CRIMINELE JONGEREN EN HET SPOOK VAN DE RECIDIVE

 

Ruim de helft van de jongeren die achter slot en grendel zaten, vervallen in hun oude patroon. Het patroon van stelen, drugshandel, geweld en verkrachtingen. Het bericht stond verloren tussen het Aziatische golfgeweld op pagina zeven van het ochtendblad Trouw. De pedagoge Van Dam van de Radboud Universiteit Nijmegen die dit cijfer berekende na haar onderzoek in de jeugdinrichting de Hunnerberg in dezelfde gemeente was er niet van geschrokken.  Zij had kennelijk erger verwacht.  Andere onderzoekers toonden in 2002 een navenant optimistisch beeld .”Slechts” vier op de honderd jongeren komen in aanraking met de politie, zo stelden zij. En van hen zou enkel een fractie zich te buiten gaan aan geweld.  Zo’n 1700 jongeren verblijven tijdelijk in justitiële jeugdinrichtingen. Dat is dus beduidend lager dan de tien keer zo hoge bezetting van volwassenen in strafinrichtingen.  In die gesloten inrichtingen krijgen de 12 tot 18 jarigen een behandeling die tot doel heeft ze te leren zich binnen sociale grenzen te handhaven.  Dat wil zeggen dat zij met hun gedrag rekening houden met wetten, regels, normen en verwachtingen.  Toch blijken dus alle inspanningen van de opvoeders uit de inrichting onvoldoende zoden aan de dijk te zetten. Want als de helft recidiveert geeft dat toch te denken.

 

Van Dam zoekt de oorzaak van het recidivecijfer in de gebrekkige nazorg na de detentie.  Dat noemde ook de notitie Operatie Jong met de ondertitel “Sterk en resultaat gericht voor de jeugd” een opvallend knelpunt. Dit kabinetsgeschrift dat eind juni vorig jaar aan de Tweede Kamer werd aangeboden achtte dit manco een gevolg van het slechte imago van de gedetineerde jongeren.  Dat zou voor hen die na de detentie met goede voornemens in een andere regio een nieuwe kans willen krijgen schier onmogelijk zijn. Ook de rijksinrichting voor jongens Den Engh in Den Dolder is sterk gefocused op training van hun pupillen op hun gedrag als deze weer naar buiten treden. In de komende jaren zullen onderzoekers 150 van hen volgen of de hun aangeleerde gedragsverandering is blijven hangen. Onderzoek is mooi en zal nuttig zijn, maar weinig staat vermeld in hoeverre er sprake is van een geleidelijk programma naar een volkomen vrijheid.

 

Oud premier Ruud Lubbers propageerde in 1993 tijdens een verkiezingsbijeenkomst van zijn partij de zogeheten jeugdkampementen. Een stevige aanpak van de misdadige jeugd zou het electoraat zeker aanspreken. Een harde hand zou de jeugd wel weer terugvoeren van het verkeerde pad. De Rolpaal ging als eerste Jeugd Werk Inrichting (JWI) in januari 1994 in het Drentse Veenhuizen van start. Twintig jongeren tussen 18 en 23 jaar met een straf van minstens zes maanden tot twee jaar  kwamen voor een stevige aanpak in aanmerking.  Een half jaar kregen zij in een zogenaamde onderbouw een fysiek zwaar trainingsprogramma om daarna  nog in een minder strak programma, dichter bij huis.  Moesten de knullen in De Rolpaal nog zware bosarbeid verrichtten, in de vervolginrichting werden zij voorbereid op een baan. In het Drentse veengebied werden ze voor het minste of geringste overtreding van de regels op de vingers getikt. Maar in het tweede huis wilden ze niet op alle slakken zou leggen en zag men het een en ander door de vingers. En daar begon het fout te lopen. De aangehaalde touwtjes werden te vlug gevierd. Het verschil tussen beide regiems was te groot. Structuur en discipline in De Rolpaal bleken goed aan te slaan, maar de periode was kennelijk te kort voor de ommezwaai naar meer vrijheid.  Aan de hoge verwachtingen had het experiment in de twee jaar van zijn bestaan dus weinig of niet beantwoord.

 

Eigenlijk hadden die kampementen best een reden van bestaan gehad. Stuurloze jongeren, en daar behoren ook de twaalf tot achttienjarigen toe , die getoond hebben dat zij in de samenleving bij voortduring een ernstige stoorzender zijn, zitten verlegen om structuur en discipline. Omdat ze deze beide levensteugels blijkbaar niet of in onvoldoende mate hebben ervaren, zou een justitieel ingrijpen in dit tekort uitkomst kunnen bieden. De eerder beproefde zes maanden van strikte naleving van leefregels zal zeker verlengd moeten worden. Daarna zal een zeer geleidelijke groei naar meer vrijheid met een stimulans voor de eigen verantwoordelijkheid nog jaren in beslag nemen. Het verbreken van de oude banden waarin gemeenschapszin en respect voor anderen ver te zoeken waren, zal voor velen een noodzakelijke vervolgstap zijn. Detentie zonder uitzicht op een zinvolle voortzetting in de richting van een stabiele omgeving kan misschien voor hen die alleen op vergelding uit zijn, bevrediging schenken. Maar het helpt niet in de zin van het verminderen van recidive. Wat soms jaren scheef gegroeid is, kan onmogelijk in een tijdsbestek van één of twee jaar recht getrokken worden. Het zal dus met geleidelijke vergroting van vrijheidsgraden gepaard moeten gaan en dan nog zal terugval  teleurstelling veroorzaken.

 

Gepubliceerd in De Gelderlander en BN/De Stem op zaterdag 15 januari 2005