat het gevaar eerder gezocht moet worden in het drinkwater
dan in kledingstukken en de geplaveide straten. In 1867 is de gemeente 's
Hertogenbosch dicht bij de waarheid als zij ontdekken dat het water van
verscheidene stadspompen sporen van poep en urine tonen.
Door enkele
doktersrapporten is het verloop van de ziekte vrij nauwkeurig te volgen.
Standaard treffen we de aanduiding rijstewater bij de diarree en het braaksel
aan, altijd volgen de hevige krampen in de kuiten, die dan met mosterdpleisters
worden tegengegaan. Indien de patiënten overlijden is heeft de ziekte een snel
verloop, soms binnen een etmaal.
Na 1833 duurt
het vijftien jaar voordat de gevreesde epidemie weer terugkomt, maar dan in
veel heviger mate, terwijl ook de slechte jaren ervoor met de aardappelmisoogst
zeker ertoe bijgedragen heeft dat er meer slachtoffers zijn gevallen.
Klaas de
Graaff
maart 1996
Bronnen
Rijksarchief
's-Hertogenbosch ( inkomende en uitgaande brieven van de gouverneur van de
provincie Noord Brabant inv.nrs. 642 t/m 645 en 685 t/m 702)
Streekarchief
Eindhoven ( correspondentie van het gemeentebestuur )
Gemeente-archief
Breda ( correspondentie gemeentebestuur )
Stadsarchief
's-Hertogenbosch (raadsbesluiten)
Hart, P.D.'t :
Utrecht en de cholera.1832-1910. Utrecht, 1990
Noten
[1].Toch
stuurt de gouverneur van Noord Brabant begin 1833 enkele gemeenten, waaronder
Eindhoven een brief waarin hij insluit " een exemplaar van zeker in druk uitgegeven geschrift getiteld vruchten
mijner ondervinding in het afweren en genezen der cholera door C.L.Blumer
med.et phil.doctor, ridder der orden van den Nederlandschen Leeuw Hoogleraar te
Leijden" in SA Eindhoven inv.nr.1507 dd.11-1-1833
[2].Volgens
een opgave van de gemeenten uit 1849
[3].Volgens
't Hart ruim 22.000 (NB niet meegeteld), vier keer zoveel als in 1833
[4].Raadsbesluit
Den Bosch dd.7-8-1832 nr.14
[5].GA
Breda inv.nr.I,3/4,365 stukken dd.23-8-1832,31-8-1832 en 7-9-1832