

Een
ezel in de bibliotheek
die
nooit meer in de boeken keek.
Hoe
komt dat nou, dat is toch vreemd ?
Die
ezel voelde zich ontheemd.
Hij
moest zich aan die juffrouw storen,
die
telkens zei
maak in dat boek geen ezelsoren.

Een
kalf stond peinzend bij een put
en
dacht wat heeft die put voor nut?
Want
van de wadden tot in de Kempen
zal
men die put waarschijnlijk dempen.
Maar
als ik terugkeer naar mijn stal
is
’t zeker dat die put er blijven zal.

Broeder
konijn sprak in een hoed
wat
jammer dat ik hier niet blijven moet,
want elke keer, ik zal niet jokken
word
ik hier aan mijn oren uit getrokken.
En
waar ik nog het meest van baal:
dat
al die mensen klappen in die zaal.
Een
culinaire ezel met veel smaak
zat
met zijn vriendin in een broodjeszaak.
Zij
was heel handig en ook niet lui
zij
breide daar een heuse trui.
Op
het menu stond balkenbrij.
Ik
moet die niet sprak ezel-zij
zeg
maar
dat
ik die balken zelf wel brei.

Een
oude koe stond in de sloot
terwijl zij er haar neusje snoot.
Het
ging daarbij om groot verdriet,
want redding was er immers niet.
Want
wie wil mij de sloot uit trekken?
Dat
zijn de dwazen en de gekken.
Dus
houd ik maar een natte voet
en
ook voor strakjes goede moed.
O
was ik maar een nobel paard
dan
had ik met zijn sprong
mijn voet gespaard.

Een
chimpansee uit Grouw
had
zich verstopt in enen mouw.
’t
Zat niet zo lekker en ’t zat strak.
Maar
ach die aap hield zijn gemak.
‘ k
Hou mij onnozel en ook dom
als
ik straks ineens te voorschijn kom.
De
mensen schrikken zich een aap,
maar dat is beter dan ik op apegaap.

Dag
hommel, zei een slanke bij,
moet jij niet nodig af gaan vallen,
op
die manier ben je niet vrij,
dat
lijf van jouw is van de mallen.
Heb
geen kapsones, bromde de hom,
smeer jij je honing maar om hun monden,
werk jij je levenslang maar krom
dan
hoor ik liever bij die ronden.

Ik
sta voor aap, zei juffrouw beer,
ze
vinden mij hier ongelikt,
ik
denk dat ik maar emigreer,
naar streken waar het beter klikt,
en
als ik het daar niet verpruts
dan
noemt men mij geen berenmuts.
Een
luis verzuchtte op een hoofd
wat
is mij ooit toch eens beloofd
een
leven op een zere kop
maar dit gezonde hoofd is flop.
Een
zwaluw vloog in Drente
en
rustte uit op ene hunnebed
één
zwaluw maakt immers geen lente
anders word ik daar weg gezet.

Hij
hield van wandelen de beer
maar waarom spraken zij toch elke keer
over de beren op een pad
wat
moet ik toch met dat gekat
doe
dan een andere bril maar op, mijnheer
Een
aapje zonder eigen bed
had
gisteren niet opgelet
men
had mij dus wat aangesmeerd
men
was dus in dit dier gelogeerd.